Part 4
"Ik wilde eens zien hoe de priesters in den heidenschen tempel hun antwoorden voor het volk gereed maken. Wij, Osrik Nils en ik, kropen in het tempelhuis achter het boschje van Baldur. Wij vonden de priesters druk bezig met toebereidselen te maken. Zij goten een vloeistof in een metalen schotel, die in de holte van den offersteen paste. Toen haalden zij drie vrouwen in sneeuwwitte mantels gekleed, en vertelden haar wat zij zeggen moesten, om te maken dat de zoon van Thassi, mijn vader en graaf Eirik, Leif en Thorward zou aanvallen. Het begon te regenen en Ingvar kwam binnen met drie vrienden hij deed drie vragen. Wij hebben ons toen hierheen gehaast, om u in tijds te waarschuwen; zij kunnen dadelijk hier zijn. Maar maak de anderen niet wakker; dat zou Ingvar bemerken en gij zoudt hem niet vangen, en dat zou jammer zijn. Zij denken u onvoorbereid te overvallen, maar ik wist wel beter! Nu zal ik hun toonen, welke goden de beste zijn! Dezen weg uit, vader!"
En de knaap geleidde de mannen uit de hal in de vallei, die zij door moesten trekken om Reikiavik te bereiken. Op ongeveer de helft van den weg stond een boschje denneboomen. Zij besloten hier stil te houden en den vijand af te wachten.
Zij waren daar nog geen half uur geweest toen Ingvar, zoon van Thassi, de plaats naderde en spoedig zoo dicht bij kwam dat zij hem hadden kunnen aanspreken. Bij Ingvar waren nog drie mannen, zoodat de krachten der beide partijen vrij wel gelijk stonden.
Sigvald zag dat hun aantal niet groot was; hij kwam van onder de boomen te voorschijn en trad de nieuw aangekomenen in den weg. Doch hij bemerkte weldra dat hij hierin niet voorzichtig had gehandeld, want in de morgenschemering zag hij in de verte de punten van wapens glinsteren.
"Spoedig Edrik! maak de anderen wakker en breng ze hier, terwijl ik deze lieden aan de praat houd!"
Edrik liep zoo snel hij kon naar huis terug, waar hij allen in groote opgewondenheid vond. Freydisa had van Edrik's moeder vernomen wat er aan de hand was, en had de krijgslieden gewekt, zoodat hij allen gereed vond om den vijand aan te vallen.
Intusschen stond graaf Eirik met zijn zoons en met Thorward midden op het pad en Sigvald sprak:
"Ik zal maar niet vragen, wat gij komt doen. Ik weet dat gij u op mij wilt wreken. Welnu, wreekt u! Hier zijn wij!"
Ingvar sprak geen woord, maar hij trad voorwaarts en deed een slag naar het hoofd van Sigvald. Doch deze was zeer sterk, en bekwaam in het hanteeren der wapenen. Voor dat de slag kon neervallen, weerde hij dien af met zijn strijdbijl, sprong toen ter zijde en hieuw met zijn bijl naar Ingvar. De bijl spleet de ringen van diens helm en trof hem in de wang, zoodat hij bewusteloos op den grond viel.
Thorward, Leif en Eirik maakten insgelijks korte metten met de anderen; zij waren allen beproefde krijgers en hoewel hunne tegenstanders niet te verachten waren, was de overwinning toch spoedig beslist.
Doch nu konden de vrienden zich van de talrijkheid van den naderenden vijand overtuigen. Zij trokken zich daarom terug onder de boomen en rug aan rug staande verdedigden zij zich tegen de overmacht.
Ongeveer twintig vrienden en bondgenooten van Thassi waren er; zij kwamen om zijn verbanning en den val van Ingvar te wreken. Zij waren er echter niet tijdig genoeg, want spoedig was het hun beurt om zich te verdedigen. Sigvald's volgelingen en gasten, ongeveer honderd man, aangevoerd door Thorfinn, kwamen de vrienden ontzetten; kleine Edrik diende hun als gids.
Ingvar's vrienden trachtten te ontvluchten, maar Thorward trad met Eirik en zijn zonen uit het bosch te voorschijn en sneed hun den weg af, totdat hun vrienden nabij genoeg waren om van hun strijdbijlen gebruik te maken. Slechts drie ontkwamen om het lot der anderen te vertellen; vier werden gevangen genomen en de anderen werden gedood.
Het gedrag van kleinen Edrik bij deze gelegenheid dwong de goedkeuring af van al de bewoners van het eiland. Niettegenstaande zijn jeugd, werd hij in zijns vaders bende opgenomen, toen zij naar Groendal terugkeerden.
Den volgenden morgen zouden de opperhoofden samenkomen om te beraadslagen wat het beste zou zijn voor IJsland, òf om den christelijken godsdienst tot heerschende te maken, òf om den heidenschen priesters toe te staan hun godsdienstplechtigheden te verrichten.
Als de oudste der opperhoofden legde Eirik het eerst zijn meening bloot. Volgens hem had iedereen het recht zijn eigen inzichten te volgen, en kwam het er niet op aan of hij in Christus of in Thor geloofde, zoo lang hij slechts zijn plicht deed.
"Ik ben van den ouden tijd, ik zou niet passen in een wereld van nieuwe denkbeelden. Ik ben een kind van Odin! Mijn hoofd is grijs. Ik zag reeds meer dan zestig winters. Mijn hart begint te verlangen naar het eind, om zich bij de dapperen daarboven te voegen, doch mijn hart veracht den kalmen dood van een Christen. Ik wil in den slag vallen; mijn lichaam en mijn wapenrusting zullen in een hoogen grafheuvel begraven liggen, want ik blijf trouw aan den god mijner vaderen!"
Een donderende toejuiching der heidensche krijgslieden volgde op deze rede, maar werd verdoofd door een geraas, dat den grond deed schudden. Met een hevig gekraak schoot uit den top van een nabijgelegen heuvel een dikke rookkolom naar boven, met zooveel kracht dat stukken rots, groote blokken lava en een massa steenen omhoog vlogen. De gloeiende lava op den grond kleurde den rookwolk met een rooden gloed, zoodat het scheen alsof een groote vuurkolom omhoog steeg. Langs alle kanten stroomde de lava van den heuvel langzaam voort naar de plaats waar de "Ting" bijeen was.
"Nu zullen wij ons geloof eens op de proef stellen," zei de oude Eirik. "Ik blijf hier. Als Odin zijn krijgers noodig heeft, zijn wij bereid, doch als de God der Christenen zijn volgelingen wil redden, laat hem dan nu zijn macht toonen!"
Nauwelijks had hij deze woorden gesproken of de lava begon langzamer te vloeien. De koude noordoosten wind verstijfde den stroom. Sommigen uit het volk namen verschrikt de vlucht, maar de meesten bleven om te zien hoe alles zou afloopen.
Graaf Eirik stond trotsch op zijn steen en riep uit:
"Vrienden! Het is duidelijk dat Odin en Thor den storm hebben tegengehouden, omdat zij hun aanbidders wilden sparen, doch zij zijn zeer vertoornd, anders zou dit wonder niet geschied zijn."
"Als dat het geval is," riep Yalto, "waren de goden dan boos, toen er zestig jaar geleden niet anders dan aanbidders van Thor en Odin op het eiland woonden, en toen toch was de lava, waarop wij nu staan, een gloeiende zee! Neen, vrienden! ik lees de boodschap aldus: "God is liefde, en hij wil niet dat ook maar een enkel Heiden verloren ga!""
Toen sprak Gizur: "Deze vreeselijke openbaringen van God's almacht worden door de aanbidders van Odin gebruikt om de minder verstandigen te bedriegen. Ik beroep mij op de knapen; zij hebben in den tempel van Baldur de bedriegerijen der heidensche priesters gezien. Zij zagen hoe de vrouwen, gekleed als godinnen, voorbereid werden om hun rol te spelen; maar dit is geen bedriegerij, wij hebben niets gedaan om deze verschrikkelijke gebeurtenis te veroorzaken. Onze God is geen God des toorns, maar een God der liefde!"
Zelfs die Heidenen, die in dit alles niets dan toeval zagen, waren getroffen door Gizur's woorden.
Na een stormachtige bijeenkomst gaven de afgevaardigden der twaalf afdeelingen van het eiland hun toestemming om in elke afdeeling een christenkerk te bouwen, waarna de vergadering uiteen ging om bij Sigvald het middagmaal te gebruiken. Daar gekomen bevond men dat de vier gevangenen, die men in het gevecht gemaakt had, nergens te vinden waren. Zij waren dus ontvlucht.
Ongeveer een maand later werd te Reikiavik een dubbel huwelijk gesloten. Thorfinn en Leif hadden de twee zusters Guthrida en Hallfrida naar het altaar geleid. Nooit werd er, vóór of na dien tijd, vroolijker bruiloft op IJsland gevierd. Iedereen was verheugd, behalve Freydisa, die een weinig jaloersch scheen te zijn, dat een ander huwelijk het hare in de schaduw stelde.
Groote feesten werden er gegeven. Voor Leif en zijn bruid was te Helgastad een huis in orde gebracht, terwijl voor Thorfinn en Hallfrida een dergelijke woning was gereed gemaakt te Drakenness. Het schijnt dat Freydisa niet kon velen dat Thorfinn en zijn vrouw op grootscher voet leefden dan zij zelve. Zij legde op dit punt een groote gevoeligheid aan den dag, die een verkoeling tusschen Thorfinn en Thorward ten gevolge had. Dit moet men wel in het oog houden om de volgende gebeurtenissen te kunnen begrijpen, als ook dat Thassi's familie van Noorweegsche afkomst was.
Zoodra de feestelijkheden afgeloopen waren, gingen de jongens te Groendal toebereidselen maken voor den naderenden winter. De sneeuwschoenen en de sleden werden te voorschijn gehaald, en er werden maatregelen genomen om vooral van de berenjacht te genieten, hoewel die in 't algemeen voor jongens gevaarlijk werd geacht.
Niets vonden zij aangenamer dan om naar de bosschen van Krakenness te gaan om dennetakken te halen, om de groote hal te versieren voor het Joelfeest. Dit feest wordt nog in het noorden gevierd, zonder eenige poging om het onder den naam Kerstmis te vermommen.
De drie knapen voerden een druk gesprek, terwijl zij over de sneeuw met hun sleden op weg waren naar Krakenness. Achter hen kwam een boerenslede om de takken op te leggen. De jongens konden veilig op hun kleine IJslandsche pony's vertrouwen, totdat de sneeuw dikker begon te vallen en zij dus hun aandacht meer aan den weg moesten wijden. Zij matigden hun vaart, maar toch gleden de sleden gelijk voort, totdat die van Nils plotseling wegzonk. Het kleine paard viel op zijde en Nils verdween in een hol, dat gedeeltelijk tegen den wind beschut, niet geheel en al was volgesneeuwd. Door deze losse sneeuw rolde de kleine Noorman heen, totdat hij op iets warms en zachts stuitte. Het paard schrikte hevig en rende, met de slede achter zich, van waar het gekomen was. De andere paarden schenen eveneens door den schrik bevangen te zijn, want zij volgden zoo snel als zij maar konden.
Zoodra zij bemerkten dat de paarden niet meer te regeeren waren, sprongen de knapen uit de sleden op de sneeuw. Hun kleeding van zeehondenvel beschermde hen toch tegen koude en vochtigheid.
Nils bevond zich in een neteligen toestand. Toen namelijk de zachte en harige massa, waarop hij gevallen was, zich begon te bewegen, kwam hij tot de ontdekking dat hij op een slapenden beer was neergekomen. Hoewel hij, toen hij dicht bij het nieuw ontdekte land was, den wensch had geuit om eens op de berenjacht te kunnen gaan, herhaalde hij dien wensch nu toch niet. Nu had hij een beer, maar hij kon de onaangename gedachte niet bedwingen dat hij den beer niet had, maar de beer hem.
Hij herstelde zich echter spoedig van den schrik en sprong het hol uit. Hij liep zoo snel hij kon naar den naastbijstaanden boom, en klom met groote vlugheid naar boven. Maar de beer gaf hem in vlugheid niets toe en in de klimkunst kwam de knaap met zijn viervoetigen vijand niet in vergelijking. Gelukkig was hij hem echter vooruit en maakte van dit voordeel een goed gebruik.
Elke knaap was voorzien van een kleine, scherpe bijl, die hij los in den gordel droeg en welke diende om de takken af te slaan. Bovendien hadden zij ook elk een jachtspeer, zooals die gewoonlijk door de vrijen gedragen werd, maar hun speren waren lichter dan die der mannen.
Toen Nils in den boom klom, liet hij zijn speer vallen. De beer hield stil en scheen eerst eens goed te willen onderzoeken wat het was, voordat hij zich verder waagde. Dit gaf Nils meer tijd en toen hij zoo hoog mogelijk in den boom was geklommen, nam hij zijn bijl in de hand, en zijn voeten zooveel mogelijk terug trekkend, boog hij zich voorover om den beer af te wachten. Al dien tijd door riep hij tot zijn vrienden: "Helpt! Edrik, Osrik, helpt!"
De beer klom bedaard verder, zonder zich veel te haasten maar met een blik alsof hij zeggen wilde, dat hij zeker was van zijn prooi. Nils wachtte totdat een klauw van het monster binnen zijn bereik was, en gaf er toen met zijn scherp wapen zulk een slag op, dat hij den poot bijna van het lichaam scheidde.
Doch de beer achtte het beneden zich om te toonen, dat hij pijn had; hij steunde nu op zijn anderen poot en klom een weinig hooger in den boom, die nu onder zijn gewicht begon te buigen. Dit maakte den beer voorzichtig en daardoor kreeg Nils den tijd om ook den anderen klauw een slag toe te brengen. De tweede slag was echter veel zwakker dan de eerste, en hoewel hij tot op het been trof, verlamde hij het monster niet. Stellig had de knaap het leven er bij ingeschoten als de anderen hem niet waren komen helpen.
Zij kwamen alleen, want de boer was bezig met zijn verschrikt paard de pooten bij elkaar te binden. Hij wist dat zijn paard noodzakelijk was om de jongens naar huis te brengen.
Edrik en Osrik konden niet snel voortkomen; hun sneeuwschoenen lagen in de sleden, waarmee de paarden op hol waren gegaan, en zij zonken daardoor zoo diep in de sneeuw, dat zij bijna niet voortkonden. Gelukkig hadden zij hun speren vastgehouden, toen zij uit de slede sprongen; bovendien staken de bijlen in de gordels, zoodat zij geheel gewapend waren.
Edrik bereikte den boom het eerst; hij hield zijn speer in de rechterhand, sloeg zijn beenen om den stam en werkte zich zoo met behulp van zijn vrije hand naar boven. Zoodra hij dichtbij genoeg was, stak bij de speer zoover hij kon in de zijde van het monster, maar daar hij zich moest vasthouden, had hij geen kracht genoeg om den stoot doodelijk te maken.
De beer begon snel naar beneden te klimmen, doch daar trof hij Osrik aan, dien hij te gemoet ging op de achterpooten loopend, met de voorpooten uitgestrekt, alsof hij den knaap wilde omhelzen. Osrik gaf hem een flinken stoot met de speer, maar bruin, woedend van pijn, rende voort. Osrik ontweek hem en sprong achter den boom. De beer liet zich op zijn vier pooten zakken en toen Edrik hem onder zich zag, sprong hij hem, zonder zich een oogenblik te bedenken, boven op den rug.
Bruin brulde het uit, draaide den kop om, liet zijn vreeselijke tanden zien en trachtte zijn vijand te grijpen. Maar Edrik bleef stevig zitten, greep zijn bijl en sloeg met een flinken slag den ruggegraat van het monster doormidden.
Juist toen hij dood neerviel, kwam de boer om de knapen te helpen, die zoo goed getoond hadden dat zij het zonder hulp wel afkonden. Hij was verbaasd dat zulk een groote beer door drie knapen gedood was.
"Edrik heeft hem gedood. Hoe krijgen wij hem nu naar huis?" zei Osrik.
"Ik weet het waarlijk niet; hij is te zwaar voor de slede. Bovendien maakt alleen de lucht van het dier het paard dol."
Intusschen was Nils uit zijn boom geklommen.
"Hoor eens, Finn Glaffson!" zeide hij, "rijd terug naar Groendal en breng den graaf met zijn gasten hier om den beer te zien. Gij kunt er zeker van zijn dat gij ze allen op den weg zult aantreffen, want onze paarden zijn stellig regelrecht naar Groendal gerend!"
Na een korte beraadslaging kwam men tot het besluit dat dit het beste zou zijn, en dat de jongens zouden achterblijven om te maken dat de wolven zich niet aan den beer te goed deden.
"Nu hebben wij het recht om de huid van den beer op onze schilden te dragen," zei Edrik, toen de boer vertrokken was.
"Neen, Edrik! gij alleen hebt het recht daartoe, want gij hebt den beer gedood," antwoordde Osrik.
"Geef mij maar liever de eer," riep Nils, "want als ik niet op hem gevallen was, zouden wij zonder beer het bosch verlaten hebben."
"Dat is waar," zei Edrik, "en ik geloof dat wij het beste zullen doen met den prijs te verdeelen; de huid zal wel groot genoeg zijn!"
VII.
De gevangenen, aan Sigvald's bewaking ontsnapt, waren gevlucht naar het huis, waar Thassi eens gewoond had, omringd door zijn vrienden en volgelingen. Hoewel hij nu als balling rondzwierf dachten zij, die hem eens liefhadden, nog steeds aan hem, en zij haatten hen, die de oorzaak waren van zijn ballingschap.
Onder de ontsnapten bevond zich een bloedverwant van Thassi, die naar wraak dorstend de anderen aldus aansprak:
"Vrienden! wij moeten ons verschuilen en weer tevoorschijn komen als men het zoeken naar ons opgegeven heeft. Als die graaf dáár slaapt, zullen wij er heen sluipen en wraak nemen."
"Maar de vrienden van Sigvald zijn talrijk en wij zijn alleen!" zei een ander.
"Niet ver van hier staat een huis, waar een vriend van Thassi woont. Hij is een Noorweger en zal ons helpen!"
Zij reden met hun vieren verder tot zij aankwamen bij Ikutil, een man die een klein stuk grond bezat. Hij was bereid hen te helpen en leende hun met bont gevoerde mantels en laarzen, en al wat zij noodig hadden.
"Nu moet gij verstandig handelen;" zei Ikutil, "gij moet weten dat alles het werk is van de oude tooverkol Unna. Zij zond Leif een waarschuwing! Een tooverheks die geheimen verklapt, verdient verbrand te worden!"
"Ja, dat is waar; wij zullen de verslagenen op haar wreken!"
Zij bleven drie weken bij Ikutil en het plan werd vastgesteld. Zij waren er te meer mee ingenomen, toen Ikutil hun vertelde dat de oude tooverheks de grootmoeder was van Freydisa, en dat zij en haar echtgenoot Thorward woedend zouden zijn, als de oude vrouw gedood werd.
"Als wij Unna dooden, wreken wij ons op onze vijanden en dat is de moeite waard!" zoo besloot hij.
De mannen reden heen en kwamen aan het huis, waar wij Freydisa met haar moeder en grootmoeder het eerst hebben aangetroffen. De dienstmaagd Aska trad hen te gemoet en zeide dat haar meesteres ziek was en niet gestoord kon worden.
"Wij moeten haar zien," zeiden de mannen, en snelden de kamer binnen. Daar lag de oude vrouw op een met dierenvellen bedekt bed, hoewel de kamer zoo heet was dat men er bijna stikte.
"Wat zoekt gij hier?" riep Unna uit.
"Wraak voor Thassi!" en voor dat de oude vrouw om hulp kon roepen, werd zij gedood, waarop de moordenaars de vlucht namen.
Maar Aska steeg te paard en kwam na drie dagen te Groendal aan, en vertelde alles aan Freydisa, die in bitteren toorn wraak zwoer aan alle Noorwegers. Zij ging naar Thorward en vertelde hem dat vrienden van Thassi haar grootmoeder vermoord hadden.
"Ik zal haar wreken, Freydisa! Als het lente wordt zal ik de mannen uitdagen en ze dooden om u genoegen te doen. Wie zijn zij?"
"Ik weet niet anders dan dat het Noorwegers zijn! Gij moet het weten!"
Hier werd het gesprek gestoord door een hevig rumoer, hetwelk werd veroorzaakt door een troep IJslanders, die, aangevoerd door Sigvald, Edrik en zijn twee vrienden met hun zegeteeken naar huis brachten. Het dooden van een beer was altijd een reden tot groote blijdschap, maar deze overwinning door drie knapen bevochten, was iets bijzonders. Thorward voegde zich bij hen en zij begaven zich allen naar de hal van Sigvald. De krijgslieden wedijverden om den knapen eer te bewijzen.
Sigvald wees allen plaatsen aan en zes krachtige mannen gingen het vertrek rond, terwijl zij twee aan twee de knapen droegen. De berenhuid werd plechtig onder hen verdeeld om er hun schilden mee te bedekken in plaats van de witte geitenvellen, die zij er tot nu toe op gedragen hadden.
Toen zij aldus driemaal de zaal rond gedragen waren, stond Sigvald op en van zijn arm drie gouden banden nemende, gaf hij die aan de knapen, terwijl hij tot hen zeide:
"Ik geef u ieder een ring, als belooning uwer dapperheid."
De toejuichingen, die hierop volgden, beletten Sigvald een oogenblik het voortgaan, maar eindelijk vervolgde hij:
"Met vergunning van de krijgslieden zullen zij voortaan met mij op de daïs zitten in plaats van, zooals tot nu toe, aan de lagere tafels."
De drie knapen werden van de schouders der krijgslieden op de daïs nedergezet. Thorfrida en de moeders der beide andere knapen waren dien dag zeer trotsch op hun zonen. Zoodra het feestmaal geëindigd was, begonnen Edrik en zijn vrienden de hal met groen te versieren. De priesters waren beiden tegenwoordig, maar zij verzetten zich niet tegen deze handelwijze, doch inplaats dat paarden werden geslacht om in den Joeltijd gegeten te worden, werden nu ossen genomen, daar de priesters verklaarden, dat het eten van paardevleesch een heidensche gewoonte was.
De dag, waarop de duisternis het licht overwint, brak aan. De joelblokken werden gebrand om den houtstapel voor te stellen, waarop het lijk van Baldur, den zonnegod, verbrand werd, en de oudejaarsavond werd gevierd, omdat hij het leven geeft aan een nieuw jaar. Christenen en Heidenen vereenigden zich bij deze buitengewone gelegenheid.
Er werden overal feestmalen gegeven en spelen uitgevoerd. De knapen hadden het druk, want het was hun taak om de oudere krijgers te vermaken door nagebootste gevechten, door verschillende spelen en kluchten, die met groote bevalligheid en vlugheid werden uitgevoerd.
Daarop kwam de "Najoel", tot de Paasch-zon verscheen. De vreugde en de feesten, na zulk een wekenlange duisternis, waren zoo groot, dat wij niet in staat zijn ze te beschrijven. Het is voldoende als wij zeggen dat onze vroegere Meifeesten alle daarvan afkomstig zijn.
Nu brak het ijs en kwam de tijd, dat alles groen werd. De zomer ging niet van een lente vooraf, maar viel plotseling in. Als door tooverkracht ontsproot alles. Het gras groeide, de boomen kregen bladeren en de natuur was zoo vroolijk als zij te voren somber was geweest. De zeehonden keken uit het water bij de kust, eer zij zich aan land waagden; de jongens bergden de sneeuwschoenen en haalden de booten voor den dag, en spoedig brak de tijd aan, waarop de reis naar Edrik's nieuw gevonden land aangevangen zou worden.
Het was in het Noorden de gewoonte der gehuwde krijgslieden om op verre tochten hun vrouwen mede te nemen. Leif en Thorfinn maakten zich dus met hun vrouwen gereed om zee te kiezen. De drie schepen: de Sleipner, de Nagelfari en de Rolf-Krake zeilden te zamen uit, maar Byarn was naar Noorwegen gegaan.
Het was een plechtige dag voor Reikiavik toen Eirik, de Roode, vertrok. Hij riep zijn zoons en eenige der voornaamste inwoners tot zich en sprak:
"Mijn lokken zijn grijs, ik ben niet dezelfde meer van voor veertig jaar. En zoo is het ook met u en met de wereld. Ik zie een nieuwen tijd komen, en ook hoe de reine Christus de plaats inneemt van den strijdbeminnenden Odin. Mijn lieve zoon Leif Eirikson heeft de nieuwe leer omhelsd. Wel, hij mag dat doen, ik heb er niets tegen, maar ik blijf een aanhanger van het oude geloof. Maar hetzij gij behoort aan Odin of aan Christus, doet altijd uw plicht. Laat ieder daar gaan, waar hij het liefst wil. Misschien is het nieuwgevonden land, dat onze vriend ontdekt heeft, wel een gedeelte der nieuwe aarde, die ons beloofd is, en komt zij tegelijk met den nieuw gevonden zuidelijken hemel! Misschien is dat zoo, maar ik weet het niet zeker. Mijn zegen op u allen! Moge de Alvader altijd met u zijn. Vaartwel!"
Donderend klonken de slagen der zwaarden op de schilden, een geluid dat het hart van den ouden man met blijdschap vervulde. Hij trok zijn zwaard en zijn breed schild stevig aan den arm houdende, schreed hij voort naar de plank, die naar het dek van het drakenschip leidde. Hij greep het roer en toonde zoodoende dat hij het bevel aanvaardde. Zijn krijgers volgden hem; elk plaatste zijn schild rondom het schip en de helft der bemanning nam plaats aan de riemen en wachtte op graaf Eirik's bevelen. Zij volgden: touw en zeilen werden losgemaakt, en door wind en riemen geholpen, verliet het drakenschip de kust.
Op de plaats, waar de Nagelfari gelegen had, kwam nu de Sleipner te liggen. Thorfinn voerde het bevel daarover; hij bracht zijn vrouw Guthrida eerst aan boord, en daarna volgden verscheidene krijgslieden met hun vrouwen, voor wie een verblijf beneden in orde gebracht was.
De vrouwen bleven op het dek om de krijgslieden aan boord te zien komen, die hun echtgenooten op den tocht zouden vergezellen. Guthrida greep het roer en riep haar echtgenoot tot zich met deze woorden: