Een acht en twintigtal voorwerpen uit de natuurlijke geschiedenis, geschikt voor rederijkers- & nutsvoordrachten, in den trant van de gedichten van den schoolmeester, met een aanbevelend woord van wijlen Mr. J. Van Lennep

Part 3

Chapter 33,270 wordsPublic domain

Een duif, Is voor een sperwer een lekkere kluif, En goed gebraden, Zal de mensch haar ook niet versmaden; Doch zoo men aan iemand, die ferm eten kan, vroeg, Je hebt zeker aan een duif niet genoeg, Dan zou hij zeggen, »een stuk of vijf »Gaan er met gemak in mijn lijf,” Ook dien je daarbij te weten, Dat om smakelijk gebraden duiven te eten, Appelmoes en de noodige saus niet mag worden vergeten, Tevens moeten het jonge duiven zijn, wel te verstaan, Want ouden zijn taai, en daar is niet veel aan. De duif is of wild of tam, En de eerste is het, die vroeger op aarde kwam, 't Was in den tijd, toen er nog geen duiventillen waren, En alvus van duiven nog niet dienen kon voor de groei van baard en haren, Duivenmelkers waren toen als de onbekende X of Z, En ploerten schoten nog niet onder een andermans duiven met pret, Dit schijnt nu geoorloofd onder een nieuwere wet, Aan hun die 't geweten wat uit hebben gezet, Doch wier oogen dikwerf schuilen onder den rand van den hoed of de pet.-- In dien tijd, toen de tamme duif nog niet was geboren, Droegen de dametjes nog geen gouden duifjes in de ooren, Op 't onrustige hartje prijkte tevens niet mede, Het lieve duifje en broche, als symbool van de vrede, Maar alles verandert, en de tamme duif, Staat nu voor 't bakje te eten, als een paard voor de ruif, Zoolang men echter geen purpere druif, Van een wilgenboom kan lezen, Zullen er _wilde_ duiven en _wilde_ menschen wezen, Hetgeen thans in een groote stad op een kermisnacht kan worden bewezen. Onder de duiven die werden beroemd, Kan in de eerste plaats die van de groote watervloed worden genoemd, Zij was de bodinne des vredes, die met een olijftak wou komen, Doch voor de derde maal los, heeft men niets meer van haar vernomen, Geen wonder, want zij kon nu weer 't nestje bouwen in een van de boomen, Uit wat twijgjes, die zij van den droogen grond had opgenomen. Het duifje van Anacreon, Was een lief diertje, dat goed babbelen kon, Ook was dit bij de pinken, Om een dansje te maken en wijn te drinken, Bovendien had de dichter van dit beestje veel pleizier, Want het bezorgde hem de brieven en 's nachts bewaakte het zijn lier. No. 3 waarover we nu spreken, Was Mahomed's duif, die hem hielp in 't preeken, Om geloof te krijgen bij zijne leeken;-- Bij zijne theologische verklaring, Gaf toch, volgens zijn zeggen, de duif aan hem eene bijzondere openbaring, Wel vloog het diertje naar hem toe, als hij hield een speech, Maar van een revelatie bestond natuurlijk niets, De duif was geleerd, uit zijn oor te pikken wat duivenboonen of graan, En de beste plaats hiervoor was op een van zijn schouders te staan, Op zijn neus immers zou 't moeijelijk gaan; Kortom de gemeente keek de vertooning met groote oogen aan, Geloofde en was door 't mirakel voldaan, Ja, scheen zelfs buitengewoon te zijn gesticht, Hetgeen men zien kon aan ieders gezigt; Een duif rekent het echter tot pligt, Zooals men uit de Natuurlijke geschiedenis kan leeren, Om tegen het Mahomedaansche huwelijks-begrip te protesteeren, Daarom neemt een duif slechts eene levensgezellin tot vrouw, En als er sprake is van reine liefde en huwelijkstrouw, Dan schijnt men daarvoor 't beeld van een paar duifjes te behoeven, Die in een schaduwrijke linde te zamen vertoeven, En te midden van rozengeur en maneschijn, Uitermate zeer gelukkig zijn, Enfin, Het kan gebeuren, Dat menschen na die geur en na dat licht treuren, Doch een duif heeft men nog nooit een tijger zien verscheuren, Ook neemt men aan dat haar gemoed van zachtheid _vol_ is, Hetgeen reeds Horatius uitdrukte door 't woord _mollis_. No. 4 was iemand, Bijzonder galant, Die een deftige vergadering hielp uit den brand, Toen er geen olie was bij de hand, Waarmeê mijnheer Clovis moest worden ingewreven, Of gezalfd, dat is om 't even, Die duif nu kwam met een fleschje aanzweven, En ze verwierf zich niet weinig glorie, Als men bemerkte, dat dit gevuld was met de gewenschte olie, Dit is een historie, Die mystieken niet ligt verliezen uit hun memorie, Maar waarover rationalisten, Niet ligt te zamen zullen twisten. Duif no. 5, Houdt in den sterrenhemel haar verblijf, Zij vond, Haar geboortegrond, Nabij een haas en een hond, Doch er moesten eeuwen verloopen, Voor Mr. Roijer haar heeft willen doopen. Uit de Natuurlijke geschiedenis kan ons blijken, Dat er duiven zijn, die op menschen gelijken, 't Is b. v. de kropper, waarbij men een overeenkomst vindt, Van een persoon, die opgeblazen is door wind, Raadsheeren zijn die deftige aristocraten, Die zich, met al wat liberaal is, niet inlaten, En alle vooruitgang haten; Paauwstaarten zijn aan die dames gelijk, Die hun japonnen niet laten sleepen door 't slijk, En het tortelduifje in de kooi, Geeft ons een mooi, Allooi, Van een babbelend wijfje, dat dra prikkelbaar is en boos, Als men zegt, Je duif helpt niets tegen je roos. Ten slotte: Hoogvliegers en tuimelaars zijn er altijd geweest, Zooals men uit de geschiedenis van Icarus leest.

DE EZEL.

(_Equus asinus_).

Een ezel is iemand, Die zich _onos_ laat noemen in Griekenland, En die hier bij den burgerlijken stand, Van wege zijn signalement Ook als mijnheer graauwtje of langoor is bekend. Buiten zijn weten, Wordt hij voor dom versleten, En domme menschen worden ezels geheeten; Men mag echter niet vergeten, Dat er onder die 4-voetige ezels, geen, Zich tweemaal zal stooten aan denzelfden steen, En hij is op dit punt dus geen breekebeen. De Natuurlijke geschiedenis, Leert dat er onder de bimana menigeen dom is, En zoo men domme menschen en ezels moest tellen in ieder dorp of stad, Dan is het zeker dat men meer van de eerste dan van de laatste had. Zijn ~I-A~, ~I-A~, of stemgeluid, Munt niet in bevalligheid uit, En toch is dat gebalk van een ezel, Nog verre te prefereren dan de praat van een mystieken kwezel. Onder zijne eigenschappen worden ook begrepen, Op rug en schouders de zoogenaamde aalstrepen, Waarvan de eene zich met de andere verbindt En waardoor men het sijmbool van ezels aardsche loopbaan vindt. Zijn lange ooren, Kan hij laten balanceren, zijwaarts, naar achteren en voren, Natuurlijk dat zoo'n figuur niet mooi bij een mensch moet staan, Althans koning #Midas# had er 't land aan, Toen hij zoodanig cadeau, Gekregen had van Apollo; Een ezel hoort gaarne, _ho_, _ho_, Doch met _vort_, _vort_, is dit niet zoo, En wat betreft een por of een stoot, Daar heeft hij een broer aan dood, Trouwens een ezel moet soms nog al hard werken en sjouwen En wordt verhapzakt, dat het bijna niet is om uit te houën, Evenwel, blijft hij zich onderscheiden door een geduldig temperament, Is in den regel tevreden, en met slecht voedsel content, Welligt denkt hij aan 't bizakken komt éénmaal toch een end, Wat helpt 't me toch al het chagrijn, Er moeten immers zoowel martelaars als apostelen zijn; Doch hoewel een ezel van nature goed is Zoo wordt hij koppig en boos, als men hem te veel gebruikt voor een voetwisch. Ten slotte: Muildieren en muilezels hebben met hem een familie-relatie, Doch omdat ze te groot in de wereld zijn houden ze met hem geen conversatie, Schilders houden er van om met ezels om te gaan, Doch dat zijn voorwerpen, die op 3 pooten staan.

DE SNOEK.

(_Esox lucius_).

De snoek, Staat als de wolf der wat'ren te boek, En voor zijn tijdverdrijf, Staat hij er uren lang stok stijf, Waardoor men zou denken, hij heeft niet veel om 't lijf; Doch volgens de natuurlijke geschiedenis, Is dit denkbeeld geheel en al mis, Want zoodra de druiloor, Een lekker hapje krijgt in het spoor, Dan gaat het er van door. Sinjeur Esox lucius, Wordt de vliegende Mercurius Een wezen dat bij de pinken is, Waar wat te eten en te drinken is.-- 't Is een binnenvetter, Die niet slechts naar de letter, Maar in de praktijk van het leven, Het uitmuntend voorbeeld wil geven, Dat hij excellent, Het spreekwoord: »haast u langzaam kent;” Een snoek heeft een kop die plat is, En houdt bijzonder veel van katvisch, Doch waar een kat meermalen overdoet op een diné, Dat neemt die gulzigaard in één slok meê, Trouwens in zijn muil, Houden zich meer dan 700 tanden schuil, Altijd mooi wit en nooit vuil; Vooraan, Heeft hij 4 neusgaten staan, En van achteren draagt hij een staart, Dien hij stuurt in zijn vaart, Van zoodanig een snee, Als de nieuwerwetsche bef van een dominé. In een sloot Waar een snoek ligt zijn neus stoot, Wordt hij zelden groot, Ook zijn grootmoeder was er gaauw dood, Die tegen haar verlangen In een strik was blijven hangen. De kuil en de koperdraad, Zijn voor ons een groot kwaad, Zegt snoekjemaat; Doch die praat, Geeft weinig baat, Want door het menschelijk vernuft Wordt een snoek overbluft.-- In een kil of wiel, Wordt een snoek wel ééns een oude ziel, En snoeken die daar willen trouwen Kunnen er de gouden bruiloft houën, Zooals de fabel zeit, Zegt ega snoek bij die gelegenheid, (Want ze is om een praatje verlegen,) Wat een zegen, Hebben we toch gekregen! Maar mijnheer snoek Wordt op dat gezegde, zoo bleek als een doek, Waarop hij dieper schuilt in zijn hoek, En antwoordt: van dat ding van een zegen, Had ik liever dat je thans hadt gezwegen, Je weet immers dat dat woord, Terstond mijn humeur stoort, Enz. We dienen op den ouden dag nu bijzonder te zorgen, Dat dat machine ons niet brengt tusschen hangen en worgen, Goede morgen!! En het snoekenpaar, Roert dan weêr aan een and're snaar En pakt een slokje klaar; Het is waar, Dat een snoek kan worden 100 jaar, En wel 15 kilo zwaar, Doch het is een canard, Dat die oude luitjes toertjes of pruiken, Uit mos gefabriceerd, tegen de kou zouden gebruiken.-- Iemand die in hengelen is gepromoveerd, Zegt dat een snoek te vangen bijzonder amuseert, Want al verslijt, Hij ook nog zooveel tijd, Voor dat een snoek goed doorbijt, Zoo noemt hij het toch één van de pleizierigste dingen, Doch de natuurlijke geschiedenis zegt, er zijn geen regels zonder uitzonderingen En voegt er nog bij, Ieder vischt op zijn getij, Doch wie zal er naar verlangen? 's Winters een snoek te vangen-- Als: klets, plas, druipnat, en de kegels dra aan de haren hangen, En wien men dan, als een snoek zoo koud, Nog wil uitlagchen, of voor den gek houdt.-- Als men een snoek vangen mag, Dan slaat men wel ééns twee vliegen in een slag; Zoo'n geval, Is niet met al, En men gooit no. 2 maar doodeenvoudig bij den afval. Doch hoe viesneuzig zal de keukenmeid kijken, Als er lijken, Van een kikvorsch of waterrat, Een muis of pad, Een nuchtere kat, Die men tot baaijen gedwongen had, Ja al niet wat, Door de keizerssneê uit de schuilhoeken, Voor den dag komen bij de snoeken, Geen wonder dat het alsdan bij die meid raar om haar _hart_ is, En ze zegt dat die vieze visch van daag niet haar part is. Enfin, raakt de meid door zoo'n snoek van haar stuk, Een phijsioloog beschouwt dit als gevolg van een phijsische indruk, En hij zal met veel kennis weten te betoogen, Dat er een verband bestaat tusschen maag, hersenen en oogen, En gelijk een telegram snelt van Utrecht naar den Haag, Voeren hier zenuwdraden d'indruk van gezigt op de maag. Als medicament, Was snoekenvet vroeger bekend, En om de kracht er van te verhoogen, Moest men het eerst in de zon of schoorsteen laten uitdroogen, Ook zijn kieuwblad, Gaf men aan een mensch, die een kramp-kolijk had, Later bleek, Dat ze geen waarde hadden in de apotheek, En daarom kan men ze rangschikken onder die zaken, Die met regt vergeten raken.-- En nu: Is een snoek nog minnekes, Dan heeft hij natuurlijk vinnekes, En kleine snoeken noemt men pinnekes, Een groot verschil Zoo men den naam in 't Maleisch hooren wil, Want een kleine snoek heet dan _Ikang katjil_. Tot besluit, Men vindt 148.000 eijeren in de kuit, Ik moet u echter vertellen, Dat het geduld vereischt ze natetellen.

DE AAP.

(_Simia Silvanus_).

#Darwin#, een Engelsche naturalist, Die naar zijn idee meer dan andere menschen wist, Leert ons dat het menschelijk geslacht Uit de apen is voortgebragt. Die transmutatie, om dat woord hier te gebruiken, Ging zachtjes aan, en langzamer als nu uit een ei komt een kuiken. Of zijn stelsel nu waarheid zij of wel een logen, Dit zullen wij hier ter plaatse thans niet betoogen; Nogthans kan men zeggen, dat menig een knaap Veel overeenkomst heeft met een aangekleeden aap, En dat veel menschen in hunne manieren Precies gelijken op deze dieren. Overigens misgunnen wij het geloof aan een ander niet, Die zijn afkomst in den stamboom der apen ziet, Al was 't ook, zoo hij meende, dat nog drie kwart apenbloed door zijn aderen vliet, Daar van nature een aap Geen wol draagt zooals een schaap En niet tegen de kou kan gelijk de noordpoolbeeren, Zoo zal niemand mij opponeren Wanneer ik zeg, dat hij een Oostersch klimaat Verre prefereert boven felle vorst hier buiten op straat. In kunsten te maken is hij een groote mijnheer En als hij pas is in de leer Rijdt hij op kermis te paard, ik bedoel op een hond, Met een rood pakje aan, mutsje op, en slaat dan een front, Maar werpt ook wel zijne begeerige oogen rond Of hij niets te verorberen vond En hij ruikt dan spoedig lont, Wanneer hij iets ziet op den grond Dat aantrekkelijk is voor zijn mond, Bijv. een appel of een noot, naar hem toegeworpen door een jongen, Waardoor onze sinjeur dikwerf uit het zadel is gesprongen; En zonder moeite zien wij dan al weer, Dat ook bij apen de natuur gaat boven de leer. Klimmen en klouteren kan hij beter dan een matroos, Doch het dier maakt zich dikwijls geweldig boos En beweegt dan grimmig zijne kaken, Zoodat het geen katje is om zonder handschoenen aan te raken. Daar echter volgens de natuurlijke geschiedenis Een karaktertrek van de apen is, Na te apen wat de menschen doen, Zoo rekent hij driftig worden niet meer dan pligt en fatsoen.

DE KIKVORSCH.

(_Rana esculenta_).

De kikvorsch is een dier, Dat op zijn manier, Zooals op het ondermaansche hier, Leeft in verdriet en pleizier. In het springen is hij uitermate vlug, Vooral als een ooijevaar loopt achter zijn rug, Want die steltlooper is altijd tegen hem stug, Even als eene jonge jufvrouw, die slapen wil, tegen een gonzende en stekende mug. Lust voor zoo'n eibers luchtreis heeft hij ook niet; 't Is daarom dat hij dien vijand ontvliedt, En, hoe op rood verzot, die kleur van zijn pooten toch niet graag ziet. Het is dan ook gansch niet malsch Om zoo kop over hals En dat op een manier zoo valsch, Te komen in den krop Van dien gulzigen slikop. Want de zucht om te willen blijven leven Is door de Natuur Aan het creatuur, Kikker genaamd, ook gratis gegeven. Tegen een Franschman heeft hij mede een puist, Omdat door hem menige kikker naar de onderwereld verhuist, En het gansche lijf kan hem beven en trillen, Als hij bedenkt dat de Franzosen hem kunnen villen, Dewijl deze zoo verlekkerd zijn op zijn billen, Die ze stoven en braden willen; Ja, hij zou door pure angst er van kunnen gillen, En heeft dan 't land nog erger dan een patient tegen asa foetida (ik bedoel duivelsdrek-pillen.) Het dient ook verder van den kikvorsch te worden gezeid, Dat hij kitteloorig is, als hij onder het mikroskoop wordt geleid, En dan medici, die physiologie bestuderen, In het zwemvlies zijner pooten observeren Hoe de bloedbolletjes in de vaatjes circuleren, Of ook wel langs dien weg experimenteren Om verschijnselen van inflammatie te constateren. Hij houdt echter die studie voor niets dan louter hem te tourmenteren, Vooral als die naar waarheid zoekende heeren Hem bovendien nog willen dissequeren, Om van slijmvlies en zenuwpræparaatjes te formeren, Waaruit ze veel dingen kunnen leeren. Bijv. #Dr. Galvani# leerde ons hierdoor later het telegrapheren, Waarom hij ten sterkste tegen deze Geschichte blijft protesteren. Uit dit protest van hem kan worden afgeleid, Dat zelfs koudbloedigheid, En dit is een allerbelangrijkst feit, Kan bezitten eene tegenstrevende kitteloorigheid. Gaan we onzen sinjeur verder beschouwen, Zoo zien wij, dat hij een afkeer heeft van een nestje te bouwen, Ik bedoel hier uit veertjes of uit wat stroo. Enfin hij leeft maar #_sub divo_#, En is vroeg of laat, Te water of op straat. Hierbij voegt nog de natuurlijke geschiedenis, Dat hij 's winters zeer slaperig is; Dan kan hij uitermate lang slapen Zoo dat een mensch hem daarin niet na kan apen. Als hij in 't voorjaar de slaap uit zijn kijkers strijkt, En daardoor goed uit zijn oogen kijkt, Dan krijgt hij (dat spreekt van zelf) een vrouwtje dat hem lijkt, En het is een groot comfort voor die dieren, Zoo maar te kunnen trouwen zonder de pampieren. Het wijfje legt eijeren, en wel zeer veel. Zoo althans dit nummer een huishen viel ten deel, Zou men meer hooren van eijeren pellen; Doch nu is het met de eijeren: »Boer, pas op je tellen,” Vooral ook sedert de vleeschetende Engelsche natie Voor dat begeerlijk ding van Cats gekregen heeft eene sterke inclinatie. Verder kan men zeggen van die dieren, Dat ze voor hunne jongen hebben bijzondere educatie-manieren, Ik bedoel hiermede, dat ze 't houden voor fatsoen, Om voor de opvoeding van hun kroost niets te doen. Het _self-help_ is bij hen eene vaste wet En volgens den naturalist Martinet Weten die jongen zich dikwijls te metamorphoseren En verwisselen wel zestien maal van kleêren, Zonder het van vader of moeder te hebben kunnen leeren, En als ze dan aan hebben het laatste pakkie, Dan gelijken ze precies op hun ouders zonder broekje of jakkie. Is het wonder, dat die autodidactische manier van leven Als hij grooter is hem winste zal geven, Zeker is het althans, dat die methode hem 't voordeel biedt, Dat hij altijd uit zijne eigen oogen en nooit uit die van anderen ziet, En, dus gevormd, kent hij ook den knellenden leiband van een ander niet. Met één woord hij roept altijd maar, kwek, kwak kwa En nimmer hoort men van hem 't #_hóos epha_, _hóos epha_#. Vervolgens heeft dit dier 't Allergrootste pleizier, Als het, zijner waarde bewust, Uren lang op de watervlakte rust, En men zou dan denken dat hij tegen den besten baaijer wou zeggen: »Jongen, je hebt nog vrij wat noodig om het even als ik _zoo_ aan te leggen.” Men zegt dat hij dan ook mediteert En er schik in heeft dat de professor nog de #batrachomuomachia# bestudeert. Op dien riddertijd is hij bijzonder prat En als hij daarover doorslaat wordt hij niet mat; Hij zwelt dan op, zoo als in de fabel met de koe, En een medelijdende Engelschman vraagt hem dan: »How do you do?” Een groot pleizier Heeft ook dit dier Om op zijn manier Tot laat in den nacht zich in dans en zang te amuseren, Maar hieruit denk ik dat de jongelui niet veel kunnen leeren. Men verhaalt dat hij den sterrenhemel bekijkt, #Den Orion# begluurt, waaruit het toekomende weder hem blijkt, En naar gelang van dat meer of min kwaakt en over het water strijkt. Hierdoor is hij een barometer die leeft, Die nog muziek op den koop toe geeft En dien men niet op te hangen heeft. En is er nog iemand, die er begeerig naar mogt zijn, Zoo wete hij dat zijn naam in 't Grieksch is _Batrachos_ en _Rana_ in 't Latijn.

DE MUIS.

(_Mus musculus_).