Een abel spel van Esmoreit, sconics sone van Cecilien
Chapter 1
Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
ZONNEBLOEM-BOEKJES. No. 2.
EEN ABEL SPEL VAN ESMOREIT
SCONICS SONE VAN CECILIEN.
Ingeleid en van aanteekeningen voorzien door
R.J. SPITZ.
Leeraar H.B.S. te Apeldoorn.
Tweede, herziene druk.
Uitgegeven door "De Zonnebloem" te Apeldoorn. 1918.
Gedrukt ter drukkerij van de firma JOHs. J.C. VAN DER BURGH te Deventer.
De hier volgende text van de "Esmoreit" is een publicatie volgens het handschrift naar Moltzer's lezing.
Het "Abel Spel van Esmoreit, sconincs sone van Cecilien", is een van de Middeleeuwsche tooneelstukken, die te vinden zijn in een handschrift, dat te Brussel bewaard wordt en vermoedelijk uit het laatste kwart van de XIVe eeuw dagteekent. Dit handschrift bevat "abele" spelen, d.w.z. kunstige, vernuftige, ernstige spelen, in tegenstelling met de kunstlooze "sotternieën" (kluchten), die zich mede in de verzameling bevinden en na de opvoering van een abel spel werden vertoond.
Deze abele spelen met de daarbij behoorende sotternieën zijn vermoedelijk opgevoerd door rondtrekkende voordragers: sprooksprekers. We kunnen met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zeggen, dat we hier te doen hebben met een afzonderlijke ontwikkeling van dramatische kunst, die staat buiten en los van de groote lijnen waarlangs het moderne drama, voortgekomen uit het kerkelijk drama van de Middeleeuwen, zich heeft ontwikkeld. Het is hier, bij een uitgave die geenerlei wetenschappelijk doel beoogt of zoodanige pretentie heeft, niet de plaats, om op deze literair-historische strijdvraag nader in te gaan; de belangstellende lezer zij verwezen, o.m. naar het helder betoog van Dr. J. te Winkel in zijn "Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde" (Deel I, blz. 530-538). [1]
Zooals boven gezegd werd, deze uitgave heeft geenerlei wetenschappelijke pretentie; vandaar dan ook dat de aanteekeningen bij de text, zich van alle philologische geleerdheid onthouden en zich bepalen tot het geven van de noodzakelijke verklaringen.
Wat ons dan bewogen heeft, naast de meerdere voortreffelijke wetenschappelijke uitgaven, die er van de Esmoreit bestaan, deze publicatie te ondernemen?
Het antwoord zij, dat wij meenden, dat er voor een uitgave in smakelijken, prettigen vorm van dit stukje eigenaardige Middeleeuwsche cultuur nog wel plaats was. Hoe kunstloos en psychologisch-naïef de verwikkeling en personen-teekening ook moge zijn, het stuk heeft met z'n prettig- en vlot-klinkende, sappige, kleur- en schakeering-rijke dialoog zeker genoeg kunstwaarde om ons modernen te bekoren, hetgeen meerdere opvoeringen van de laatste jaren hebben bewezen. Ook als cultuur-historisch document heeft het stuk groote waarde; al was het maar alleen om te bewijzen hoe veel meer fantazie de doorsnêe-Middeleeuwer had, dan wij critische, moderne menschen. Zoo zou op een modern schouwburg-publiek het voortdurend wisselen van de plaats-van-handeling (Sicilië--Damascus; in de text is de plaats telkens door den bewerker aangegeven. [2] heel wat storender werken dan het op den Middeleeuwschen toeschouwer zal hebben gedaan.
Nog een enkel woord van toelichting voor den lezer, die niet gewoon is Middelnederlandsch te lezen. De teekens _oe_ wordt uitgesproken als _oo_, _ae_ als _aa_, _ue_ als _uu_, _ij_ als _ie_; tevens zij er op gewezen dat in het Middelnederlandsch werkwoord en voornaamwoord veelal nauw verbonden worden. Zoo beteekent bijv. _voerene_, voeren hem; _eest_, is het; _salne_, zal hem; waar deze vormen tot groote onduidelijkheid aanleiding zouden kunnen geven, zijn ze in de aanteekeningen verklaard.
R.J. SPITZ.
Apeldoorn, November 1916.
BIJ DEN TWEEDEN DRUK.
De text is nog eerst nauwkeurig nagezien en van enkele storende fouten gezuiverd. Bij de aanteekeningen is van enkele opmerkingen van belangstellende collega's dankbaar gebruik gemaakt.
S.
Apeldoorn, Januari 1918.
PERSONEN.
De proloog. De koning van Sicilië. De koningin. Esmoreit, hun zoon. Robbrecht, neef van den koning. De koning van Damascus. Damiët, zijn dochter. Meester Platus.
De Proloog: God die van der maghet [3] was gheboren, Om dat hi niet en woude laten verloren, Dat hi met sinen handen hadde ghemaect, So woude hi al moeder naect Die doet sterven in rechter trouwen. Nu biddic u, heren ende vrouwen, Dat ghi wilt swighen ende hoeren [4]. Het was een coninc hier te voeren [5], In Cecilien was hi gheseten-- Verstaet, so moghdi wonder weten [6]-- Ende ghecreech een kint bi sijn wijf; Maer bi hem hielt hi enen keitijf [7], Sijns broeder sone, hiet Robbrecht, Die dat conincrike na recht Alte male soude hebben verworven, Hadde die coninc sonder oer [8] ghestorven. Maer nu wert daer een cnecht [9] gheboren, Dies Robbrecht hadde groten toren [10] Ende int herte groten nijt. Nu seldi hier sien in corter tijt, Wat dat den jonghelinc ghesciet, Ende hoe dat hem Robbrecht bracht in swer verdriet. Ende enen Sarrasijn heft vercocht, Ende in groten ellende brocht, Ende oec die moeder, diene [11] droech, Dat si daer na noit en loech in twintich jaren, daer si lach Ende noit soine noch mane en sach: Dat beriet [12] her [13] Robbrecht al. Nu swijt [14] ende merct hoet [15] beghinnen sal.
OP SICILIË.
Robbrecht: Ay mi! ay mi der leider [16] gheboert, Die hier nu es comen voert, Van Esmoreit den neve mijn. Ic waende wel coninc hebben ghesijn [17] Als mijn oem hadde ghelaten dlijf [18], Nu heeft hi al bi sijn wijf Een kint ghecreghen, die oude viliaert [19]. O Cecilien, edel bogaert [20], Edel foreest, [21] edel rijc! Ic moet bliven ewelijc, Edel foreest, van di bastaert [22]: Dies mijn herte alsoe beswaert, Dat mi inbringhen sal de doet; Maer bi den here die mi gheboet [23], Ic sal daer omme pinen [24] nacht ende dach, Hoe ic dat wecht verderven mach; Ic saelt versmoren oft verdrincken: Daar salic nacht ende dach om dincken, Al soudic daer omme liden pijn. Ic sal noch selve de coninc sijn Van Cecilien, den hoghen lande. Ic sal oec pinen om haer scande, Der coninghinne, mijns oems wijf, Dat hi nemmermeer sijn lijf Met haer en sal delen, die wigant [25]. Aldus so sal mi bliven dlant, Machic volbringhen dese dinc.
IN DAMASCUS.
Meester: Waer sidi, hoghe gheboren coninc Van Damast [26], gheweldich [27] heer? Mijn herte es mi van rouwen seer [28], Van saken, die ic hebbe ghesien.
De coninc: Platus meester, wat sal gescien, Daer ghi aldus om tachter [29] sijt?
Meester: Her coninc, te nacht, te metten tijt [30] Was ic daer buten opdat velt. Daer sach ic die locht alsoe ghestelt Ende die planeten ant fiermament, Dat in kerstenrijc [31] een kint Gheboren es van hogher weerde, Dat u sal doeden metten sweerde. Her coninc here, ende nemen dlijf, Ende u dochter sal sijn sijn wijf, Ende kerstenheit sal si ontfaen [32].
De coninc: Meester, nu doet mi verstaen, Wanneer soe was dat kint gheboren?
Meester: Te nacht, her coninc, als ghi mocht horen, Soe wort [33] gheboren dat jonghelinc. Syn vader es een hoghe coninc Van Cecilien in kerstenlant.
De coninc: Meester, nu so doet mi bekant, Selen dese saken moeten sijn?
Meester: Jaes, [34] her coninc, bi Apolijn! [35] Ofte en doe [36] cracht van groter hoeden [37] Maer wildi werken na den vroeden Ic sal u enen raet visieren [38] Hoe ende in wat manieren Dat ghi selt bliven in uwen staet; Want enen goeden scarpen raet Waer hier goet toe gheoerdeneert. [39]
De coninc: Ay, nu so benic ghescofeert! [40] Van der saken, die ghi mi telt, Es mijn herte alsoe ontstelt, Dat ic mi niet gheraden en can; [41] Maer ghi sijt soe wisen man, Platus, meester, lieve vrient, Ende hebdi mi langhe met trouwen ghedient, Ende meneghen wisen raet ghegheven, Dat ic in eren altoes ben bleven; Nu biddic u, meester ghetrouwe ende goet, Dat ghi al metter spoet Wilt hulpen vinden enen raet. So dat ic blive in minen staet Ende van den jonghelinc onghequelt, Daer ghi mi dus vele af telt, Dat ic sijns mach wesen vri.
Meester: Her coninc here, soe hoert na mi, Edel baroen, edel wigant: Ghi selt mi gheve alte hant [42] Enen scat met mi te voeren, Ende ic zal in corten uren Daer waert riden onghespaert. [43] Den jonghelinc van hogher aert Sal ic ghecrighen [44] met miere [45] const. Ik bidde Mamette [46] om sine onst, [47] Dat icken [48] ghewinnen moet met eren; Want nemmermeer en menic [49] te keren, Ic salne [50] u bringhen in uwer ghewout. [51] Daer omne seldi mi selver ende gout, Her coninc, gheven in miere ghewelt. [52] Ic salne stelen of copen om ghelt Ofte ghecrighen met enegher list: Aldus hebbic den raet gheghist, [53] Dan sal hi u vri eighen [54] sijn, Hi sal werden een goet payijn, [55] Na onser wet selen wine [56] leren: Aldus soe seldi bliven in eren, Hi sal wenen, [57] dat ghi sijn vader sijt. Nu lichtelijc, [58] het is meer dan tijt. Ic wil gaen varen metter spoet.
Deconinc: Platus meester, desen raet es goet. Gaet henen ende haast u metter vaert, Ic wille dat ghi niet en spaert. [59] Nemt scats ghenoech in uwer ghewelt [60] Metter ghisschen [61] onghetelt, Ende brinct mi den jonghelinc: Dies biddic u boven alle dinc, Ende en spaert daer ane ghenen cost, Want ic hebben soe groten lost, [62] Dat ic den jonghelinc soude beschouwen.
Meester: Her coninc here, in rechter trouwen! Ic sal daer omme pinen dach ende nacht.
OP SICILIË.
Robbrecht: En trouwen! ic hebbe soe langhe ghewacht, Dat ic ghecreghen hebbe mijn begheert. Dese jonghelinc die es soe weert Met minen [63] oem den ouden grisen Ende metter moeder, dien [64] soe prisen, Dat si nie scoender kint en saghen; Dese blisscap sal ic hen verjaghen, Want het gheeft mynder herten pijn, Vermalendijdt moetstu sijn Ende die u oec ter wereld bracht! Want ic nie sent, [65] dach noch nacht, Blisscap int herte en conde ghewinnen. Al souden si beide daer omme ontsinnen, Dijn lijf dat heeftu nu verloren: Ic sal di in enen put versmoren Ofte sterven doen een ergher doet.
Meester: O vrient, dat ware jammer groet: Het dunct mi sijn soe scone kint. Ghi sijt emmer [66] te male [67] ontsint, Dat ghi wilt doden dese jonge gheboert; Maer ghi sijt daer op ghestoert, [68] Dat hoeric wel ane uwe ghelaet. [69] Ic bidde u, vertrect [70] mi uwen staet, Waer omue sidi daer op soe gram?
Robbrecht: Vrient, doen hi ter wereld quam Ende van siere moeder wert gheboren, Quam mi in minen slape te voren, Dat hi mi nemen soude mijn leven: Dies benic in sorghen [71] bleven, Dat ic noit sent en conste gheduren, Ende ic hebbe ghewacht van uren turen, [72] Ende hebbe ghestolen der moeder sijn, Ic meine dat ic nu sinen fijn Doen sal, [73] eer hi mi ontgaet.
Meester: Vrient, ic sal u beteren raet Gheven, wildi na mi hoeren. Secht mi: wanen [74] es hi gheboren? Dies biddic u doer [75] Apolijn. Hi mochte van selker [76] gheboerten sijn, [77] Ic salne copen alte hande! [78] Ende voerene met mi uten lande In heydenesse, [79] des sijt wijs, In ene stat, het Balderijs, [80] Die doer Torkien [81] en gheleghen.
Robbrecht: Vrient, wildi den jonghen deghen [82] Copen, ic sal u segghen dan, Wiene droech; ende diene wan, [83] Sal ic u segghen alte gader: Die coninc van Cecilien es sijn vader. Een wigant hoghe gheboren, Ende sijn moeder, als ghi moghet hoeren. Es conincs dochter van Hongherien.
Meester: Vrient, es hi van dier partien. [84] So es die jonghelinc mijn gherief, Ic salne copen, eest u lief. Nu sprect op, hoe gheefdine mi?
Robbrecht: Vrient, dies moghdi wesen vri. Om dusent pont van goude ghetelt.
Meester: Houdt, [85] vrient, daer es ghelt, Ende gheeft mi den jonghelinc; Maer berecht mi ene dinc: Hoe es sijn name, doet mi bekant.
Robbrecht: Esmoreyt het [86] die jonghe wigant, Al soe es die name sijn.
Meester: Soe sal hi ewelijc payijn Bliven, dies moghdi wesen vroet; Mamet di mi bewaren moet, Ende ic vare wech met minen gast.
Robbrecht: En trouwen! nu es mijn herte ontlast Van dies ic stont in groter sorghen; Want ewelijc blijft hi verborghen In heydenesse, dies benic wijs; Want die stede van Balderijs Leghet doer Torkien in verren lande. God die moet hem gheven scande! Hoe sere hadde hi mi ontstelt! Nu willic gaen ende doen dit gelt Heimelijc in miere ghewout, [87] Want het es al edel gout. Al en bleve mi nemmermeer Dlantscap, nochtan waric een heer Met desen ghelde, dat ic hebbe ontfaen. [88] Ic hebt na minen wille wel ghedaen, Want ooc sal mi nu bliven dlant.
Meester: Waer sidi, hoghe gheborne wigant, Van Damast gheweldich coninc? Nu comt ende siet den jonghelinc, Die gheboren es van edelen bloede.
De coninc: Nu en was mi nie soe wel te moede, Alst es van desen hoghen prosent. [89] Ic salne ophouden [90] voor [91] mijn kint; Mine dochter salicken bevelen.
Meester: Wattan! [92] her coninc, ghi selt helen [93] Voor uwe dochter al gader, Wie sijn moeder es ende sijn vader: Dat en seldi haer vertrecken [94] niet, Want u mochte daer af verdriet Comen hier namaels over lanc; [95] Want vrouwen sijn van herten wanc. [96] Seidi hare sijn hoghe gheslachte, Ende dan Venus [97] in haer wrachte, [98] Ende worde minnende den jongen man Soe mochte si hem segghen dan, Hoe dat hi ware comen hier; Want, her coninc, der minnen vier Mochte in uwer dochter openbaren, Als hi ware comen te sinen jaren. Daer omme en secht haer ghene dinc, Dan dat hi es een vondelinc; Te min so salder haer gheligghen an.
De coninc: Platus, Platus, bi Tervogant [99] Het dunct mi goet dat ghi mi segt. Laet ons dit ewelijc ghedect Sijn, dese sake, voor die dochter mijn So machics in vreden sijn.--
Waer sidi, dochter Damiet? Comt tot mi onghelet, [100] Ic moet u spreken, bi Mahoen! [101]
Damiet: Vader, dat willic gherne doen. Nu secht mi wats uw ghebot?
De coninc: Damiet, bi minen god, Anesiet hier desen roeden mont, Desen jonghelinc, dit es een vont; [102] Mamet heeften mi verleent. Ic hoerden daer hi hadde gheweent; Daer ic in die boegaert wandelen ginc, Daer vandic desen jonghelinc Onder enen cederenboem. Damiet, nu nemes goem, [103] Ende houtten op [104] als uwen broeder; Ghi moet sijn suster ende moeder. Esmoreyt heyt [105] dese jonghen man.
Damiet: Vader, here, bi Tervogant Noit en sach ic scoender kint. Heeften ons Mamet ghesent, [106] Dies willic hem danken ende Apolijn; Ic wil gherne suster ende moeder sijn. U uutvercoren jonghe figuere! Du best die scoenste creature, Die ie met oghen nie [107] ghesach. Met rechten ic Mamet danken mach. Dat ic sal hebben enen broeder: Ic wil gherne sijn suster ende moeder. O Esmoreyt, wel scoene jonghelinc, Hoe sere verwondert mi dese dinc, Dat ghi waert vonden sonder hoede; Want ghi dunct mi van edelen bloede Bi [108] de ghewaden, die ghi hebt an Nu comt met mi, wel scoene man, Ic sal u als minen broeder doen.
OP SICILIË.
De kersten coninc: Waer sidi, Robberecht, neve coen? Comt tot mi, ic moet u spreken. Mi dunct dat mi mijn herte sal breken Van groten rouwe, die mi gaet an.
Robbrecht: Ay oem, hoghe gheboren man, Waer bi sidi aldus ontstelt?
De kersten coninc: Van rouwen benic alsoe ghequelt, Ic duchte dat mi mijn herte sal scoeren: [109] Myn scoene kint hebbic verloren, Esmoreyt den sone mijn! Ay, ic en mochte niet droever sijn! Al haddic verloren in dier ghelijc [110] Mijn goet ende oec mijn conincrijc, Daer omme en woudic droeven twint, [111] Haddic behouden mijn scoene kint. Ay mi! ay mi! den bitteren rouwe Die ic nu lide ende oec mijn vrouwe!-- Ic duchte het sal mi costen dlijf, Ochte [112] mijn vrouwe, dat edel wijf; Si heeften [113] rouwe int herte soe groet, Mi dunct, ic ware mi liever doet, Dan ic soude liden dit torment. [114]
Robbrecht: Ay! edel oem, wide bekint, [115] Nu en wilt u aldus niet mesbaren! Ic weet wel hoe daer es ghevaren; Al drijft mijn moeye [116] den rouwe so groet, Sine heeft daer af ghene noet: Dat weet ic te voren wel. Haer herte dat es tuwaert [117] fel [118], Om dat ghi out sijt van daghen: Ic hebt haer dicwel hoeren claghen. Dat si van mi niet en wijst. [119] Ic duchte, si u noch met hare list, Her coninc oem, sal nemen dleven. Si sal u seker noch vergheven. Dat weet ic te voren wale. Ic hebbe soe menichwerf haer tale Gehoert in heimeliker stont, Nochtan en ghewoeghs [120] nie mijn mont Meer dan nu te deser ure. Ic weet wel, si heeft die creatuere Selve ter doet brocht, Want si u noit wel en mocht, Om dat ghi hebt enen grauwen baert. Si es op ene ander vaert, [121] Si mint seker enen jonghen man.
De kersten coninc: Bi den vader die mi ghewan! Robbrecht neve, wistic dat, Haer en soude ghehulpen bede no scat, Ic en [122] soudse doeden, dat felle wijf!
Robbrecht: Oem, daer settic vore mijn lijf, [123] Dat ic u segghe, en eest niet waer. Ic hebt gheweten over menech jaer, Dat si u niet en es van herten vrient.
De kersten coninc: O wi! ende waer hebbic dies verdient? Met rechte ic dat wel claghen mach. Mi dochte dat ic enen inghel sach, Als ic anesach haer edel lijf, Ende es so wreet dat felle wijf? Seker, neve, dat wondert mi. Nu gaet henen ende haeltse mi. Ic moetse emmer [124] spreken hoeren.
Robbrecht: Waer sidi, vrouwe hoghe gheboren? Comt toten coninc minen oem! Och edel vrouwe, nemt sijns goem, [125] Want hi staet al buten kere. [126]
De vrouwe: Ay her coninc, edel here! Wie sal ons nu hulpen claghen Den bitteren rouwe die wi draghen, Dat wi hebben verloren ons kint?
De kersten coninc: Swijt, [127] van gode so moetti sijn ghescint, [128] Felle pute, [129] quade vrouwe! Al den druc ende den rouwe Dat hebbi mi alte male ghedaen, Dat sal u te quade vergaen; Want ict algader hebbe vernomen, Hoe die saken toe sijn comen: Ghi hebt die moert allene ghewracht, Mijn scone kint hebbi versmacht: [130] Dat sal u seker costen dlijf. Ghi sijt wel dat quaeste wijf. Die nie [131] ter wereld lijf ontfinc.
De vrouwe: Och edel here, edel coninc, Hoe soudic dat vinden in mijn herte. Dat ic hem doen soude eneghe smerte, Die ic te mijnder herten droeeh?
De kersten coninc: Swijt, quade vrouwe! hets genoech; Gesproken, ic en wils nemmeer hoeren; Ic sal u in enen put versmoren. Robbrecht, leitse mi ghevaen! [132]
De vrouwe: God, die hem ane ene cruce liet slaen, Die so moet mi nu verdinghen [133] Ende te mijnder onscout [134] bringhen, Want ic hier af niet en weet.
Robbrecht: Seker, vrouwe, hets mi leet.
De vrouwe: Ay God! ontfermt u dit swaer torment, Daer ic in ben, want ic hebbe mijn kint Verloren ende men tijcht mi ane die daet. Ay gheweldich god, daer al an staet, [135] Ghi waert sonder verdiente ende sonder scout [136] Vaste ghenaghelt ane ene hout, Oetmoedech [137] God, met naghelen dri, Ontfermhertich [138] God, nu biddic di. Dat die waerheit nog werde vernomen, Ende ic te mijnder onscout moet comen; Dies biddic u, hemelsche coninghinne! Ay, sal ic nu in minen sinne Bliven, dat sal wonder sijn. Ay god, wie heeft sijn venijn Aldus swaerlike [139] op mi ghescoten? Ay god! uut u so comt gevloten Alle rech; ende alle waerheit; Nu hulpt mi noch te minen besceit, [140] Dat ic onsculdih moet vonden sijn.
IN DAMASCUS.
(Achttien jaren later.)
De jonghelinc: O Tervogant ende Apolijn! Hoe mach mijn suster, dat edel wijf, Ghehebben also reine lijf, Dat si ghenen man en mint, Noch in heydenesse ne genen en kint, [141] Die si woude hebben tot enen man! Bi minen god Tervogan, Si heeft emmer een edel natuere, Ofte si mint ene creatuere Heimelike, daer ic niet af weet; Want si en es emmer niet bereet [142] Tot enegh man die nu leeft. Ic waent, haer Mamet al ingheeft, Dat si heeft so edele aert. Dit es mijnder liever suster bogaert; Hier plecht [143] haar wandelinghe te sijn. Bi minen god Apolijn, Ic wilder mi ooc in vermeiden gaen, Want die vaec [144] comt mi aen; Ic wil hier slapen ende nemen rast. [145]
De jonghe joncvrouwe Damiet: Ay mi! ay mi, hoe groten last Dragic al stille int herte binnen! Ic ben bevaen [146] met sterker minnen, Die ic heimelijc in mijn herte draghe. O Apolijn! ic u dat claghe. Dat mijn herte enen man soe mint, Nochtan dat sijs niet en kint Sijn gheboerte noch sijn geslacht; Maer het doet der minnen cracht, Si heeft mi vast in haren bant. Ay, doene [147] mijn vader vant Ende bracht mi den jonghelinc, Ende gaffen mi als vondelinc, Dat ic soude sijn suster ende moeder: Hi waent dat hi es mijn broeder, Maer hi en bestaet mi twinst; [148] Nochtans hebbickene ghemint Boven alle creatueren; Want hi es edel van natueren Ende oec van enen hoghen moede; [149] Hi es coenlijc [150] van edelen bloede; Al was hi te vondelinghe gheleit, Mijn herte mi van binnen seit Dat hi es hoghe gheboren. O Esmoreit uutvercoren, Edel ende vroem, scone wigant, Doen u mijn lieven vader vant, Dies es leden [151] bi ghetale Achttien jaer, dat weet ie wale, [152] Hebdi gheweest mijn minnekijn. [153] O uutvoren deghen fijn, [154] Ewelijc blivic in dit verdriet; Want ic en wils u ghewaghen niet; Dadict, [155] mijn vader name mi dlijf.
De jonghelinc: O uutvercoren edel wijf, benic dan een vondelinc? Ic waende mijn here de coninc, Edel wijf, hadde ghesijn mijn vader, Ende ghi mijn suster, dat wendic [156] al gader Ende beide gheweest van enen bloede, Ay! mi es nu alsoe wee te moede! Bi minen gode Tervogan, Ic ben wel die druefste man, Die nie ter werelt lijf ontfinc. Ay mi! benic dan een vondelinc, Op erde nie droever man en waert. Ic waende sijn van hogher aert, Maer mi dunct ic ben een vont. Nu biddic u, edel roede mont, Dat ghi mi al gader segt Van inde toerde [157] ende al ontdect, Hoe dat mi uw vader vant.
De jonghe joncfrou Damiet: O Esmoreit, wel scoene wigant, Nu ben ic wel alsoe droeve als ghi. Ik en wijst [158] niet dat ghi mi waert so bi, Doen ic sprac die droeve tale. O edel wigant, nu nemet wale [159]: Het quam mi uut grooter minnen vloet.
De jonghelinc: O edel wijf, nu maect mi vroet, Hoe die saken comen sijn. Ic plach te segghen "suster mijn", Maer dat moetic nu verkeeren; Enen anderen sanc moetic nu leren, Edel wijf, ende spreken u an Ghelijc enen vremden man. Nochtan so moetic ewelijc bliven U vrient ende ghetrouwe boven alle wiven, Die op der erden sijn gheboren. Och edel wijf, nu laat mi hoeren Ende seght mi, waer ic vonden waert.