Edrik, de Noorman

Part 3

Chapter 34,171 wordsPublic domain

"Van zulke zeldzame dieren heb ik zelfs niet gedroomd!" zeide Eirik.

Toen ging Edrik weer heen en keerde terug met een jongen hond op den arm. Het dier was geheel zwart en zijn haar krulde zooals dat van een schaap. De hond was bijzonder goedaardig en toonde zijn genegenheid op zulk een rumoerige wijze, dat Edrik hem bijna niet houden kon, want hoewel nog heel jong, was het dier reeds vrij groot.

Zoodra graaf Eirik den hond zag, begon hij luidkeels te lachen. Hij nam het levende bundeltje wol in de armen en liefkoosde het.

"Hoe zijt gij aan dien hond gekomen?"

"Op een keer, toen wij aan land gingen, zagen wij een troep groote zwarte honden," antwoordde Byarn. "Zoodra zij ons echter in 't oog kregen, vluchtten zij het binnenland in. Een bleef eenigszins achter; hij kon niet zoo gauw loopen, omdat hij dit jong in den bek had. Oleg van de Scaur doodde de moeder met een pijl, en kleine Edrik redde het jong, bracht het aan boord en voedde het met eigen hand. Nu denkt het kleine monster dat Edrik zijn moeder is, geloof ik!"

"Bij den hamer van Thor!" riep Eirik, "zoo'n hond heb ik nog nooit gezien. In Lapland heb ik honden gezien, die men voor sleden had gespannen; in Noorwegen waren wolfshonden, en in Denemarken de groote geel-bruine doggen, maar zoo'n bundel wol, ha, ha!.... Ik ga mee, jongens! als gij terugkeert om dat land weer te bezoeken. Het moet daar beter zijn dan op ons Groenland, waar de dieren schaars zijn, behalve in den zomer. Was er veel ijs, Byarn?"

"Ja, dicht bij het eerste land, dat wij in 't gezicht kregen, maar na twee dagen zeilens, daar, waar wij aan land gingen, was in 't geheel geen ijs te zien."

"Wel, ik dacht dat mijn dagen op zee reeds geteld waren, maar bij Odin's baard! ik stel heel veel belang in dit alles. Hoe heet die hond?"

"Ik heb hem Njord genoemd, graaf!"

Latere gebeurtenissen bewezen dat de naam van den Zeegod Njord voor den hond bijzonder goed gekozen was.

Onder zijn koel uiterlijk, zijn kalme blauwe oogen, zijn breed voorhoofd en bijna vlasblond haar, bezat Edrik een warm en vriendelijk hart. Toen hij zag hoe de oude Eirik met den hond was ingenomen, ging hij naar hem toe en zeide: "Doe mij het genoegen hem als geschenk van mij aan te nemen. Gij zult hem goed behandelen; neem het dier van mij aan."

"Ik wil u niet van uw hond berooven. Ik dank u evenwel voor uw aanbod even als of ik het had aangenomen! en Eirik, de Roode, vergeet nooit iets."

Hij keerde zich om en ging aan stuurboordzijde van Byarns goed schip, de Sleipner. Hij bezichtigde den breeden boeg en hoog uitstekenden achtersteven. Het schip werd beschut door een bekleedsel van dik eikenhout, van bronzen platen voorzien, om beter weerstand te kunnen bieden aan de drukking van het ijs, waardoor de Noorsche schepen in den herfst en in den vroegen zomer hun weg moesten banen.

"Gij zijt niet veel met het ijs in aanraking geweest, Byarn!" zei hij, na een nauwkeurig onderzoek. "Dat verwondert mij, want de stuurboordzijde van het schip van Leif was bijna ingedrukt."

"Ik geloof dat wij, den weg niet zoo goed wetende als Leif, het ijs misgeloopen hebben."

"Bij Odin's baard! Het is zeer vreemd! Een nieuw land! Hebt gij aan wal ook menschen gezien! Waren er geen Laplanders, geen Finnen of Eskimo's?"

"Neen, wij hebben er geen gezien en om de waarheid te zeggen, zou ik niet van dat land gesproken hebben, als het niet noodig was geweest. Ik schaamde mij dat ik de Rolf Krake gemist had, en ik meende dat gij mij niet zoudt gelooven."

"Gij ziet dat die hond mij overtuigd heeft. Bij Odin's baard! wat kan dat dier rollen. Hij heeft iets van het jong van den bruinen beer en van een vet lam, en toch lijkt hij op geen van beiden!"

Leif verheugde zich over de blijdschap van zijn vader en was zijn neef recht dankbaar. Hij wist niet hoeveel moeite de knaap gehad had om Byarn te bewegen aan boord een plaatsje voor den hond in te ruimen. Hij maakte nu van de opgeruimde stemming van zijn vader gebruik om hem te verzoeken mee naar Groendal te gaan, en van daar naar Noorwegen om Olaf Tryggvason te bezoeken.

"Neen, jongen!" zei de oude man, "ik geef niet meer om koningen. Spoedig zal ik in Walhalla zijn, maar wel wil ik uw broeder Sigvald bezoeken en zien hoe hij het maakt in zijn gelukkig tehuis!

"Is het dan uw verlangen niet New-Foundland te zien, als wij de volgende lente daarheen terugkeeren?"

"Mijn zoon, misschien ben ik dan niet meer bij u; wij moeten niet te vroeg plannen maken. Hij, die dat doet, is een dwaas, dien de goden altijd teleurstellen. Toch zou ik het land wel eens willen bezoeken waar zulke honden leven. Kijk eens Leif! Bij Thor! daar gaat hij over boord!"

Zoo was het; bij een zijner dolle sprongen rolde het dier in het water. Allen aan boord hielden den adem in, in afwachting van wat nu gebeuren zou. Edrik wierp zijn overkleed af en maakte zich gereed om het dier na te springen, maar hij wachtte even toen hij zag, hoe prachtig de hond zwom. Hij scheen zich in het water veel meer thuis te gevoelen dan op het dek, en het bad scheen hem heel goed te bevallen. [2]

In het volgend, oogenblik sprong Edrik hem achterna om hem tegen de haaien te beschermen, die de zee aan de kust van Groenland onveilig maken.

Op het oogenblik, dat de knaap in het water sprong, schoot een monster van meer dan tien voet lengte op hem toe. De mannen aan boord riepen hem toe: "Pas op!"--"De haai!"--"Zwem naar het land!"--"Laat den hond maar aan hem over!" doch deze laatste raadgeving kon moeielijk opgevolgd worden, want toen Edrik in het water sprong had de hond zich omgekeerd en diens kleederen tusschen zijn tanden genomen, in de gedachte dat het zijn plicht was zijn meester boven water te houden.

De haai was vlak bij den knaap, toen de speer van den ouden Eirik hem met zooveel juistheid trof, dat het water rood gekleurd werd door het bloed van het monster.

Byarn wierp een touw over de verschansing en riep: "Gauw Edrik! laat den hond maar aan zijn lot over!"

Maar daar was Edrik de jongen niet naar. Hij wilde den hond niet opofferen, die juist getoond had hoe hij zijn best deed om hem te redden. Hij greep dus met de eene hand het touw, terwijl hij met de andere Njord tegen zich aandrukte, en riep den mannen toe hem op te trekken.

"Laat dan toch dien hond los!" riep graaf Eirik opgewonden uit, "gij kunt het touw zoo niet blijven vasthouden!"

"Trekken daar!" riep Edrik, "ik wou dat het domme dier ophield met mij te likken. Wij vallen beiden nog naar beneden."

Doch hij hield stevig vast; een paar mannen bukten over de verschansing en namen den hond van hem aan, en eenige seconden later stond Edrik veilig op het dek.

V.

Het ijs lag op de kust voor Reikiavik aan het eind van den zomer, en spoedig zou het weer winter zijn en de lange dagen gevolgd worden door lange nachten.

Op den laatsten dag van September verschenen drie sterk gebouwde schepen van metalen platen voorzien, om weerstand te kunnen bieden aan het ijs. Zij waren met krijgslieden bemand, zooals bleek uit de schilden aan de zijden van de vaartuigen. Het waren de Sleipner, de Rolf Krake en de Nagelfari, die den ouden Eirik naar de stad Reikiavik brachten.

Toen de schepen de haven van Reikiavik inzeilden, was Eirik, de Roode, verwonderd over het vroolijk geluid der kerkklokken, die de Christenen riepen tot aanbidding van den God des vredes. In den korten tijd van twee maanden hadden de priesters wonderen verricht. Wel is waar was de kerk weinig meer dan een groote schuur, maar toch was het een kerk en er was overvloed van altaarstukken en zilveren vaatwerk.

"Wat nu!" riep hij uit. "Wat is er te doen daar ginds? Het is een zonderlinge muziek. Kijkt eens naar den hond; hij is ook verwonderd en zou zijn ooren opsteken als zij niet te zwaar waren. Hoort hem eens blaffen!"

Eenige der inwoners, die het Christendom nog niet omhelsd hadden, waren bezig hun booten op het strand te trekken. Sommigen verstelden netten, doch toen de drakenschepen in 't gezicht kwamen, lieten allen hun bezigheden varen en haastten zich naar den inham der baai, waarheen de schepen koers zetten.

Onder hen, die zelfs uit de kerk wegbleven, waren Sigvald, Thorfrida en Freydisa met haar echtgenoot Thorward; zij keerden haastig terug om de bezoekers te verwelkomen.

De oude man, die als een standbeeld aan den stuurriem van de Nagelfari stond, werd door Sigvald als zijn vader herkend. Hij ijlde naar het strand om een boot te water te laten, ten einde de eerste te zijn, die hem begroette. Maar zijn vrouw volgde hem en zij bereikten het kleine vaartuig te gelijk. Ook Thorward en zijn vrouw Freydisa bleven niet achter.

"Nu, Sigvald!" zeide zijn vrouw, "het is geen schande, als uw boot geroeid wordt door uw vrouw en uw vriend, en als zijn vrouw ook een riem ter hand wil nemen, des te beter. Daar komt Oleg Arfordson met Brenda; laten zij ons helpen. De drakenschepen komen reeds nader. Het zou schande zijn als zij landden, voordat wij uw vader begroet hadden!"

Een paar riemslagen brachten hen op zijde van de Nagelfari en de krijgsman was geroerd over hun kinderliefde. De lange riemen, waarmee het drakenschip werd voortgestuwd, werden ingenomen, het zeil werd neergehaald en spoedig waren allen uit de boot aan boord.

"Welkom in Reikiavik, mijn vader!" riep Sigvald. "O, allen zullen zich verheugen, dat zij u terugzien. Gij zijt opnieuw jong geworden, vader!"

"Neen, Sigvald! niemand wordt jong opnieuw, doch wij weten dat een IJslandsche winter sterk en krachtig is tot op het einde."

"Ja, dat zal het zijn.--Welk nieuws brengt ge?"

"Een heel zonderling nieuws. Byarn heeft een land gevonden, dichter bij de ondergaande zon dan Groenland en waar overvloed heerscht. Kijk eens naar dien baal wol daar. Dat is een jonge hond uit dat land; uw zoon heeft hem meegebracht,"

Edrik lag in de armen zijner moeder en in de vreugde over het wederzien, had hij Njord geheel vergeten, die nu al waggelend en snuffelend kwam aankopen om zijn jongen meester te zoeken.

Het nieuws van Byarn's ontdekking verbreidde zich spoedig, en weldra was de hal van het kleine raadhuis te Reikiavik vol nieuwsgierigen.

Toen allen verzameld waren, sprak Eirik, de Roode, als de oudste van de opperhoofden, in wier handen het burgerlijk bestuur van IJsland berustte, de vergadering in een korte rede toe, en deelde haar het nieuws van Byarn's ontdekking mede. Eirik vertelde ook den mannen van IJsland, welke aardige honden er in dit New-Foundland gevonden werden, en als een bewijs daarvan verzocht hij zijn kleinzoon om den vergaderden Njord te laten zien. Verder weidde hij uit over de herten, die hij als zeer zachtmoedig beschreef. Nu gaf hij Byarn het woord om zijn geschiedenis zelf te vertellen.

Met al de rondheid van een zeeman wierp Byarn de verdienste van de ontdekking ver van zich af en op Edrik. Hij vertelde dat de tocht, voor zoover hij er in betrokken was, een mislukking was geweest. Hij was van den weg afgedwaald, had Leif uit het oog verloren en in den blinde voorwaarts sturend, had hij dit nieuwe land gevonden, dat hij eerst voor Groenland had aangezien.

Byarns bescheiden taal oogstte bijval in en aller oogen wendden zich naar kleinen Edrik, die met een troep knapen bij de deur stond, en hun vertelde van den grooten haai, wat den knapen veel belangstelling scheen in te boezemen.

Toen sprak de oude priester de vergadering aldus aan:

"Lieve vrienden, Christenen! en ook gij die het licht nog niet ontvangen hebt, gij hebt gehoord wat Byarn daar gezegd heeft van die westelijke landen. Ik zie daarin een reden om ons te verheugen; ik hoop dat daardoor nieuwe velden voor ons zullen geopend worden, waar wij de liefde en de kennis van Christus zullen kunnen verspreiden."

Toen stond Eirik, de Roode, op en zeide:

"Goede priester! Uw woorden zijn zachtmoedig en uw hart is rechtvaardig, daar ben ik zeker van. Maar er zijn velen, die geleefd hebben en gestorven zijn in het oude geloof aan Odin. Het is zoo innig met ons geliefd Noorden verbonden, dat het ons toeschijnt, dat als wij het eene loslaten, wij ook het andere zullen verliezen. Het komt mij voor, dat uwe Christelijke leerstellingen niet voor ons Noorden geschikt zijn. Zij zijn te week en te zacht. Wij zijn hard als ijs, vast als de rots! Uw godsdienst leert zachtmoedigheid, vrede, vergiffenis en liefde. Wij mogen een vijand na zijn dood vergiffenis schenken, maar eerder niet! Als wij dat deden zouden wij onze gezinnen en onze woonplaatsen aan onze vijanden overleveren. Hoe kan een profeet uit het zuiden, onder een warmen hemel geboren, oordeelen over ons, in ijs en stormwind opgebracht, als de Noordsche pijnboom. Neen, priester! ik gevoel veel eerbied voor u, maar ik zal nooit het geloof van Odin voor het uwe verlaten!"

De Heidenen, die tegenwoordig waren, juichten de rede van Eirik toe; maar van weerskanten werd er in 't geheel niet aan gedacht naar de wapenen te grijpen. Ook Freydisa keek, alsof zij het meer met Eirik eens was dan met den Christenpriester en gaf den ouden krijgsman een blik van instemming. Vervolgens deden eenigen Byarn allerlei vragen over zijn tocht, waarna Leif Eirikson opstond en zijn vader aldus aansprak:

"Waarde vader, edele Eirik Thorwaldson! Ik zou gaarne mijn geluk op die verre kusten willen beproeven. Heb ik uw volle toestemming om het avontuur te wagen?"

"Zeker, mijn jongen! Ik geef u mijn volle toestemming, en ik denk dat ik met u mee zal gaan. Byarn zal ons dan den weg wijzen, natuurlijk als hij dat wil"

"Dank u, Eirik Thorwaldson!" zei Byarn, "maar ik verzoek u mij daarvan te verschoonen. Ik heb den volgenden zomer noodig om mijn huis te herstellen en ik zal Sigvald Eirikson vragen mij van paarden te voorzien. Binnen twee of drie dagen rijd ik heen. Ik verlang er naar om den winter en den blijden IJslandschen zomer in mijn eigen woning door te brengen. Natuurlijk ben ik bereid u alle hulp te verleenen, waartoe ik in staat ben, maar ik weet waarlijk niets meer dan dat ik door de mist mijn berekening miste en verdwaalde."

"Wel Byarn! wij leven in een vrij land. Gij kunt doen wat gij wilt; maar wilt gij mij dan uw schip verkoopen?"

"Zooals gij dat wilt, graaf Eirik! Gij zult niet te weinig geven, noch ik te veel vragen. Het schip is dus het uwe. Vergeet niet, graaf! op reis eenige raven mee te nemen; zij zijn de zekerste gidsen".

De prijs voor het schip werd vastgesteld, en de geheele vergadering verliet de hal en ging in optocht naar het strand. Eirik en Byarn, met twee voorname hoofden, gingen in een boot aan boord, vergezeld door twaalf beproefde vrienden, die als getuigen moesten dienen. In het bijzijn van allen nam Byarn den stuurriem in de hand en gaf de greep plechtig aan Eirik over met de woorden:

"Neem dit schip met mast en zeil en riemen, juist zooals het is, zonder dat gij verder eenig recht op mij hebt, als gij soms teleurgesteld mocht worden. Ik neem in betaling aan drie honderd marken in goud, in waarde gelijkstaande met vijftienduizend ellen van het beste Wadmal laken."

"Ik neem uw schip," zei Eirik, "zooals het is. Ik zal niet tot u komen om een gebrek te laten herstellen, noch u ooit meer betalen."

Nu dronken zij samen wijn en voordat zij aan land gingen, sneed Byarn een eind van een der touwen af en stelde dit Eirik ter hand, die toen Byarn een half el blauw laken ten geschenke gaf.

Dit bevestigde den koop evengoed, als al het geschrijf van den tegenwoordigen tijd.

De twee herten, die nog in leven waren, werden aan land gebracht en Sigvald noodigde allen uit bij hem het middagmaal te gebruiken en den nacht in zijne woning te Groendal door te brengen. Met gejuich werd dit gastvrij aanbod aangenomen. De knechten deden hun best om hun meester genoegen te doen en de oude graaf was zoo opgeruimd, dat zijn vroolijkheid al de anderen scheen aan te steken.

Zooals wij reeds gezegd hebben waren er onder de gasten meer zonen van Odin dan Christenen. De voornaamste leider der Christenen, die, zooals wij vroeger verteld hebben, op het tweede schip door Leif in de haven gebracht waren, heette Yalto, die door de priesters van Odin verbannen was. De tweede was bekend als Gizur, en werd de "Witte" genoemd, niet alleen om de kleur van zijn baard, maar ook omdat al zijn daden rein waren.

Deze mannen worden genoemd als de eerste invoerders van het Christendom op het eiland. Daar er zooveel Heidenen op het eiland waren, was het onmogelijk al de Heidensche gewoonten af te schaffen. Zij poogden de heidensche feesten te herscheppen in Christelijke plechtigheden; Paschen, Kerstmis en zoo meer, zijn de Christelijke vormen van oude Heidensche feesten.

Er waren verscheidene Heidensche tempels op IJsland en een daarvan bevond zich op een afstand van ongeveer een uur van Groendal. Op den morgen na het feest bij Sigvald, ging een aantal Heidenen daarheen om de schikgodinnen, het Verleden, het Tegenwoordige en de Toekomst (Urder, Verdandi en Skuld) te vragen, wat zij doen moesten om de gunst der goden te winnen. Onder hen bevond zich ook Ingvar, zoon van Thassi, die, zooals de lezer zich herinneren zal, getracht had Leif te dooden. Thassi was door de groote vergadering, de Ting, verbannen en had IJsland moeten verlaten. Zijn zoon, vast besloten om wraak te nemen, had het plan opgevat om Thorward een strik te spannen, Leif Eirikson te dooden, en kleinen Edrik te stelen, en daar het bezoek van den ouden Eirik hun allen zooveel vreugde gaf, had hij besloten dat ook de oude krijgsman als slachtoffer zou vallen.

Natuurlijk bleef Ingvar ver van Sigvalds hal, maar hij had te Reikiavik vrienden, op wie hij zich kon verlaten. Daar ging hij heen en hij bleef bij hen tot op den morgen van het feest, waarop al de Heidenen zich naar den ouden tempel en de Christenen zich naar de kerk zouden begeven.

De tempel was een schoon gebouw, waarin de beelden der goden bewaard werden. Buiten stonden de groote offersteenen, zooals die in Noorwegen nog hier en daar gevonden worden.

Ingvar gordde zijn wapenrusting aan en zette den helm op met de arendsvleugels, die hem als een zoon van Odin deden kennen, nam zwaard en dolk, en met zijn strijdbijl op den schouder, ging hij op vóór de anderen naar den tempel, om eer te bewijzen aan Thor, den god, dien hij het liefst had. Zij, bij wie Ingvar zijn intrek genomen had, gingen in hun gastvrijheid zoo ver, dat zij beloofden met hem naar den tempel te gaan en deel te nemen aan al zijn avonturen. Zij volgden hem eveneens gewapend, en bereikten den ingang van het boschje, waarin de tempel lag.

Doch er stak een hevige storm op, met hagel en donder, terwijl de bliksemstralen den omtrek verlichtten. Daarbij viel de regen neer als een zondvloed.

Ingvar en zijn vrienden waren niet bang voor het onweer, maar zij wilden toch liever hun maliënkolders niet door het water laten roesten. Zij poogden ze droog te houden en zochten dus zoo spoedig mogelijk een schuilplaats in den tempel.

Het was pikdonker toen zij ten laatste de breede deur bereikten: een lichtstraal toonde hun aan waar zij zich bevonden, maar toen zij binnengetreden waren, bevonden zij zich weer in de diepste duisternis.

"Wat is het donker!" zei Ingvar, "ik kan geen hand voor oogen zien. Als het mij niet om wraak te doen was, dan zou het mij bijna spijten de stad verlaten te hebben, doch als ik denk aan alles wat Thassi te lijden heeft in zijn verbanning, dan voel ik mij sterk om alles te doorstaan. Bij Thor! was wat dat!"

Een hevige bliksemstraal scheen de zoldering, den vloer en de muren van de ruime hal in vuur te zetten. Bij het felle licht kon men drie groote steenen onderscheiden, die tegen den westelijken muur stonden. De vrienden hadden deze steenen dikwijls gezien, maar nu zagen zij op elken steen een vrouwelijke gestalte, in een vlekkeloos wit kleed. Elk van hen hield een spinnewiel in de hand. De eene wees met haar spinnewiel recht voor zich uit; de middelste scheen bezig te zijn met garen op te winden, en het spinnewiel van de derde was reeds vol, terwijl zij er mee achter zich wees.

"De nornen (schikgodinnen) in eigen persoon," riep Ingvar uit, volstrekt niet van zijn stuk gebracht. "Gevreesde zusters! ik wil mijn leven en al wat ik bezit opofferen voor de wraak! Zeg wat ik doen moet!"

Terwijl Ingvar en zijn drie metgezellen naar de vrouwen staarden, zagen zij dat de lippen van haar, die met het spinnewiel achter zich wees, zich langzaam bewogen. Zij zong met heldere stem het volgende:

"In ballingschap heeft er uw vader geleden. Zijn vlucht en zijn smarten behooren 't Verleden: Als balling heeft Thassi het langste geleefd, Eens komt de tijd weer, dat iedereen beeft."

"Gevreesde Urder! ik dank u! Nu, Verdandi, ik vraag u hoe ik handelen moet?"

Toen zong de middelste maagd, steeds voortgaande met haar garen op te winden, op de maat der beweging:

"Is 't u om wraak te doen, rijd moedig voorwaarts dan, Uw vijanden zijn daar, versla ze als een man; Zij zijn reeds in uw macht, dat is 't, wat 'k zeggen kan."

"Voor dit antwoord offer ik u een gouden armband dikker dan mijn arm! Maar nu zal ik Skuld nog een vraag doen. Zal het mij gelukken om Leif, Thorward, Eirik en den knaap te verslaan?"

Toen antwoordde de derde norn met haar spinnewiel voor zich uit wijzende:

"De toekomst is donker, in duisternis gehuld; Ik ken uw plan om wraak, ik zie het niet vervuld; Rijd moedig voorwaarts maar, doch steeds op rechte paân: De morgen brengt zoo licht u ongeluk nog aan."

"Ha!" riep Ingvar uit, "treft dat ongeluk mij of mijn vijanden? Ik zal het laatste gelooven, want dat past bij 't geen de andere nornen gezegd hebben. Ik leg hier aan uw voeten drie gouden armbanden; als ik slaag, kom ik morgen terug met den armband, dien ik Verdandi beloofd heb."

Het spookachtig licht, dat op den altaarsteen brandde, ging uit en er heerschte een diepe duisternis. Plotseling verlichtte een bliksemstraal de hal, en daarbij konden de toeschouwers zien dat de steenen ledig waren--doch ook de armbanden waren verdwenen!

VI.

Laat in den nacht kwamen Edrik, Osrik en Nils te Groendal aan. Zij waren door en door nat, en vermoeid van het snelle loopen op den moerassigen grond. Men had hunne afwezigheid bij het feest ternauwernood opgemerkt. De mannen van rang lagen op den vloer van de hal te slapen, de vrouwen waren in haar vertrekken en den dienaars en soldaten waren plaatsen aangewezen in de schuren. Sommigen, die wacht moesten houden, lagen in hun mantels gewikkeld in de open lucht en gaven niet om koude of vochtigheid.

Voorzichtig over de slapende krijgslieden heenstappende, bereikten de knapen eindelijk de groote hal. Bij het licht van het vuur zocht Edrik zijn vriend Thorward op, en begon hem te schudden, totdat hij er in slaagde hem te wekken.

"Thorward!" riep hij, "word dan toch wakker en sta op. De heidenen willen ons overvallen. De Nornen hebben hen daartoe aangezet!"

"Wat is er aan de hand?"

"Ik ben het, Edrik!--Thorward, Thorward, sta dan toch op!"

"Heb ik niet de waarheid gesproken, toen ik zei: onkruid vergaat niet. Daar zijt ge al weer terug. Uw vader zal boos op je zijn!"

"Dat komt er nu niet op aan. Sta op, en ga met mij mee!"

Eindelijk stond Thorward op en volgde Edrik. Deze verzocht hem even te wachten en trad het vertrek binnen, waar zijn vader sliep.

"Wie durft hier binnen te dringen?" riep Sigvald. "Wat, Edrik!--Waar hebt gij gezeten?"

"Vader, sta op en wapen u spoedig! Laat ons Leif en Eirik ook wekken; de vijand is nabij. Wapen u, vader!"

"Waarom moet ik mij wapenen? Waar zijt gij geweest?"

"Als wij allen bij elkander zijn, zal ik u alles vertellen. Waar is Eirik?--Waar is Leif?"

Onder het praten was Sigvald reeds bezig met zich te wapenen, waarbij zijn vrouw hem hielp. Zij was blijde dat haar lieveling weer terug was.

Edrik's moeder vertelde hem, waar de oude Eirik lag en waar hij Leif kon vinden, en hij maakte hen beiden wakker. Toen bracht hij hen met Thorward bij zijn vader, en verhaalde aldus: