Edrik, de Noorman

Part 5

Chapter 54,116 wordsPublic domain

"Thorfinn Karlsefni, neem het roer van mij over. Gij zijt onze leidsman, onze gids en strijder. Handel met ons naar welgevallen!"

Op de Rolf-Krake, waar Leif Eirikson het bevel voerde, had dezelfde plechtigheid plaats, toen de Sleipner de Nagelfari gevolgd was.

Toen ook de Rolf-Krake haar touwen losmaakte, verdubbelden de toejuichingen aan de kust. Van de drie statige schepen rees een plechtig gezang omhoog, dat den toeschouwers liefelijk in de ooren klonk.

Onze jonge vrienden bevonden zich te zamen bij Leif Eirikson aan boord van de Rolf-Krake. Osrik, de oudste, moest dienst doen als krijgsman en roeier, terwijl Edrik en Nils als uitkijk geplaatst waren.

Njord bevond zich ook aan boord, en scheen te denken dat hij het bevel voerde, want hij was overal tegelijk en blafte bij alles wat er gebeurde. De krijgslieden hadden er schik in.

Njord was de eerste New-Foundlandsche hond in Europa, en zij wisten nog niet hoe dat soort honden met het water vertrouwd is.

"Kijk eens daar ginds, Nils?" riep Edrik. "Wat is dat daar te lijwaarts?"

"Ik kan het niet goed onderscheiden. Ik zal het Leif even gaan vertellen."

"Dat is een ijsberg, Edrik!" riep Leif uit. "Het verwondert mij dat gij de ijsbergen vergeten zijt!"

"Maar zij zien er heel anders uit. Ik dacht niet dat het een ijsberg was."

Daar riep kleine Nils uit: "Edrik, zie eens daar ginds!" en in tegenovergestelde richting zagen zij nog zulk een ijsberg, die hen met groote snelheid naderde. Leif gaf bevel om flink door te roeien en weldra waren zij aan het dreigend gevaar ontsnapt en de Nagelfari en de Sleipner ver vooruit.

"Wat zou dat beteekenen?" riep Leif. "Zij schijnen het gevaar op de Nagelfari niet te bemerken. Wat kunnen wij doen?"

"Wij kunnen niets doen," zei een oude Noorweger, die de kust van Groenland goed kende. "Al wat wij doen kunnen is voort te zeilen; teruggaan zou ons noodlottig worden."

"Is het leven mijns vaders niet meer waard dan het mijne? Wenden, mannen!" riep Leif.

Zelf nam hij het roer weer in handen en veranderde den koers, om den ouden Eirik te kunnen helpen, als 't noodig was.

Intusschen kwam de tweede ijsberg langzaam maar zeker nader. De Nagelfari, Eiriks schip, kwam er hoe langer hoe dichter bij, terwijl men op de Sleipner het gevaar bemerkt scheen te hebben, want daar spande men alle krachten in om het te ontkomen.

Leif zette voortdurend zijn mannen aan, ten einde zijns vaders schip bij tijds te bereiken, maar Eirik scheen blind voor het nakend gevaar. Te vergeefs gaf Leif signalen op zijn horen; zij schenen door de bemanning van de Nagelfari niet opgemerkt te worden.

Ten laatste bemerkten zij toch het gevaar en de mannen roeiden wat zij konden, maar toch naderden zij hoe langer hoe meer den ijsberg, in plaats van er zich van te verwijderen.

Daar kwam de Rolf-Krake met Leif aan boord. "Red u vader!" riep hij. "Spring in zee. Komt allen hier; er is plaats genoeg!"

Eirik zag hoe de ijsbergen dreigden het schip te verbrijzelen, en hij sprong in zee, gevolgd door zijn bemanning. Hun werden touwen toegeworpen, en spoedig stonden al de vermoeide mannen van de Nagelfari veilig op het dek van de Rolf-Krake.... allen, behalve Eirik, die, toen hij trachtte een touw te vatten, misgegrepen had en weer in het water was teruggevallen.

Uitgeput als hij was, had de oude krijger geen kracht meer het touw te grijpen, dat men hem nogmaals toewierp. Leif riep angstig uit: "Grijp het touw! Houd vast, vader!" en hij begon zich reeds van zijn zware wapenrusting te ontdoen om zich in het water beter te kunnen bewegen, toen men plotseling een plomp hoorde. De hond,--nu een jaar ouder, dan toen hij uit het pas ontdekte land kwam--had het kleed van graaf Eirik tusschen zijn tanden gevat en hield hem boven water.

Deze hulp herstelde Eirik en gaf hem zijn vertrouwen terug. Nogmaals werd hem een touw toegeworpen; dezen keer greep hij het, doch hij kon het niet goed vastmaken, hoewel de hond hem nog altijd boven water hield.

Daar naderde Edrik, stevig aan een touw bevestigd, de plaats waar man en hond met den dood worstelden. Hij slaagde er in het touw stevig om Eirik vast te maken, en zoo werd de oude graaf veilig aan boord getrokken.

Terwijl dit gebeurde zwom de hond geduldig rond. Edrik bond nu het touw om zijn middel, nam den hond in zijn armen en liet zich zoo aan boord trekken. Het was hoog tijd: de roeiers grepen met alle kracht de riemen; twee mannen aan iederen riem en de Rolf-Krake vloog over de golven, terwijl de Nagelfari het ijs naderde en een zeker verderf te gemoet ging.

"Roeit voort, mannen!" riep Leif, "wij moeten beproeven te ontsnappen!"

Wat roeien zij snel! Daar nadert hen de tweede ijsberg. Kunnen zij nog ontkomen? Gelukkig zijn zij het eind van de reusachtige massa voorbij, die snel tegen de andere komt aandrijven. Daar stooten beide bergen tegen elkander met een knal als van zwaar geschut. De achtersteven van de Rolf-Krake heeft toch nog iets te lijden, maar het schip is behouden. Het vaartuig van graaf Eirik echter is geheel verbrijzeld.

"Kijk eens naar dien hond, Leif! Hebt gij ooit in uw leven zoo'n dier gezien? Nog geen twee jaar oud en toch redt hij mij het leven. Het is alsof hij, evengoed als wij, weet wat wij zeggen!"

De krijgslieden keken verbaasd dat de oude Eirik zich zoo aan zijn blijdschap overgaf, hij, die volgens zijn geloof zoo onverschillig moest zijn voor leven of dood. Njord liet geduldig toe dat de oude man hem liefkoosde.

"Dat was bij het kantje af, Nils!" zeide Edrik.

"O, ik geloof dat zoo iets wel eens meer gebeurt. Gelukkig dat de Sleipner het nog ontkomen is, en geen menschenlevens te betreuren zijn!"

VIII.

Den volgenden dag kwamen de Sleipner en de Rolf-Krake weer bij elkaar, en onderscheidde Osrik de kust van Groenland. Men ankerde in Eiriks-fjord, en spoedig bood de gastvrije tafel van den ouden krijger den gasten de spijzen aan, die hij wist dat hun 't liefst waren. De vrouwen vonden het zeer aangenaam weer eens aan land te zijn, en Njord maakte allerlei dolle sprongen.

De kleine kolonie verheugde zich in de geschenken, die hun met de schepen uit Groenland waren toegezonden, doch nu was het de vraag, wie mede zou gaan naar het nieuw ontdekte land en wie op Groenland zou blijven.

Eirik, de Roode, belegde een vergadering en daar werd besloten dat hij zich aan boord van de Sleipner zou inschepen, en den tocht zou leiden, doch eerst drie dagen na de vergadering. Door Christenen en Heidenen werd de zegen van het Opperwezen afgesmeekt op hun onderneming.

Toen die dag kwam werden de Rolf-Krake en de Sleipner naar Eiriks-fjord gebracht; daar zouden Eirik en zijn zoon zich in alle plechtigheid inschepen. De oude graaf besteeg zijn paard en gevolgd door zijn zoon, reed hij aan het hoofd van den optocht. Op hem volgde Thorfinn op een prachtig oorlogsros en naast deze, op een melkwit paard, reed zijn vrouw Guthrida. Achter hem kwamen de krijgslieden, die drie aan drie reden, en deze werden weer gevolgd door de vrouwen.

Op het oogenblik dat zij de plaats der inscheping bereikten, werd het paard van Eirik onrustig, steigerde en wierp zijn berijder af. Leif sprong dadelijk toe om zijn vader te helpen, die door den val bewusteloos scheen, zoodat zijn zoon eerst dacht dat hij dood was; doch hij kwam spoedig weer bij en stond statig en trotsch als te voren voor zijn zoon, dien hij aldus aansprak:

"Neen, Leif! ik blijf hier. Ik houd dit voor een teeken dat mijn dagen als zeeman en krijger geteld zijn. Ik wil de goden niet verzoeken. Ga, mijn zoon! en neem met u mijn twee volgelingen, die ik het meest op prijs stel; mijn jager Thorhall en mijn Duitschen hofmeester Tyrker. Thorhall zal u van dienst zijn bij het vervolgen van het wild, en Tyrker is bekwaam en slim. En gij Thorfinn! neem zooveel mijner mannen met u als wenschen uit te zeilen. Mogen de goden u allen beschermen!"

Allen waren afgestegen en hadden zich rondom Eirik geschaard. Zelfs de Christenen waren van meening, dat hij een duidelijk teeken had gehad, dat zijn tocht door de Voorzienigheid niet goedgevonden werd. Er waren er zelfs onder, die dachten dat het teeken voor hen allen bestemd was. Leif en zijn vader gaven dezen verlof om te blijven, maar al de anderen scheepten zich in, ook Thorhall en Tyrker. Oude Eirik keek de drakenschepen na, zoolang hij ze maar eenigszins zien kon, en toen keerde hij zwijgend naar de hal terug.

Intusschen spoedden de schepen zich voort. Edrik, Osrik en Nils waren in een opgeruimde stemming, hoewel hun makker, de hond, was achtergebleven om ouden Eirik wat op te vroolijken.

Reeds na vijf dagen kreeg de Rolf-Krake het land in zicht dat het eerst door Byarn was ontdekt geworden. De bemanning ging hier aan land, maar vond geen zweem van plantengroei; niets dan een naakte, kale vlakte, bedekt met groote platte steenen.

Aan dit land gaf Leif den naam van Helluland, of het Land der platte steenen, en daar het niets aanbood, dat hen kon verlokken om te blijven, scheepten de reizigers zich weder in.

Zij zeilden een dag langs de kust en kwamen toen aan een laag vlak land, met talrijke zandige klippen, dicht begroeid met houtgewas. Hier gingen zij nogmaals aan wal en zij noemden dit land Mark-land, nu bekend als Nieuw-Schotland.

Westwaarts langs de kust van het vasteland zeilende, merkten zij op, dat een groot gedeelte van den grond bij eb geheel droog bleef. Zij gingen aan land en vonden een rivier, die uit een meer kwam, en in zee liep. Het land zag er zoo aanlokkend uit dat onze zeelieden besloten eens te beproeven, hoe ver zij de rivier met hun schepen konden opzeilen. Bij vloed konden zij gemakkelijk bij het meer komen, en hier ontscheepten zij zich. Het meer, de kust, de bosschen, in 't kort alles beviel Leif zoo, dat hij zijn voornemen te kennen gaf hier den winter door te brengen.

Men ging met ijver aan 't werk. Boomen werden geveld om de woningen op te trekken. Het meer verschafte overvloed van heerlijken zalm, de grond was vruchtbaar en de wouden waren vol vogels en men zag er een groot aantal herten.

Er verrezen nu spoedig huizen. De mannen vingen langs de kust zooveel zeehonden, dat zij vellen genoeg hadden om er de hutten van binnen mee te bekleeden. Zij begonnen met dit werk in het eind van Juni, en voor het einde van Augustus waren zij klaar. De knapen hadden hard meegewerkt en nu zond Leif hen met den Duitscher Tyrker op een ontdekkingstocht uit.

"Osrik! wij gaan nog meer land ontdekken," zeide Edrik. "Wij zullen het Osdriksland, Nilsland of Edriksland noemen!"

"Nooit Tyrkersland, als hij het 't eerste ziet. Hij is geen graaf, niet waar jongens?"

"Wees nu niet dwaas, Tyrker! Gij weet wel dat op IJsland alle menschen gelijk zijn."

Zoo sprekend wandelde het kleine gezelschap steeds voort in zuidwestelijke richting, goed om zich heen ziende, om bij den terugkeer den weg te kunnen vinden. Op den vierden dag van hun reis was de voorraad levensmiddelen bijna uitgeput, en tot nog toe hadden zij niets ontdekt; doch tegen den middag riep Edrik uit:

"O, Tyrker, kijk eens! Wat zijn dat voor struiken?"

De Duitscher keek in de richting, die Edrik had aangewezen. Hij liep er vlug heen, en de jongens zagen hoe hij trossen met groote bessen plukte, welke aan struiken groeiden.

"Ik ben een Rijnlander, jongens!" riep Tyrker. "Ik zag dadelijk dat dit een wingerd was." En hij ging voort van de druiven te eten en drukte op luidruchtige wijze zijn blijdschap uit.

De knapen waren verbaasd over de opgewektheid van den Duitscher, totdat zij zelf de vruchten geproefd hadden. Zij waren koel en verfrisschend, en stilden honger en dorst tegelijk.

"Nu, Tyrker! gij moet deze plaats een naam geven!"

"Noem dit land dan "Wijnland," als gij wilt. Maar wij moeten eenige vruchten meenemen, anders zullen de anderen ons niet gelooven!"

Hij sneed daarop eenige takken van de naastbij staande boomen, en zoo waren zij in staat een groot aantal trossen te dragen, zonder dat de vruchten beschadigd werden.

Reeds den tweeden dag ontmoetten zij een afdeeling onder Thorfinn, die ongerust was geworden over het wegblijven der knapen. Hij was even verbaasd als de knapen over de ontdekking van Tyrker. In triumf gingen zij naar de nederzetting terug, waar mannen en vrouwen zich verheugden over den uitslag van den tocht. Leif vond de vruchten overheerlijk; hij deed Tyrker verscheidene vragen, en omtrent den naam van het land zei hij:

"Ja, zoo zal het zijn. "Wijnland" zal voortaan de naam zijn van dat paradijs."

Er werd bepaald dat de eene helft der kolonie druiven zou gaan inzamelen, terwijl de andere helft de vrouwen zou blijven bewaken, doch toen zij Wijnland goed onderzochten, vonden zij er nog meer dan druiven, namelijk een soort van koren, dat in de zon rijpte. Zij sneden er wat van af, en brachten het bij de vrouwen, die verklaarden dat het ruw, maar zeer goed koren was. Ook leerde Tyrker hun hoe zij de druiven konden bewaren, en weldra hadden zij zooveel, dat zij niet bevreesd behoefden te zijn dat zij geen voorraad genoeg zouden hebben voor den winter.

Groote toebereidselen werden er gemaakt voor de naderende koude, maar toen de winter aanbrak, waren de IJslanders verwonderd dat het zoo warm was. Wel is waar viel er sneeuw en was er wat ijs, maar was dat nu winter! Het gras bleef groen, de rivier bleef stroomen en men kon rondwandelen zonder de zware mantels van berenvel.

"Wel," zei Leif Eirikson eens op een morgen tot zijn vrouw, "als dit nu werkelijk is wat men het aardsche paradijs noemt, dan zijn wij de gelukkigen, die het gevonden hebben!"

Den geheelen winter werd druk gejaagd, en toen de lente aanbrak had men nog niet veel lust de plaats te verlaten. Men wachtte tot het zomer was, en toen gingen allen weer onder zeil naar de kust van Groenland. Men had een goeden voorraad druiven, koren en vleesch aan boord, zoodat men vooreerst niet voor den honger behoefde te vreezen.

De reizigers hadden geen man verloren; integendeel, het troepje was nog vermeerderd door de geboorte van een zoon van Thorfinn, het eerste Europeesche kind, dat in Amerika geboren werd. Hij werd "Snorri" gedoopt, en men zegt dat van hem de beroemde beeldhouwer Thorwaldson en de niet minder beroemde taalkundige Magnusson afstammen.

De zeilen werden geheschen en de drakenschepen vertrokken met een stevige zuidwestelijke bries, die hun een spoedigen terugkeer naar Groenland scheen te beloven; maar ongelukkig draaide de wind eerst naar het noorden, en toen naar het oosten, zoodat zij heel wat moeite hadden hun koers te vinden.

Dit viel hun tegen, en het was des te erger omdat hun voorraad snel begon te minderen. Zij verloren echter den moed niet, maar gingen voort, zich richtend naar de sterren en dicht bij elkander blijvende.

Op een morgen was Edrik boven in het kraaiennest. Het was een prachtige, heldere dag, hoewel vrij wat kouder dan in Wijnland.

"Ahoy, daar op dek!" riep hij. "Land vooruit!"

"Kom beneden; ik zal eens naar boven gaan!" antwoordde Leif. Hij deed zulks en zag de kust als een blauwachtig grijze, nevelachtige bank vóór zich liggen.

Groot was de opgewondenheid aan boord, toen tegen den avond het land nabij genoeg was om het te herkennen als de noordwestelijke kust van Groenland, en zij hier een wrak zagen. Dadelijk werd van de Rolf-Krake een boot te water gelaten en Edrik, Nils en Osrik mochten met de bemanning meegaan om Leif te berichten, welk schip daar schipbreuk had geleden.

De boot naderde en spoedig bemerkten de mannen dat aan het strand menschen stonden.

"Waar vandaan?" vroegen zij, toen zij dichtbij genoeg waren, en het antwoord luidde: "Van Reikiavik!"

Eenige riemslagen brachten hen aan land, waar Edrik tot zijn blijdschap zijn vriend Thorward met zijn vrouw Freydisa benevens vijftien anderen vond, en hij haastte zich Leif Eirikson van boord te halen. Dadelijk volgde ook een boot van de Sleipner met Thorfinn en eenige zijner mannen.

Leif had ook Tyrker en den jager Thorhall met zich mee in de boot genomen, en zoodra hij aan land kwam, zond hij den jager uit om te zien of hij niet eenig wild kon schieten, dat hun tot voedsel kon dienen; want men had nu zeventien monden meer open te houden.

Freydisa vertelde hun, hoe zij, toen zij van het nieuw gevonden land hoorde, haar echtgenoot had overgehaald een schip uit te rusten om zelf zijn geluk te beproeven, en hoe hun schip, na drie dagen zeilens, op deze kust schipbreuk had geleden.

"Het is gelukkig dat wij u gevonden hebben," antwoordde Leif. "In den winter hadt gij allen moeten sterven van koude en honger!"

Twee dagen gingen met vruchteloos zoeken naar voedsel voorbij, maar toen Edrik op den derden dag een gedeelte der kust onderzocht, waar nog niemand geweest was, zag hij den jager Thorhall op een rots zitten, bezig met verzen te zingen. Hij stond op toen hij Edrik zag en zeide: "Ik ga met u mee; wij zullen spoedig voedsel krijgen."

En waarlijk, toen zij naar de overigen terugkeerden, vonden zij eenige mannen bezig een walvisch hooger op het strand te halen.

Groote stukken werden gekookt, doch toen zij aan het eten waren riep Thorhall:

"Ha, ha! Thor is behulpzamer geweest dan uw Christus! Ik heb dien walvisch gekregen door mijn verzen."

Het gevolg van deze opmerking was dat de Christenen niet meer van het vleesch aten, doch de overlevering, waaraan wij dit verhaal ontleenen, deelt ons mede dat het weder spoedig zachter werd, en dat er geen gebrek aan voedsel meer was, want er kwam overvloed van visch. Ook werden er eieren gevonden, en dit met de druiven en het koren aan boord, was voldoende, totdat zij weer in Eiriks-fjord terugkwamen.

Wat was Edrik blij toen hij Njord terug zag. De hond was niet minder verheugd en hij scheen den knaap eenige geheimzinnige mededeelingen te doen, die Edrik volkomen scheen te begrijpen.

Thorfinn gaf den ouden Eirik al het hout en de druiven, die hij aan boord had, ten geschenke, en daarover was deze zoo verheugd dat hij allen, zonder uitzondering, uitnoodigde den Joeltijd bij hem in de hal te vieren, en dit was het vroolijkste Joelfeest, dat ooit op Groenland gevierd werd.

IX.

Freydisa had haar echtgenoot overgehaald de reis naar New-Foundland te ondernemen, omdat zij niet kon velen dat Byarn zooveel roem en eer behaalde, terwijl haar echtgenoot thuis zat, en niets deed. Om de waarheid te zeggen, scheen deze het ook nu niet onaangenaam te vinden een rustig Joelfeest onder Eiriks dak door te brengen en scheen hij liever op IJsland beren te jagen, dan over den Oceaan te zeilen om nieuwe landen te zoeken. Niet, dat hij bevreesd was, neen, hij kende de vrees evenmin als de oude Eirik, maar hij was niet eerzuchtig en wenschte slechts dat zijn vrouw wat huiselijker was.

Toen de lente echter naderde, besloot hij naar Reikiavik terug te keeren. Zijn vrouw stemde slechts met weerzin toe en Leif besloot zich met de knapen bij hen te voegen. Hij nam met zich Thorhall en Tyrker, benevens de vijftien mannen, die zij op de kust hadden gevonden.

Te Reikiavik was er droevige tijding voor Edrik. Zijn vader was ten gevolge van een val van zijn paard gestorven. Zijn moeder Thorfrida en Magni--een der grootste hoofden van het eiland--waren benoemd tot Edriks voogden. Bovendien kreeg zijn vriend Thorward een uitnoodiging van het Noorweegsche hof, die Freydisa hem niet kon verhinderen aan te nemen.

Na zijn vertrek werd Edrik aan Gigur toevertrouwd, die hem verder zou onderwijzen, terwijl de oude krijgsman, Thorold, aangewezen werd om hem in de behandeling der wapenen te bekwamen. Zijn reizen hadden zijn kracht ontwikkeld, zoodat op het eind van het jaar geen jongen van zijn leeftijd, en zelfs maar weinig ouderen, zich met hem in 't redeneeren of worstelen konden meten.

De meesten hielden van Edrik om zijn openhartigheid, maar één was er, die hem haatte, en dit was niemand anders dan Thorhall, de jager. Dat een knaap, zooals Edrik, zooveel dapperheid aan den dag legde en daarbij zulk een goed Christen was, dat wekte den wrok op van den ouden heiden.

Nu woonde dicht bij Helgafels een jongere zoon van Eirik, den Rooden, een man, die lang zoo dapper niet was als een edelman behoort te zijn. Eirik had hem verstooten, omdat hij zich lafhartig gedragen had, en de naam Ulf mocht in zijn tegenwoordigheid zelfs niet genoemd worden.

Ulf was een priester van Thor, doch hoewel hij niet bepaald verbannen was, werd deze zoon van Eirik toch door alle IJslanders vermeden, behalve door de tooveressen. Onder dezen had de moeder van Freydisa hem de meeste vriendschap betoond, en velen dachten, dat zij trachtte een huwelijk tot stand te brengen tusschen hem en haar dochter.

Ulf was nu en dan de gast in Thorwards huis, en daar verveelde men hem dikwijls met lofspraken op den afwezigen Edrik. Eens toen Freydisa hem weer op een lange lofspraak op zijn neef had onthaald, ging Ulf heen, innerlijk woedend. Zoodra hij alleen was, stampvoette hij van boosheid en riep hij Thor aan om hem aan een middel te helpen, om Edrik uit den weg te ruimen.

Daar trad de jager Thorhall uit het bosch te voorschijn. "Zoekt de oom zijns vaders meest geliefd kleinkind te dooden?" vroeg hij lachend.

"Ik ben blijde u te zien, Thorhall! Op mijn eer als graaf, ik wenschte juist iemand te hebben om eens mee te kunnen spreken!"

"Als gij den buit eerlijk met mij wilt deelen, zal ik u zeggen, hoe gij u op uw neef kunt wreken en even rijk worden als uw broeder!"

"Ontvouw mij uw plan!"

"Wacht even; eerst moet ik uw eed hebben in tegenwoordigheid van een priester van Thor, zoodat ik zeker ben dat gij mij niet zult verraden!

"Ik ben zelf een priester van Thor."

"Ga met mij mee naar Helgi Fostigson; hij is op het oogenblik bij de tooveres Geirrida."

"Wil zij ons helpen?"

"Gaarne, want zij haat de Christenen, die den menschen leeren geen vertrouwen in haar te stellen." Zoo sprekende bereikten de twee mannen de woning van Geirrida, een groot en ruim gebouw. Zij traden binnen, en vonden de vrouw spinnende en omringd door haar maagden. Een oude man, met sneeuwwitten, baard en lokken, zat op een hooge bank, doch toen Ulf en Thorhall binnentraden, stond hij op en zegende hen.

"Neem plaats op de daïs," zeide Geirrida tot Ulf. "Gij, Thorhall! neem dezen zetel. Asdissa, vul twee hoorns!"

Ulf dronk en deed zijn verhaal, vol haat en afgunst, terwijl Thorhall er nu en dan een woord tusschenvoegde. Toen hij eindigde sprak Helgi, de priester, hem op plechtigen toon aan:

"Uw huis staat dicht bij den tempel, waar wij beiden Thor dienen. Wij moeten toebereidselen maken om Hem een offer te brengen, en daarna Freydisa tot ons overhalen; want zij is machtig, zij heeft heksenbloed in de aderen.

"Als het offer aan Thor gebracht is en als de teekens gunstig zijn, zal ik mijn plan ontvouwen," zeide Geirrida. "Wanneer zal de groote plechtigheid ter eere van Thor plaats hebben, priester?"

"Op zijn eigen dag, natuurlijk! den dag des donders. Morgen is het de dag van Odin en dan komt de dag van Thor, de Donderdag, dan zult gij mij vinden onder den offersteen."

"Maar Donderdag kan ik geen offer gevonden hebben; wel de volgende week."

"Goed," zei Helgi. "Nu over andere zaken. Wat denkt gij er van met Edrik naar het nieuw gevonden land te gaan en hem daar uit den weg te ruimen?"

"Ik ben geen reiziger en gaf er nooit veel om, het pad der zeekoningin te betreden. Ik blijf liever thuis; de rijke dalen en woeste heuvels van IJsland hebben meer bekoorlijkheid voor mij."

Priester en tooveres konden nauwelijks hun verachting bedwingen maar er viel hier geld te verdienen, daarom prezen zij de wijsheid der redeneeringen van Ulf.

Deze en de jager bleven dien nacht daar, en vertrokken den volgenden morgen naar Ulfs woning, die op ongeveer vijf mijlen van den wereldberoemden tempel stond, die nog op de vlakte van Helgafels te vinden is.

Hij bestaat uit reusachtig groote steenen, die overeind staan en een cirkel vormen rondom den middengroep, bestaande uit twee recht overeind staande steenen, waar over een derde ligt, zoodat daardoor een soort van tafel gevormd wordt. Op deze tafel werden de slachtoffers gebonden neergelegd, en hier vloeide hun bloed.