Part 7
De krachten werden nu verdeeld als volgt: Tostig zou met de Sleipner als gids het eerst zeilen, Thorward op de Gefion en Thorfinn op de Rolf-Krake bevel voeren, terwijl Thorold Gamlason het bevel over de achterblijvenden op zich nam, en de Volünd zou bewaken. Om hem te helpen bleef Thorhall, de jager, met een twaalftal mannen achter, die de hutten in orde moesten houden. De vrouwen besloten aan den tocht deel te nemen en begaven zich dus aan boord.
De wind was gunstig, en binnen drie dagen bereikten zij de landstreek, waarvan Tostig gesproken had. Zij brachten het vee, dat zij meegebracht hadden, aan land, en daar zij overvloed van koren en druiven en ook van visch vonden, besloten zij daar den winter door te brengen. Er werden schuren voor het vee gebouwd, benevens winter woningen voor de vrouwen; doch er viel geen sneeuw, en het vee kon den geheelen nacht buiten blijven.
"Ach vriend," zeide Tostig eens: "ik zou gaarne in deze vreedzame streek mijn dagen willen eindigen. Maar kijk eens ginds op het strand, Thorfinn! Wat ziet gij daar?"
"Ik zie drie voorwerpen; het lijken zeehonden, die op het strand liggen te slapen."
"Het zijn geen zeehonden, het zijn bootjes van zeehondenvel en daaronder zijn Eskimo's verborgen. Geen van hen mag ontsnappen."
Er had een kort gevecht plaats; acht Eskimo's werden gedood, maar één slaagde er in te ontvluchten. Nauwelijks echter aan boord teruggekeerd, zagen zij een groot aantal booten met Eskimo's op hen afkomen, en een hagelbui van pijlen viel op het dek. Zij schoten met zooveel juistheid, dat vele Scandinaviërs gedood werden, voordat zij de schoten konden beantwoorden. Nogmaals schoten de Eskimo's, en verdwenen toen met groote snelheid.
Tostig was door een pijl doodelijk getroffen, en sprak Thorfinn aldus aan:
"Ik raad u aan alles tot het vertrek gereed te maken. De plaats is veel te dicht bij onze nederzetting, en als de Eskimo's terug komen, dan zult gij het duur moeten bekoopen. Mij moet gij naar het gindsche voorgebergte dragen, waar ik u van sprak, toen ik zeide dat ik daar mijn dagen zou willen eindigen."
Zij deden, zooals hij bevolen had, en keerden daarop terug naar de plaats, waar de hutten van Leif stonden; allen waren treurig gestemd door het verlies van Tostig. Doch toen zij aankwamen zagen zij tot hun groote verbazing, dat het achtergebleven schip vertrokken was met Thorhall en allen, die het kamp bewaken moesten, aan boord. Van hen werd nooit meer iets gehoord. [4]
Op den morgen na de terugkomst van hun kruistocht, zagen zij hoe een groot aantal inboorlingen in hun booten de rivier opkwamen. Thorfinn zeide:
"Er moet vrede bestaan tusschen hen en ons. Edrik Sigvaldson! ga met een wit schild naar hen toe, en toon hun dat wij vrede wenschen."
De knaap was trotsch op zijn zending. Hij vertrok met een schild van lindehout, zonder eenig versiersel en wit beschilderd. De Eskimo's schenen hem te begrijpen, want tot Edriks blijdschap legden zij hun stokken neer en kwamen aan land om naar de Noormannen te kijken. Ook dezen namen de Eskimo's op, wier bleeke gezichten, hooge wangbeenderen, lang haar, groote oogen en donker voorkomen hun verwondering wekten. Thorfinn trad vooruit en sprak hen in de Noorsche taal toe, doch geen der inboorlingen scheen te begrijpen, wat hij zeide. Zij schudden het hoofd en gaven iets ten antwoord; maar natuurlijk begrepen ook de Noormannen daar geen woord van, en zoo stonden zij elkaar in verbazing aan te staren. Eindelijk keerden de Eskimo's zich om en liepen door elkander naar de booten. Zij roeiden zoo snel zij maar konden de rivier af, en waren spoedig achter het voorgebergte verdwenen.
Bij het vee bevond zich een groote stier, de lieveling van Edrik, en hoewel dit dier woest en onhandelbaar was in vreemde handen, was het bij Edrik zoo gedwee als een jonge hond. Bij zijn plichten als krijgsman en zeeman, had Edrik ook den plicht van herder te vervullen.
Hoewel de winter niet zoo streng was als die, waaraan de Noormannen gewoon waren, was het toch lang geen zomerweder; de nachten waren lang en koud, en de tijd viel allen lang, daar zij meer gewoon waren aan zeetochten en ondernemingen dan aan verstandelijk werk.
De twee Noorwegers, Helgi en Finnbogi, en ook hun vrouwen wisten in dit geval te voorzien. Zij kenden een groot aantal spelen, en voerden ook wedloopen in. Al die vreugde was een bron van verdriet voor Freydisa.
"Het zijn Noorweegsche gekken!" zeide zij tot Thorward. "Het is voor ons IJslanders beleedigend, dat wij al die dwaasheden moeten aanzien. Ik zeg u, zij zijn verwant aan de mannen, die mijn grootmoeder vermoord hebben. Gij hebt mij plechtig gezworen dat gij mij wreken zoudt!"
"Ik zal ze niet vermoorden, dat zeg ik u," antwoordde Thorward. "Als er twist ontstaat is alles goed en wel, doch Thorfinn zou zonder hen verloren zijn, en ik ook."
"En gij beloofdet mij wraak...."
XI.
De winter ging voorbij. De heerlijke lente was aangebroken en met haar kwam een groote menigte Eskimo's.
Wondervolle dingen brachten zij mee. Vellen van eekhorens, en mooie grijze pelzen. Zij ruilden die met de Noormannen voor stukken rood laken, en een soort van brij met melk, waarvan zij zeer veel hielden.
De voorraad laken was bijna uitgeput, en de Eskimo's drongen steeds op meer aan. Thorfinn wist niet hoe hij ze tevreden moest stellen, toen plotseling van achter de boomen Edrik's lieveling, de stier, op de Eskimo's losrende.
Geen pen is in staat hun schrik en hun wilde vlucht te beschrijven; de Noormannen lachten.
"Lach niet te hard!" riep Freydisa. "Heden is er een groot aantal Eskimo's op de kust, maar voordat de maand uit is zullen er nog veel meer komen om wraak te nemen!"
"Ja," zei Helgi de Noorweger, "Freydisa is een tooverkol!"
"Heksenbloed is kwaad bloed!" antwoordde Finnbogi.
"Hoort gij, hoe men mij beleedigt, Thorward? Zij moeten sterven!"
"Dat moeten wij allen, Freydisa! maar," ging Thorward voort zich tot Finnbogi en Helgi wendende, "ik verzoek u mijn vrouw met rust te laten."
De beide Noormannen voelden zich gekwetst, en de vriendschap scheen voor goed verbroken. Dit beviel Freydisa, want in deze vredebreuk voorzag zij dat zij haar zin zou krijgen.
Zoo gingen drie weken voorbij. Op een morgen wandelde Edrik langs de rivier, toen hij een groot aantal booten met Eskimo's zag naderen. Hij liep zoo gauw hij kon terug om de kolonie te waarschuwen, en spoedig waren allen gewapend en gereed tot het gevecht. De Eskimo's begonnen zóó te schreeuwen, dat de Noormannen even verschrikt waren als de Eskimo's den vorigen keer door het gebrul van den stier. Het was alsof het geschreeuw ook van achter de hutten en uit de bosschen kwam; de lucht scheen er mee vervuld. Thorfinn's volk dacht dat het omsingeld was, en trok zich haastig terug.
Een hagelbui van steenen volgde. De Eskimo's schenen bekwame slingeraars te zijn; bijna alle Noormannen werden geraakt. Edrik werd door een grooten steen getroffen en neergeworpen; hij stond echter spoedig weer op, hoewel hij zich wat duizelig voelde, en bevond dat de Noormannen zich terugtrokken. Hij trok zijn zwaard en velde den voorsten Eskimo neder, doch toen hoorde hij roepen: "Lafaards! ja, nu weet ik het, ik ben de vrouw van Thorward, den onmanlijke! Zie een knaap en een zwakke vrouw zullen den vijand tegenhouden!"
Nils voegde zich bij hen. Freydisa greep een zwaard en vloog op de Eskimo's los. Hare gebaren brachten zooveel ontsteltenis onder de Eskimo's te weeg, dat zij den moed verloren en in verwarring naar hun booten terugtrokken, om zich daar tot een tweeden aanval gereed te maken.
De Noormannen waren van hun schrik bekomen en vielen den vijand met woede aan. Zij richtten een geweldige slachting aan. Het strand was als bezaaid met lijken. Slechts de kleinste helft der Eskimo's bereikte de booten. Zoo snel zij maar konden roeiden zij door de baai en waren spoedig uit het oog verdwenen.
Thorfinn zag duidelijk in dat hij over meer krachten moest kunnen beschikken, om zich hier te vestigen. Bovendien hadden er onder zijn kleinen troep onophoudelijk twisten plaats. De vrouwen plaagden hun "verdedigers" met hun lafhartigheid, zoodat deze boos werden. De wraakzuchtige Freydisa vuurde de oneenigheid aan en liet geen gelegenheid voorbijgaan om twist te stoken tusschen haar man en de Noorwegers.
Ten laatste bracht Freydisa haar echtgenoot zoo ver, dat hij, toen het lente werd, de twee Noormannen, die het meest haar haat opgewekt hadden, vermoordde. Thorward overviel hen met zijn volgelingen, en versloeg hen met hun lieden. Tot die lieden behoorden ook vijf vrouwen, de vrouwen van Helgi en Finnbogi en van eenigen van hun gevolg.
Freydisa spoorde de mannen aan ook hen te vermoorden, maar zij wilden de vrouwen niet aanraken. "Neen," zeiden zij, "het is eigenlijk toch al een moord dat Thorward de mannen heeft gedood, maar vrouwen te bevechten, dat is beneden ons!"
Toen zij dit hoorde, sprong Freydisa vooruit, greep een bijl en versloeg met eigen hand de vrouwen.
Thorfinn beval allen zich in te schepen, en hij schikte het zoo dat Thorward met zijn mannen en Freydisa eigenlijk gevangenen waren. Hij nam de jongens bij zich op zijn schip, doch allen waren even neerslachtig.
Intusschen kwamen Thorfinn en de knapen veilig te Eiriks-fjord aan, van nabij gevolgd door de Sleipner met Freydisa en haar echtgenoot.
Zoodra Leif de treurige geschiedenis hoorde, werden Thorward en zijn vrouw gevangen genomen, om naar IJsland, naar Reikiavik gezonden en veroordeeld te worden.
De jongens hadden als echte jongens hun droefheid reeds weder vergeten. Zij gingen naar den ouden Eirik, die blijde was hen te zien, evenals Njord, die allerlei dwaze sprongen maakte. De hond scheen niet te weten aan wien zijner twee meesters hij nu eigenlijk behoorde. Hij stond stil en bedaard bij ouden Eirik, maar met de jongens was hij heel anders; dan was hij zoo speelsch en dartel als een jonge kat.
De oude Eirik hoorde zijn kleinzoon gaarne vertellen van de Eskimo's en hoe zij vochten met slingers en steenen, maar het wekte zijn toorn op toen Edrik vertelde hoe de Noormannen vluchtten; doch hij tikte zijn kleinzoon op het hoofd en zeide: "Maar gij hieldt stand, mijn jongen!"
"Neen, Eirik Thorwaldson! Ik werd ter aarde geworpen."
"Dat is niets; de steen trof uw voorhoofd, niet, zooals bij de anderen, den rug." En de oude krijger vervolgde: "Nu is er nog een ander punt, Edrik! Ik ben een rijk man. Uw oom Leif erft al mijn bezittingen op Groenland, doch ik zal u zooveel nalaten, dat gij de helft, die Ulf u ontnomen heeft, kunt terug koopen."
"Wilt gij mij een verzoek toestaan, grootvader?"
"Wat is het?"
"Zeg nog geen woord aan anderen van alles wat gij mij daar verteld hebt. Ik heb een plan gemaakt en als dat gelukt, zal ik mijn land hebben tot zulk een prijs, als waarvoor nog nooit land verkocht is."
Nu vertelde Edrik den ouden Eirik wat hij voornemens was te doen. Deze lachte. "Gij zijt een slimme knaap!" riep hij verheugd.
Thorfinn besloot zijn lading in Noorwegen van de hand te doen, waar handelaars van alle volken gewoon waren bijeen te komen. Op Leif's bevel werd de Sleipner naar Reikiavik gezonden met Thorward en zijn vrouw en met twintig mannen van Eiriks troep. Thorfinn met de Rolf-Krake en de Seluna, een schip, dat voor Leif gebouwd was, kregen bevel het konvooi te geleiden, zoodat ontvluchten onmogelijk was.
De drie schepen vertrokken met een gunstigen wind uit Eiriks-fjord. Oude Eirik stond, op Leifs arm leunende; de vertrekkenden na te staren. Zoodra de toppen der masten aan den horizon verdwenen waren, keerde hij zich om en zeide: "Ik zou wel eens willen weten of ik dien knaap nog terug zal zien. Hij is een flinke borst. Hij heeft veel van zijn vader! Als hij opgroeit, zal IJsland in hem een hoofd vinden, dat de groote vergadering zal kunnen leiden, want een edele van geest zal zich altijd doen eerbiedigen; de zwakke wordt veracht!"
Toen de schepen te Reikiavik aankwamen, werden eerst boodschappers uitgezonden om de hoofden bijeen te roepen, ten einde Freydisa's misdaad te bespreken, en uit te maken in hoeverre haar echtgenoot schuldig was. Magni was verheugd dat hij Edrik terug zag, en Thorfrida's vreugde was onuitsprekelijk. Haar zoon was groot en sterk geworden en had zich bij alle gelegenheden dapper en braaf gedragen. Het huis, waarin zij woonde, stond niet ver van dat, hetwelk aan Magni behoorde, en het was ruim genoeg, zoodat haar zoon daar ook een tehuis kon vinden.
"Nu, Edrik! zeg mij eens, zoudt gij liever in Wijnland wonen dan hier in 't koude Noorden?"
"Moeder, mijn tehuis is bij u! Wat zegt het spreekwoord: "Iemands eigen huis is zijn beste huis, hoe klein het ook zij!" Ik moet echter eerst naar Noorwegen, en gij moet mij zeggen hoe ik daar iemand kan vinden, om mij de Scandinavische wetten te leeren kennen."
"Wilt gij dan rechtsgeleerde worden?"
"Neen, moeder! ik ben en blijf zeeman!--Ook moet ik kleeren hebben, nog eenvoudiger dan die, welke ik nu draag: kruisbanden van gewoon leer om mijn beenen, een blauw laken muts en een lederen gordel om mijn zwaard in te hangen."
"Ik hoop dat onder dat alles geen valschheid verborgen is? Spreek, mijn zoon! wat is er?"
"Moeder! Eirik heeft mij verteld dat Ulf zulk een schurk is, dat hij hem niet meer onder zijn bloedverwanten telt, en hij heeft mij opgedragen het land mijns vaders terug te koopen. Als ik nu gekleed ga als een rijke graaf, zal Ulf veel meer van mij vragen, dan als ik mij arm voordoe."
"Is dit nu de reden waarom gij niet gekleed gaat zooals het den zoon van Sigvald betaamt?"
"Ja moeder, dat is de eenige reden."
"Edrik! dat moogt gij niet doen; dat is bedriegerij!" zeide Thorfrida bedroefd.
Edrik was als versteend van verbazing, maar zag toch dadelijk de waarheid in van hetgeen zijn brave moeder zeide.
"Ik zal aan boord gaan en andere kleeren aantrekken, lieve moeder! Het was niet goed, het was slecht en verkeerd van mij," antwoordde hij onthutst.
"Ga, mijn jongen! en kom tot mij terug in een kleeding, die den zoon uws vaders past; dat zijt ge aan zijn nagedachtenis verplicht."
Edrik verliet haar en ging haastig naar zijn schip, toen hij Ulf tegenkwam, die naar Reikiavik was gekomen. Deze keek Edrik strak aan, die hem zijn blik met woeker terug gaf.
"Wel, wie zijt gij?" riep Ulf. "Een bedelaarsjongen?"
"Mijn naam is Edrik Sigvaldson!" antwoordde deze trotsch. "Ik kwam aan land om mijn moeder te bezoeken, en trok deze armoedige kleeren aan voor een zeker doel. Ik keer echter terug om anderen aan te trekken."
"Grootspreker! ik zou er wel mijn heele bezitting onder durven verwedden, dat die kleeren de beste zijn, die gij bezit!"
Edrik voelde zijn bloed koken. Hij lichtte zijn speer op, die hij als man van rang steeds bij zich droeg; doch hij liet haar weer zakken. Was Ulf niet de broeder zijns vaders? Met neergeslagen blik wandelde hij naar de plaats, waar de Rolf-Krake lag en ging aan boord. Spoedig keerde hij terug, gekleed in een blauw opperkleed met goud geboord, lange roode beenbekleedsels van het fijnste laken, en kruisbanden van verguld leder; zijn zwaard droeg hij in een rijk met juweelen bezetten gordel. Over zijn schouders hing een blauwe mantel met goud afgezet en in zijn linkerhand droeg hij het ronde Scandinavische schild. Zijn muts was evenals die, welke de opperhoofden in de Schotsche Hooglanden nu nog dragen.
Zijn moeder stond hem aan de deur harer woning af te wachten. Zij had zijn ontmoeting met Ulf gezien, maar het gesprek niet kunnen hooren.
"Zoo moet de zoon van Sigvald gekleed gaan," zeide zij met trots. "Wat zeide graaf Ulf?"
Edrik vertelde zijn moeder wat Ulf gezegd had.
"Gij ziet dat ik gelijk had, Edrik! Dat kleed bracht u schande aan. Kom in huis, mijn zoon! graaf Magni met zijn vrouw zullen heden bij ons eten; vraag ook Thorfinn en zijn vrouw!"
"Dat zal ik doen en ook Nils meebrengen," antwoordde Edrik vroolijk.
Op de daïs was plaats voor al de gasten en gulle vriendschap zat voor bij den disch. Thorfrida smaakte het genot, dat haar zoon door Thorfinn geprezen werd. Deze nam een band van zijn arm, en schonk dien den knaap en gaf een tweeden aan Nils. Hij sprak tot hen woorden van aanmoediging en lof.
Toen zeide Thorfrida: "Vrienden en hoofden! ik heb ook een geschenk voor mijn zoon. Het is heden de dag, waarop hij zestien winters geleden, het eerste levenslicht aanschouwde. Gij zegt mij dat hij zich een moedig zeeman heeft getoond. Hij is in den strijd beproefd en heeft zich gedragen, zooals Sigvald gewenscht zou hebben dat zijn zoon zich gedroeg. Ik geloof dat het nu de tijd is, dat hij het zwaard zijns vaders kan dragen. Edrik Sigvaldson! hierbij geef ik u het zwaard uws vaders, een wapen dat altijd het eerst schitterde in het gevecht en denzelfden glans heeft als de ziel van zijn eigenaar, helder en rein. Zorg, dat in uw bezit zijn glans nooit verduisterd wordt!"
Edrik kon niet spreken, maar stond op, knielde naast den stoel zijner moeder en kuste haar de hand. Hij haalde het zwaard uit de schede, doch zijn vreugde was te groot om ze te kunnen uiten.
"Het zwaard is de vreugde van den krijgsman," zoo nam graaf Magni het woord. "Ieder strijder, die zijn naam waard is, heeft zijn zwaard lief, maar denk er aan, Edrik! dat wij, Christenen, nooit met moedwil of voor ons genoegen het bloed mogen vergieten van God's schepselen. Het zwaard is het zinnebeeld der waarheid; van de waarheid, die strijdt, en altijd overwint!"
Nu nam Thorfinn het woord: "Ik heb Sigvald gekend," zeide bij, "en ik ken Edrik Sigvaldson, en ik zeg dat hij waardig is het zwaard zijns vaders te dragen!"
Het feest duurde lang en het was een dag, dien Edrik nooit in zijn leven vergat.
XII.
De voornaamste hoofden van het eiland waren bijeengeroepen voor de Ting waar belangrijke zaken altijd beslist moesten worden.
De rechters waren reeds vroeg bijeen; de beschuldigden--Freydisa en haar echtgenoot--hadden hun zitplaatsen vóór den Steen des oordeels, binnen den middelsten kring. Haco Oloffson, een beroemd Noorweegsch rechtsgeleerde, was opzettelijk overgekomen om de vervolging te leiden, daar de vermoorde lieden Noorwegers waren. Niemand kon de ongelukkige vrouw verdedigen, en het eenige dat haar advocaat ten haren gunste kon aanvoeren, namelijk dat zij Christinne was, getuigde nog tegen haar. "Want," zeide Magni, de opperrechter, "het Christendom mag niet gebruikt worden als dekkleed voor een misdaad, waarmede geen der heidenen op het eiland zijn geweten zou hebben willen bezwaren. Haar vonnis had eigenlijk een wreede marteldood moeten zijn, maar als een christelijk rechter ben ik er tegen. Toch, zij is dood voor ons; zij is niet meer geschikt met onze vrouwen te verkeeren. Haar vonnis zij verbanning. Zij zal wonen daar, waar haar grootmoeder, de heks, eens gewoond heeft. Twee slaven zullen haar bedienen, maar zij mag nooit de grenzen van dit kleine landgoed overschrijden. Mocht zij het wagen zich buiten de aangewezen grenzen te begeven, dan zal zij levend in den krater van de Hekla geworpen worden!"
Nu volgde het rechtsgeding tegen Thorward, die bekende dat hij de twee Noorwegers met hun gevolg gedood had.
"Waart gij daartoe niet verleid door den raad van uw vrouw?"
"Ik ben hier om te bekennen of ik Helgi en Finnbogi verslagen heb of niet. De vraag is niet, waarom ik ze vermoord heb, maar of ik het gedaan heb. Ik beken dat ik het gedaan heb, en daarmee is de zaak, geloof ik, afgedaan!"
De vraag of Thorward schuldig was of niet, was opgelost door zijn bekentenis. Maar zijn straf? Dit was een zaak van ernstige overweging, en men was het niet spoedig over het vonnis eens. Hij had onder den invloed van Freydisa gehandeld en was niet zoo strafbaar als wanneer hij het gedaan had om zijn eigen wraakzucht te voldoen. Ook had Edrik aangetoond, hoe hij geweigerd had de vrouwen te verslaan.
"Daarom beslissen wij," zei Magni, "dat Thorward de gewone boete zal betalen, voor manslag bepaald. Daarbij wordt hij uit de Scandinavische landen verbannen; doch hij kan zeilen naar het land, dat hij verkiest."
Dit vonnis werd toegejuicht en toen werd de zaak behandeld tusschen Edrik Sigvaldson en Ulf Eirikson, die de landen bezat welke vroeger aan Sigvald Eirikson, Ulfs broeder hadden toebehoord. Ulf vroeg verlof zich te mogen verdedigen, hetgeen hem dadelijk werd toegestaan.
"Graaf Magni! hoofdlieden, krijgers, kooplieden, en vrienden! Ik sta hier voor u in de Ting, beschuldigd dat ik Edrik zijn vaderlijk erfdeel heb ontstolen, terwijl ik slechts heb genomen wat mij toekwam, namelijk de helft van wat zijn vader naliet. Mijn vader weigerde mij wat mij toekwam, evengoed als aan mijn broeders. Ik kan aanspraak maken op de helft van mijns broeders land, en dat heb ik gedaan--de andere helft is voor Edrik!"
"Hij mag die helft terugkoopen!" zeide Magni.
"Ik heb mijn neef als bedelaar gekleed gezien met het voornemen door den een of anderen streek in 't geheel niet te betalen!"
"Hoe?" riep graaf Magni uit, "was hij voornemens u te bedriegen?"
"Ja, dat is zoo. Vraag het hem maar!"
"Ja, het is waar!" zeide Edrik. "Ik trok een eenvoudige kleeding aan om te bedriegen, en ik schaam mij daarover diep!"
In de vergadering werd een gemompel gehoord en allen keken Edrik met ongeveinsde verbazing aan.
Op triomfeerenden toon ging Ulf voort: "Sprak ik de waarheid niet? Nu krijgt hij geen land van mij op crediet, al heeft hij nog zoo'n mooi met goud geboord kleed aan. De bedelaar bezit geen mark goud, hoeveel minder tweehonderd!"
"Zoudt gij dan het land aan Edrik willen verkoopen voor die som?"
"Ja, maar niet op crediet."
"Wat zegt gij er van, Edrik Sigvaldson? Wilt gij Ulf Eirikson tweehonderd mark betalen om het land uws vaders terug te krijgen?"
"Ja, dat wil ik!"
"Wanneer wilt gij die tweehonderd mark voldoen?"
"Morgen, als Ulf het verlangt. Maar is dit aanbod verbindend? Morgen, kan hij meer vragen."
"Dat kan hij niet. Een bod, dat voor de Ting gedaan wordt, is verbindend."
Ulf zag nu, dat Edrik het ernstig meende.
"O!" riep hij uit, "wat ben ik toch dom geweest! Maar gij zult toch allen wel inzien dat ik het aanbod slechts gedaan heb om u te toonen, dat hij die som niet eens hebben kon. Gij weet toch wel dat de helft van Sigvalds landen minstens duizend mark waard is?"
De vergadering wilde er echter niets van hooren. Ulf was woedend; hij hield vol dat hij bedrogen was, dat hij daardoor een verkeerde meening had opgevat van het vermogen van zijn neef, en dat dit invloed had gehad op zijn aanbod.
Edrik vroeg verlof een paar woorden te zeggen, en dit werd hem toegestaan. "Dat de vergadering mij het land toewijst voor tweehonderd mark, is mij zeer aangenaam, vooral, als ik er aan denk, hoe ik het bijna verloren had. Doch ik ben Edrik Sigvaldson! en ik mag den naam mijns vaders niet bevlekken met iets, dat ook maar naar laagheid zweemt. Daarom verzoek ik de vergadering mij toe te staan, Ulf duizend mark te betalen, en hem een gedeelte land af te staan, dat mij toebehoort te Langa Ness."
Nu nam echter Magni het woord, "Ulf," zeide hij, "er zijn twee punten in deze wet, die tegen uw zaak zijn; ten eerste dat hij, die aanspraak maakt op de erfenis, dit doet na zijns vaders dood. Nu leeft Eirik Thorwaldson nog en dit punt is dus stellig niet ten gunste van Ulf Eirikson. Ten tweede veronderstelt de wet dat den zoon op onrechtvaardige wijze zijn land onthouden wordt. Op dit punt is de wet evenzeer niet op Ulf Eirikson van toepassing, want Ulf, gij zijt niet waardig het land te bezitten van Sigvald Eirikson! Daarom moet het vonnis van de Ting zijn, dat gij geen recht hebt op Edriks land, en het dus niet moogt verkoopen. Dat Edrik Sigvaldson u een stuk land beloofd heeft, hebben wij allen gehoord, en hij zal zijn belofte houden; maar hij mag u geen geld betalen!"
Al de aanwezigen juichten hem toe, en de zwaarden werden tegen de schilden geslagen. Aldus werd besloten dat Ulf het land aan Edrik moest teruggeven zonder andere vergoeding dan het stuk land te Langa Ness.