Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Vierde deel
Part 7
Camaralzaman bragt den tuinman naar de plaats, waar hij den ouden boom had uitgeroeid, deed hem in den kelder afdalen, liet hem de met stofgoud gevulde vazen zien, en betuigde zijne blijdschap, dat het Allah behaagd had, hem voor zijn deugdzaam en werkzaam leven in zijnen ouderdom met dezen schat te beloonen. „Wat meent gij daarmede?” vroeg de tuinman. „Gelooft gij dan, dat ik mij dezen schat zou willen toeëigenen, dan bedriegt gij u; ik maak daar niet de minste aanspraak op, hij behoort geheel aan u. Het is nu tachtig jaren geleden, dat mijn vader gestorven is; sinds dien tijd heb ik dagelijks in dezen tuin gegraven, zonder dezen rijkdom te ontdekken, een bewijs dat hij niet voor mij maar voor u bestemd is, daar Allah hem u heeft doen vinden. Zoo iets voegt ook beter aan een' prins gelijk gij, dan aan mij ouden man, die reeds aan den rand van het graf staat, en aan niets behoefte heeft. Allah zendt u dien toe op het tijdstip, dat gij op het punt zijt, om naar uwe staten terug te keeren, waar gij van dit geld een goed gebruik zult kunnen maken.”
De prins Camaralzaman wilde echter voor den tuinman in edelmoedigheid niet onder doen. Er werd in dien zin lang getwist, totdat hij ten laatste betuigde, niets van den schat te willen hebben, indien zijn weldoener niet de helft voor zich behield. De tuinman gaf eindelijk toe, en ieder nam nu vijf en twintig vazen voor zijn aandeel. Na deze verdeeling zeide de tuinman tot Camaralzaman: „Mijn zoon, het zal nu eene zaak van overleg zijn, deze rijkdommen aan boord van het schip te brengen, zonder dat iemand daar kennis van draagt, anders loopt gij groot gevaar ze te verliezen. Hoor dus, wat ik bedacht heb. Op het Ebbenhout eiland groeijen geene olijven, en die daar van hier worden aangevoerd, vinden er een' grooten aftrek. Zooals gij weet, heb ik in mijn' tuin van die vruchten een' goeden voorraad; nu moet gij vijftig potten nemen, en die van onder met stofgoud, en verder met olijven vullen; dan kunnen wij ze bij uw vertrek aan boord laten brengen, zonder dat iemand eenig vermoeden zal hebben van den rijkdom, welke daarin verborgen is.”
Camaralzaman volgde dezen verstandigen raad, en bragt het overige van den dag door, met de potten op de bedoelde wijze in gereedheid te brengen. Vreezende, dat hij den talisman van de prinses Badoura, dien hij om zijn' arm droeg, soms mogt verliezen, gebruikte hij de voorzorg dien in een der potten te leggen, aan welke hij een herkenningsteeken maakte. Toen de avond viel, rangschikte hij de potten neven elkander, en verhaalde zijn' vriend het vogelgevecht, waarvan hij getuige was geweest, en hoe hij bij die gelegenheid den talisman van zijne gemalin had terug gekregen. De tuinman zag hierin eene beschikking des Hemels, en nam hartelijk deel in de blijdschap van den prins.
Intusschen bragt de oude man, hetzij dat hij zich dien dag wat veel vermoeid had, of als een gevolg zijner hooge jaren, een' slechten nacht door; en des morgens gevoelde hij zich zoo ongesteld, dat hij het bed moest houden. Welke middelen Camaralzaman ook aanwendde, zijn vriend werd steeds zieker, en toen op den derden dag de kapitein, met wien de prins zou vertrekken, aan de tuindeur klopte, was hij zeer bedenkelijk. Camaralzaman maakte zich aan den kapitein bekend, als de koopman, die zich op zijn schip wilde inschepen, en terwijl nu de matrozen, welke de kapitein had medegebragt, zich bezig hielden, de potten en goederen van den gewaanden koopman aan boord te brengen, spoorde de kapitein hem aan, zich met den meesten spoed naar het schip te begeven, daar de wind gunstig was, en men ieder oogenblik onder zeil kon gaan.
Het was voor Camaralzaman een harde strijd zijn' ouden vriend en weldoener ziek te moeten verlaten, maar de onmogelijkheid, om het schip nog eenige dagen te doen wachten, dwong hem van den tuinman afscheid te nemen en hem dank te zeggen voor al het goede, dat hij hem had bewezen. Het vertrek binnentredende, vond hij zijn' vriend stervende, die weinige oogenblikken later in zijne armen den geest gaf.
In de noodzakelijkheid, waarin de prins verkeerde, om naar boord te gaan, haastte hij zich zoo veel mogelijk, aan den overledene de laatste eer te bewijzen. Hij wiesch het ligchaam, wond het in een laken, en bestelde zijn' vriend geheel alleen ter aarde. Vervolgens spoedde hij zich heen, en nam den sleutel van de tuindeur mede, om dien aan den eigenaar te overhandigen, of door een' drager te laten bezorgen. Maar aan de haven komende, vernam hij, dat de kapitein, reeds lang geleden was uitgezeild, na meer dan drie uur op hem gewacht te hebben.
Er was van het schip niets meer te zien, en men kan ligt denken, hoe de prins daarbij te moede was. Hij zou nu weder een geheel jaar in een land moeten blijven, waar hij geen' enkelen vriend had, vóór dat de gelegenheid, die hij nu verzuimd had, zich weder zou voordoen. En wat hem niet minder griefde, was, dat hij den talisman der prinses Badoura kwijt was, dien hij nu geheel voor verloren hield. Er bleef hem echter niet anders over, dan naar den tuin terug te keeren, en dien van den eigenaar weder voor een jaar in te huren. Zoo deed hij, doch daar hij het werk alleen niet af kon, nam hij een' jongen in zijn dienst, die hem behulpzaam was, en die de vruchten ter markt bracht. Wel was hij door den dood van den tuinman, die geene betrekkingen achterliet, de natuurlijke erfgenaam van de nog achtergebleven vijf en twintig vazen met stofgoud, maar hij vond het niet raadzaam in deze afgodische stad van zijn' rijkdom te doen blijken. Integendeel handelde hij hiermede als vroeger, en deed het stofgoud in vijftig potten, die hij van tijd tot tijd met olijven aanvulde, teneinde een volgend jaar gereed te zijn.
Terwijl de prins Camaralzaman een nieuw tijdvak van zorg en ongeduld inging, vervolgde het schip de reis met een' gunstigen wind, en kwam behouden voor de hoofdstad van het Ebbenhout eiland. Daar het paleis van den nieuwen koning, of liever van de prinses Badoura op eene landtong aan het zeestrand was gelegen, liet zij dadelijk, als naar gewoonte, inlichtingen omtrent hetzelve inwinnen. Men berigtte haar, dat dit vaartuig jaarlijks om dezen tijd daar kwam uit de stad der afgodendienaars, en in den regel eene rijke lading koopmansgoederen medebragt.
De prinses was bij al den glans, die haar omgaf, steeds aan haren geliefden prins gedachtig. Onder voorwendsel in persoon te willen nagaan, welke goederen zich aan boord van het pas aangekomen schip bevonden, maar met het eigentlijke doel, om te zien, of Camaralzaman zich ook daarop bevond, liet zij een paard voorbrengen. Vergezeld door een groot gevolg begaf zij zich naar de haven, en kwam daar juist op het oogenblik, dat de kapitein zich met de sloep aan wal liet zetten. Zij deed hem bij zich komen, en verlangde van hem te weten, van waar hij kwam, wanneer hij was uitgezeild, of hij op zijne reis bijzondere ontmoetingen had gehad, of er niet een vreemdeling van hoogen rang aan boord was, en vooral met welke goederen zijn schip was geladen.
De kapitein beantwoordde al hare vragen. Wat de passagiers aanging, zoo verzekerde hij niemand aan boord te hebben dan de kooplieden, die elk jaar de reis met hem deden, en die zeer rijke stoffen uit verschillende landen bij zich hadden, onder anderen ook veel muskus, kamfer, amber, fijne specerijen, geneeskundige kruiden en olijven.
De prinses Badoura was eene groote liefhebster van olijven. Zoodra hij daarvan sprak, zeide zij tot den kapitein: „Wat gij daarvan aan boord hebt, neem ik; laat ze dadelijk aan wal brengen, opdat wij den prijs kunnen vaststellen. Zeg verder aan de kooplieden, dat zij mij hunne schoonste en kostbaarste goederen moeten brengen, alvorens die aan iemand te laten zien.” „Sire,” antwoordde de kapitein, die haar natuurlijk voor den koning van het Ebbenhout eiland aanzag, „van de olijven heb ik vijftig groote potten aan boord, maar zij behooren aan een' koopman, die achtergebleven is. Ik zelf heb hem gewaarschuwd, en lang op hem gewacht. Doch daar hij niet kwam opdagen, en de wind gunstig was, verloor ik het geduld, en ging zonder hem onder zeil.” „Daarom kunt gij de olijven wel ontschepen,” zeide de prinses, „want hetgeen gij mij daar zegt, moet u niet terughouden, die te verkoopen.”
De kapitein zond nu dadelijk zijne sloep naar het schip, en deze kwam weldra terug, beladen met de vijftig potten vol olijven. De prinses vroeg hem, wat deze op het Ebbenhout eiland konden gelden. „Sire,” antwoordde de kapitein, „de koopman is zeer arm, en uwe majesteit zal hem geene te groote gunst bewijzen, met daarvoor duizend stukken zilver te geven.” „Opdat hij tevreden zij,” hernam de prinses, „en zijne armoede, waarop gij u beroept, in aanmerking nemende, zal men u duizend stukken goud uittellen, die gij zorgen moet, dat hem ter hand komen.” Zij gaf vervolgens last tot de uitbetaling, en liet de potten in hare tegenwoordigheid naar het paleis overbrengen. Daar het reeds avond werd, begaf Badoura zich onmiddelijk naar de vertrekken van de prinses Haïatalnefous, waar zij ook de potten met olijven brengen liet. Zij maakte eene derzelve open, om hare vriendin van de olijven te laten proeven, en daar ook zelve gebruik van te maken. Doch hoe groot was hare verwondering, toen zij zag, dat deze vruchten met stofgoud vermengd, en daaronder als bedolven waren. Zij deed nu ook de andere potten door de vrouwen van Haïatalnefous uitschudden, en hare verbazing steeg ten top, toen het bleek, dat deze allen, gelijk de eerste, voor een groot deel met stofgoud gevuld waren. Maar toen men de pot ledigde, waarin Camaralzaman den talisman gelegd had, en zij dien herkende, was hare verrassing zoo groot, dat zij bewusteloos nederzeeg.
Door de bemoeijingen van de prinses Haïatalnefous en van hare vrouwen na eenigen tijd weder tot zich zelve gekomen, bragt Badoura den talisman aan hare lippen, en kuste dien bij herhaling met geestdrift. Zoodra de vrouwen van de prinses zich verwijderd hadden, deelde zij aan Haïatalnefous mede, dat de teruggevonden talisman de hare was, en dat zij nu ook de hoop koesterde, haren geliefden echtgenoot spoedig te zullen terugzien.
De volgende morgen was naauwelijks aangebroken, of de prinses Badoura liet den scheepskapitein bij zich ontbieden. Zoodra hij voor haar verscheen, zeide zij: „Ik zou nog wel iets meer van u willen weten omtrent den koopman, aan wien de olijven behoorden, die ik gisteren van u gekocht heb. Gij hebt, als ik mij wel herinner, gezegd, dat gij hem in de stad der afgodendienaars achtergelaten hebt. Kunt gij mij ook zeggen, wat hij daar uitrigtte?”
„Sire,” antwoordde de kapitein, „ik zal uwe majesteit zeggen, wat ik daarvan met zekerheid weet. Ik had omtrent zijne inscheping eene overeenkomst getroffen met een' hoogbejaarden tuinman, die mij zeide, dat hij bij hem werkzaam was. Daaruit besloot ik tot zijne armoede, gelijk ik ook de vrijheid nam aan uwe majesteit te kennen te geven. Ik ben in persoon naar den tuin gegaan, om hem te zeggen, dat de tijd daar was, om aan boord te komen, en heb met hem zelven gesproken. Hij antwoordde mij, dat de tuinman ziek was, dat hij afscheid van hem wilde nemen, en dat ik zijne goederen maar aan boord moest brengen, daar hij mij dadelijk zou volgen. Eerst na meer dan drie uren te vergeefs op hem te hebben gewacht, ben ik onder zeil gegaan.”
„Als dit alles zoo is,” hernam de prinses Badoura, „dan moet gij heden nog naar de stad der afgodendienaars terug keeren, en mij dien tuinmansjongen, die mijn schuldenaar is, hier brengen; zoo niet, dan zal ik al uwe goederen, benevens die van de kooplieden, welke bij u aan boord zijn, in beslag doen nemen, en hebt gij zelfs voor uw leven te vreezen. Reeds dadelijk zal ik de magazijnen, waarin die goederen zijn opgeslagen, laten verzegelen, en dat zegel zal niet worden opgeheven, vóór dat gij mij den man, dien ik van u eisch, zult hebben uitgeleverd. Ziedaar, wat ik u te zeggen had; ga nu, en doe zooals u bevolen is.” De kapitein had op dit strenge bevel, waarvan de niet nakoming de noodlottigste gevolgen kon hebben, niets te antwoorden. De kooplieden zagen dat evenzeer in, en zij beijverden zich, hem van levensmiddelen en water te voorzien, waaraan hij voor deze gedwongen en geheel onverwachte heen- en terugreis behoefte had. Met een en ander werd zoo veel spoed gemaakt, dat hij werkelijk nog dien zelfden dag kon uitzeilen.
Het schip maakte eene gelukkige reis, en de kapitein had zijne maatregelen zoo genomen, dat hij in den nacht voor de stad der afgodendienaars aankwam. Hij liet het anker niet vallen; maar terwijl het schip op de zelfde hoogte bleef kruisen, ging de kapitein met de sloep, niet ver van de haven, aan land, en begaf zich van daar met zes sterke matrozen naar den tuin van Camaralzaman. De prins-tuinman lag op dat oogenblik wakende te bed. Het bedroefde hem zoo zeer voortdurend van zijne geliefde gade gescheiden te moeten zijn, dat hij geen oog kon sluiten. Hij verwenschte het oogenblik, dat hij zich door nieuwsgierigheid had laten verleiden, den gordel van zijne vrouw in handen te nemen en te bezigtigen. Ook het tweede verlies van haren talisman kon hij zich zelven niet vergeven. „Had ik hem maar aan den arm gehouden, of op mijn hart bewaard!” zuchtte hij, en was aldus in treurige overdenkingen verdiept, toen er op de tuindeur geklopt werd. Camaralzaman sprong verschrikt het bed uit, en liep half gekleed naar voren, om te vernemen, wat er te doen mogt zijn. Doch naauwelijks had hij de deur geopend, of de kapitein en de matrozen grepen hem aan, en bragten hem, zonder een woord te zeggen, met geweld in de sloep, en vervolgens op het schip, dat onmiddelijk de terugreis naar het Ebbenhout eiland aannam.
Camaralzaman, die tot dus verre het stilzwijgen bewaard had, vroeg thans aan den kapitein, dien hij herkende, wat de reden mogt zijn, om hem zoo gewelddadig uit zijne woning te halen en aan boord te brengen. „Zijt gij niet een schuldenaar van den koning van het Ebbenhout eiland?” vroeg de kapitein op zijne beurt. „Ik de schuldenaar van den koning van het Ebbenhout eiland!” riep Camaralzaman in de hoogste verbazing. „Ik ken hem niet; nooit heb ik iets met dien koning te doen gehad, en dit maal zal de eerste keer zijn, dat ik in zijn rijk kom.” „Dat zijn zaken, die u beter bekend moeten zijn, dan mij,” hernam de kapitein, „gij zult hem zelven zien en spreken, en moet dan maar weten, hoe u te verantwoorden. Wees zoo lang geduldig, en schik u in uw lot, dat is de beste raad, dien ik u geven kan.”
De overtogt was ook thans weder zeer voorspoedig. Hoewel het reeds laat op den avond was, toen het schip de haven van de hoofdstad van het Ebbenhout eiland binnenliep, ging de kapitein echter dadelijk aan wal met den prins Camaralzaman, en naar het paleis, waar hij zich bij den koning liet aandienen.
De prinses Badoura had zich op dien tijd reeds in het binnenste van haar paleis teruggetrokken, maar zoodra zij vernam, dat de kapitein met den tuinmansknecht terug was, ging zij naar buiten, om hem te ontvangen. Dadelijk vestigde zij haren blik op Camaralzaman, in wien zij met den eersten oogopslag, niettegenstaande zijne vreemde kleeding, haren geliefden echtgenoot herkende. Wat den prins betrof, beangst om voor een' koning te verschijnen, aan wien hij zich wegens eene ingebeelde schuld zou hebben te verantwoorden, dacht hij er zelfs niet aan, dat deze vorst zijne geliefde prinses zou kunnen zijn. Indien Badoura aan de inspraak van haar hart gehoor had gegeven, zij zou zich dadelijk bekend gemaakt en Camaralzaman omhelsd hebben; maar zij bedwong zich, geloovende dat het in hun beider belang noodig was, nog eenigen tijd haren rol van koning te blijven spelen, alvorens zich bekend te maken. Zij vergenoegde zich daarom aan een' harer daar tegenwoordig zijnde officieren last te geven, Camaralzaman mede naar zijne woning te nemen, en tot den volgenden morgen goede zorg voor hem te dragen. Vervolgens gaf zij bevel, om de pakhuizen der kooplieden te doen ontzegelen, terwijl de kapitein een' diamant van hooge waarde ten geschenke ontving, waardoor hem zijne moeite en de kosten van de reis tiendubbel vergoed werden. Ook zeide zij hem, dat hij de duizend goudstukken, die zij voor de olijven had betaald, kon behouden, daar zij dit bij den koopman wel verantwoorden zou. Dus rijk beloond en zeer tevreden over deze vorstelijke milddadigheid, vertrok de kapitein van daar.
Badoura keerde nu naar het vertrek van de prinses Haïatalnefous terug, aan wie zij hare blijdschap mededeelde, met verzoek haar geheim voorloopig nog te willen bewaren, daar zij het niet verstandig oordeelde, hare vermomming reeds dadelijk af te leggen. „Het verschil toch,” sprak zij, „tusschen een' tuinmansknecht en een' magtigen prins, zooals mijn gemaal met regt kan genoemd worden, is te groot, om geloof te vinden, en het zou gevaarlijk zijn, Camaralzaman op éénmaal uit dien lagen stand op den troon te willen verheffen.” De prinses van het Ebbenhout eiland was het geheel met hare vriendin eens, en toonde zich gaarne bereid haar de behulpzame hand te bieden.
Den volgenden morgen deed de prinses van China den prins Camaralzaman in het bad brengen, en hem een kleed geven, zooals door de emirs gedragen werd. Vervolgens liet zij hem naar de raadzaal geleiden, waar al de tegenwoordig zijnde rijksgrooten door zijn edel en vorstelijk voorkomen getroffen werden. Badoura zelve was opgetogen haren geliefden prins nog even beminnelijk voor zich te zien verschijnen, als op het oogenblik, toen zij van elkander gescheiden waren geworden, en dit spoorde haar aan, in den vollen raad eene lofrede op hem te houden. „Mijne heeren,” sprak zij, zich tot de overige emirs rigtende, „deze prins, dien ik u heden tot ambtgenoot geef, is niet onwaardig zitting onder u te nemen. Ik ken hem genoegzaam, om voor hem in te staan, en ik geef u de verzekering, dat hij zich ook bij u gunstig zal doen kennen, zooveel door zijne dapperheid en andere edele hoedanigheden, als door zijn uitstekend verstand.” Camaralzaman was niet weinig verwonderd, dergelijke woorden te hooren uit den mond van den koning van het Ebbenhout eiland, in wien hij geenszins eene vrouw, en nog veel minder zijne aangebeden prinses vermoedde. „Van waar kent mij die koning?” dacht hij; „ik herinner mij niet, hem ooit ontmoet te hebben, noch hier, noch op mijne reizen. En wat beweegt hem, mijn' lof dus hoog uit te meten?” Daarna wierp hij zich voor den troon des konings neder, en sprak hem aldus aan: „Sire, ik kan geene woorden vinden, om uwe majesteit mijnen dank te betuigen voor de goedheid, welke zij voor mij heeft, en voor de eer, die zij mij aandoet. Ik zal echter alles aanwenden, om mij de gunstige gezindheid uwer majesteit waardig te maken.”
Zoodra de raadsvergadering gesloten was, werd de nieuwe emir door den officier, bij wien hij den nacht had doorgebragt, naar een prachtig paleis geleid, dat de prinses Badoura voor hem in gereedheid had doen brengen. Hij vond daar ook de officieren en bedienden, tot den dienst van zijn huis bestemd, in één woord alles, wat bij zijn' stand als emir voegde.
Na verloop van twee of drie dagen was Badoura er op bedacht, den prins Camaralzaman meer de gelegenheid te geven, om met haar in aanraking te komen, en benoemde hem daarom tot groot-schatbewaarder, welk ambt juist open was gekomen. Hij kweet zich van zijn' post met zoo veel ijver en schranderheid, en wist tevens een ieder zoodanig te verpligten, dat hij zich niet alleen de vriendschap verwierf van het hof, maar tevens door zijne regtvaardigheid en milddadigheid de liefde won van het geheele volk. Niemand vond reden, om zich over den nieuwen schatmeester te beklagen, en er ging eene algemene stem tot zijn' lof op.
De prins Camaralzaman zou zich in dien toestand als de gelukkigste van alle stervelingen hebben beschouwd, indien hij zijne geliefde prinses had mogen bezitten. Maar te midden van zijn geluk, hield hij niet op zich te bedroeven, dat hij niet het minste van haar of van haar lot kon te weten komen, en dit in een land, waar zij zich waarschijnlijk, sedert hunne treurige scheiding, gedurende korteren of langeren tijd moest hebben opgehouden, althans indien zij, zooals hij vermoedde, de reis naar de staten van zijn' vader had voortgezet. Hij zou welligt iets van de waarheid vernomen hebben, indien de prinses Badoura den naam van Camaralzaman, dien zij te gelijk met zijne kleeding had aangenomen, was blijven voeren; maar zij had zich sedert hare troonsbestijging Armanos laten noemen, teneinde daardoor aan den ouden koning genoegen te geven. En mogten er nog eenige hovelingen zijn, bij wien haar andere naam in herinnering was gebleven, in het algemeen kende men haar niet anders meer, dan onder dien van Armanos den jonge.
Daar Badoura toch beducht was, dat haar vorige naam, bij toeval ter ooren van den prins mogt komen, en dit tot eene ontdekking zou kunnen leiden, terwijl zij zich de eer en het vermaak der verrassing niet wilde laten ontnemen, zoo besloot zij, in overleg met Haïatalnefous, een einde te maken aan hare eigene kwellingen, en aan het verdriet, dat zij bij den prins, wegens haar gemis, had opgemerkt. „Camaralzaman,” zeide zij, „ik heb u over eene zaak te spreken, waaromtrent ik uwen raad wenschte in te winnen. Bij dag ontbreekt mij daartoe den tijd, zorg dus met den avond hier te zijn, en zeg uwe bedienden, dat zij u niet behoeven te wachten; ik zal zorg dragen, dat er een bed voor u gereed is.”
De prins bleef niet in gebreke, zich op het door de prinses Badoura bepaalde tijdstip aan de vorstelijke woning te vervoegen. Zij nam hem met zich naar de binnenste vertrekken van het paleis, en bragt den schatmeester in eene andere kamer, dan die, waar de prinses Haïatalnefous zich bevond, en waar zij anders gewoon was te slapen. Nadat zij de deur gesloten had, haalde de prinses Badoura haren talisman te voorschijn, en dezen aan den prins toonende, zeide zij tot hem: „Camaralzaman, voor geruimen tijd gaf een sterrekijker mij dezen talisman ten geschenke, en daar gij in duizenderlei zaken ervaren zijt, zult gij mij welligt weten te zeggen, waarin zijne kracht bestaat, en welk gebruik ik daarvan kan maken.” Camaralzaman nam den talisman, en hield dien tegen het licht van eene der waskaarsen, om hem naauwkeurig te bezien. Zoodra hij dien echter herkende, riep hij: „Sire, uwe majesteit vraagt mij, welke eigenschap deze talisman bezit? Helaas! hij heeft die, om mij van verdriet te doen sterven, indien ik niet spoedig de bekoorlijkste en beminnelijkste prinses, die ooit door de zon beschenen werd, terugvind. Hij behoort haar, en de omstandigheden, waardoor ik dezelve verloor, zijn zoo zonderling, dat indien ik ze uwer majesteit mag verhalen, zij met mededoogen zal nederzien op een' man, zoo ongelukkig als ik ben.”
„Gij kunt mij dat op eenen anderen tijd mededeelen,” hernam de prinses, „want ik weet daar reeds het een en ander van. Ik ben dadelijk terug, wacht mij hier een oogenblik!”
Dit zeggende ging zij in een aangrenzend kabinet, legde hier den koninklijken tulband af, trok in haast vrouwenkleêren aan, en trad zoo de kamer weêr binnen. Camaralzaman herkende thans zijne geliefde prinses onmiddelijk, liep naar haar toe, omhelsde haar met teederheid, en riep uit: „O! hoezeer ben ik den koning dankbaar voor deze zoo hoogst aangename verrassing!” „Reken er niet op,” zeide de prinses, hem op hare beurt omarmende, „den koning immer terug te zullen zien; mij ziende, ziet gij tevens den koning. Laat ons plaats nemen, opdat ik u dit raadsel oplos.”