Een Abel Spel Van Lanseloet Van Denemerken Hoe Hi Wert Minnende

Chapter 1

Chapter 13,890 wordsPublic domain

EEN ABEL SPEL VAN LANSELOET VAN DENEMERKEN

hoe hi wert minnende ene joncfrou, die met synder moeder diende

[Illustratie]

UITGEGEVEN DOOR DEN LARENSCHEN KUNSTHANDEL TE LAREN. N=H. IN HET JAAR NEGENTIEN HONDERD EN ZEVEN

VOORBERICHT.

Daar bij een opvoering van oude drama's het belang van speler en hoorder zwaarder moet wegen dan de eischen eener strenge wetenschap, is hier en daar de lezing van het handschrift welke, naar Moltzer's uitgave, als grondslag is aangenomen, vervangen door die van den uit lateren tijd dateerenden Goudschen druk. Voor het gemak van den lezer is overal, behalve in den eigennaam _Lanseloet_, de +oe+ als teeken voor de heldere o-klank vermeden.

INLEIDING.

In een handschrift, bewaard in de Bibliothèque des Bourgondes te Brussel, zijn ons de drie eenige en daarom kostbare romantische drama's overgeleverd, welke uit de veertiende eeuw tot ons gekomen zijn. Ze heeten abele (d. i. schoone, edele) spelen, in tegenstelling met de daarna opgevoerde ruwe en kunstlooze klucht. Hun taal munt uit door eenvoud, natuur en welluidendheid. Een van die zeldzame stukken behandelt de tragische geschiedenis van _Lanseloet_[1] en de schoone _Sanderijn_. Het is ongeveer een honderd jaar ouder dan _Elckerlijc_--de tijd van het burgerlijke drama met zijn moraliseering en bespiegeling was nog niet aangebroken--en verplaatst ons niet als _Den Spieghel der Salicheit_ in een symbolische maar in een werkelijke, zij het dan ook geïdealiseerde wereld, van ridders en edelvrouwen. De liefde is er het hoofdthema. Zij is bij den jongen ridder _Lanseloet_ even wel gemeend als bij de bekoorlijke _Sanderijn_, de dienstmaagd zijner moeder; maar in de eerste plaats is, tegenover _Sanderijn's_ zachte genegenheid, zijne liefde een naar bevrediging dringende hartstocht; en hij, die telkens zijn goede bedoelingen bevestigt met een eed op zijn ridderschap, laat zich, louter om "sinen wille" te kunnen doen, door zijn gewetenlooze, uitsluitend door standsbegrip beheerschte moeder verleiden, om eed en eer, zelfs tegen beter weten en voelen in, door snood geweld te schenden (zie blz. 15 en vlgg.).

_Sanderijn_ is de laaggeborene, die door adel van gemoed uitblinkt onder allen, en ook in haren val haar eer onaantastbaar te bewaren weet. Ze heeft meer karakter dan haar zwakke minnaar; ze is zacht maar beslist, niet onnoozel maar toch argeloos; nederig en bescheiden, of hoog en fier, al naar de omstandigheden dat eischen. Haar voornaamste eigenschap is haar zelf-respekt, haar fijn ontwikkeld eergevoel: Meer dan de daad heeft haar _Lanseloet's_ smadelijk woord gekrenkt ic hebbe uus genoeg, Sanderijn, "ic ben uus nu sat, ende van herten also mat, al haddic VII baken[2] gheten"; en later, in haar ballingschap, volgt ze den vreemden ridder niet als vrouw, vóór ze hem, op even kiesche als dichterlijke wijze (in die keurige beeldspraak van den bloeienden boom die door een edelen valk van ééne bloesem wordt beroofd), haar toestand heeft doen gissen. Naar _Lanseloet_ is het stuk genoemd, en niet _Sanderijn_, maar de eerst door zijn lust, later door wanhoop en wroeging verbijsterde _Lanseloet_ is de tragische figuur. De gehoorzame zoon van vroeger durft nu zijn moeder en gansch zijn adellijke maagschap te trotseeren om _Sanderijn_ toch maar tot zijn vrouw te mogen maken, en hij sterft, als zijn welmeenende kamerheer _Reinout_, voor bloedige veete beducht, hem het verzonnen bericht van _Sanderijn's_ dood heeft meegedeeld.

DR. K. H. DE RAAF.

ROTTERDAM, Juni 1907.

[1] Spreek uit _Lanseloot_

[2] hammen

PERSONEN.

LANSELOET.

SINE MOEDER.

SANDERIJN.

EEN RIDDER.

REINOUT.

DES RIDDERS WARANDE HUEDERE.

EEN ABEL SPEL VAN LANSELOET VAN DENEMERKEN

hoe hi wert minnende ene joncfrou die met synder moeder diende.

DIE PROLOGHE:

Ic bidde gode van den trone Ende Maria, der maghet scone, Dat si ons allen wille bewaren Ende in doghden also ghesparen, Dat wi hemelrike ghewinnen: Dies biddic der maecht Marien, der coninghinnen, Die een vrouwe es bovenal. Nu hoort wat men u spelen sal. Hets van enen ridder prinsipael[1] Die minde ene joncfrou noyael,[2] Hovesch van herten ende reine, Maer si was hem te cleine Van goede ende ooc van gheboort: Dies was sijn moeder op hem ghestoort, Dat hi sine minne so neder droech: Sijn herte altoos in vrouden[3] loech, Als hi anesach haer edel lijf: Maer sijn moeder, dat felle wijf, Hats altoos toren ende nijt Ende verweet hem te meneger tijt Dat hi hem so neder daelde, Maer hi altoos hem vertaelde[4] Met hoveschen worden, als hi wel conste. Maer altoos droegh hi vriendelijc onste[5] Der scoonder joncfrouwen, heet Sanderijn; Siën mochte niet noyaelder sijn, Maer si was hem te neder gheboren. Dies hadde sijn moeder so groten toren Dat sijt namaels brachte te werke.-- Nu biddic u, dat ghi uwen merke Daeran wilt legghen ende versinnen: Ic wane, dat ghi noit gheen spel van minnen En hebt ghehoort dies ghelike. Nu biddic u allen, arme ende rike, Dat ghi wilt swighen over al, Ende merct, hoet beghinnen sal.

* * *

LANSELOET.

Ay god here, hoe mach dit sijn, Dat ic die scone Sanderijn Aldus met herten hebbe beseten; Nochtan wert mi verweten Van mijnder moeder alle daghe, Dat ic mine minne so neder draghe; Dies hoor ic menich spitich woort. Maer haer minne heeft mi so doorboort, Dat icse niet ghelaten en can, Ic en moet haer altoos spreken an, Als icse metten oghen anescouwe; Dies heeft mijn moeder groten rouwe, Daeromme so moet[6] verborgen sijn. Nu willic hier wachten die vrouwe mijn, Onder desen neghelentier:[7] Want si sal hier comen scier,[8] Dat wetic wel, in desen bogaert.

SANDERIJN.

Ay edel ridder van hogher aert, God, die alle dinc vermach, Die moet u gheven goeden dach, Edel ridder van herten vri.[9]

LANSELOET.

O scone maghet, god die si ons bi Ende moet u ende mi in doghden sparen, Ende van allen quaden bewaren, Ende sonderlinghe van niders tonghen, Also dat niet en werde ghesongen Van ons beiden eenich quaet. O Sanderijn, gheeft mi raet, Mijn herte dat is te male[10] ontstelt Ende van uwer minnen ghequelt, Dat mi costen sal mijn lijf. O Sanderijn, wel scone wijf, En machic uus niet gheweldich sijn, Dat sal mi costen dleven mijn, Ende ewelijc benic verloren.

SANDERIJN.

O edel ridder hoghe gheboren Dat en mach nemmermeer ghescien; Al eest, dat ic u gerne mach sien, Ic en ben niet uus ghelijke; Ghi sijt mi te hoogh gheboren ende te rike, Edel ridder, te sijne u wijf: Daeromme so moet sijn een blijf,[11] Al eest, dat ic u met herten minne. Ende ooc willic gheen mans vriendinne Sijn, die leeft onder des hemels trone: Al waar hi een coninc ende spien[12] crone, So en dadic mi niet te cleine.

LANSELOET.

O scone maghet van herten reine, Al dadi die wille mijn, Uutverkoren Sanderijn, En[13] bleve u onvergouden niet. Want messelike[14] dinge sijn ghesciet: Ghi mocht noch werden wel mijn vrouwe, Sijt mijns ghenadich ende blijft ghetrouwe, Ende comt met mi in dit casteel; Ic sal u gheven een juweel; Ic wane, ghi noit des ghelike en saeght.

SANDERIJN.

Neen edel here, noch benic maeght; Dies dancic gode van den trone: Al woudi mi gheven te lone Dusent merct van goude root, Hoghe baroen, edel ghenoot, Nochtan woudic behouden emmermeer, Lanseloet, hoghe gheboren heer, Mijn suverheit: al en benic niet rike van haven Noch gheboren van groten maghen, Nochtan menic mi so te houden, Dat ic niet en sal werden ghescouden.[15] Ic en wil niet wesen, Her Lanseloet, enich mans vriendinne, Maer ic wille gerne gherechte minne Draghen sonder dorpernië.

LANSELOET.

O Sanderijn, bider maghet Marie, Dorperheit en leggic u niet te voren, Want daer en es nu gheen wijf gheboren Op eerde onder des hemels trone, So rijc, so mechtich no so scone, Die mi verhoghen[16] mach dan ghi. Och Sanderijn, ende seldi mi Laten dan in dit verdriet, En sal uus mijns ontfermen niet, Dat ic troost van u mochte ontfaen Ende ghi met mi wout spelen gaen Hier neder in dit groene dal, Daer die voghelkine maken geschal Ende die bloemen staen in 't groen, Scone maghet, sender mesdoen Ende al sonder dorperheit?

SANDERIJN.

Her Lanseloet, hets dicke gheseit: "Bi lichte gheloven es die menege bedroghen," Dats seker waer ende niet gheloghen, Want hets menichweerf ghesien Dat vrouwen oneerlijcheit ghescien, Omdat si mans te verre betrouwen, Dat hem namaels sere doet rouwen Als die saken waren ghesciet. Ic en weten op eerde gheboren niet, Dien ic so verre betrouwen soude, Ginckic met hem spelen in den woude, Hi en soude met mi doen sijn gherief.[17]

LANSELOET.

Daertoe hebbic u te lief, Sanderijn, wel scone wijf, Dat ic onteren soude u lijf, Scone maghet, haddicx die macht; Also en was ic nie[18] bedacht, Dat ic u doen soude enege scande. Al haddic u in vremden lande, Sanderijn uutvercoren, Ic soude u dbroot bidden te voren, Eer ic u hongher hebben liet: Bij ridderscape, ic en misdade u niet, Sanderijn, jeghen uwen danc.[19]

SANDERIJN.

Her Lanseloet, wi sijn hier te lanc, Ons mochte iemant horen ofte sien; Want nijders zijn altoos uut om spien, Of si iemant mochten te scande bringen. Een verrader hadde liever quaet te singhen Dan goet, want hets sijn nature. Nu willen wi scheden in corter ure, Dat hem niemant ane ons stoot, Hoghe baroen, edel ghenoot; God onse Here moet u bewaren, Ende altoos in doghden sparen, Waerweert dat ghi u bekeert.

LANSELOET.

Ay, noch so blijft mijn herte verseert Van der scoonder Sanderijne: Sine wilt niet doen den wille mine, Dies moetic droeven alle mijn dage. Wat ic kerme of wat ic claghe, Sine wilt niet gaen met mi in 't wout: Si mint ere voor enich gout, Dat horic wel aen haer ghelaet;[20] Si leidt enen reinen staet, Ende haer herte es so noyael; Bi ridderscape, ic woude wael, Dit si gheboren waer mijns ghelijc, Al en waer si niet van haven rijc, Ic souder maken af mijn wijf, Want si heeft een reine lijf, Ende haer herte es al vol eren. Si en wilt haer niet te mi waert keren, Dies lijdt mijn herte rouwe groot.

SINE MOEDER.

Van Deenmerken Lanseloet, Ic hebbe u herde wel horen vriën. Lanseloet, bider maghet Marien, Dat en can mi verwonderen niet Dat ghi u selven niet bat en besiet, Dat ghi u minne so neder draeght: Ghi staat so weeldelijc[21] ende claeght Om ene die luttel om u gheeft: Tfi[22] der scanden dat ghi leeft, Dat ghi sout minnen so nederen wijf!

LANSELOET.

Och moeder, si heeft so reine lijf, Ende haer herte es also proys[23] Ende van live so gratioys, Dat icse emmer minnen moet. Mijn herte dat bernt als een gloet Als icse metten oghen anscouwe. Lieve moeder, edel vrouwe, Ic moetse minnen, wat ghesciet.

SINE MOEDER.

Lanseloet, ic wille, ghi u bat besiet, U scone lijf, u hoghe gheboort, Ende werct na minen rade voort Ende wilt minnen uus ghelijc.

LANSELOET.

Sone wetic wijf int kerstenrijc Die ic woude hebben voor Sandrijn. Ic woude, si mochte mijn eygen sijn, Lieve moeder, bi uwen danc.[24] Al ware al die wereld an mi belanc, Ic woude wel, dat si ware mijn wijf.

SINE MOEDER.

Scaemt u der scanden, vul keytijf,[25] Dat ghi so neder mint, Ende[26] men so scone joncfrouwen vint Van hogher gheboort, van groten geslacht.

LANSELOET.

O lieve moeder, der minnen cracht Ansiet hoghe geboort no rijcheit van goede, Maar si soect haers ghelijc van moede, Die beide sijn van enen wesen; Ic hebbe dicke wel horen lesen, Dat die minne soect haers ghelike; Al es deen arm ende die ander rike, Die edel minne die doet haer werc; Gerechte minne en let[27] geen merc Aen rijcheit noch aen grootheit van maghen, Noch nie en dede te ghenen daghen, Maer het comt al bi gheluc. Gheeft die edel minne haer stuc,[28] Si anesiet ghene hoghe gheboort.

SINE MOEDER.

O Lanseloet, ende hoe versmoort, So es u herte ane Sanderijn! Wildi doen den wille mijn, Ic salse u doen hebben tuwen willen Al desen nacht, heimelijc, al stille, Op u camer, heer ridder weerdt, Ende doet daer mede dat ghi begheert, Wildi mi ene ghelofte doen.

LANSELOET.

Vrouwe moeder, bi sente Symoen, Dat ghi begheert, willic u gheloven, Opdat ic metter maghet mach hoven[29] Op mine camere, ic ende si.

SINE MOEDER.

Heer Lanseloet, geloofdijt mi Bi ridderscape ende bi trouwen: Als ghi met Sanderijn der joncfrouwen Hebt ghedaen al u ghevoech, Dan seldi seggen: "ic hebbe uus genoech, Sanderijn, ic ben uus nu sat Ende van herten also mat, Al haddic VII baken[30] gheten". Dies en seldi emmer niet vergheten, Ghi selt spreken dese woort, Ende dan seldi rechte voort U van hare keren al den nacht, Ende ligghen ende slapen soete ende sacht, Sonder spreken, ende swighen al stille.

LANSELOET.

O lieve moeder, es dat u wille, Dat ic spreke dese dorper[31] woort? Des ghelike en hebbic niet ghehoort: Wat mach u hier met gheholpen sijn, Dat ic dit tot Sanderijn Spreken soude met minen mont Ende ligghen voort ane als een hont, Sonder spreken, als een keytijf? Wat soude peinsen dat reine wijf, Dat ic die dorperheit begonste, Ende ic haer draghe soe vriendelijcke onste,[32] Dat soude mi daer mijn herte deren.

SINE MOEDER.

Lanseloet, dits mijn begheren, Seldise hebben in uwer ghewelt, Dat ghi mi dit gheloven selt, Ende volbringhen als goet man.

LANSELOET.

Vrouwe moeder, doetse mi comen dan: Ic sal doen, dat ghi begheert, Al eest dat mire herten deert.

* * *

De meneghe sprect, hi en meines niet: Al dier ghelike es mi ghesciet, Want al spreict mijn mont, Ic en saels niet meinen in minen gront, Want ik an[33] hare alder doocht. Ic bidde gode den oversten vooght Dat sijt mi qualijc nemen en moet: Si es so eersam ende so goet, Ende eest dat sijt qualike nemt, So wert haer herte van mi ontvremt, Dan so blijft mijn herte in pinen staen.

* * *

SINE MOEDER.

Daer omme so eest mi al ghedaen, Dat ic u beiden sal doen scheden.[34] En siedi niet hoe hi hem soude beleden[35] Ende es die hoochste van den lande, Ende doet hem selven di grote scande, Dat hi mint so nederen wijf? Hi soudse trouwen, die keytijf, Dat horic wel, woudics hem ghestaden, Maer ic salt al anders beghaden[36] Dat dat nemmermeer en sal sijn.-- Waer sidi, scone maghet Sandcrijn? Ic moet u spreken, comt te mi.

SANDERIJN.

Hoghe geboren vrouwe, dat si: Nu segt mi, wats u begheert?

SINE MOEDER.

Sanderijn, dat mijn herte sere deert, Moetic u claghen minen noot. Hier es mijn lieve sone Lanseloet, Es met siecheden sere bevaen; Hi wert ghister navont also bestaen, Dat hi noit sint woort en sprac. Ic en weet niet, wat hem ghebrac Ochte wat dat hem deren mach. Maer heden merghen, doent was dach, Gaf hi enen swaren sucht: Sanderijn, ik hebbe sijns levens ducht;[37] Dies dooght[38] mijn herte grote pijn. Nu biddic u, scone maghet Sanderijn, Dat ghi wilt gaen te Lanseloet, Want hi leghet in groter noot, Dies dooght mijn herte swaer verdriet.

SANDERIJN.

Edel vrouwe, dat ghi ghebiet Wert herde gerne van mi ghedaen. Ic wille vriendelike met u gaen, Want mi ware leet, mesquame hem iet.

* * *

SINE MOEDER.

Die hem in tijts wel besiet,[39] Die mach in eren staende bliven. Al dus soude men een dinxken bedriven, Om een wijf te brengen inden stric. Wie soude dit bat ghedaen hebben dan ic? Want als die wille es ghedaen, So es die minne al vergaen; Dit es menichweerf ghesciet.

* * *

_Dit opset heeft die moeder ghesocht, Ende Lansloet heeft sijn wille volbrocht Metter maghet vol suverheden, Daer na sprac hi die dorper reden Ende stelde hem te rusten al den nacht, Ghelijc als hi zijn moeder loofde, soet ende sacht. Dit was van den ridder een quaet bedrijf._ _Nu hoort van Sandrijn, dat scone wijf Claghelike woorden een cort bediet._

SANDERIJN.

Ay here God, die hem crucen liet, Wat valscher wijf es Lanseloets moeder! Dies benic nu vele vroeder, Dan ic gister navont was. Want si scout[40] mi ene sterke loghene ende las, Dat hi met siecheide ware bestaen, Ende brachte mi inden stric ghevaen, Ende heeft mi loghene voor waer getelt, Ende brachte mi in Lanseloets gewelt, Dat mi ewelijc rouwen sal. Nochtan deert mi bovenal, Die woorde, die hi sprac, die ridder vri, Ende keerde sijn aanschijn omme van mi, Al haddic gheweest een stinckende hont. Dat hebbic so vaste in minen gront, Ende doet mijnder herten also seer; Ic meine, dat hi nu nemmermeer Van mi en weet, goet noch quaet. Ic salt al laten ende gaen mijnder straet[41] Dolen in vremden lande. Ic bidde gode, dat hi mine scande Wille decken, die ic nu hebbe ontfaen, Want ic hebt sonder danc[42] ghedaen, Dies es mi te moede harde wee. Lanseloet, ghi en siet mi nemmermee: Ic wille gaen dolen in dit foreest. O Vader, Sone, Heilich Geest, Ic bidde U, dat ghi bewaert mijn lijf, Dat ic nemmermeer mans wijf Werden en moet te minen scanden, Waer ic come in enighen landen, Dat ic moet bliven dat ic si. Dies biddic u, moeder ende maghet vri, Fonteine alder suverheit, Dat mi nemmermeer dorperheit Gheen man te voren legghen en moet; Dies biddic u, fonteine, der doghden vloet, Werde moeder ende maghet reine. Ic sie ginder ene scone fonteine,[43] Daer op[44] willic gaen nemen rast; Ic hebbe so langhe tijt ghevast, Dat ic hebbe hongher ende dorst, Ic hebbe te drinckene so groten lost,[45] Dat icx niet langher en can ghedragen.

* * *

EEN RIDDER.

Nu, wouts God, ic wille varen jaghen, Ic bidde gode vanden trone Ende Marien, der maghet scone, Dat si mi heden bewaren moet, Ende gratie wil geven ende spoet,[46] Dat ic moet jaghen ende vangen, Want seker, ic en vinc in langhen, Dies ic mi van rechte scoffiere.[47] Ic hebbe gejaghet der dagen viere, Nochtan en vinc ic noit conijn. Ic scaems mi inder herten mijn, Dat mine aerbeit dus blijft verloren. Nu willic steken minen horen Ende sien of mi God beraden[48] mochte.

(_Nu stect hi den horen._)

Bi den here, die mi ghewrochte, Ic sie ginder porren[49] een wilt, Daer mijn herte op es ghestelt. Ic wane noit man op ghenen dach Also sconen wilt en sach Als ghinder staet op ghene fonteine. Ene scone maghet ende ene reine, Dunct sijt mi sijn an haer ghedaen. Ay god here, mochtic die ghevaen, So en ware mine aerbeit niet verloren! Noch willic steken minen horen Ende besien, hoe si haer stellen sal.

(_Noch stect hi den horen._)

Ay God, die here es bovenal, Die moet mi geven avonture, Dat ic die scone creature Ghecrighen moet te minen wille. O scone maghet, nu staet al stille, Ghi moet mijn ghevanghen sijn. Ic hebbe u liever dan een everswijn, Al waert van finen goude gewracht. Ic dancke god der scoonder jacht, Dat ic heden merghen vroech opstoet.

SANDERIJN.

Och edel ridder van prise goet, Nu en doet mi ghene dorperheit: Dies biddic u door[50] uwe edelheit, Dat ghi mi ghene dorperheit bewijst, Want het worde u sere mesprijst, Waer ghi quaemt tot eneghen hove. Ghi dunct mi een ridder van groten love; Daer omme biddic u, hoghe baroen, Dat ghi mi niet en wilt mesdoen Ende laet mi over dat ic si.[51]

DIE RIDDER.

O scone wijf, nu segt mi, Wanen[52] comdi in dit foreest? Dat wondert mi in minen geest, Dat ic u vinde aldus allene, In dit foreest op dese fonteine. Wat es die sake die u let? Heeft u hier iement dach gheset, Daer ghi, scone wijf, na wacht? Hi mochte sijn van sulker macht, Ic en soude u te noder spreken an.[53]

SANDERIJN.

Och edel ridder, om ghenen man En staic hier, hoghe baroen: Het sijn ander saken, diet mi doen. Ic ben verdoolt uut mijnder stat; Daer ic met eren ende in vrouden[54] sat, Ben ic verdoolt, ic en weet niet waer, Ende sta hier in groten vaer[55] Ende ic en weet niet waer ic henen sal: Dies clagic gode mijn mesval, Dat ic dese werelt dus moet besueren.

DIE RIDDER.

Noch dancic gode der avonturen Dat ic heden merghen opstoet, Ende dat ic so edelen scone ghemoet[56] Vonden hebbe te mire jacht. God heeft ons te gader bracht: Dat wetic seker wel te voren. Ghi sijt te minen behoef gheboren, Want ghi ghenoecht mi alte wale. U scone lijf, u hovesche tale, Dat ghenoecht mi al gader wel: Wi selen te gader maken spel! Nu comt met mi in mijn casteel, Ghi en saght noit so scone juweel, Dat sal wesen u ende mijn.

SANDERIJN.

Her ridder, nu laet u tale sijn.[57] Dies biddic u om den riken God, Dat ghi met mi niet en maect u spot, Al benic dus verdoolt al hier.

DIE RIDDER.

O scone wijf, inder minnen vier So leght mijn herte te male ende blaect: Ghi sijt hovesch ende wel gheraect,[58] Ghi selt bi ridderscape sijn mijn wijf, Ghi hebt soe edelen sconen lijf. Opdat u wille es ende bequame, Ic bidde u, segt mi uwen name, Ghi selt seker sijn mijn vrouwe!

SANDERIJN.

O, edel ridder, eest dan trouwe, Minen name doe ic u weten: Sanderijn ben ic gheheten, Ende mijn vader hiet Robberecht, Ende was een wael geboren sciltknecht, Ende diende metten coninc van Averne.

DIE RIDDER.

Scone maghet, dat hooric gerne, Dat ghi van wapene gheboren sijt. Noch dancic gode der salegher tijt, Dat ic heden mergen niet vaste en sliep: Het was een ingel, die mi riep, Dat ic te woude soude varen jaghen! Mijn oghen nie liever wijf en saghen; Ghi selt seker werden mijn!

SANDERIJN.

Her ridder, saelt also moeten sijn, So willic mi gerne tuwaert keren, Ende dancken gode ende u der eren, Dat ghi u selven so neder daelt. Ghi hebt mi so vriendelijc ane getaelt Met hoveschen woorden ende met sconen, Ic bidde gode, dat hijt u moet lonen Dat ghi so hovesch van herten sijt, Dat ghi mi nu te deser tijt So vriendelijc hebt ghesproken an.

DIE RIDDER.

O scone maghet, so gawi dan, Ic sette u mijn trouwe te pande.

SANDERIJN.

Nu gawi dan in dese warande,[59] Her ridder, spreken al luttelkijn, Ende verstaet die redene mijn, Dies biddic u, hoghe gheboren batoen. Anesiet desen boom scone ende groen, Hoe wel dat hi ghebloyet staet; Sinen edelen roke, hi daer gaet Al omme desen bogaert al; Hi staet in so soeten dal, Dat hi van rechte bloyen moet; Hi es so edel ende so soet, Dat hi versiert al desen bogaert. Quame nu een valcke van hogher aert Ghevloghen op desen boom, ende daelde, Ende ene bloeme daer af haelde Ende daer na nemmermeer neghene Noch noit en haelde meer dan ene, Soudi den boom daeromme haten, Ende te copene daeromme laten? Dat biddic u, dat ghi mi segt, Ende die rechte waerheit sprect, Edel ridder, in hovescher tale.

DIE RIDDER.

Scone wijf, ic versta u wale. Ene bloeme, dat en es niet:[60] Ende esser nemmer toe[61] ghesciet, Daer omme en salie den boom niet haten, Noch te copene daer omme laten, Want hi es so scone ghedaen. Ic sie daer op so meneghe bloeme staen Met groten hope sonder ghetal, Daer edel vrucht af comen sal, Opdat[62] god ghedoghen wille. Nu doet ewelijc hier af een ghestille Ende comt met mi, wel scone wijf.

* * *

LANSELOET.