Edrik, de Noorman

Part 6

Chapter 64,114 wordsPublic domain

Het was de dag van Thor, den Donderaar, een heerlijke Junidag, en Ulf liep op den weg, die van zijn woning naar den tempel voerde. Hij was niet alleen; Thorhall, de jager, was bij hem. Tusschen hen in liep Tyrker, die nog eenige vriendschap voor Ulf gevoelde, omdat hij toch Eiriks zoon was. Achter hen liepen nog eenige mannen. Zij hadden gehoord dat Thor een offer gebracht zou worden, en haastten zich om bij de toebereidselen te helpen. Men vertelde elkander fluisterend dat bij deze gelegenheid een Christen geofferd zou worden.

"Het kan nog nauwelijks Dondersdag genoemd worden," zei Tyrker, "want het is nacht. Wij zullen nog wel bijtijds te Helgafels komen om de plechtigheid bij te wonen, en het slachtoffer te redden."

"Ja," zei Ulf, "wij hebben nog ruim den tijd, maar alles zal afhangen van het aantal geloovigen, vergeleken met dat der Christenen."

"Het is een afschuwelijke gewoonte," zei Tyrker.

"Gij weet, Tyrker! dat ik zelf een priester ben, en op dit punt het niet geheel met u eens kan zijn. Het is ongetwijfeld niet aangenaam voor het slachtoffer, maar bij Thor! het is niet erger dan de dood op het slagveld!"

Zoo sprekend waren zij den tempel genaderd, waar reeds vele mannen verzameld waren. De priester stond gereed met zijn offermes; een andere priester, van lageren rang, hield een hamer in de hand, waarmee de ledematen van het slachtoffer gebroken moesten worden.

Bij de komst van Ulf met zijn mannen klonk een gemompel van blijdschap. De krijgers sloegen herhaaldelijk met hun reusachtig groote zwaarden op de schilden. Een wild, wondervol gezang werd aangeheven. Het verhaalde van Thors avonturen met de reuzen, en hoe hij hun zijn strijdhamer naar het hoofd wierp, en hun zwart bloed over de aarde deed vloeien.

"Zij zullen zeker slechts een deel der plechtigheid verrichten," zei Tyrker. "Zeg mij, waar is het slachtoffer?"

"Hier!" riep Ulf, en hij greep den verbaasden Tyrker aan en trachtte hem op den grond te werpen. Doch deze was niet zoo licht te overmannen; hij was veel beter krijger dan Ulf, en wierp zijn tegenstander met geweld ter aarde.

"Ik dacht niet dat ik uws vaders zoon ooit zoo ruw in het stof zou werpen," zeide hij hijgend.

De priester Helgi gaf een teeken, en Thorhall benevens een tempeldienaar grepen Tyrker aan; de krijgslieden mochten het slachtoffer niet aanraken. Uitgeput werd hij ten laatste door beiden naar den altaarsteen gesleept. Hier werden door Helgi en zijn helpers touwen neergelaten, waarmee Tyrker naar boven werd geheschen; maar juist toen hij den noodlottigen steen had bereikt, werd het geluid der hoefslagen van galoppeerende paarden gehoord en spoedig verscheen een troep goedgewapende krijgslieden met Thorward aan het hoofd. Naast hen reed het opperhoofd Magni, die, met zijn wapenrusting aan en met den gouden helm op het hoofd tot voor den altaarsteen reed, en op een toon van gezag sprak:

"Houdt op!--Ik kondig hier de nieuwe wet af, die ten strengste verbiedt dat menschen aan de goden geofferd worden. Daarenboven is Tyrker een vriend van IJsland. Laat hem los, priester! of bij St Paul, ik doorboor u met mijn lans!"

Verscheidene heidensche krijgslieden ontblootten hun zwaarden, doch velen onder hen bewoonden grond, die aan Magni behoorde, en allen moesten de geldigheid erkennen van een wet, door hun eigen wetgevers gemaakt.

De altaarsteenen werden bestormd. Tyrker werd van zijn banden bevrijd en op een paard geplaatst, en spoedig verdwenen de ruiters, den laatsten man met zich voerend, dien de Scandinavische heidenen op hun altaarsteenen trachtten te offeren.

Laat ons naar Geirrida terugkeeren. Zooals gewoonlijk zit zij te spinnen, omringd door haar maagden. Buiten hoort men naderend hoefgetrappel. Zij houdt op en zegt:

"Ga, Asdisa! maak de buitendeur open en breng de honden tot bedaren. Het is graaf Ulf met Thorhall. Goden mijner vaderen! dat Eirik zulk een laffen zoon moest hebben! Maar laat hem binnen, Asdisa! er is geld aan hem te verdienen."

Kort daarop zat Ulf op de hooge bank bij de heks en deed verslag van het mislukte offerfeest. Na den maaltijd vertrokken de maagden, en Ulf, Geirrida en Thorhall gingen beraadslagen.

"Wij moeten ons niet laten verslaan. Thor is ons gunstig gestemd, maar er is een machtige invloed aan 't werk!"

"Zeg mij uw plan en al wilde niemand anders mij helpen dan de verstooten Loki, toch zou ik hem dadelijk aanroepen. Hoorde ik daar iets bewegen?"

"Zoek, als gij wilt, maar er kan niets zijn. Niemand is in huis dan mijn maagden."

Ulf stond op en keek achter de zware tapijten, die de kale wanden bekleedden, maar hij vond niets dan de deuren, die naar de vrouwenvertrekken geleidden.

"Er bestaat een wet," zoo begon Geirrida, "die uit Noorwegen hierheen is overgebracht. Die wet zegt: als een oudere broeder sterft en een jongere broeder blijft onverzorgd achter, dan moet het land en alles wat hij achterlaat in twee gelijke deelen verdeeld worden. De eene helft is voor de kinderen, die hij mocht achterlaten, en de andere helft voor den jongeren broeder."

"Bij Thor's baard! gij verbaast mij. Als dit waar is zal ik u goed beloonen!"

"Als gij het rechtsgeding tegen uw neef wint, krijgt gij alles wat gij bezit door mij. Zonder mij zijt gij verloren. Zelfs de rechter zou zich van u afkeeren, en gij zoudt er nog slechter aan toe zijn dan nu. Voordat ik je help moet gij mij te Reikiavik voor twaalf getuigen zweren, dat gij mij de helft zult geven."

"Wel, dan zou ik slechts een vierde van mijns broeders rijkdom ontvangen!"

"Dat is toch beter dan uw tegenwoordige armoede; op geen andere voorwaarden wil ik u helpen. Denk er over en kom over tien dagen terug, gereed om met mij naar Reikiavik te rijden. Ik heb gezegd!"

Zoodra Ulf en Thorhall vertrokken waren riep Geirrida om Asdisa, en vroeg haar of een der maagden ook geluisterd had.

"Zeker niet. Waarom vraagt gij dat?"

"Omdat die hond vreesde dat hij iemand achter de tapijten hoorde."

"Ik zou kunnen zweren dat geen der andere meisjes de vertrekken heeft verlaten...."

"Genoeg, mijn kind! ik ken u. Maar wat is er? Hebt gij mij iets te vragen?"

"Mag ik naar mijn moeder gaan; ik verlang zoo naar haar!"

"Wel, ga dan, maar zeg geen woord van Ulf of van wat gij weet van zijn plan. Als het slaagt zal het ook goed zijn voor u! Ik geef u zeven dagen, dan hebt ge al den tijd om weer tot mij terug te keeren."

Asdisa zadelde een der paarden en 's avonds had zij het huis harer moeder bereikt; het lag veertig mijlen van Reikiavik.

Alfrida was Christin en het bedroefde haar dat zij door den nood was gedwongen haar dochter bij de rijke tooveres Geirrida te laten; toch leerde zij haar dochter de waarheden van het Christendom kennen.

Asdisa was een goed meisje en hoewel zij haar moeder nooit iets verhaalde van alles wat bij Geirrida aan huis voorviel, waarschuwde zij haar toch, als het welzijn der Christenen bedreigd werd.

"Ach, moeder!" zoo begon Asdisa, "mijn lot is zoo hard. Geirrida houdt van mij en ik kan mijn meesteres niet verraden en toch kan ik niet waar en oprecht jegens u zijn als ik het niet doe!"

"Eens hebt gij het leven van een braaf man gered. Het was gelukkig dat kleine Nils hier was en dat hij naar Reikiavik kon gaan om graaf Magni te vertellen, in welk gevaar Tyrker verkeerde."

"Ja, moeder! maar het is zoo slecht om achter de tapijten te sluipen en te luisteren."

"De tijd zal spoedig komen dat gij haar kunt verlaten. Gaat het geheim, dat gij mij te vertellen hebt, alleen u zelf aan of betreft het de Christenen?"

Het meisje vertelde nu, hoe Geirrida de oude wet gevonden had betreffende het land en de eigendommen, nagelaten aan zoons van personen, die onverzorgde broeders hadden. Haar moeder nam haar hand en zeide:

"Graaf Sigvald was de beste van alle menschen. Hij had de rondheid van zijn vader, maar verzacht door het Christendom. Ik was een slavin, uw vader was een bondsman, doch toen graaf Sigvald hoorde dat wij elkander lief hadden, schonk hij ons de vrijheid en gaf ons een gedeelte lands in eigendom. Het ging ons goed, doch zeeroovers verbrandden ons huis, voerden het vee weg en vermoordden uw vader. Sigvald bouwde toen dit huis voor mij en leerde mij op God vertrouwen. Als het in onze macht is Sigvald's zoon te helpen, is het onze plicht het te doen. Gij moet naar Groendal rijden om Thorfrida te spreken en daarna moet gij zoo spoedig mogelijk naar Reikiavik gaan om graaf Magni te waarschuwen voor het gevaar, dat Edrik bedreigt."

Den volgenden morgen kwam het meisje te Groendal aan, waar zij hoorde dat Edrik den vorigen dag was afgereisd om een bezoek te brengen aan koning Olaff Tryggvason in Noorwegen.

"Lieve Asdisa!" zeide Thorfrida "gij zijt wel goed zooveel moeite voor ons te doen. Het was Sigvald's liefste wensch dat Edrik de erfgenaam zou zijn zijner landen, van deze hal en van gindsche wapenrusting. Haast u dus naar graaf Magni, maar neem ter gedachtenis van mij dezen gouden armband aan. Ga, mijn hofmeester zal u er heen geleiden."

Den volgenden morgen vertrok Asdisa en bereikte spoedig het huis van graaf Magni, die haar vriendelijk ontving.

"Ik vrees," zei hij, "dat als Ulf Eirikson zijn zaak voor de Ting gaat bepleiten, al de rijkdom, dien Edrik nu bezit, de zijne zal worden, ten minste de helft er van. Ulf is een schurk, doch gij zijt een braaf en dankbaar meisje en ik laat u niet onder de heidenen terug keeren. Ik zal u als mijn dochter aannemen; wacht, ik zal er met mijn vrouw over spreken."

Graaf Magni was van edele Noorsche afkomst, en de rijkste man van IJsland; ook was hij Opperrechter, wiens oordeel in den tijd, waarvan wij spreken, beslissend was.

Hij had intusschen zijn vrouw binnengeleid. Zij keek het meisje goedgunstig aan en zeide:

"Wij nemen u als onze dochter aan; uw moeder zal onze zuster zijn. Als zij naar Reikiavik wil komen, zullen wij haar huis on land schenken. Maar gij moet bij ons wonen, hoewel gij haar natuurlijk bezoeken moogt zoo dikwijls gij wilt."

De graaf zond een dienstman rond om al zijn vrienden voor den volgenden dag bijeen te roepen. Op het feest nam hij water uit een kom en sprenkelde het op Asdisa's hoofd, en hij noemde haar in 't openbaar zijn dochter. Hij zond haar vervolgens met een stoet dienaars naar het huis harer moeder terug. Deze, die de plannen van graaf Magni begreep, vond alles goed, en verheugde zich in de gelukkige vooruitzichten van haar kind.

Hoe raasde en tierde Geirrida! Zij riep Thor en Odin en al de goden en godinnen te hulp om dit verraad te straffen. "Maar," riep zij woedend uit, "zeg Magni dat Edrik een bedelaar is, dat de stad Reikiavik binnen drie maanden overstroomd zal worden door een Geijser, die ik in haar midden zal doen ontspringen, en het kokende water zal door de straten stroomen!"

Geirrida spaarde geen kosten om de grootste rechtskundigen te krijgen, niet alleen van het eiland, maar ook uit Noorwegen. Ulf was verbaasd over haar mildheid en zeide tot Thorhall:

"Er zijn zeker schatten verborgen te Groendal; zij is dat door tooverij te weten gekomen en hoopt er haar aandeel van te ontvangen. Ik zal voor de rechters verklaren dat ik haar maar een vierde schuldig ben, en lang voordat de tijd der betaling aanbreekt, zal ik haar doen veroordeelen wegens tooverij."

Thorhall was somber gestemd. Hem beviel dit leven niet; hij verlangde naar een leven van strijd, naar gevaarlijke tochten. Hij wendde zich dus af en zeide: "Slim, maar schurkachtig!" en verviel toen weer in zijn vorige neerslachtigheid.

Magni zond boodschappers naar Noorwegen om Edrik te halen. Hij kwam, vergezeld door Osrik, die een stoet schitterend gekleede bedienden met zich bracht, want Osrik was op zijn manier een pronker geworden. Hij droeg een zwaard met gouden gevest; zijn schild was blauw en rijk verguld, en zelfs de greep van zijn speer schitterde van goud!

Edrik daarentegen droeg een donkerbruin kleed zonder eenig versiersel; de banden om zijn beenen waren van de gele kleur van het leder, zonder eenige beschildering. Zijn mantel was blauw maar zonder gekleurden rand. Toen men hem vroeg, waarom hij zulk een eenvoudige kleeding droeg, antwoordde hij: "Mijn oom wil het land nemen dat mijn vader bezat; als hij daarin slaagt ben ik arm en ik weet dus niet welk lot mij wacht."

Doch Ulf verheugde zich over dat vertoon van armoede; hij dacht dat al het geld, dat Edrik met zich mee naar Noorwegen had genomen, was opgemaakt en het rechtsgeding dus van zijn kant niet met veel kracht gevoerd zou kunnen worden.

De dag was bepaald en daar het een belangrijke zaak gold, was de toevloed van volk zeer groot. In het rond was een cirkel gemaakt van in den grond gestoken hazeltwijgen, waaraan sneeuwwitte koorden waren bevestigd. Op den steen des oordeels zat Magni; aan zijne voeten stonden de zetels van hen, die als rechtskundigen optraden. Daarop volgde een andere kring van zetels, waar twaalf rechters uit elk kwartier van het eiland zaten, die een soort van jury vormden. Daarachter zaten weer de getuigen, die daar kwamen om onder eede te bevestigen dat, hetgeen gezegd werd door elke partij, de waarheid was.

Aan Magni's rechterhand stonden twee zetels, voor Edrik en Thorfrida, terwijl aan zijn linkerhand twee dergelijke zetels stonden voor Ulf en Thorhall. Daar er onder de getuigen zoowel Christenen als heidenen waren, was de priester van Reikiavik zoowel als Helgi Fostigson van Helgafels er bij tegenwoordig.

Het pleiten duurde lang. Er werd bewezen dat Ulf een slecht karakter had, en er werd aangevoerd dat daar Eirik, de Roode, hem verstooten had, dit een bewijs was dat hij niet waard was om te erven.

Hierop werd geantwoord dat in de wet van geen karakter gesproken werd. Dat Ulf Eirik's zoon was, werd door niemand betwist; dat hij niets bezat maakte dat hij met te meer recht aanspraak op de erfenis kon maken.

Rechtsgeleerden uit Noorwegen bespraken de wet, en na vijf dagen lang alles aangehoord te hebben, sprak Magni het oordeel uit. De helft van wat Edrik bezat, moest hij aan Ulf afstaan, of hij moest het binnen drie jaar van hem kunnen terug koopen.

"En het ziet er niet naar uit dat dit ooit gebeuren zal," schimpte Ulf.

"Waar gaat gij heen, mijn jongen?" vroeg Magni aan Edrik, toen het rechtsgeding was afgeloopen.

"Ik ga naar huis om het eigendom mijner moeder bijeen te brengen. Gij moet zorg voor haar dragen, graaf Magni! want ik ga naar Wijnland met Thorward en Freydisa."

X.

Thorfinn had besloten nog een tocht te wagen, om te onderzoeken of er in New-Foundland ook menschen woonden. Op aandringen van Freydisa had Thorward zich bereid verklaard aan den tocht deel te nemen.

Op de openbare vergadering vroeg Thorfinn aan Leif of hij hem de hutten verkoopen wilde, die hij twee jaar geleden aan den oever van het meer had gebouwd. Leif scheen er eenigszins aan gehecht te zijn, doch hij stond Thorfinn en de anderen toe ze te gebruiken om er in te overwinteren, op voorwaarde dat zij de mogelijke schade zouden herstellen. Leif zelf ging niet mede; zijn vader werd oud en hij vond het zijn plicht bij hem te blijven, maar zijn schip wilde hij gaarne geven, als hij daarmede de anderen helpen kon.

Dit geschenk werd met vreugde aangenomen. De Sleipner was gereed om zee te kiezen; Thorward had een Deensch schip, de Gefion gekocht, zoodat er nu drie vaartuigen waren om de Noormannen naar het westen over te brengen. De Sleipner was nu het eigendom van Thorfinn en een rijk opperhoofd, Thorold Gamlason genaamd, doch nu zij de Rolf-Krake ten geschenke kregen, nam Thorfinn het bevel daarvan op zich en Thorold over de Sleipner.

De jager Thorhall begaf zich op de Gefion; Edrik en Nils scheepten zich in op de Rolf-Krake en zij waren zeer verheugd onder Thorfinn te varen.

Niet alleen namen IJslanders deel aan den tocht, er waren ook Noorwegers, Zweden en Denen onder. Onder de eersten bevonden zich twee broeders, Helgi en Finnbogi genaamd, die bekend waren als bekwame zeelieden en uitmuntende bevelhebbers. Er werd bepaald dat de drie schepen naar Markland en Wijnland zouden zeilen, en dan naar IJsland zouden terug keeren met den uitslag van hun pogingen.

In 't geheel waren er honderd zestig mannen en vrouwen, overvloedig voorzien van vee en levensmiddelen. De Rolf-Krake zeilde het eerst uit met Leif aan boord, die naar zijn vader in Groenland terug keerde.

Er gebeurde niets bijzonders op den overtocht. Op de schepen bevonden zich vrouwen genoeg, zoodat de krijgslieden goed bediend werden. Elken dag werd wijn en mede gedronken, terwijl geregeld bij het middagmaal groote stukken gezouten of gerookt beren- of geitenvleesch werden voorgediend, evenals in de hal van een rijke op het land.

Er werden geen raven uitgezonden om den afstand van het land te bepalen, want Thorfinn was een bekwaam zeeman, en vier dagen na hun vertrek wierpen de drie schepen het anker in Eiriks-fjord.

Oude Eirik stond zelf op de kust om naar de naderende schepen te kijken. Njord was zoo groot geworden, dat iedereen er verbaasd over was, en hij was bijna even beroemd als de oude graaf zelf.

"Njord, mijn jongen!" zei Eirik, "spoedig komt uw rechtmatige meester, dan zult gij den ouden man alleen laten en je bij den jongere voegen."

Njord keek Eirik verstandig aan en ging op zijn achterpooten staan, en legde zijn voorpooten op Eiriks schouders, die lachend zeide: "Gij zijt bijna te verstandig voor een hond. Wat zegt gij er van, Bersison?"

De aldus aangesproken krijgsman antwoordde: "Het is een wonderlijke hond; dezen winter heeft hij minstens tien menschenlevens gered!"

Toen men op de Rolf-Krake het zeil streek, was Njord buiten zich zelf van blijdschap. Voordat het schip kon landen, sprong hij in het water en zwom snel naar dat gedeelte van het schip, waar Edrik stond. Deze had zijn speer en werpspiets gegrepen, en stond daar als een toonbeeld van een jongen krijgsman.

Thorfinn sloeg den knaap aandachtig gade, om te zien welk gevoelen in hem de bovenhand zou krijgen--zijn genegenheid voor den hond of zijn gevoel voor krijgstucht. Dit laatste behaalde de overhand, en verheugd zeide Thorfinn:

"Werp dien hond een touw toe, Edrik Sigvaldson! Ik zou wel eens willen weten of hij weet hoe het te gebruiken."

Met aandacht keken allen naar deze vreemde proefneming, doch Njord kon niet goed blijven vasthouden terwijl men hem optrok, en viel in het water terug. Edrik dacht aan de haaien. Hij nam zijn werpspiets en wierp haar met zooveel kracht, dat zij diep in den stam van een boom bleef zitten.

"Halen, Njord!" riep hij toen.

De groote hond keerde zich snel om en zwom naar land, juist bijtijds, want men zag de vin van een Groenlandsche haai boven het water uitsteken. De hond was gered! Njord greep de speer tusschen zijn tanden, maar Edrik had haar met zooveel kracht geworpen, dat de hond er niet in slaagde haar er uit te trekken, voordat de krijgers aan land waren gestapt. Eirik heette hen welkom in Groenland. Allen gingen gezamentlijk naar de hal, waar de tafel gastvrij gedekt werd.

Het belangrijkst onderwerp van gesprek was het rechtsgeding tusschen Ulf Eirikson en Edrik. Eirik was buiten zich zelf van woede. "Mijn zoon?" riep hij uit, "ik schaam mij dat deze zoon, deze Ulf, mij geboren werd. Ik heb hem verstooten en voor altijd onterfd. Wat Ulf gedaan heeft, wil ik niet zeggen; het is voldoende als ik u zeg dat hij schande en oneer over mijn grijze haren heeft gebracht. Edrik! aan u de zorg uws vaders bezittingen terug te krijgen!"

Deze woorden waren juist geschikt om de Noormannen tot in het diepst van hun hart te treffen. Zij brachten den nacht aan wal door en des morgens namen zij afscheid van Eirik en Leif. Allen gingen aan boord, lichtten het anker en vervolgden hun weg naar New-Foundland.

Het eerst zeilden zij langs de kust van Groenland, tot dat zij aan de plaats kwamen waar Thorward en zijn vrouw waren gered. Toen zeilden zij vier dagen naar het zuiden tot aan de boschrijke kusten van Markland, waar zij een beer doodden.

Zij zeilden nu verder naar het zuidwesten, tot dat de kust wat aantrekkelijker werd. Een der inhammen zeilden zij in en wierpen het anker uit. Thorfinn besliste dat Edrik op ontdekking zou gaan met Nils, en dat zij hem berichten moesten, wat voor land het was. Zij werden van voedsel voorzien, genoeg voor drie dagen, hetwelk zij in twee zakken droegen, om den hals gebonden.

Zoo vertrokken zij. Tegen het eind van den eersten dag riep Nils uit: "Kijk eens, Edrik! wat is dat voor gras op die velden daar? Het is toch geen koren?"

"Ja, dat is het toch wel," zei Edrik. "Wild koren in grooten overvloed. Dat is goed nieuws! Kijk, Nils! daar ginds is een heuvel, geheel bedekt met groene planten. Laten wij er heen gaan."

Dit deden zij en binnen korten tijd hadden zij den voet des heuvels bereikt en zagen zij dat hij begroeid was met heerlijke druiven.

"Wel, dat is een tweede Wijnland, Nils!" riep Edrik. "Deze druiven zijn nog mooier dan de eerste."

"De druiven zijn even als die, welke Tyrker gevonden heeft, maar wij zijn hier niet zoo ver zuidelijk, als de tenten van Leif liggen. Edrik! ik heb honger, laten wij hier gaan zitten en het brood en vleesch opeten, dan smaken de druiven nog eens zoo lekker."

"Dat zou niet verstandig zijn. Wij zullen nu goed eten en wat wij overhouden in de hand dragen. De zakken zullen wij vullen met koren en druiven."

Zoo deden zij en toen gingen zij op weg naar de zee om weer bij de schepen te komen. De regen viel in stroomen; zij konden geen ster onderscheiden, en raakten van den rechten weg af. De morgen brak aan, maar bracht hun geen uitkomst. Zij wisten niet hoe zij gaan moesten en liepen altijd maar recht door, doch toen het weer nacht was kwamen zij aan de zee.

Den volgenden morgen riep Edrik:

"Een schip!--een drakenschip!"

Zij maakten een doek aan hun speer vast en wuifden er mee. De teekens der knapen werden van het schip beantwoord, en een boot roeide naar de plaats waar zij stonden. Drie krachtige mannen zaten aan de riemen en spoedig was de boot bij het strand en sprongen de jongens zonder een woord te zeggen er in.

"Wat zijt gij voor knapen?" vroeg een der mannen.

"Wij behooren tot de bemanning van de Rolf-Krake onder Thorfinn. Wat zijt gij voor mannen?"

"Tostig Arvidson, de graaf, voert het bevel. Vraag het Tostig."

Ziende dat hun vragen toch niets hielp, zwegen de jongens tot zij op het dek van het drakenschip voor den eigenaar stonden.

"Welk schip is dit?" vroeg Edrik.

Tostig keek verbaasd op, want hij was niet gewoon ondervraagd te worden. Toch antwoordde hij:

"De Volünd.--Wie zijt gij?"

Edrik vertelde hem wie zij waren, en het doel van hun tocht.

"Zijt gij Edrik Sigvaldson, wiens oom Ulf hem de erfenis betwist?"

"Mijn naam is Edrik Sigvaldson en Ulf betwist mijn rechten!"

"Sigvald was mijn vriend; bij mij zijt gij dus veilig. Waar zijn de schepen?"

"Zij moeten hier ergens dicht bij zijn op de kust; maar waar, kan ik u niet zeggen."

"Breng den jongens voedsel. Wij zullen trachten de schepen te vinden."

Zoodra het anker aan boord was werd het zeil vastgezet; de mannen plaatsten zich aan de riemen en het drakenschip bereikte het voorgebergte. Daar zagen zij in de baai de drie schepen ten anker liggen. Een half uur later was Tostig met zijn twee jonge passagiers op het dek van de Rolf-Krake, en ledigde hij den drinkhoorn met Thorfinn, Thorward en Thorold Gamlason, om wie Thorfinn gezonden had.

Nu vroeg Thorfinn den dapperen Tostig of hij den weg kende naar de legerplaats van Leif.

"Natuurlijk weet ik dien, de plaats ligt wat meer zuidelijk in een aangename landstreek. Als gij mij tot metgezel wilt hebben, zal ik u daarheen geleiden en naar nog een betere streek."

Na drie dagen bereikten zij de rivier, die Leif was opgezeild, toen hij deze kusten het eerst bezocht. Zij vonden het meer en de hutten in denzelfden toestand, en besloten hier den winter door te brengen, en voorraad te verzamelen.

"Het is hier schoon, maar verder naar het zuiden zijn nog beter plaatsen te vinden; doch daar wonen Eskimo's" [3].

"Zijn er veel?"

"Ik geloof het wel, en zij waren zeer woest."