Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Vierde deel
Part 8
Zij zetten zich neder, en de prinses Badoura verhaalde nu haren geliefden echtgenoot, hoe zij, toen hij uit het kamp vermist was, en zij te vergeefs op zijne terugkomst gewacht had, het besluit had genomen, zich voor hem te doen doorgaan, en zoo de reis voort te zetten naar de eilanden van de kinderen van Khaladan. Hoe zij verder het Ebbenhout eiland aandoende, daar door den koning Armanos teruggehouden, en in de verpligting gebragt werd, om met de prinses Haïatalnefous te huwen, en als koning het rijk te besturen. Zij schilderde hem daarbij al de goede hoedanigheden van de prinses Haïatalnefous met levendige kleuren af, en deed haar edelmoedig gedrag uitkomen, toen zij zich genoodzaakt zag, die prinses met haar geheim bekend te maken. Zij deelde hem ook mede, hoe ontroerd zij was geweest, toen zij in eene der potten met stofgoud en olijven, haren talisman terugvond, en hoe deze aanleiding had gegeven, dat zij met des prinsen verblijf in de stad der afgodendienaars bekend werd, waarop zij den kapitein gelast had, hem zonder verwijl van daar te gaan halen en bij haar te brengen. Hier eindigde de prinses Badoura haar verslag, en verlangde nu op hare beurt van den prins te vernemen, door welk toeval de talisman aanleiding had kunnen geven tot hunne scheiding. Hij voldeed aan hare begeerte, waarna zij, daar het reeds laat was, zich ter ruste begaven.
Prinses Badoura en prins Camaralzaman stonden den volgenden morgen vroegtijdig op. De prinses trok thans een vrouwengewaad aan, en zond, zoodra zij gekleed was, den opperste der gesnedenen tot den ouden koning Armanos, haren schoonvader, om hem te verzoeken, haar met een bezoek te vereeren. Koning Armanos verscheen reeds spoedig, maar was ten hoogste verwonderd, niet den jongen koning, maar eene hem onbekende dame, en den groot-schatmeester aan te treffen, te meer daar het aan niemand, zelfs niet aan de eerste staatsdienaars geoorloofd was, in het binnenste van het paleis te komen. Plaats nemende, vroeg hij dan ook, waar de koning zich bevond.
„Sire,” antwoordde de prinses, „gisteren was ik koning, en heden ben ik niets meer dan de prinses van China, de gemalin van den waren prins Camaralzaman, zoon van den koning Schahzaman. Indien uwe majesteit zich het geduld wil geven, onzer beider geschiedenis aan te hooren, zoo durf ik hopen, dat zij mij niet zal veroordeelen over de onschuldige misleiding, waartoe ik genoopt werd.” Koning Armanos verleende haar gehoor, en van het begin tot het einde luisterde hij met aandacht toe. „Sire,” ging de prinses voort, toen haar verhaal ten einde was, „hoewel de vrouwen in mijn geboorteland over het algemeen geen groot behagen scheppen in de vrijheid, die de mannen hebben, om vele vrouwen te nemen, zoo zag ik toch gaarne, dat uwe majesteit toestemde, om uwe dochter Haïatalnefous, aan den prins Camaralzaman ten huwelijk te geven. Ik sta haar den eersten rang als koningin af, omdat die haar uit geboorteregt toekomt, en ik zal mij met den tweeden rang vergenoegen. Ja, al kwam die voorrang haar niet als de in dit rijk geboren prinses toe, ik zou haar dien toch bereidwillig overlaten, uit erkentelijkheid, dat zij mijn geheim met zooveel edelmoedigheid bewaard heeft, terwijl ik uwer majesteit kan verzekeren, dat zij zelve met dit huwelijk zeer tevreden zal zijn.”
De koning Armanos hoorde de prinses Badoura met bewondering aan, en vervolgens het woord rigtende tot den prins Camaralzaman, zeide hij: „Mijn zoon, daar de prinses van China, uwe gemalin, welke ik tot heden als mijn' schoonzoon aanmerkte, mij verklaart er niet op tegen te hebben, dat gij ook mijne dochter huwt, zoo blijft mij slechts over, van u te vernemen, of gij genegen zijt tot dit huwelijk, om dan tevens den koninklijken troon te bestijgen.” „Sire,” antwoordde de prins Camaralzaman, „hoe sterk ook mijn verlangen is, om den koning mijn' vader weder te zien, zoo zijn echter de verpligtingen, welke ik aan uwe majesteit en aan de prinses Haïatalnefous heb, van dien aard, dat het mij onmogelijk zou zijn, haar iets te weigeren, al ware ook dat voorstel minder aangenaam en vereerend voor mij geweest.” Camaralzaman werd nu tot koning uitgeroepen, en vierde op den zelfden dag zijn huwelijk met de dochter van Armanos, dat met vorstelijken luister werd voltrokken.
De beide koninginnen bleven te zamen in volmaakte eendragt leven. Hare vriendschap nam steeds toe, en beide waren zij zeer tevreden over koning Camaralzaman, die zijne liefde gelijkelijk verdeelde, zonder de eene boven de andere te trekken. Na verloop van één jaar schonken zij hem bijna op den zelfden tijd een' zoon, en de geboorte dezer prinsen werd door het geheele rijk met groote vreugdebedrijven gevierd. Camaralzaman gaf aan zijnen eerstgeborene, waarvan de prinses Badoura was bevallen, den naam van Amgiad. De zoon van Haïatalnefous noemde hij Assad.
GESCHIEDENIS VAN DE PRINSEN AMGIAD EN ASSAD.
Amgiad en Assad werden zeer zorgvuldig opgevoed, en toen zij daartoe oud genoeg waren, gaf de koning Camaralzaman aan beiden den zelfden gouverneur en de zelfde onderwijzers, teneinde langs dien weg de broederlijke genegenheid te dieper wortelen mogt schieten in hunne harten. De wijze vorst bereikte dan ook zijn doel volkomen; want toen de prinsen een' leeftijd hadden bereikt, dat zij elk eene eigen hofhouding konden ophouden, verzochten zij hunnen vader hun slechts ééne woning te geven, waar zij te zamen konden blijven wonen. Dit werd hun met vreugde toegestaan, en zoo hadden zij de zelfde officieren, de zelfde dienstboden, de zelfde vertrekken en de zelfde tafel.
Langzamerhand wonnen de prinsen Amgiad en Assad, door hunne deugden en goede hoedanigheden, zoo zeer het vertrouwen van den koning hun' vader, dat deze, ofschoon zij naauwelijks twintig jaren oud waren, er geen bezwaar in vond, als hij voor eenige dagen op de jagt ging, hen in zijne plaats in den raad te doen voorzitten.
[Illustratie: De Prinsen Amgiad en Assad.
Dl. IV, pag. 91.]
Intusschen was, door een misverstand, de vorige liefde van de prinsessen Badoura en Haïatalnefous voor haren echtgenoot Camaralzaman langzamerhand in haat en naijver veranderd. Zij spanden zamen, hoe zich het best van hem te ontdoen, en daartoe, zoo zij meenden, een gunstig oogenblik, dat de vorst eene reis door zijne staten deed, gevonden hebbende, overlegden zij, hoe het geschiktste hunne zonen, Amgiad en Assad, tot eene zamenzwering over te halen. Daar zij den moed niet hadden, daarover persoonlijk met de prinsen te spreken, kwamen zij overeen te trachten, hen daartoe schriftelijk te bewegen.
Op den eersten dag van 's konings vertrek zat Amgiad in den raad voor, en daar er verscheidene regtszaken aanhangig waren, was het twee uur op den middag, alvorens de zitting werd gesloten. Toen hij nu uit den raad kwam en zijn paleis binnentrad, kwam een gesnedene op hem toeloopen, en stelde hem een briefje ter hand van de koningin Haïatalnefous. Amgiad nam het papier aan, maar had daarin naauwelijks een' blik geslagen, toen hij uitriep: „Hoe, trouwelooze, betracht gij dus de trouw, die gij aan uwen meester en koning verschuldigd zijt!” En zijn zwaard trekkende, sloeg hij hem het hoofd af. In zijne verontwaardiging, begaf hij zich vervolgens dadelijk naar zijne moeder, de koningin Badoura, liet haar het briefje zien, en maakte haar bekend met den inhoud, en met de schrijfster van zulk een goddeloos voorstel. In plaats echter van zijn gedrag te billijken, en het geschrevene te veroordeelen, ontstak de koningin Badoura in toorn. „Zoon,” sprak zij, „wat gij mij daar zegt, is niets dan logen en laster, de koningin Haïatalnefous is eene deugdzame vrouw, en gij zijt wel vermetel, haar zulk een misdadig voornemen te willen aanwrijven.” De prins, eenigzins vermoedende, waarom zijne moeder de partij voor hare mede-koningin met zoo veel drift opnam, kon zijne verontwaardiging niet bedwingen. „Mevrouw,” sprak hij, „het doet mij leed; zoo iets tot mijne moeder te moeten zeggen, maar gij zijt de eene niet veel beter dan de andere! En indien niet de eerbied, dien ik aan mijnen vader en koning toedraag, mij weêrhield, zou Haïatalnefous haar misdadig voornemen geen uur overleven.”
De koningin Badoura kon uit het gedrag van haren zoon Amgiad ligt opmaken, dat zij bij den prins Assad, die niet minder deugdzaam was dan zijn broeder, niet beter zou slagen. Maar de hartstogt verblindde haar verstand, en reeds den volgenden dag schreef ook zij eenige regelen, die zij aan eene oude vrouw, welke vrijen toegang tot het paleis had, toevertrouwde, met last ze den jongen prins in handen te spelen.
De oude nam ook de gelegenheid waar, dat prins Assad, welke op dien dag in den raad voorzat, de raadzaal verliet, en stelde hem met een geheimzinnig gebaar het geschrevene van den koningin Badoura ter hand. Assad had daar naauwelijks een' blik in geworpen, of hij beval een' zijner slaven de oude te dooden. Daarop ijlde hij, het briefje nog in de hand houdende, naar het vertrek van zijne moeder, de koningin Haïatalnefous, maar deze liet hem zelfs niet aan het woord komen. „Ik weet reeds, wat gij mij zeggen wilt,” voerde zij hem in hevige gramschap te gemoet, „gij zijt even onbeschaamd als uw broeder Amgiad. Ga van hier, en kom mij niet weder onder de oogen.”
De prins stond geheel versteld. Op zulk eene ontvangst was hij niet voorbereid: was het wel zijne moeder, die hij dus hoorde spreken. Want ofschoon Amgiad hem had willen sparen, en dus niet gesproken had van hetgeen den vorigen dag had plaats gevonden, noch van zijn gesprek met de prinses Badoura, werd hem echter thans alles duidelijk, ook zijne moeder was schuldig, daar viel niet aan te twijfelen. Zijne oogen schoten vlammen, en het kostte hem moeite zich te beheerschen. Eindelijk zijne gramschap bedwingende, verwijderde hij zich zonder eene syllabe te antwoorden, uit vrees welligt iets te zullen zeggen, dat niet met zijne grootheid van ziel strookte. Daarop ging hij Amgiad opzoeken, beklaagde zich op minzamen toon over diens achterhoudendheid, en deelde hem zijn wedervaren mede. De prinsen beweenden met elkander de boosheid hunner moeders, doch namen het edelmoedige besluit, deze treurige gebeurtenis voor den koning verborgen te houden, teneinde hem niet te grieven, want zij wisten, dat hun vader de koninginnen zeer liefhad, en met de volste gerustheid op hare deugd vertrouwde. Dien blijden droom wilden zij hem niet ontnemen.
Zoo edelmoedig waren de teleurgestelde koninginnen niet. Wanhopig bij de prinsen eene deugd aan te treffen, welke haar tot inkeer had moeten brengen, vergaten zij tot zelfs het moederlijk gevoel, en spanden zamen, om hen in het verderf te storten. Zij deden hare vrouwen gelooven, dat de jonge prinsen haar hadden willen overhalen, om tegen den koning zamen te spannen, en hare geveinsde tranen, of die de spijt haar deed storten, gaven daar een' schijn van waarheid aan.
Toen de koning Camaralzaman van zijne reis terugkeerde, en de gemaakte droefheid der koninginnen opmerkte, vroeg hij met haastige belangstelling en op een' toon van verbazing, wat haar overkomen was. Op deze vraag verdubbelden de huichelachtige vrouwen hare zuchten en tranen, en na zich lang genoeg te hebben laten bidden, nam eindelijk de koningin Badoura het woord: „Sire,” sprak deze onnatuurlijke moeder weenende, en het gelaat met de handen bedekkende, als schaamde zij zich tot hem op te zien, „billijk is onze smart en onze droefheid; wij zijn niet waardig het daglicht te aanschouwen, nu het ons gebleken is, u zonen geschonken te hebben, die, van uwe afwezigheid gebruik makende, zich zoo misdadig aan u wilden vergrijpen. Doch uwe majesteit verschoone ons haar meer te zeggen, onze droefheid is genoegzaam, om haar te doen begrijpen, wat onze mond niet mag uitspreken.”
Deze beschuldiging, door hunne eigene moeders tegen zijne zonen ingebragt, zoodat hij aan de waarheid daarvan volstrekt niet twijfelde, bragt de koning in de hoogste woede. Hij deed de prinsen bij zich roepen, en zou hen met eigen hand gedood hebben, indien niet zijn schoonvader, de oude koning Armanos, zijnen arm had teruggehouden. „Mijn zoon,” sprak hij, „wat wilt gij doen? Wilt gij uwe handen en uw paleis met uw eigen bloed bevlekken? Indien uwe zonen werkelijk misdadig zijn, dan zal het immers altoos in uwe magt staan, om hen te doen straffen.” De oude vorst deed verder zijn uiterste best, om Camaralzaman tot bedaren te brengen, en smeekte hem, zich toch vooral niet te overhaasten, maar vooraf zorgvuldig te onderzoeken, of de prinsen werkelijk schuldig waren aan de misdaad, die men hun ten laste legde.
Wel had deze toespraak zoo veel invloed op Camaralzaman, dat hij zich onthield zelf de beul van zijne kinderen te zijn, maar hij liet de prinsen, zonder hen zelfs te ondervragen, in de gevangenis brengen, en nog dien avond deed hij een' emir ontbieden, Giondar genaamd, aan wien hij den last opdroeg met zijne zonen buiten de stad te gaan, en het doodvonnis aan hen te voltrekken, op die plaats welke hij daartoe geschikt zoude achten. De emir wilde zich van dezen wreeden last verontschuldigen, en waagde het den koning opmerkzaam te maken, dat hij welligt later berouw zou kunnen hebben, over een zoo overhaast en streng vonnis. „Ik heb,” antwoordde Camaralzaman, „u niet hier doen komen, om uwen raad te vragen, hoe ik mijne zonen straffen moet, gij hebt alleen te gehoorzamen. Ga nu, en verstout u niet, mij weder onder de oogen te komen, zonder mij de kleederen der prinsen te vertoonen, opdat mij daaruit moge blijken, dat gij volgens mijn bevel gehandeld hebt.”
Tegen eene zoo uitdrukkelijke lastgeving durfde de emir niets meer inbrengen, maar moest gehoorzamen. Hij haalde de prinsen uit de gevangenis, en bragt hen buiten de stad. Zij reisden den geheelen nacht door, zonder echter veel te vorderen, want daar zijne gevangenen te voet waren, moest de emir zijn anders vurig paard dwingen, slechts stapvoets te gaan. Met het aanbreken van den dag, hield de emir stil, steeg af, en zich tot de prinsen wendende, maakte hij hun, met tranen in de oogen, met den wil huns vaders bekend. „Prinsen,” zeide hij, „dit bevel is zeer wreed, en het baart mij eene grievende smart, dat het den koning heeft behaagd juist mij met de volvoering daarvan te belasten; gave de hemel, dat ik er mij van kon ontslaan.” „Doe uw' pligt,” antwoordden Amgiad en Assad, „gij zijt onschuldig aan onzen dood, en wij hebben u deswegens geen verwijt te doen.” Vervolgens omhelsden zij elkander, waarna prins Assad zich het eerst bereid stelde, om den doodelijken slag te ontvangen. „Begin met mij, Giondar,” zeide hij, „en bespaar mij de smart mijn' beminden broeder te zien sterven.” Amgiad echter kwam hier tegen op, en de strijd, die nu tusschen de broeders plaats vond, getuigde zoo zeer van hunne innige genegenheid en vriendschap, dat Giondar zijne tranen niet kon weêrhouden.
Eindelijk werden zij het eens, en verzochten den emir hen aaneen te binden en zoo te plaatsen, dat hij hen met één' enkelen slag gelijktijdig het hoofd afhieuw. „Weiger,” zeiden zij, „dezen troost om zamen te sterven niet aan twee ongelukkige broeders, die van hunne geboorte af aan alles gemeen hebben gehad, en zich niet bewust zijn iets strafbaars gedaan te hebben.”
Giondar stond aan de prinsen hunnen wensch toe. Hij bond hen aaneen, en na hen zoo te hebben geplaatst, als hem het best toescheen, om zijn' slag niet te missen en hunne hoofden te gelijk in het zand te doen rollen, vroeg hij hun, of zij hem vóór hunnen dood ook nog iets te belasten hadden. „Wij hebben u slechts één verzoek te doen,” antwoordden de prinsen, „en wel, dat gij bij uwe terugkomst aan den koning, onzen geliefden vader, zult zeggen, dat wij onschuldig zijn gestorven, maar hem vrijspreken van onzen dood, daar hij niet wel onderrigt is geweest omtrent de waarheid van de misdaad, die ons ten laste is gelegd.” Giondar beloofde hun niet in gebreke te zullen blijven, deze hunne laatste woorden getrouw aan den koning over te brengen, en trok te gelijker tijd zijn zwaard.
De prinsen, thans tot sterven gereed, wachtten echter te vergeefs op den slag, die hun in een ander leven zou doen overgaan. Het paard toch van den emir, dat hij in de nabijheid aan een' boom had gebonden, verschrikt door het flikkeren van het gepolijste staal, waarin de opgaande zon zich afspiegelde, deed een' zijsprong, verbrak den teugel, en holde in volle vaart over het veld. Giondar was aan het prachtige ros zeer gehecht. Hij werd door dit voorval zoo ontsteld, dat hij, in plaats van de prinsen te onthoofden, zijn zwaard uit de hand liet vallen, en het hollende dier naijlde, om het zoo mogelijk weder op te vangen. Het paard was jong en vurig, en, in plaats van naar den stem zijns meesters te luisteren, maakte het allerlei kromme sprongen, tot dat het een groot bosch bereikte, waar het tusschen het geboomte verdween. Giondar gaf echter den moed niet op: hij volgde het dier, dat zich door zijn gehinnek verraadde, en daardoor een' ouden leeuw deed ontwaken, die nu met opgezette staart en manen uit zijn hol te voorschijn sprong. De leeuw rekte zijne gespierde leden uit, kroop als eene kat over den grond tot op eenige passen van het paard, doch op het punt om den sprong te doen en zich op zijne prooi te werpen, zag hij Giondar aankomen, en liep nu regt op dezen aan.
Giondar, den leeuw ziende naderen, dacht niet meer aan zijn paard, maar alleen hoe hij zijn leven zou redden. Hij wierp zich in het digste van het kreupelhout, om daar eene schuilplaats te zoeken; maar de leeuw verloor hem niet uit het oog, en volgde hem door het hout, gelijk hij aan het knappen der takken duidelijk kon hooren. In dit uiterste gevaar, zeide de emir in zich zelven: „Allah zou mij deze straf niet hebben toegezonden, indien niet de prinsen, die de koning mij heeft gelast te dooden, onschuldig waren aan de misdaad, waarvan men hen betigt heeft; het ongeluk vervolgt mij, want ik mis zelfs mijn zwaard, om mij te kunnen verdedigen tegen het roofdier, dat naar mijn bloed dorst.”
Gedurende de vrij lange afwezigheid van Giondar, werden de prinsen door een' brandenden dorst gekweld. Amgiad deed nu aan zijn' broeder het voorstel, dat zij zich zouden losbinden, om aan eene beek, welke hij hem op eenigen afstand aanwees, hunnen dorst te lessen. „Het is de moeite niet waard, broeder,” antwoordde Assad; „voor de weinige oogenblikken, die wij nog te leven hebben, kunnen wij de kwelling van den dorst wel doorstaan.” Amgiad intusschen, zonder op deze woorden acht te slaan, maakte zich vrij van zijne banden, en ontbond ook zijn' broeder, hij mogt willen of niet. Zij begaven zich nu naar de bron, en verfrischten zich met eene teug helder water. Naauwelijks echter hadden zij hunnen dorst gelescht, toen het gebrul van den leeuw hun uit het nabijgelegen bosch in de ooren klonk, en te gelijk de noodkreten van Giondar zich hooren lieten. Amgiad greep dadelijk het zwaard op, dat de emir had laten vallen. „Broeder,” zeide hij tot Assad, „laat ons den ongelukkigen Giondar te hulp snellen, misschien komen wij nog bij tijds, om hem uit een groot gevaar te redden.”
De prinsen lieten geen oogenblik verloren gaan en kwamen juist aan op het tijdstip, dat de leeuw den emir had ingehaald en hem ter aarde wierp. Toen het roofdier echter zag, dat Amgiad met het zwaard in de hand op hem afkwam, liet hij zijne prooi los, keerde vreesselijk brullend zijne woede tegen den prins, en kwam met groote sprongen op hem aan. Amgiad wachtte den leeuw onverschrokken af, en ontving hem met zulk een' krachtigen zwaardslag, dat hij hem den kop vaneen spleet, en zijn vijand dood ter nederviel.
Zoodra Giondar bemerkte, dat hij zijn leven aan de prinsen had te danken, wierp hij zich aan hunne voeten, en betoonde hun voor de hem bewezen hulp zijne groote erkentelijkheid. „Prinsen,” vervolgde de emir, terwijl hij opstond en hun de handen kuste, die hij met zijne tranen besproeide, „de hemel beware mij, dat ik, na hetgeen gij voor mij gedaan hebt, eene schendige hand aan uw mij thans dierbaar leven slaan zou. Het zal in eeuwigheid niet gezegd kunnen worden, dat de emir Giondar zich aan zulk eene snoode ondankbaarheid heeft schuldig gemaakt.” „De dienst, dien wij u bewezen hebben,” gaven de prinsen ten antwoord, „moet u niet terughouden, den last u door den koning, onzen geëerbiedigden vader, opgedragen, te volbrengen. Eerst zullen wij u helpen het paard op te vangen, en dan met onderwerping aan den wil van onzen vader, den dood door uwe hand ondergaan, zonder dat wij u dien zullen toerekenen.”
Het paard, dat intusschen uitgehold had, en thans rustig liep te grazen, liet zich gemakkelijk opvangen; maar de emir was volstrekt niet te bewegen, om nu aan het verlangen der prinsen toe te geven. Wat zij ook zeggen mogten, zij konden er hem niet toe overhalen, zijn zwaard met hun bloed te bezoedelen. „Ik zal daar nimmer toe overgaan,” sprak hij op vast besloten toon, „maar wilt gij mij eenen dienst bewijzen, staat mij dan in ruil van hetgeen ik u van mijne kleederen kan geven, uwe kleederen af, opdat ik die, zooals mij gelast is, aan den koning uw' vader zal kunnen toonen. Begeeft u zoo ver mogelijk van hier, waardoor zijne majesteit, niets meer van u hoorende, zal gelooven, dat ik volgens het mij gegeven bevel met u gehandeld heb.” De prinsen gaven aan het verlangen van Giondar toe, ontkleedden zich, en trokken datgene aan, wat de emir van zijne kleederen voegzaam kon missen. Giondar schonk hun daarop alles, wat hij in goud en zilver bij zich had, en keerde toen, na een hartelijk afscheid, naar de hoofdstad van het Ebbenhout eiland terug.
Om zich bij den koning Camaralzaman niet te verraden, doopte hij, alvorens de terugreis aan te nemen, de kleederen der prinsen in het bloed van den gedooden leeuw. Bij zijne terugkomst vervoegde hij zich dadelijk bij den koning Camaralzaman, die hem vroeg, of hij zijnen last getrouw was nagekomen. De emir gaf een ontwijkend antwoord, dat echter den schijn had, van afdoende te zijn. „Sire,” sprak hij, hem de kleederen van de prinsen toonende, „zie hier mijne getuigen.” „Op welke wijze hebben zij hunnen straf ondergaan,” vroeg de koning verder. „Sire,” antwoordde Giondar, „zij hebben daarbij de grootste standvastigheid en onderwerping aan den wil des Hemels aan den dag gelegd, hetgeen gunstig getuigt voor hunnen moed en voor hun edel hart. Niet minder groot was, bij het hooren van hun doodvonnis, de eerbied, dien zij voor uwer majesteits bevelen aan den dag legden. „Wij sterven onschuldig,” zeiden zij, „maar morren deswegens niet. Wij schrijven onzen dood toe aan den wil van Allah, en rekenen dien den koning onzen vader niet toe; want wij weten zeer goed dat hij niet naar waarheid onderrigt is geweest.””
Tot in het binnenste van zijn gemoed ontroerd en getroffen door het verslag van den emir Giondar, scheen Camaralzaman in twijfel te geraken, of zijne zonen wel zoo schuldig waren, als men hem had doen gelooven. Was het deze onrust, of wel eene beschikking van hooger hand; opdat de onschuld der prinsen aan den dag mogt komen, hoe ook: hij kwam op het denkbeeld de kleederen en de zakken zijner zonen te onderzoeken, en begon met die van Amgiad. Hij vond daarin een briefje, dat hij opende en las. Aan het schrift de hand van Haïatalnefous herkennende, behoefde hij niet verder te lezen; eene koude rilling ging hem door de leden. Met bevende hand tastte hij nu ook in de zakken van Assad, en daarin het schrijven vindende van de koningin Badoura, werd hij door eene duizeling aangegrepen en zonk buiten kennis ter neder.