Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Vierde deel

Part 9

Chapter 94,084 wordsPublic domain

Onbeschrijfelijk was de droefheid van Camaralzaman, toen hij weder tot zich zelven kwam. Hij sloeg zich op de borst, en deed zich de hardste verwijten. „Ha, onwaardige vader!” riep hij, „wreedaard, gij hebt als een onzinnige gewoed tegen uw eigen bloed. Uwe onschuldige kinderen hebt gij vermoord! Moest hunne deugd, hunne gehoorzaamheid en onderworpenheid aan uwen wil, waarvan zij steeds blijken gaven, u niet van hunne onschuld hebben overtuigd? Verblinde vader! verdiendet gij niet, dat de aarde zich opende en u verslond, na het bedrijven van zulk eene afschuwelijke misdaad? Ziedaar de straf, die Allah over u laat komen, omdat gij in den afkeer tegen de vrouwen, die was aangeboren, niet hebt volhard. O, vrouwen, vrouwen, waartoe hebt gij mij gebragt! Door uwe krokodillentranen, hebt gij mij tot een' moordenaar gemaakt van mijne kinderen! Onnatuurlijke moeders, gij hebt duizendmalen den dood verdiend, schandvlekken van uw geslacht. Maar zal ik mijne handen in uw bloed doopen, gelijk ik het bloed van mijne zonen heb doen vergieten, zal ik u aan hunne schimmen wrekend opofferen? Neen, gij zijt mijn' toorn onwaardig. Maar dat de Hemel mij verplettere, indien ik u immer wederzie!” Getrouw aan dezen eed, deed hij de koninginnen nog dien zelfden dag ieder in een afzonderlijk vertrek opsluiten.

Terwijl koning Camaralzaman zich aldus bedroefde, en door een te laat berouw gekweld werd, dwaalden de prinsen in de wildernis om. Zij vermeden alle bewoonde plaatsen, en onderhielden hun leven met wilde vruchten. De nachten bragten zij op een' boom of in eene grot door, om zich tegen de wilde beesten te beveiligen, en terwijl de een sliep, hield de andere wacht.

Na bijna eene maand te hebben rondgezworven, kwamen zij aan den voet van eenen berg, die geheel uit zwarten steen bestond, en zoo hoog en steil was, dat hij hun toescheen onbeklimbaar te zijn. Wel bespeurden zij een gebaand pad, maar dit was zoo smal en moeijelijk, dat zij er zich niet op durfden begeven. Zij gingen daarom langs den voet van den berg, in de hoop een' beteren weg te zullen vinden, maar te vergeefs, en eindelijk zagen zij zich gedwongen naar het zelfde pad terug te keeren, dat zij als bijna onbeklimbaar beschouwden. Daar er echter geen' anderen overgang was, besloten zij eindelijk het waagstuk te ondernemen, en begonnnen den berg te bestijgen.

Hoe verder de prinsen kwamen, des te hooger en steiler vertoonde zich de berg. De moeijelijkheden verdubbelden, en meer dan eens stonden zij in beraad, om de onderneming als onuitvoerbaar op te geven. Dikwijls waren zij beiden zoo vermoeid, dat zij op het punt stonden, daar onder te bezwijken. Maar de noodzakelijkheid drong hen verder te gaan. Hoezeer zij ook alle krachten inspanden, de nacht overviel hen, alvorens zij den top des bergs bereikt hadden. Assad gevoelde zich reeds tegen den avond zoo uitgeput, dat hij niet meer voort kon, en er bij nederviel. „Broeder,” zeide hij tot Amgiad, „ik kan niet meer; ga gij alleen voort, en laat mij hier sterven.” „Rust hier uit, zoo lang u goeddunkt,” sprak Amgiad, en zette zich bij hem neder, „maar laat den moed niet zakken. Wij behoeven niet lang meer te klimmen, en de maan begunstigt onzen togt.”

Na een goed half uur rustens deed Assad eene krachtige poging op zich zelven, hij stond op, en hoewel hij slechts langzaam voort kon, was toch de bergkruin weldra bereikt. Hier rustten zij op nieuw, doch Amgiad minder vermoeid dan zijn broeder, stond weldra weder op om het terrein te onderzoeken. Hij zal zoo omstreeks honderd schreden voortgegaan zijn, toen hij een' boom gewaar werd. Hij ging er heen, en zag nu tot zijne vreugde, dat het een' granaatboom was, overladen met de heerlijkste vruchten, en aan wiens voet een heldere bron ontsprong. Met dit blijde nieuws keerde hij naar Assad terug, en bragt hem onder den boom bij de bron. Zij verfrischten zich nu met een' granaatappel en eenen teug water, waarop zij weldra in slaap vielen.

Toen de prinsen den volgenden morgen ontwaakten, stond de zon reeds hoog aan den hemel. „Kom broeder,” zeide Amgiad tot Assad, „laat ons nu met frisschen moed de reis vervolgen; de weg laat zich vrij goed aanzien, en het afstijgen zal u gemakkelijker vallen, dan het beklimmen.” Maar Assad was nog zoo vermoeid van den vorigen dag, dat hij niet minder dan drie dagen noodig had, om zich daarvan te herstellen. Zij bragten die dagen bij de bron en onder den granaatboom door, wiens schaduw en vruchten hun van grooten dienst waren. Zij beraamden plannen voor de toekomst, en spraken over de misdadige oogmerken hunner moeders, waaraan zij hun tegenwoordig treurig lot te wijten hadden. „Maar,” zeiden zij tot elkander, „heeft Allah ons op eene zoo zonderlinge wijze van den dood gered, zoo moeten wij de rampen die ons nog kunnen treffen, met geduld verdragen, en ons met de hoop troosten, dat Hij ons éénmaal uitkomst schenken zal.”

Na verloop van drie dagen begaven de broeders zich weder op weg. Deze was thans minder moeijelijk, doch daar de berg aan die zijde zeer hellend afliep, en uit verscheidene terrassen bestond, die groote vlakten vormden, hadden zij vijf dagen noodig om in het vlakke veld te komen. Spoedig zagen zij nu, tot hunne niet geringe vreugde, eene groote stad voor zich liggen. „Broeder,” zeide Amgiad tot Assad, „ik kom daar op een denkbeeld, dat gij, hoop ik, goed zult vinden. Terwijl gij mij hier wacht, zal ik naar de stad gaan, om eens op te nemen, hoe het daar gesteld is, en wat wij van hare bewoners te hopen of te vreezen hebben. In het laatste geval zou het niet voorzichtig zijn, indien wij te zamen derwaarts gingen. Is echter alles goed, dan zal ik de noodige levensmiddelen medebrengen. Wat dunkt u?” „Uw voorstel keur ik goed,” antwoordde Assad, „het is verstandig en voorzigtig; sta echter toe, dat _ik_ mij met die taak belaste; want indien u daar een ongeluk overkwam, zou ik radeloos zijn.” „Maar,” hernam Amgiad, „wat gij voor mij vreest, zou ik dan voor _u_ te vreezen hebben. Ik smeek u dus, laat mij begaan en wacht mij hier, ik hoop spoedig terug te zullen zijn.” „Neen,” riep Assad, „nimmer zal ik zulks toestaan. Als ik ga en mij iets overkomt, dan zal ik ten minste den troost hebben, dat gij in veiligheid zijt.” Amgiad moest eindelijk toegeven, en zette zich onder eene groep boomen aan den voet van den berg. Daar zou Assad zich weder bij hem voegen.

Prins Assad nam nu eenig geld uit de beurs, die Amgiad onder zijne berusting had, en vervolgde zijnen weg naar de stad. Zoodra hij de poort binnenkwam, ontmoette hij een' grijsaard van een zeer achtbaar voorkomen, wel gekleed en eene rotting in de hand houdende. Hij twijfelde niet, of het was iemand van aanzien, van wien hij mogt vertrouwen, dat hij hem niet zou misleiden, waarom Assad hem vroeg, of hij de goedheid wilde hebben, hem den weg naar de markt te wijzen, waar hij eenige kleine inkoopen wilde doen.

De grijsaard toonde zich zeer bereidwillig, zag den prins vriendelijk lagchend aan, en zeide: „Mijn zoon, wanneer ik mij niet vergis, zijt gij hier een vreemdeling, want anders zoudt gij mij die vraag niet doen.” „Ja, mijnheer,” hernam Assad, „ik ben hier geheel vreemd; vergeef mij daarom mijne vrijmoedigheid, dat ik u met vragen lastig val.” „Gij zijt mij zeer welkom,” sprak de grijsaard; „ik beschouw het voor onze stad eene eer, dat een jongmensch van uw voorkomen, zich de moeite geeft, haar te bezoeken. Ben ik niet te nieuwsgierig door u te vragen, welke zaken gij op de markt hebt te verrigten?”

„Heer,” gaf Assad ten antwoord, „ik ben reeds bijna twee maanden met mijn' broeder op reis, om vreemde en verre landen te bezoeken. Wij hebben den weg bijna geheel te voet afgelegd, en zijn heden in de nabijheid dezer stad aangekomen. Mijn broeder was zoo vermoeid, dat hij onder het lommer van een' granaatboom eene rustplaats heeft gezocht; en mijn herwaarts komen heeft alleen ten doel, om eenige levensmiddelen voor ons beiden in te koopen.” „Dan, mijn zoon!” sprak de grijsaard op vriendelijken toon, „zoudt gij het niet beter hebben kunnen treffen. Ik heb heden aan eenige mijner vrienden een groot feest gegeven, en er zijn vele spijzen overgebleven, die nog onaangeroerd zijn. Gij hebt slechts met mij mede te gaan, dan kunt gij bij mij eten, en ik zal u een' voorraad medegeven, waaraan gij met uw broeder verscheidene dagen genoeg zult hebben. Dat zal u de moeite besparen, om naar de markt te gaan, en gij kunt uw geld in den zak houden, waarvan toch een reizend man zelden te ruim voorzien is, en nimmer te veel kan hebben. Bovendien zal ik u gedurende uw oponthoud ten mijnent, al de door u verlangde inlichtingen omtrent deze stad en hare bewoners geven. Niemand is daartoe beter in staat, daar ik hier geboren ben, en verschillende eervolle betrekkingen bekleed heb, waardoor ik met allerlei soort van menschen in aanraking kwam. Gij moogt het dus wel als een gelukkig toeval beschouwen u tot mij, en niet tot iemand anders gewend te hebben, want niet alle inwoners zijn zoo als ik; er zijn zelfs zeer slechte lieden onder. Kom dus met mij, ik zal u het onderscheid doen zien, dat er bestaat tusschen een eerlijk man, gelijk ik meen te zijn, en tusschen dat soort van menschen, zooals er hier velen zijn, die zich braaf noemen, maar dit inderdaad niet zijn.” „Ik ben u zeer dankbaar,” hernam prins Assad, „voor uwen goeden wil mijwaarts, waarvan gij zulke doorslaande blijken geeft; ik vertrouw mij geheel en al aan u, en ben bereid met u te gaan, waarheen gij mij brengen zult.”

Terwijl de grijsaard, met Assad aan zijne zijde, voortging, lachte hij inwendig over diens ligtgeloovigheid, en uit vrees dat hij iets bemerken mogt, onderhield hij hem over verscheidene zaken, die geschikt waren, om hem in zijne goede meening te versterken. „Het verheugt mij werkelijk,” zeide hij nogmaals, „dat gij u juist tot _mij_ vervoegd hebt, want het zal mij steeds aangenaam zijn, aan een' vreemdeling eenen dienst te bewijzen, hoe gering die dan ook op zich zelven in mijne oogen wezen moge.”

Dus pratende kwamen zij eindelijk aan het huis van den grijsaard. Deze verzocht den prins binnen te gaan, en bragt hem in eene groote zaal, waar veertig andere grijsaards in een' kring om een groot vuur gezeten waren, dat zij aanbaden.

Op dit gezigt gevoelde Assad niet minder afschuw, zich in het gezelschap van zulke mannen te zien, dan hij ontstelde bedrogen te zijn, en zich op zulk eene gevaarlijke plaats te bevinden. Terwijl hij onthutst en roerloos stond te kijken, begroette de listige oude heer de veertig grijsaards. „Vrome aanbidders van het vuur,” zeide hij, „het is heden een dag van geluk voor ons! Waar is Gusban?” vervolgde hij, „laat hem hier komen.”

Op deze woorden, welke luid genoeg werden uitgesproken, om ook buiten de zaal gehoord te worden, trad Gusban, een reusachtige zwarte slaaf binnen. Deze scheen zeer goed te weten, waarom zijne tegenwoordigheid verlangd werd; want zoodra hij Assad gewaar werd, liep hij toe, deed hem met een' vuistslag ter aarde tuimelen, en bond hem met onbegrijpelijke snelheid de handen op den rug. „Ik ben gereed heer,” sprak hij thans met een' helschen lach op het valsche gelaat; „wat zal ik verder met hem doen?”

„Breng hem,” beval de grijsaard, „ter plaatse, waar de zon niet schijnt, en de maan hare zilveren stralen niet zien laat, in het hol, waar een eeuwige duisternis heerscht, en de geesten 's nachts hunnen bruiloftsdans houden. Verzuim ook niet aan mijne dochters Bastane en Cavame te zeggen, dat zij de slagen op zijn' rug niet sparen. Een grof brood des morgens, en een zwart brood des avonds zij zijne spijs, eene kruik water zijn drank. Dit is genoeg, om hem in het leven te doen blijven, tot het vertrek van het schip naar de blaauwe zee en den berg des vuurs. Deze Muzelman zal voor onze Godheid eene welgevallige offerhande zijn.”

Naauwelijks was dit bevel gegeven of Gusban greep den prins Assad op eene ruwe wijze aan, en sleepte hem bij de haren de zaal uit, naar een zich daaronder bevindend verwulfsel. Hier ligtte hij een valluik op, sleurde den weerloozen gevangene een' trap van twintig treden af, en nu eene ijzeren deur openende, bragt hij hem in een dompig en somber onderaardsch hol, en sloot hem aan eenen zwaren ijzeren ketting, die in den muur was vastgeklonken. Dit verrigt hebbende, begaf hij zich naar de dochters van den grijsaard, om haar de hem opgedragen boodschap over te brengen, maar hij vond zijn' meester reeds daar. „Dochters,” zeide deze, „gaat naar het u bewuste kerkerhol; gij zult er een' Muzelman vinden, dien ik verschalkt en in mijn huis gelokt heb, om hem tot een offer aan onze godheid te doen dienen. Handelt met hem, zooals gij gewoon zijt, en spaar hem niet, waardoor gij het bewijs zult geven, waardige aanbidsters van het vuur te zijn.”

Bastane en Cavame, opgevoed in haat tegen al wat Muzelman heette, ontvingen dezen last met blijdschap. Zij spoedden zich naar den kerker, ontdeden den ongelukkigen gevangene van zijne kleeding, en geeselden hem, dat het bloed er uitsprong, zoo lang totdat hij in zwijm viel. Na deze barbaarsche mishandeling, zetten zij een brood en eene kruik met water bij hem neder, en verwijderden zich.

Er verliep een' geruime tijd, alvorens Assad weder bij kennis kwam. Hij schreide bitter en beklaagde zijn rampzalig lot, waarbij hij geen' anderen troost had, dan dat zijn broeder Amgiad niet in zijne ellende deelde, en gelukkiger dan hij, misschien aan de lagen der vuuraanbidders zou ontkomen.

Inmiddels bleef prins Amgiad zijn' broeder Assad tot 's avonds aan den voet van den berg wachten. Hij durfde die plaats niet verlaten, uit vrees dat zij elkander mis zouden loopen, doch toen het nu donker werd, begon hij zeer bekommerd te worden over het lot van zijn broeder. Hij bragt den nacht onrustig en slapeloos door, en begaf zich zoodra de dag aanbrak, op weg naar de stad.

De poort binnentredende, waren er reeds vele menschen op de been, maar tot zijne verwondering doorliep Amgiad verscheidene straten, zonder een' enkelen Muzelman te ontmoeten. Eindelijk kwam er hem een tegen. Hij wendde zich tot hem, en vroeg hoe de stad heette, en op welken afstand deze van het Ebbenhout eiland gelegen was. „Gij zijt hier,” luidde het korte antwoord, „in de stad der toovenaars, alzoo genaamd, omdat de meeste der inwoners aanbidders van het vuur zijn. Van hier naar het Ebbenhout eiland duurt de reis over zee vier maanden, en over land gaande, zoudt gij een vol jaar noodig hebben.” Amgiad wilde nog eene vraag doen, maar de Muzelman groette hem, en ging zijnen weg.

Daar de beide broeders maar zes weken hadden gereisd, om in deze stad te komen, wist onze prins niet, wat hij daarvan moest denken; of het moest zijn, dat de moeijelijke weg over den berg zoo veel korter was, dan de gewone reisroute. Hij was echter te bekommerd over het lot van zijnen broeder, om zijne gedachten lang bij iets anders te bepalen. Een' kleêrmakerswinkel voorbijgaande, trad hij naar binnen, daar hij den bewoner aan zijn' tulband voor een' Muzelman herkende. Na hem vriendelijk gegroet te hebben, zette hij zich naast den snijder neder, en deelde hem onbewimpeld mede, dat hij in de stad was gekomen, om naar zijn' broeder te zoeken, die reeds den vorigen dag derwaarts vertrok, om eenige levensmiddelen te koopen, maar niet was teruggekeerd.

De kleêrmaker hoorde aandachtig toe en zeide toen: „Indien uw broeder in handen is gevallen van dezen of genen vuuraanbidder, dan is hij reddeloos verloren, en gij moet er niet op rekenen, dat gij hem dan immer weder zult zien. Troost u dus, zoo goed gij kunt, en wees er op bedacht, dat gij u zelven in acht neemt, opdat u niet een gelijk ongeluk overkome. Het beste, dat ik u raden kan, is dat gij bij mij uw' intrek neemt. Ik zal u dan bekend maken met al de listen en lagen, waarvan de vuuraanbidders zich bedienen, om de Muzelmannen, vooral vreemdelingen, te verstrikken, opdat gij uitgaande, u voor hen in acht zult kunnen nemen.” Amgiad, ten hoogste bedroefd over het verlies van zijn' broeder, en denkende hem op die wijze het gemakkelijkste te zullen terugvinden, nam het voorstel van den goedhartigen kleêrmaker dankbaar aan.

Gedurende de eerste maand ging de prins niet anders uit, dan in gezelschap van zijn gastheer. Daar men hem echter tot dusverre ongemoeid had gelaten, werd hij stoutmoediger, en op zekeren dag, dat de kleêrmaker te druk met werk was belet om uit te gaan, begaf hij zich alleen naar het bad. In het naar huis gaan, ging hij door eene eenzame straat, waar hij eene gesluijerde dame ontmoette, die regt op hem aankwam. Zij hield hem staande, ligtte haren sluier op, en liet hem een zeer schoon gelaat zien, terwijl zij hem minzaam toelonkte, en met een vriendelijk lachje vroeg, waar hij heenging.

Amgiad kon aan de bevalligheden, die zij voor hem ten toon spreidde, geen' weerstand bieden. „Mejufvrouw,” gaf hij zonder aarzelen ten antwoord, „ik ga naar mijn huis, of naar het uwe, zooals gij dat begeert.” „Heer,” antwoordde de dame met een minzaam lachje, „dames als ik ontvangen geene heeren bij zich, maar komen bij hen.”

Amgiad werd door dit antwoord, dat hij niet verwacht had, in groote verlegenheid gebragt. Hij had de stoutmoedigheid niet, haar bij zijnen gastheer te brengen, die zulks zeker zeer euvel zou opgenomen hebben, en onzen prins zijne bescherming, die hij in deze stad zoo zeer noodig had, waarschijnlijk daarom zou ontzegd hebben. Zijne weinige bekendheid had tevens ten gevolge, dat hij volstrekt geen huis wist, waarheen hij met deze dame gaan kon, en toch wilde hij er niet toe overgaan haar dit te zeggen. In deze onzekerheid, wat te moeten doen, besloot hij de zaak aan het lot over te laten, dat hem de dame had doen ontmoeten; hij ging dus, zonder zelf te weten waarheen, de eene straat uit en de andere in. De dame volgde hem zoo trouw als zijne schaduw.

Eindelijk echter werden beiden het omdwalen moede, en bij een groot huis komende, waarvoor twee banken waren, zette Amgiad zich op eene derzelve, om eens adem te halen. De dame, nog meer vermoeid dan haar geleider, viel op de andere bank neder. „Dit is dus uw huis?” vroeg zij. „Zooals gij ziet, Mejufvrouw,” antwoordde de prins gedachteloos. „Waarom maakt gij dan de deur niet open,” vervolgde zij, „wij zullen binnen beter zijn, dan hier buiten; waar wacht gij op?”

Die vraag, hoe natuurlijk ook, bragt den prins op nieuw in verlegenheid. Hij werd de zaak moede, en besloot er zich af te maken. „Mijne schoone,” zeide hij, „ik heb mijn' slaaf uitgezonden, om eenigen voorraad op te doen en mij een goed middagmaal toe te bereiden. Daar ik niet dacht voor den middag te huis te komen, heb ik hem den sleutel medegegeven. Wat het ergste is, hij heeft vele zaken te doen, en kan nog lang uitblijven, hetgeen mij zeer spijt.”

Amgiad dacht, dat dit lange wachten, de dame zou nopen hem te verlaten, maar hierin bedroog hij zich. „Uw slaaf,” zeide zij, „is wel onbeschaamd zoo lang op zich te laten wachten, en indien gij hem niet duchtig straft als hij terugkomt, zal ik mij daar zelve mede belasten. Ik beloof u, dat hij in het vervolg wat harder loopen, en meer haast maken zal. Intusschen is het niet welvoegelijk, dat ik hier met een' man alleen op de stoep van uw huis zit. Maar ik weet raad, om u en mij uit deze ongelegenheid te helpen.” Dit zeggende, raapte zij een' grooten steen op, om daarmede het slot stuk te maken, dat volgens de gewoonte in dat land slechts van hout en zeer zwak was.

Amgiad, wanhopig over haar voornemen, wilde haar daarvan terugbrengen. „Mejufvrouw,” zeide hij, „wat gaat gij beginnen? Wees zoo goed, zoo lang geduld te hebben, totdat mijn slaaf terugkomt.” „En waartoe dat?” bragt de dame in, „dit huis is uw eigendom, en wat is er verbeurd aan een houten slot? Door er een ander voor te hangen, zal die schade hersteld zijn.” Zij stootte het slot stuk, deed de deur open, en ging zonder daartoe verlof te vragen, vrijmoedig naar binnen.

Amgiad, de deur open ziende, beschouwde zich een verloren man. Hij stond in twijfel, of hij haar volgen en terughalen, of zich door de vlugt in veiligheid stellen zou. Tot dit laatste was hij besloten, toen de dame bemerkte, dat hij achterbleef, en daarom terugkeerde. „Wat scheelt er toch aan?” riep zij hem toe, „zijt gij bevreesd uw eigen huis binnen te gaan, omdat ik mij voor sleutel van een' steen bediend heb?”

„Neen Mejufvrouw,” sprak de prins, „ik zag uit naar mijn' slaaf; want als hij niet spoedig komt, weet ik niet, wat ik u zal voorzetten.” „Kom maar hier,” riep de dame, „of moet ik u halen? Kom, vlug wat; wij kunnen uwen slaaf even goed binnen uwe woning afwachten, als daar buiten.” Amgiad was nu, wilde hij een straatrumoer voorkomen, zijns ondanks wel verpligt naar binnen te gaan, en voegde zich bij de dame. Het voorhof, waar zij zich nu bevonden, was net bestraat, en kwam in eene ruime vestibule uit, waar zij het gezigt hadden op eene groote en prachtig gemeubelde zaal. Midden in die zaal stond eene gedekte tafel, voorzien van de heerlijkste spijzen en fijnste vruchten, terwijl op een hoekbuffet allerlei wijnen in kristallen karaffen fonkelden.

Toen Amgiad deze feestelijke toebereidselen zag, voelde hij eens naar zijn hoofd, of dit nog op de oude plaats zat, want dat hij het verliezen zou, meende hij als onvermijdelijk. Zijne gezellin integendeel was verrukt over hetgeen hare oogen zagen. „Hoe nu, mijn goede heer?” riep zij uit, „gij waart bevreesd, dat wij niets gereed zouden vinden, doch zie eens, uw slaaf heeft beter gezorgd, dan gij zelf vermoeddet. Als ik mij niet vergis,” vervolgde zij in plagende scherts, „geldt dit feestelijk onthaal niet mij, maar eene andere dame. Doch bekommer u daar niet over, ik wil niet jaloersch zijn op uwe beminde. Verleen mij slechts de gunst haar en u te bedienen.”

Hoe ongerust hij ook was, kon Amgiad zich om deze plagerij niet van lagchen onthouden. „Mejufvrouw,” zeide hij, zijnen angst voor een oogenblik ter zijde stellende, „gij vergist u, ik ben geene gasten wachtende; het is mijne gewoonte een goed middagmaal te doen.” Zijne woorden waren echter lang niet in overeenstemming met zijne daden, want in plaats van zich aan tafel te zetten, wilde hij op de sofa plaats nemen. „Hoe nu?” zeide zijne gezellin, „wilt gij om mij van uwe gewoonte afgaan? Dat zal ik niet gedoogen. Daar gij uit het bad komt, zult gij wel eetlust hebben, en ook mij ontbreekt het daar niet aan. Laat ons dus aan tafel gaan, eten, drinken en ons vermaken.”

De prins wist niet, hoe zich daarvan te verontschuldigen, zonder een gek figuur te maken, en zette zich naast zijne schoone. De dame deed intusschen, alsof zij te huis was; zij diende hem nu het eene dan het andere voor, en schonk zich een glas wijn in, dat zij op zijne gezondheid leegdronk. Daarna vulde zij het zelfde glas nogmaals, en bood dit Amgiad aan, die nu wel gedwongen was, haar bescheid te doen.

Onder dit alles was Amgiad zeer verwonderd, dat noch de heer des huizes, noch eenig bediende zich liet zien. „Mijn geluk,” zeide hij in zich zelven, „zou wel groot zijn, indien men ons hier ongestoord liet, totdat deze zonderlinge ontmoeting, waaruit ik mij niet weet te redden, zal zijn afgeloopen.” Terwijl de prins zich met deze en andere minder vrolijke gedachten bezighield, ging de dame voort met eten en drinken. Zij moedigde hem steeds aan evenzoo te doen, en reeds was het dessert aangesproken, toen de eigenaar binnenkwam.

Bahader, zoo heette deze, was eerste kamerheer bij den koning der toovenaars. Het huis, waar onze beide bekenden zich bevonden, was wel zijn eigendom, doch hij woonde in een ander hotel, en gebruikte dit slechts als een lustoord, waar hij zich nu en dan met eenige vertrouwde vrienden vermaakte. Ook thans zou dit plaats hebben, en hij had door zijne bedienden de tot het feestmaal benoodigde zaken daar heen laten brengen. Deze waren juist weder vertrokken, toen Amgiad en de dame zich voor het huis nederzetten.