Part 1
EDRIK, DE NOORMAN.
NAAR J. F. HODGETTS
BEWERKT DOOR ANTIE. S. REULE NZ.
SNEEK, H. PYTTERSEN Tz.
EDRIK, DE NOORMAN.
I
In een vruchtbaar dal met een weelderigen plantengroei, welke een zonderlinge tegenstelling vormde met de dorheid in 't rond, stond tegen het einde van de tiende eeuw een groot huis, dat met zijn hal en talrijke bijgebouwen in dit afgelegen gedeelte van IJsland aan eene Noorweegsche woning deed denken.
De geopende deuren van het huis toonden dat Noorsche gastvrijheid een der deugden van den eigenaar was, terwijl de grootte en uitgestrektheid der bijgebouwen hem als een vermogend man deden kennen.
Maar de herleving van den plantengroei na den langen IJslandschen winter was niet het eenige bewijs van leven in Groendal, want uit een der zijgebouwen stormde plotseling een half dozijn jongens. Zij liepen zoo snel zij konden naar een breede, snel stroomende rivier, welke nu door smeltend sneeuw en ijs gevoed, het grootste gedeelte van het jaar echter slechts een beekje was.
De wedloop was echter met te veel vuur begonnen. Spoedig bleef een der kleinere jongens, een knaap van ongeveer tien jaar, een heel eind achter.
"Kom, Edrik! vooruit, jongen! Wat, kan je al niet meer voort?"
"Ja, maar ik ben buiten adem," was het antwoord.
De anderen lachten, doch wachtten goedhartig tot Edrik hen had ingehaald en wandelden toen meer bedaard verder naar de rivier.
"Hoe mooi!" zeide Osrik, een dertienjarige knaap, die de oudste van het troepje was, "zie eens hoe het water zich voortspoedt als een strijdros, dat te lang in den stal heeft gestaan en zich verheugt in zijn vrijheid."
"Ja," zei Olef, een elfjarige knaap, "en evenals een krijgsros zijn manen schudt, werpt het water het schuim van zich af."
"Kijkt liever eens naar onze boot. Zij ligt klaar om af te steken. Er ligt geen sneeuw meer op de planken."
Allen liepen haastig naar de boot. Het was een licht gebouwd, langwerpig vaartuig; de vorm kwam vrijwel overeen met dien van onze tegenwoordige roeibooten, maar voor- en achtersteven waren spitser.
"De riemen zijn in orde, jongens!" riep Osrik. "Wij zullen ons laten voortdrijven tot aan de zee, dan naar Odins-fjord roeien, en vandaar zullen wij naar Groendal terugwandelen. Helpt eens mee, jongens!"
Binnen weinige oogenblikken was de boot te water, en de stuurriem stevig aan den rechterkant der boot bevestigd.
"Nu, Osrik!" riep Olef, "kijk goed hoe gij stuurt. Roeien is niet noodig, maar wij moeten zorgen dat wij de blokken lava uit den weg blijven. Hé, wat gaat zij er flink door!"
"Niets ter wereld is zoo goed als een boot," zei Edrik.
"Behalve een schip," gaf Olef ten antwoord.
"Een paard is nog beter," was de meening van Osrik.
"Ik had nog liever mijn vaders zwaard," riep een kleine blonde twaalfjarige knaap, Knut genaamd.
"Neen," zei Nils, de snelvoetige, "ik zou mijn vaders zwaard niet willen hebben."
"Waarom niet?" vroeg Otto de kleine, "zijt gij bang om het te gebruiken?"
"Ik bevreesd?" riep Nils, "dat is een kinderachtige vraag. Neen, ik ben niet bevreesd; ik ben een Noorman!"
"Waarom wilt gij dan uw vaders zwaard niet hebben?"
"Omdat, als ik dat zwaard krijg, mijn vader gestorven zal zijn. Zoolang hij leeft scheidt hij er niet van, en ik zou mijn vader niet willen verliezen."
Een goedkeurend gemompel volgde op deze woorden en toen wijdden allen hun aandacht aan de boot, daar de talrijke blokken lava, door de bergstroomen meegesleept en door gevallen boomstammen in hun vaart gestuit, den tocht zeer gevaarlijk maakten.
Maar de jonge IJslanders waren tegen het gevaar bestand, en het ranke vaartuig werd veilig naar zee gestuurd. Zij hadden zoo'n pleizier, dat zij niet eens merkten hoe sterk de strooming was, waarmede het opgestuwde water der rivier zich naar zee spoedde.
Eindelijk riep Osrik uit: "Kijkt eens, jongens! wij zullen niet terug kunnen gaan, zooals wij van plan waren. Wij moeten zien een ander kanaal te vinden om naar Reikiavik te komen."
"Laat ons dat maar dadelijk doen," zeide Edrik. "Ik weet een kleinen inham, waar wij kunnen landen, en daar zal men ons wel paarden leenen om naar Groendal terug te rijden."
"Vooruit dan!"
En voort vloog het lichte vaartuig over de koppen der schuimende golven. Wind en getij waren gunstig en als een zwaluw spoedde het zich voort naar Reikiavik.
Zij vonden spoedig de baai bij de stad, waaraan deze haar naam ontleent. De jongens bewogen de riemen op de maat van een Noorsch lied. Daar zagen zij iets, dat hun hart van blijdschap deed kloppen. Een oorlogsschip, met rijkvergulden drakenkop, de zijden beschermd door een rij schilden, om de roeiers tegen vijandelijke pijlen te beschutten, kwam het voorgebergte omzeilen, recht op hen af. Een krachtig krijgsman stond op den achtersteven en stuurde het drakenschip. Het ronde, gevulde zeil, zonder eenige plooi of rimpel, droeg het statig over de golven. Op het dek stond een bende krijgslieden, wier lansen de stralen terugkaatsten der zon, die als een roode, brandende vuurschijf in zee wegzonk. Hun maliënkolders van glimmende ijzeren ringen, hun gouden armbanden en bronzen versierselen op helm en schild, schitterden en blonken den knapen tegemoet. Dit alles nam hun aandacht geheel in beslag; zij lieten de riemen rusten en keken aandachtig toe.
"He, ho! Welke boot is dat?"
"De Zeeslang!" antwoordde Osrik, terwijl het schip naderde. "Welk schip is dat?"
Aan boord van het drakenschip klonk gelach en een ruwe stem antwoordde:
"De Rolf Krake uit Noorwegen. Kom dadelijk aan boord."
Men liet den knapen niet veel tijd, want een pijl zette het bevel de noodige kracht bij. Zij roeiden dus spoedig op zij van de Rolf Krake en stonden weinige oogenblikken later allen aan boord. Met verbazing keken zij naar de talrijke wapens, die in bonte verwarring aan den mast en langs de binnenzijde van de verschansing hingen. Zwaarden, strijdbijlen, speren en werpspietsen, slingers, bogen en pijlen, van àlles was er. Kleine Edrik voelde zich bijzonder aangetrokken door een reusachtige strijdbijl, die aan den mast hing, en toen de bevelhebber hem vroeg, waar het huis stond van Sigvald, zoon van Eirik, gaf hij ten antwoord:
"En kunt gij die met een hand zwaaien?"
De Noorman lachte.
"Neen, dat juist niet. Ik ben geen reus!"
"Zijt gij een Christen? Gij draagt een kruis op uw borst?"
"Men zegt het ten minste. Maar geef antwoord op mijn vraag. Waar woont graaf Sigvald Eirikson?"
"Hij woont te Groendal, niet ver van hier. Kunt gij die bijl in het gevecht gebruiken?"
"Dat kan ik en velen mijner vijanden hebben het ondervonden. Wie is de oudste onder u?"
"Dat ben ik," antwoordde Osrik.
"Dat moet gij mij antwoord geven. Kent gij graaf Sigvald?"
"Edrik, die u daareven antwoordde, is Sigvalds zoon."
"Dan is hij mijn neef, want ik ben Leif, de zoon van Eirik Thorwaldson en Sigvald is mijn broeder."
"Zijt gij Leif?" riep Edrik. "Ik heb mijn vader dikwijls over u hooren spreken. Ik dacht dat gij in Groenland waart, bij den ouden Eirik Thorwaldson."
"Nu ben ik hier, en gij moet mij naar uw vader geleiden!"
In dien tusschentijd was het zeil gestreken, de boot op sleeptouw genomen en al roeiend bereikte men de baai van Reikiavik. De knapen zagen met genoegen hoe de verschijning van het drakenschip in het stadje algemeene schrik en ontsteltenis te weeg bracht. Doch rondom het schip werden witte schilden gehangen om te toonen dat men met vreedzame bedoelingen kwam, en spoedig staken wel dertig bootjes te Reikiavik van wal, om de bemanning van het drakenschip te verwelkomen.
Zonder eenige verwarring werden allen aan land gebracht en na de noodige rust begon de marsch. Met het aanbreken van den dag liep Osrik met de andere knapen vooraan om den weg te wijzen. Leif hield zijn neef bij de hand, de overige krijgslieden, zesendertig in getal, volgden. Zoo bereikten zij Sigvald's woning, waar deze zijn broeder en zijn mannen met blijdschap welkom heette, te meer omdat zijne komst hem geruststelde omtrent het lot der knapen. Dien dag was er feest en den volgenden dag beraadslaagden Sigvald en Leif over hun plannen.
"Gij wilt ons dus allen tot Christenen maken, Leif? Ik ben nieuwsgierig wat onze vader daar van zeggen zal."
"Wij hebben nog een schip bij ons. Het zal wel spoedig aankomen. Aan boord daarvan bevinden zich twee heilige mannen, die koning Olaf Tryggvason gezonden heeft om de leerstellingen te prediken. Die priesters zullen vader overhalen hun leer te omhelzen, en als hij eenmaal gedoopt is zullen de anderen wel spoedig volgen."
"Maar als hij nu eens niet naar de priesters luisteren wil?"
"Daar dacht ik nog niet aan. In elk geval moeten wij het wagen. De vrouwen, die wij aan boord hebben, zijn Christinnen. Zij zullen ons wel helpen."
Sigvald schudde het hoofd.
"Eirik, de Roode, is de man niet om zich te laten overhalen, hoewel hij met eerbied naar de leeraars zal luisteren. Maar broeder! gij zijt toch ook een bekeerde. Waarom legt gij den ouden man niet zelf de Christelijke leer uit?"
"Neen, broeder! daar ben ik de man niet voor. Er zijn wel eens ingewikkelde punten, Waarmee ik geen raad zou weten; daarom heb ik die geleerde mannen meegebracht, die elke moeielijkheid uit den weg weten te ruimen. Hij weet te goed wat hem als vader toekomt, dan dat hij om mijn woorden zou geven. Hij heeft nederig het hoofd gebogen voor zijn vader Thorwald, en verwacht hetzelfde van ons."
"Natuurlijk, en ik heb ook den meesten eerbied voor hem; want er leefde nooit een beter vader."
"Daar hebt gij gelijk in, maar toch ken ik hem te goed om mij er aan te wagen met hem te redetwisten."
Toen sprak een edele Noorman, Thorfinn Karlsefni, een vertrouwd vriend van Sigvald:
"Zeg mij, vriend Sigvald! is uw vaders tijd nog niet om? Als ik mij goed herinner, werd hij voor den tijd van drie jaar verbannen. Die tijd is immers reeds lang voorbij?"
"Dat is waar, Thorfinn! de drie jaren zijn reeds lang om, maar hij is te hoogmoedig om naar het land terug te keeren, van waar men hem verbannen heeft. In drift versloeg hij zijn tegenstander, en voor die nietige overtreding werd hij--evenals zijn vader vóór hem--uit huis en hof verdreven. Maar gedurende die drie jaren en langer heeft Eirik een bloeiende kolonie gesticht bij Eiriks-fjord. Toen daarom mijn broeder Leif zich naar den koning van Noorwegen, Olaf Tryggvason, begaf, en hem smeekte om vergeving voor onzen vader, werd hem dat niet alleen dadelijk verleend, maar hij zond deze krijgslieden en talrijke geschenken naar graaf Eirik, en noodigde hem uit naar zijn hof te komen en bevelhebber te worden op Noorweegsche schepen, of, als hij dat liever wil, mag hij ook in Groenland blijven en de krijgslieden gebruiken om hem daar bijstand te verleenen."
"Een edel vorst is Olaf; laat ons op zijn gezondheid drinken!" riep Leif, en de drinkhorens gevuld met wijn en mede, werden tot op den bodem geledigd.
Toen het gedruisch op zijn hoogst was, klonk het hoorngeschal van een der wachters op de heuvels.
"Dat is de hoorn van den ouden Halvar," zei Sigvald. "Hij brengt ons nieuws; het andere schip is zeker in het gezicht. Hoort gij, drie opeenvolgende stooten op den horen. Hij houdt niet van praten en zijn signalen zijn zoo bekend, dat hij het ook niet behoeft te doen."
"Daar komt de oude Halvar," zei de jonge Thorfinn, en dadelijk daarop verscheen een oud man, gekleed als een vrije, maar met het deftige en ernstige voorkomen van een priester.
"Een schip in zicht, graaf Sigvald! Geef mij mijn belooning!"
Het was namelijk de gewoonte op die afgelegen plaats om hem, die het eerst tijding bracht dat een koopvaardijschip de baai naderde, een zilveren ring en een drinkhoorn vol mede te schenken. Halvar deelde nu het volgende mede:
"Een schip, graaf! geen oorlogsvaartuig maar een vreedzame koopvaarder. Ik heb mijn ring en mede verdiend. Vaarwel!"
Zoo sprekend dronk hij in een lange teug den vollen hoorn, leeg en ging heen, zonder een woord van dank te uiten.
De hal was vol krijgslieden, die aan de groote houten tafels gezeten waren, welke langs den muur stonden. Allen zaten met het gezicht naar het vuur gekeerd, dat zich in het midden der zaal bevond. De daïs, of verhevenheid voor de meer aanzienlijke gasten, bevond zich in het midden van den westelijken muur, juist tegenover de opgaande zon, en op deze daïs zaten de beide broeders en Thorfinn, de volmaakte. Men had hem dien bijnaam gegeven, omdat hij uitmuntte in alle mannelijke deugden. Evenals graaf Sigvald was hij een Christen; met tal van anderen op het eiland had hij het Heidendom vaarwel gezegd, hoewel, om de waarheid te zeggen, velen van die Christenen, evenals Leif zelf, weinig wisten van het Christelijk geloof.
Het middagmaal werd opgediend. Nogmaals gingen de horens rond, en zaten de krijgslieden, Heidenen en Christenen, vreedzaam bij elkander en dronken mede, totdat de avond viel. Toen kwamen de lieden, die uit het pas aangekomen schip ontscheept waren.
Zij traden de zaal binnen tot voor de broeders. Voorop liep een dapper krijgsman, geheel geharnast en gevolgd door tien krijgers. Toen kwam een eerwaardig priester, wiens haar en baard, beide sneeuwwit, tot op borst en schouders neerhingen. Vervolgens kwamen de vrouwen, die alle gevaren getrotseerd hadden ter wille van hun echtgenooten, en nog anderen, die, toen zij hun bloedverwanten het geliefde Noorwegen zagen verlaten, gesmeekt hadden om aan hun arbeid deel te mogen nemen, en zich dus bij hen hadden gevoegd, wier doel het was de Heidenen te bekeeren in Eirik's kolonie op het dorre eiland, dat honderd jaar te voren ontdekt was, en waaraan men den naam van IJsland had gegeven. De stoet werd gesloten door tien andere krijgslieden en een tweeden priester, veel jonger dan de eerste.
Onder de vrouwen bevonden zich twee schoone maagden; het waren twee zusters, Guthrida en Hallfrida, die met hun ouders meegekomen waren om het zendingswerk te verrichten.
Thorfrida, Sigvald's vrouw, ontving de vrouwen en bracht ze naar haar vertrekken. De krijgslieden namen de ledige zitplaatsen in en waren spoedig aan het eten en drinken. Doch Thorfinn staarde in gedachten verzonken, naar de deur door welke de vrouwen verdwenen waren.
II.
In een afgelegen deel van het eiland, veel dichter bij den vulkaan de Hekla dan de aangename woning, die wij u beschreven hebben, stond een huis, hetwelk een heel ander aanzien had dan dat in Groendal. Het was gebouwd van overblijfselen van schepen, en van ruwe blokken lava, zoo opgestapeld, dat zij een woning vormden.
Het was een vreemd huis. De buitenmuren van hout en van lava, omsloten een ruimte, honderd voet lang en zestig breed. Deze was door houten beschotten in vier kamers verdeeld.
De ruwe en dikke muren waren bedekt met oude behangsels, die zestig jaar geleden uit Noorwegen waren medegebracht en toen waren zij reeds oud.
In de grootste kamer stonden twee tafels, eenige driepootige stoelen en langs de muren banken, waarover zeehonden- en berenvellen lagen gespreid. In het midden der kamer brandde een vuur, waarvan de rook door een opening in het dak een uitweg vond. Vensters waren er niet aanwezig.
Op een der banken, tusschen berenhuiden en met eiderdons gevulde kussens, zat een vrouw, klaarblijkelijk van hoogen ouderdom.
Op een andere bank zat een veel jongere vrouw, terwijl een derde, een meisje dat nauwelijks twintig zomers telde, bezig was een olielamp in orde te brengen, welke aan de zoldering hing.
"Ik zal u eens wat zeggen, Freydisa!" zei de tweede vrouw, "gij hebt groot ongelijk. Hier met mijn moeder kunt gij als tooveres meer geld verdienen, dan een koopman met jarenlangen arbeid. Het is een dwaze kindergril!"
"Ik geef niet om geld, Refna! Gij hebt mij gezegd dat ik rijk ben, doch al was ik zoo arm als de minste knecht, dan zou toch mijn ziel zich verzetten tegen het spel, dat wij met de arme zeelieden spelen."
"Pas op Freydisa!" zei de oude tooverkol. "Maak mij niet boos! Uw moeder heeft het nog nooit gewaagd zich tegen mijn wil te verzetten."
"Ik acht en eerbiedig mijn moeder en u als mijn grootmoeder ben ik hetzelfde verschuldigd. Maar er bestaat een toekomst en in die toekomst zie ik grootheid en macht."
"Welke macht kan grooter zijn dan die welke wij bezitten, Freydisa?" vroeg de moeder. "Alle menschen vereeren ons en betalen ons goed voor onze woorden."
"Ja, moeder! maar toch blijven zij ons uit den weg. Ik wilde gaarne door menschen van alle rangen gezocht, niet vermeden worden. Ik zou over hen willen heerschen en ik zou willen dat zij mij schatting betaalden."
Zij was opgewonden en sprak zoo luid, dat zij de naderende hoefslagen niet hoorde. De moeder van Freydisa hoorde ze het eerst. Waarschuwend stak zij den vinger op. Het meisje zweeg en ging voort met haar bezigheid en spoedig brandde de lamp helder en haar flikkerend schijnsel maakte de kamer nog vreemder en tooverachtiger.
Een oogenblik van stilte volgde en toen hoorde men de ruiters afstijgen. Het tapijt, dat achter de oude vrouw hing, werd opgelicht en er verscheen een zonderling meisje. Zij fluisterde de oude vrouw eenige woorden in het oor en verdween weer even spoedig als zij gekomen was.
Dadelijk daarop traden drie fiere mannen de kamer in. Zij droegen een wapenrusting en ook een zwaard, en de gewone speer of werpspiets.
"Wat zoekt graaf Thassi bij de zieneres Unna?" vroeg de oudste der vrouwen.
"Unna, ik heb raad en hulp noodig."
"Ik weet het--tegen Leif Erikson!"
"Hoe weet gij dat geheim?" riep de krijgsman uit, die het eerst was binnengetreden.
"Als ik minder wist zou mijn hulp niet worden ingeroepen."
"Uw wijsheid en boosaardigheid zijn op het geheele eiland bekend, en daarom moet ik, tot welken prijs ook, de middelen van u weten, waarmee ik Leif kan benadeelen."
"Gij wenscht dus een toovermiddel van mij, dat hem ten val brengt, zonder dat er voor u eenig gevaar is? Neem plaats, graaf Thassi! en verzoek ook uw vrienden te gaan zitten. Ledig eenige horens wijn, want Unna heeft dien over voor de gasten, die zij onderscheiden wil, dan zal ik intusschen nadenken hoe ik u helpen kan. Aska! breng ook gerookt berenvleesch!"
Het klimaat van het Noorden geeft den mensch eetlust en in dien tijd werd er zooveel gedronken, dat men er nu geen denkbeeld van hebben kan. De drie IJslandsche edelen vielen dan ook met graagte op de spijzen aan, die de tooveres hun voorzette, terwijl Aska en Freydisa met haar moeder hen zoo van wijn voorzagen, dat zij weldra niet meer bemerkten wat zij deden.
Toen sprak Unna tot Freydisa:
"Neem geld, huiden en pelzen, en rijd met uw moeder en vier man naar Groendal. Waarschuw hen voor de boosheid van dezen dwaas, dien ik door u in hun handen zal overleveren. Ik zal je een toovermiddel geven in zulke runen geschreven, dat Sigvald ze lezen kan, en daardoor zal weten welk een booswicht Thassi is. Gij zult rijkelijk beloond worden."
Het meisje reed heimelijk met haar moeder en de mannen heen en nam alles mede wat Unna haar gezegd had, maar ook een goeden voorraad zilveren ringen en blauw laken, want dit gold als gangbare munt.
Zij reden zeer snel; de pachters en landeigenaars voorzagen hen telkens van versche paarden, zoodat zij in twee dagen te Groendal aankwamen, waar Sigvald's vrouw, Thorfrida, Freydisa en haar moeder vriendelijk ontving.
Zij was zeer blijde toen zij hoorde, hoe Thassi zijn plannen aan de oude tooveres had geopenbaard, want de runen op de beukenhouten staf, die toen nog op IJsland voor geheime boodschappen gebruikt werd, deelden haar mede dat het doel van het bezoek, dat Thassi spoedig bij haar zou afleggen, niets minder was dan om haar zwager Leif, onder het een of ander nietig voorwendsel, te dooden.
Thorfrida, die zeer goed wist hoe spoedig de Noormannen naar de wapens grepen, besloot noch haar echtgenoot, noch zijn broeder vooreerst iets van den aanslag te zeggen. Maar de tijd ging snel en de moordenaars konden elken dag verwacht worden. Daarom zond zij een der vrouwen van haar gevolg om kleinen Edrik op te zoeken, die dadelijk kwam aansnellen.
"Nu, Edrik!" zei Thorfrida, "ik heb uw hulp noodig."
"Goed, lieve moeder! zeg slechts wat ik doen moet."
Nu vertelde zij hem wat er gaande was en hoe zij vreesde dat Sigvald den moordenaar tot een tweegevecht zou uitdagen.
"Laat alles maar aan mij over," antwoordde Edrik, "want hoewel ik maar een kleine jongen ben, geloof ik dat ik toch wel op kan tegen Thassi."
Nu bevond zich onder de volgelingen van Leif iemand, tot wien de knaap zich bijzonder aangetrokken gevoelde. Hij was een edelman uit Noorwegen, die met Leif meegekomen was, en Thornward heette. Edrik begaf zich dadelijk naar de zaal, waar Thornward met een zijner makkers gezeten was.
"Zoudt gij mij een grooten dienst willen bewijzen?" vroeg de knaap.
"Zeker, mijn jongen! wat wenscht gij?"
"Als gij alleen zijt zal ik het u vertellen, want het is een geheim."
Thornward's vriend stond lachend op en zeide: "Ik zal uw gesprek niet storen. Ik moet mijn valk ook eens laten uitvliegen. Thornward, maak die zaak maar uit met kleinen Edrik, en als hij je soms uitdaagt, dan zal ik uw getuige zijn." Dit zeggende ging hij lachende heen.
"Dat was niet heel beleefd, Edrik! maar Hanno is een goed vriend. Zeg nu maar wat gij te vertellen hebt?"
Edrik vertelde hem hoe Freydisa honderd mijlen ver had gereden om Thorfrida te waarschuwen. Hoe de moordenaar van plan was vergift te mengen in den drank van Leif, en hoe hij toovermiddelen had gekocht om den graaf ziekte en verdriet aan te brengen.
"Het is een schurkenstreek om iemand te dooden, terwijl hij drinkt," merkte de wijze Noorman op, "want de geest is dan minder op zijn hoede, daar zij beneveld is door den wijn, en als wij onder dien invloed sterven, is lichaam en ziel verloren. Wat de toovermiddelen aangaat, ze doen niemand kwaad dan hem, die ze gebruikt. Maar vergiftigde wijn!".....
"En wilt gij mij nu helpen om graaf Leif te redden?"
"Zeker wil ik dat. Het is christenplicht en hij is mijn vriend!"
"Wat zullen wij doen? Zou het niet het best zijn dat ik hem bespiedde, dan kunt gij den hoorn grijpen en hem de mede zelf laten drinken."
"Best, en als het toovermiddel bij hem gevonden wordt, wordt hij ter dood veroordeeld, volgens de IJslandsche wet. Voor zulk een schelm is hangen nog te goed."
"Het was een heele rit voor dit meisje."
"Ja, jongen! zij moet goed en trouw zijn. Ik acht haar!"
Twee dagen na dit gesprek kwam Thassi met drie vrienden en zes volgelingen te Groendal aan. Edrik riep de andere knapen bij elkaar en verzocht hun dien man goed in het oog te houden, maar hij zeide hun niet waarom. De ontmoeting tusschen Leif en Thassi was in 't begin zoo stijf en zoo koel als maar eenigszins mogelijk was, maar Thassi scheen onder den invloed der omgeving milder gestemd te worden, en op den derden dag na zijn aankomst legde hij het zoo aan, dat hij naast Leif op de daïs kwam te zitten. Toen nu de hoorns rond gingen, haalde hij van onder zijn kleed een prachtigen drinkhoorn te voorschijn, rijk met zilveren ringen en met edelsteenen versierd. Hij hield hem omhoog en verzocht den dienenden maagden hem te vullen voor den dronk, dien hij van plan was in te stellen.
Sigvald keek nieuwsgierig naar den prachtigen drinkhoorn. Thorfrida werd bleek van angst. Freydisa vestigde haar groote, donkere oogen op den spreker, maar niemand sprak of bewoog zich.
Toen stond Thassi op en sprak:
"Ik ben een zoon van Odin, metgezellen! maar ik heb gastvrijheid aangenomen bij mijn Christengastheer, omdat ik het huiselijk leven der Christenen wilde leeren kennen, voordat ik hun godsdienst omhels. Maar daar ik weet dat men om Christen te kunnen worden alle twisten moet bijleggen, beken ik nu dat ik een tijdlang Leif gehaat heb. Ik vraag hem hier openlijk om zijn vriendschap en smeek hem, om als teeken van verzoening, dezen beker van mij aan te nemen en op mijn gezondheid te ledigen. Laat ons vrienden zijn, Leif!"