Part 2
Zoo sprekend bood hij Leif den beker aan, die hem in ruil den zijne gaf. Hij was op het punt hem aan de lippen te zetten, toen Edrik van zijn plaats opsprong, naar de daïs snelde en hem met zooveel kracht den beker uit de hand rukte, dat al de mede over den grond stortte. "Rak hem niet aan, Leif! het is vergift!" riep hij uit.
Thornward was een krachtig krijgsman, maar hij was lang zoo vlug niet als Edrik. Toch was hij spoedig op zijn post. Met ijzeren greep hield hij den moordenaar vast, en boven al het rumoer klonk zijn stem:
"Ik zal dezen schurk aan het gerecht overleveren. Onder den schijn van vriendschap heeft hij getracht Sigvald's broeder door vergift het leven te benemen. Zie maar hoe in den beker een witachtig slijm ligt! De schurk staat te laag om door mijn zwaard te sterven. Voer hem weg! Wacht, nog een oogenblik! misschien heeft hij zich voorzien van een toovermiddel!"
Hier stond Sigvald op en met zijn als metaal klinkende stem beval hij stilte.
"Grijpt ook zijn vrienden!" riep hij. "Voor lafaards en giftmengers ken ik geen genade. Neemt ze gevangen en bindt ze. Thornward beschuldigt Thassi van het gebruik van toovermiddelen. Als die bij hem worden gevonden, moet hij geboeid worden en als een gemeene dief voor de openbare Ting terecht staan. Onderzoekt hem!"
De tegenstand van den lafaard was vruchteloos. Thorward haalde van onder zijn kleeren een zakje te voorschijn en dit bevatte een perkament, voorzien van een zegel.
Thorward riep toen den hofmeester (huisbestuurder) en beval hem het zegel te verbreken en te lezen wat er in stond. Deze gehoorzaamde en las:
"Door dit toovermiddel zullen alle menschen weten dat Thassi Hangurson een lage schurk is. Hij vroeg dit toovermiddel om Leif, zoon van Eirik, bijgenaamd den Rooden, ten val te brengen. God moge Leif beschermen!"
Een uitbundig gelach volgde op het voorlezen van dit vreemde en weinig vleiende dokument. De schuldige werd weggeleid, en opgesloten om niet meer te voorschijn te komen dan op den dag van de rechtspraak.
Zoodra hij verdwenen was riep Sigvald uit: "Vrienden! wij moeten niet vergeten om dank te zeggen voor Leif's redding. Ook ben ik blijde dat ik hier met lof van Edrik spreken kan. Hij heeft dien lof verdiend, en daarom mag hij mij iets vragen, dat ik hem zal toestaan, als het ten minste goed voor hem is. Wat wenscht gij, mijn zoon Edrik?"
"Vader, ik wilde gaarne met Leif mee naar zee gaan en Eirik Thorwaldson, den Rooden, bezoeken."
Dit verzoek viel zoo in den smaak van Sigvald, dat hij verheugd uitriep: "Mijn zoon, als Leif u mee wil hebben moogt gij gaan! Nu Thorward, wat kunnen wij voor u doen?"
"Graaf Sigvald, ik ben slechts een ruw krijgsman en geen goed spreker. Het gedrag van de maagd Freydisa heeft mij verheugd. Zij heeft uws broeders leven gered. Dat is een edele daad, want, wij moeten sterven op het slagveld of op zee, in het aanzicht van den vijand, zooals ook onze vaderen gestorven zijn. Daarom voel ik de goedheid van Freydisa voor mijn vriend zoozeer, en daar zij nu uw gast is en onder uw hoede, vraag ik aan u: geef haar mij ten huwelijk."
Dit voorstel werd door de gasten toegejuicht, en Sigvald zeide, terwijl hij zich tot Freydisa wendde: "Wij zijn u het meest van allen verschuldigd. Zonder u zou mijn broeder den dood van een lafaard gestorven zijn. Thorward maakt dat ik u den besten prijs kan aanbieden, die voor een vrouw te verkrijgen is.... een eerlijk, braaf en goed echtgenoot. Neem hem aan, Freydisa! als uw moeder het ten minste toestaat."
Freydisa stond op, boog voor de vergadering en zeide: "De dappere graaf Thorward is door het geheele noorden bekend en daar ik zie dat mijn moeder door haar zwijgen toestemming verleent, zal ik mij niet verzetten tegen 't geen graaf Sigvald goedvindt."
Op dit antwoord volgde een storm van toejuiching. De vrouwen trokken zich nu terug en de krijgslieden bleven beraadslagen over het lot van Thassi. Zijn misdaad was zoo tegen hun wijze van denken en handelen, dat zich geen stem verhief ten zijnen gunste. De nacht brak aan en vond hen nog steeds bezig met de zaak te bespreken.
III.
Een huwelijk op IJsland, negenhonderd jaar geleden, was heel wat anders dan zulk een plechtigheid in dezen tijd. In den ouden heidenschen tijd werd de bruid door eenige vrienden van den bruidegom, in optocht naar diens huis gebracht, en daar had de plechtigheid plaats, die bestond in het drinken van groote hoeveelheden wijn en bier en het wisselen van geschenken tusschen de beide partijen. De bruid schonk haar aanstaanden echtgenoot wapens, een maliënkolder en een paard, terwijl hij haar een paard, een ploeg, een lans en andere geschenken gaf, meestal zinnebeelden van de plichten, die beiden nu jegens elkander te vervullen hadden. De wapens wezen aan, dat hij altijd de beschermer van zijn huis moest zijn; het paard, dat hij altijd gereed moest zijn den vijand te achtervolgen. Zijn geschenken aan haar beduidden, dat de zorgen der huishouding en het bebouwen van het veld haar bezigheden waren, terwijl het paard en de lans te kennen gaven dat haar plicht haar ook in oorlogstijd aan zijne zijde riep, en zij hem zelfs in het veld moest volgen.
Toen het Christendom werd ingevoerd, raakten veel van deze gewoonten langzamerhand in onbruik, maar toch zijn er nog tegenwoordig sporen van te vinden in het wisselen der trouwringen
Bij gelegenheid van het huwelijk tusschen Thorward en Freydisa was het als 't ware een samensmelting van oude en nieuwe gebruiken. Van weerszijden werden geschenken gegeven en er werden gouden ringen gewisseld.
De overlevering zegt, dat Leif de eerste was aan wien men de invoering van den Christelijken godsdienst op het eiland te danken heeft. Zeker is het, dat hij op zijn schepen Christenpriesters heeft meegebracht en dat het eerste Christenhuwelijk door die priesters werd ingezegend.
Toen al de feestelijkheden afgeloopen waren, was de zomer ver gevorderd en de tocht naar Groenland, die ten doel had Eirik, den Rooden, te bezoeken, kon niet langer uitgesteld worden.
Onder hen, die aan den tocht deelnamen, was ook Byarn Hergulfson, wiens vader Hergulf een der boezemvrienden van Eirik, den Rooden, was. Byarn had ook een schip uitgerust en wilde gelijk met Leif uitzeilen. Sigvald had zijn zoon Edrik verlof gegeven twee zijner kameraden te vragen om mee te gaan, als hun ouders er ten minste in toestemden.
"Ik zou Osrik en kleinen Nils het liefst mee hebben, als zij willen," zeide Edrik.
De jongens hadden er zeer veel lust in, en hun ouders waren blijde dat hun zoons gelegenheid hadden zulk een uitstapje te maken. Op den bepaalden dag zeilden dus twee schepen van Reikiavik af, het eene onder Leif Eirikson, het andere onder bevel van Byarn, zoon van Hergulf.
In het begin van Augustus verlieten de twee schepen, de Rolf Krake en de Sleipner, de haven van Reikiavik. Aan den oever stonden vrienden en nieuwsgierigen. Edrik, Osrik en Nils stonden op het hoogere gedeelte bij den achtersteven en keken naar de achterblijvenden, totdat het voorgebergte hen voor hun blikken verborg.
"Wel, Edrik! nu begint het er op te lijken," zei Osrik, toen het land uit het gezicht was. "Hier zijn wij vrij! Wat een heerlijk gevoel. Kijk eens naar dit veld van blauw water. Dat wil ik altijd beploegen."
"Ja," zei Edrik, "en onze kiel is de ploegschaar."
"Maar," zoo nam Nils het woord, "ik zie niet in welken oogst wij hier moeten binnenhalen."
"Roem!" zei Edrik, en trotsch keek hij rond. "Roem en eer," ging hij voort, als door het onderwerp meegesleept. "Op de zee vinden wij een roemrijk te huis en een eervol einde, als onze taak is afgedaan en de oceaan ons graf wordt."
Byarn, de zoon van Hergulf, hoorde deze redeneering en zei lachend: "Hoort eens, jongens! aan boord is niet veel tijd voor zulke mooie redevoeringen. Wij hebben geen andere katten noodig dan die, welke muizen vangen; gij moogt dus niet lui zijn. Kijkt eens daar ginds! Lars Fostigson is bezig een touw te vlechten; hij zal u die kunst leeren."
Edrik en de andere knapen wisten echter meer van deze dingen af dan Byarn eerst gedacht had, en wat zij nog niet wisten leerden zij spoedig genoeg aan. Hun tweede dag op zee werd gekenmerkt door een dikke mist, die het andere schip voor hun oog verborg. 's Nachts trok de mist weer weg, maar de Rolf Krake was nog niet in 't gezicht. De derde dag brak aan, en Edrik werd in den mast gezonden, om te trachten met zijn jeugdige oogen het vermiste schip te ontdekken. Hij klom vlug naar het kleine kraaiennest, of de mand, die aan het bovenste gedeelte van den mast was bevestigd. Er konden mannen in staan, die van daar op het dek van den vijand konden schieten, of naar alle kanten konden rondkijken om voorwerpen te ontdekken, die van het dek af niet gezien konden worden.
"Wat ziet gij daar boven?" riep Byarn.
"Niets! Er is geen schip te zien, zelfs geen spelende walvisch."
"Vreemd!" zei Byarn, "kom beneden, dan zal ik beproeven of ik gelukkiger ben."
Edrik klom af en Byarn verving hem, doch hij zag evenmin iets.
"Wij kunnen nog niet ver van de kust af zijn; ongeveer twee honderd mijlen, denk ik, en de wind is niet veel gedraaid. Wat kan die verdwijning van Leif te beteekenen hebben? Ik zal een raaf laten vliegen."
Het was de gewoonte onder de Noorsche zeelieden om twee of drie raven mede te nemen, en die onder sommige omstandigheden te laten vliegen. Toen Byarn dit beval gaf, was het met de bedoeling om te zien waar het dichtstbijgelegen land lag.
De raaf werd meegenomen naar het kraaiennest en vandaar liet men hem vliegen. Na eenige keeren om den mast gevlogen te hebben, gaf het dier een schreeuw en vloog weg in de richting van waar het schip gekomen was.
"Zie jongens, zie!" riep Byarn, "IJsland ligt nog zoo dicht bij dat de vogel het kan bereiken. Het schip gaat dus vooruit naar Groenland. Aan de riemen jongens! met roeien moeten wij de zeilen helpen."
Zoo gingen zij vooruit, drie dagen lang en toen werd de mist zoo dik, dat zij op geen speerlengte van zich af konden zien. Er werd een tweede raaf uitgezonden, maar die keerde spoedig terug, daar de mist te dik was en zelfs de scherpe oogen van den vogel er niet in konden doordringen.
Dien geheelen dag en nacht bleef de mist hangen. De morgen bracht dikke wolken en zwaren regen, en de nacht, hoewel droog, was zoo verduisterd door wolken, dat zij de sterren niet konden onderscheiden en niet wisten hoe zij sturen moesten.
De volgende dag was zoo helder als zij maar wenschen konden; geen wolkje was aan den hemel te zien. Er was een lichte bries opgestoken, maar daar hun geheele berekening nu in de war was, wisten zij niet of de wind hun gunstig was of niet. Zij lieten een raaf vliegen, maar 's namiddags kwam zij uitgeput terug, een bewijs dat er geen land in de nabijheid lag.
"Zou Leif met de Rolf Krake verdwaald zijn?" vroeg Byarn.
"Leif Eirikson is een goed Christen," antwoordde Edrik. "Door God's zegen zal alles wel terecht komen."
"Gij zult nog een prediker worden, Edrik!--maar ik geloof dat wij Groenland in de mist voorbij zijn gezeild. Echter, dat kan toch niet, want Groenland is het eind van Midgard (de aarde) en daar voorbij is geen land of water meer."
Zij zeilden nog drie dagen voort en nog was er geen land in 't zicht, wel ijsbergen. Nogmaals liet men een raaf vliegen; er ging een geheele dag voorbij, doch het dier keerde niet terug. Dezen keer was hij dadelijk van den voorsteven weg gevlogen, zonder een oogenblik te aarzelen.
Den volgenden morgen werd kleine Edrik weer den mast in gezonden. Hij bleef daar vier uur en was uitgeput van vermoeienis en honger, toen hij eindelijk op het geroep van Byarn antwoordde; "Ik zie iets aan stuurboord; misschien is het land."
"Een mistbank, denk ik! Kom beneden; het kan ook een ijsveld zijn."
"Wacht even, ik geloof dat het de kust is! Stuur recht op de ondergaande zon aan, juist zooals de wind is.... zoo!"
Hoewel de Noorsche zeden niet toelieten dat men toonde ergens heel veel belang in te stellen, konden de krijgslieden aan boord hun vreugde toch niet bedwingen bij de woorden van Edrik. Zij roeiden met meer lust en deden de Sleipner zoo snel voortgaan als maar eenigszins mogelijk was.
Edrik vergat vermoeidheid en honger, toen hij duidelijk bespeurde dat hij werkelijk land zag. Byarn beval hem nu beneden te komen en hij klom zelf naar boven, in zich zelven brommend dat hij wel haast zeker was dat het een ijsveld zou zijn. Doch toen hij boven was, waren zijn verwondering en verrassing zelfs voor Noorsche kalmte te veel.
"Bij alle heiligen! Daar is eindelijk Groenland na een veertiendaagschen kruistocht. Van zoo iets heeft men nog nooit gehoord!"
Bij zonsondergang waren zij de kust zoover genaderd, dat zij heuvels met groene bosschen bedekt konden onderscheiden.
"Dit moet Groenland wel zijn!" riep Byarn uit. "Kijkt eens naar die prachtige boomen!"
"Dat is Groenland niet!" zei een der roeien, "de kust ziet er anders uit. Men noemt het geen Groenland om de dichte wouden, maar omdat dicht bij het water zooveel gras en struiken groeien.--Groenland? Het heeft meer van Steenland!"
"Gij hebt gelijk, geloof ik!" zei Byarn, "ik ken Groenland niet, maar Leif heeft mij verteld dat de heuvels binnen in het land met sneeuw en ijs bedekte toppen hebben, terwijl aan den waterkant de bodem bedekt is met gras. Hier is het juist het tegenovergestelde; de kust is wit van de steenblokken en in de verte zijn alle heuvels groen!"
De Sleipner zeilde langzaam langs de kust, maar vond nergens een geschikte landingsplaats. Zij lieten dus het land met de steenen links liggen, en kozen de open zee, en zooals de overlevering luidt: "na twee dagen verder gezeild te zijn, ontdekten zij land, maar veel lager dan het eerste en met boomen begroeid."
Hier gingen zij aan wal, en daar zij er allerlei dieren aantroffen en overvloed van frisch water, namen zij een heelen voorraad in en zeilden verder. "Zijn tocht voortzettend," zoo luidt het verder, "met een gunstigen zuidwestenwind, bereikte Byarn in drie dagen weer een uitgestrekt eiland, waarvan de kust bedekt was met talrijke ijsvelden en ijsbergen. Daar het land er niet zeer aantrekkelijk uitzag, koos Byarn weer zee."
"Ik zou toch wel eens willen weten of dat nu Groenland is geweest," zei Edrik, nadat zij dit nieuwgevonden land (New-Foundland) [1] hadden verlaten en weer twee dagen op zee waren. "Misschien is het een gedeelte van Groenland, dat nog nooit bezocht is geworden."
"Dat kan wel," antwoordde Nils, "hoewel ik hoop dat de rest van Groenland wat aanlokkelijker is. De bosschen echter waren mooi. Ik had daar wel eens op de berenjacht willen gaan, als er tijd voor geweest was."
"Het was Groenland niet, jongens!" zei Osrik. "Mijn vader is in Groenland geweest en heeft mij er alles van verteld. Het is evenmin Groenland, als ik koning Olaf Tryggvason ben."
"Kent gij Olaf Tryggvason?" vroeg Nils.
"Neen! maar ik hoorde mijn vader over hem spreken."
"Is hij een reus?"
"Een reus? ha, ha! Waarom doet gij toch zulke dwaze vragen?"
"Het is geen dwaze vraag. Ik hoorde mijn vader zeggen: "Olaf en eenige andere groote mannen van Noorwegen;" ik dacht stellig dat hij bedoelde dat zij reuzen waren."
"Gij zijt een malle jongen! Koning Olaf is niet grooter dan andere menschen, maar hij is een koning."
"Wij hebben dan zeker op IJsland geen koningen, omdat er geen buitengewoon groote menschen wonen?"
"Hoor zulke knapen nu toch eens praten!" zei Byarn, die deze opmerking hoorde. "Wij hebben geen koning op IJsland, omdat alle menschen daar gelijk zijn, hoewel sommigen onder hen nog graven genoemd worden."
"Is Bren, de jager, dan gelijk met mijn vader?"
"Ja, volgens de IJslandsche wet."
"Waarom beval mijn vader dan om hem te slaan. Hij kan toch mijn vader niet laten slaan?"
"Daar zal ik op een anderen keer eens met u over praten. Ga nu naar boven en zeg mij of gij land kunt zien."
Edrik klom vroolijk naar boven en was er nog niet lang, toen men hem hoorde roepen: "Land aan bakboord!" Hij kwam naar beneden en Byarn klom in den mast. Hij bevestigde het bericht.
"Dat zal Groenland zijn en dat andere is dus zeker een eiland, waar niemand iets van weet."
"Zoudt gij denken, dat Byarn zal vertellen welk nieuw land wij gezien hebben?"
"Ik geloof het niet, want als hij het vertelde, zouden zij hem maar uitlachen, omdat hij Groenland gemist heeft."
Byarn hoorde dit gesprek en hij dacht ook dat het voor zijn naam wellicht beter was om zijn mond te houden. Hij zeide dus tot de bemanning:
"Het is niet goed dat de menschen om ons lachen, daarom stel ik voor aan onze vrienden in Groenland niets te zeggen van het land, dat wij gezien hebben. Wat denkt gij er van, vrienden?"
Toen sprak Olog Arfvidson, een ernstig man, die meer geleek op een woudeik met besneeuwden top, dan op een man van vleesch en bloed:
"Byarn Hergulfson, het is laag om te liegen. Ik kan natuurlijk mijn mond houden, als de menschen verwonderd vragen waar wij geweest zijn en waar wij onzen voorraad hebben opgedaan, want wij zijn nu een maand onderweg geweest. Wij moesten liever vertellen, dat wij een nieuw en onbekend land hebben gevonden, waar een menigte dieren leven."
"Maar men zal ons niet gelooven," zei Byarn, "want Groenland is het eind der aarde. Toch moeten wij verklaren hoe wij voedsel vonden en waar. Liegen helpt niet, maar niemand zal ons gelooven als wij de waarheid zeggen."
Toen zei kleine Edrik: "Wij moeten onzen mond houden, totdat ons bepaald gevraagd wordt wat wij gezien hebben, en dan moeten wij de waarheid zeggen."
Het schip naderde intusschen het land en zeilde Eiriks-fjord in, waar Leif's schip, de Rolf Krake, ten anker lag.
Het scheen dat de geheele kleine kolonie aan den oever verzameld was om Byarn te verwelkomen, van wien men gedacht had, nooit meer iets te kunnen of te zullen hooren.
IV.
De oude Eirik of Erik was een geducht persoon. Voor vele jaren had hij Groenland ontdekt, en hij was daarheen verbannen, omdat hij zijn tegenpartij in een twist gedood had. De tijd van zijn verbanning, drie jaar naar het schijnt, was lang verstreken maar hij verlangde niet naar IJsland terug te keeren, daar hij zich in de kleine kolonie, die hij zelf gesticht had, geheel thuis gevoelde.
Toen de Noormannen, ongeveer een eeuw voordat onze geschiedenis aanvangt, hun land verlaten en zich op IJsland gevestigd hadden, hadden zij hun Scandinavische overleveringen en geschiedenissen medegebracht, die van het eene geslacht op het andere waren overgegaan in Denemarken, Noorwegen en Zweden. Zij waren genoodzaakt geweest zich te verdedigen tegen het despotisme van koning Harold Hárfage of Harold Schoonhaar, en tot op dezen dag hebben de IJslanders de taal van oud Scandinavië in al haar zuiverheid bewaard. Ook zijn de IJslanders steeds afkeerig gebleven van de koninklijke waardigheid. Zij waren en zijn republikeinen en van de negende tot de dertiende eeuw was IJsland het eenige land in Europa, waar de bewoners burgerlijke en godsdienstige vrijheid genoten.
Olaf Tryggvason was in den loop zijner regeering in de gelegenheid geweest den IJslanders eenige hulp te verleenen, en daarom werd hij door hen beschouwd als hun vriend en beschermheer, en zelfs bij sommige moeielijkheden zijn tusschenkomst ingeroepen. Zoo geschiedde het ook dat Eirik, de Roode, zijn tusschenkomst inriep in zijn twist, maar tot zijn groote verbazing had de koning hem in 't ongelijk gesteld. Daardoor had Eirik een afkeer gekregen van den koning en hij vond het veel aangenamer om als een patriarch op Groenland te wonen, dan naar Noorwegen of IJsland terug te keeren.
Leif was hem de liefste van al zijn zonen. Al was hij reeds dertig jaar oud, hij toonde steeds den noodigen kinderlijken eerbied. Het doel van zijn bezoek was nu om hem over te halen naar Groendal te komen om met hem en zijn broeder den Joeltijd te vieren, en ook om zijn zegen te vragen op het huwelijk, dat hij voornemens was te sluiten.
De oude Eirik was een Heiden, een zoon van Odin van den ouden stempel, en hij werd bitter, als hij er van sprak, hoe zijn zonen het oude geloof hadden verzaakt en Christenen geworden waren. Toen Leif dus trachtte hem over te halen om ook Christen te worden, werd de oude man woedend en sprak:
"Ik ben reeds gedoopt, maar in het bloed mijner verslagen vijanden. Zou water meer voor mij doen dan bloed? Neen Leif! Thor rijdt nog altijd met zijn wagen al donderend door de lucht, en Odin leeft eeuwig in Walhalla!"
Dit antwoord sloot den jongen man den mond, maar bracht zijn geloof niet aan 't wankelen, en hij hoopte dat de tijd het bekeeringswerk veel beter zou volbrengen dan hij het doen kon.
Op den avond van den dag, waarop 's morgens dit tooneel tusschen vader en zoon had plaats gehad, liet Byarn in de fjord het anker vallen. Deze gebeurtenis gaf zooveel reden tot blijdschap, dat alle bitterheid geweken was. De geheele bemanning werd in Eirik's hal verzocht en spoedig bogen de tafels onder het gewicht van spijs en drank. Nu gebeurde het dat een van Eirik's mannen schertsend de opmerking maakte, dat Byarn's scheepsvolk er zoo welgedaan uitzag.
"Zij bezitten zeker het geheim om van de lucht te leven, of om vleesch zoo te bewaren dat het goed blijft," zei Eirik. "Byarn, leert de Christelijke godsdienst u om zonder voedsel te leven? Bij Thor, dan word ik Christen, wanneer gij maar wilt."
Deze spotternij was te veel voor Byarn. Hij liet zijn besluit van geheimhouding varen en sprak:
"Graaf Eirik Thorwaldson! De Christen lijdt geen gebrek aan het noodige, zooals gij daar juist gezegd hebt, maar in onze dagen geschieden geen wonderen meer om den menschen voedsel te verschaffen."
"Zeg mij dan eens, welke middelen gij gevonden hebt om uw scheepsvolk het noodige te verschaffen. Ik zou dat voedsel wel eens willen proeven."
"Eirik Thorwaldson! gij kunt het proeven als gij wilt. Zult gij aan boord komen of zullen wij het hier brengen?"
"Zwommen er dan dieren naar uw schip toe om gedood te worden, of waren zij soms al gebraden?"
Byarn kon niet langer zwijgen. "Graaf!" riep hij, "ik zeide u dat er in 't geheel geen wonder gebeurd is. Twijfelt gij aan mijn woorden?"
"In 't geheel niet, vriend Byarn! Ik wil slechts weten welk geheim gij kent om op zee versch vleesch te verkrijgen."
"Wij kregen het op het land!"
"Welk land? Ten westen van Groenland wordt geen land meer gevonden; hier is het eind der aarde!"
Toen sprak Leif tot zijn Vader:
"Eirik Thorwaldson, herinner u dat dertig jaar geleden de menschen niet meer van Groenland wisten, dan wij van andere landen, die mogelijk ten westen liggen, en vele jaren voordat gij zelf Groenland ontdektet, werd IJsland op dezelfde wijze gevonden."
Deze woorden schenen den ouden heiden toch te treffen, want na een oogenblik zeide hij:
"Wel, wij moeten maar eerst het voedsel proeven en zien wat dit nieuw ontdekte land oplevert."
Leif was verheugd over de goede stemming, waarin zijn vader zich nu bevond, en bracht het gesprek op Olaf Tryggvason, koning van Noorwegen, over wiens belangstelling de oude man zich zeer gestreeld voelde, hoewel hij te trotsch was om het te toonen. Het overige van den avond werd vroolijk doorgebracht en toen werden de lieden voorzien van berenhuiden en zeehondenvellen, om zich ter ruste te leggen.
Den volgenden morgen ging Eirik de Sleipner bezichtigen. Hij prees de sterkte en den bouw van het schip, maar wat hem het meest verwonderde was een half dozijn herten, van een soort, in IJsland en Noorwegen onbekend.
"Wat! Hebt gij deze dieren meegebracht?"
"Ja graaf! maar wij hebben nog meer;" zei Byarn, "haal den vogel eens, Edrik!"
De knaap klom vlug naar beneden, en kwam spoedig terug met een Amerikaanschen spotvogel, wiens pooten hij had vastgebonden met lederen banden. De vogel kon vliegen, maar niet ontvluchten, terwijl het zachte leder maakte dat hij zich niet kon bezeeren. Edrik gaf Byarn den vogel in de hand.
Eirik bekeek den vogel met eenige verbazing, die nog toenam, toen hij eerst den nachtegaal nabootste en vervolgens begon te kirren als een duif.