Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Vierde deel

Part 6

Chapter 63,986 wordsPublic domain

De ongelukkige zou nu wel gaarne zonder talisman naar zijne geliefde prinses hebben willen terugkeeren, en inderdaad hij had voor zijne onbetamelijke nieuwsgierigheid zwaar genoeg geboet. Zij zou een hart van ijzer en staal moeten hebben om het hem niet gaarne te vergeven, maar hoe zou hij het kamp terugvinden, en was misschien zijne geliefde gemalin hem niet elders gaan zoeken. Vragen die makkelijker te doen, dan te beantwoorden waren! Er bleef hem dus voor eerst niet anders over, dan de stad binnen te gaan, daar zou hij ten minste menschen vinden. Zoo denkende ging hij de poort binnen.

De stad lag aan zee en had ruime straten. Daarin dwaalde hij rond, zonder een mensch te ontmoeten, want het was nog zeer vroeg in den morgen, en ook de stedelingen daar schenen van lang slapen, of althans van laat opstaan te houden. Eindelijk kwam hij aan de haven, en van daar wandelde hij het strand langs, totdat hij aan een' tuin kwam, waarvan de deur openstond. Hier moesten dus menschen op zijn; hij meldde zich aan. De tuinman, een goede grijsaard, was druk aan den arbeid, doch het hoofd oprigtende, en een' vreemdeling ziende, die, zooals zijn tulband aanduidde, een Muzelman moest zijn, noodigde hij hem uit, ten spoedigste binnen te komen, en de deur achter zich te sluiten.

Camaralzaman trad binnen, deed de deur digt, en op den tuinman afgaande, vroeg hij hem niet zonder eenige verwondering, waarom hij hem die voorzorg had doen nemen. „Omdat ik wel kan zien,” gaf den grijsaard ten antwoord, „dat gij een vreemdeling en bovendien een Muzelman zijt; terwijl deze stad grootendeels wordt bewoond door afgodendienaars, waarvan de weinige Muzelmannen, die hier zijn, genoeg te lijden hebben. Gij weet dit zeker niet, en hebt aan het vroege uur te danken, dat gij nog geene onaangename ontmoeting gehad hebt. De afgodische inwoners dezer plaats zijn anders dadelijk bij de hand, om, als een vreemdeling en Muzelman in de stad komt, die niet met hunne boosaardigheid bekend is, hem lagen te leggen. De profeet zij geloofd, dat hij u bij mij, en dus op eene veilige schuilplaats heeft doen aanlanden.”

Camaralzaman bedankte den goeden grijsaard voor zijne edelmoedigheid om hem eene schuilplaats te verleenen, waardoor hij tegen elke beleediging van de booze inwoners dier stad beveiligd zou zijn. „Gij hebt mij niet te bedanken,” zeide de tuinman, „wij zijn geloofsbroeders, en als zoodanig ben ik verpligt u alle bescherming te verleenen, welke in mijn vermogen is. Laat dus die pligtplegingen varen, en beschouw u als mijn' gast. Ik zie, dat gij vermoeid zijt; gij zult wel eetlust hebben, kom met mij!” Hij bragt hem in zijne kleine woning, en nadat Camaralzaman goed gegeten had van de eenvoudige spijzen, die zijn gastheer hem gulhartig voorzette, verzocht deze nu te mogen vernemen, hoe, en met welk doel hij in deze stad was gekomen.

De prins, zeer ingenomen met zijnen gullen gastheer, verhaalde hem zijn ongeluk, zonder iets te verzwijgen, en vroeg hem op zijne beurt, hoe hij op de beste en spoedigste wijze naar de staten van zijn' vader zou kunnen vertrekken. „Want,” vervolgde hij, „om na eene afwezigheid van elf dagen, de prinses, van wie ik zoo ongelukkig verwijderd werd, te willen opzoeken, zou eene dwaasheid zijn; waar zou ik haar vinden? Misschien is zij wel van droefheid gestorven?” Bij deze treurige gedachte kon hij zijne tranen niet bedwingen. De tuinman deelde hem mede, dat men van de stad der toovenaars, waar hij zich thans bevond, over land reizende een vol jaar noodig had om eene streek te bereiken, waar een Muzelmansch vorst heerschte; doch dat hij over zee in veel korter tijd naar het Ebbenhout eiland zou kunnen komen. „Van daar,” sprak hij, „komt 's jaarlijks een schip hier om handel te drijven, en op het Ebbenhout eiland zal het u niet aan scheepsgelegenheid ontbreken, om naar de eilanden van de kinderen van Khaladan te vertrekken. Indien gij,” voegde hij er bij, „eenige dagen vroeger waart gekomen, zoudt gij met het schip van dit jaar hebben kunnen medegaan. Nu zult gij echter moeten wachten tot eene volgende keer. Wilt gij het intusschen bij mij voor lief nemen, zooals het is, dan staat mijne kleine woning, en wat ik heb, om u voor te zetten, van ganscher harte tot uwen dienst.”

De prins Camaralzaman achtte zich gelukkig, eene veilige wijkplaats te vinden in eene stad, waar hij niemand kende. Hij nam dus het aanbod met dankbaarheid aan, en bleef bij den tuinman op het schip wachten, dat hem naar het Ebbenhout eiland zou brengen. Des daags hield hij zich bezig met in den tuin te werken, doch des nachts, wanneer niets hem afleiding gaf, dacht hij veel aan zijne lieve prinses Badoura, en betreurde hun ongelukkig noodlot. Wij zullen hem bij den tuinman laten, om terug te komen op de prinses van China, welke wij slapende in hare tent achterlieten.

Badoura sliep vrij lang, en toen zij eindelijk ontwaakte, was zij zeer verwonderd, den prins Camaralzaman niet bij zich te vinden. Zij klapte in de handen, en vroeg aan hare vrouwen, die dadelijk te voorschijn kwamen, of zij den prins niet gezien hadden, en waar hij zich ophield. De vrouwen verzekerden haar eenstemmig, dat zij den prins de tent hadden zien binnengaan. Inmiddels nam de prinses haren gordel; maar dien om willende doen, bemerkte zij, dat het kleine beursje open en de talisman verdwenen was. Zij twijfelde niet, of Camaralzaman zou dien hebben medegenomen om hem te bezien, en haar dan terug te brengen. Zoo wachtte zij hem met groot ongeduld, tot dat de avond inviel. Zij kon niet begrijpen, wat hem terug hield, en toen het geheel donker werd, maakte zij zich ernstig ongerust. Driftig van inborst, kreeg nu de talisman de schuld, zij verwenschte dat kleinood en de maker er van, en had de eerbied haar niet teruggehouden, dan zou zij ook hare moeder, de koningin, beschuldigd hebben, die haar dit zoo noodlottig geschenk had gegeven. In hare wanhoop stelde zij als zeker, dat de talisman met het verdwijnen van den prins in verband stond, maar op welke wijze, daarvan kon zij zich geen begrip vormen. Hoe groot echter ook hare droefheid was, zij verloor hare tegenwoordigheid van geest niet; maar nam een zoo moedig besluit, als men naauwelijks van eene vrouw zou kunnen denken.

Behalve de prinses en hare vrouwen, wist niemand in het kamp iets van de zonderlinge verdwijning van Camaralzaman; want allen hadden zich reeds ter ruste begeven, en sliepen in hunne tenten. De prinses Badoura vreesde, dat, werd zulks den volgenden dag bekend, zijn gevolg welligt zou weigeren, haar te gehoorzamen en verder te trekken. Zij gebood dus aan hare vrouwen, de zaak geheim te houden. Vervolgens legde zij hare kleederen af, en trok een kleed aan van Camaralzaman, op wien zij zoo zeer geleek, dat zijne bedienden, toen zij den volgende morgen aldus vermomd te voorschijn kwam, haar zonder den minsten twijfel voor den prins hielden. Zij gaf nu bevel de tenten op te breken, en de bagage op de kameelen te laden. Toen alles gereed was, deed zij een harer vrouwen in den draagzetel plaats nemen, die anders voor haar bestemd was, en zelve te paard stijgende, zette zij de reis onmiddelijk voort.

De prinses Badoura wist haren rol zoo goed te spelen, dat haar geheim door niemand vermoed, veel minder ontdekt werd. Na twee maanden reizens, zoowel te land als te water, bereikte zij, zonder eenigen bijzonderen tegenspoed, de hoofdstad van het Ebbenhout eiland. Zij liet eenigen der bedienden aan wal gaan, om eene verblijfplaats voor haar te zoeken. Al spoedig verbreidde zich de tijding, dat de prins Camaralzaman zich aan boord van het schip bevond, dat zoo even de haven was binnengeloopen, en dat hij hier eenige dagen van zijne langdurige reis dacht uit te rusten. Dit gerucht drong ook weldra door tot in het paleis des konings.

De koning Armanos, die met Schahzaman sedert jaren in vrede en vriendschap geleefd had, meende aan den zoon een blijk te moeten geven van de achting, welke hij den vader toedroeg. Hij ging hem met vele zijner hovelingen te gemoet, en kwam aan de haven, juist op het oogenblik, dat de prinses aan wal stapte, om zich naar het verblijf te begeven, dat voor haar bestemd was. De koning, die haar natuurlijk voor den prins Camaralzaman hield, ontving haar met hartelijkheid, en nam haar mede naar zijn paleis. Te vergeefs verzocht Badoura de vrijheid te mogen hebben, om de door haar gehuurde woning te betrekken; de koning stond er op, dat zij met haar gevolg in zijn paleis haar verblijf zou houden, en de prinses kon dit niet afslaan, zonder hem te beleedigen. De vorst deed den zoon van zijnen koninklijken vriend alle eer aan, en onthaalde hem gedurende drie dagen met buitengewone pracht en luister.

Op den vierden dag gaf de gewaande prins Camaralzaman zijn voornemen te kennen, om zich weder in te schepen, en de reis naar de eilanden van de kinderen van Khaladan voort te zetten. De koning, getroffen door de schoonheid en kunde van zijn' jeugdigen gast, kon echter moeijelijk besluiten, hem te laten gaan. „Prins,” zeide hij, hem ter zeide nemende, „op mijne hooge jaren bestaat er weinig hoop, dat ik nog lang zal leven. Ik heb het verdriet geen' zoon te bezitten, aan wien ik mijne kroon kan nalaten. De hemel heeft mij evenwel eene dochter geschonken van groote schoonheid, en ik zou niet weten, aan wien ik haar beter zou kunnen geven, dan aan een' prins, zoo volmaakt als gij zijt, die tevens met haar in hooge geboorte gelijk staat. In plaats dus van aan uw vertrek te denken, zoo ontvang haar van mijne hand met mijne kroon, waarvan ik ten uwen gunste bereid ben afstand te doen; blijft bij ons. Het regeren valt mij in mijnen ouderdom zwaar, en ik zal dit gaarne aan u overlaten, daar ik weet, dat mijn volk in u een' waardigen opvolger zal vinden.”

Dit edelmoedige aanbod van den koning Armanos, om haar zijne eenige dochter ten huwelijk te geven, verraste niet alleen de prinses Badoura, maar bragt haar in groote verlegenheid, daar zij, zelve eene vrouw, dit moeijelijk kon aannemen. Hem te zeggen, dat zij niet de prins Camaralzaman maar zijne gade was, meende zij eene prinses onwaardig. Het weigeren had ook veel tegen, want wie verzekerde haar, dat de koning, zich daardoor gehoond achtende, zijne genegenheid niet in afkeer en haat zou veranderen, te meer daar hij op dit huwelijk zeer gesteld scheen. Daarenboven wist zij niet, of zij den prins Camaralzaman wel bij den koning zijn' vader zou aantreffen.

Deze overweging, en die om aan den prins haren man, indien zij hem mogt wedervinden, een nieuw koningrijk te geven, deden haar besluiten over alle zwarigheden heen te stappen, en het aanbod van den koning Armanos aan te nemen. „Sire,” sprak zij, terwijl een blos haar gelaat bedekte, „ik ben uwer majesteit ten hoogste verpligt voor de goede meening, welke zij omtrent mijn' persoon koestert, en voor de eer, welke zij mij waardig keurt, die ik niet durf afwijzen, hoe weinig ik ze ook verdiend heb. Maar Sire,” vervolgde zij, „ik kan eene zoo hooge verbindtenis, waarbij de last der regering op mijne schouders drukken zal, niet aannemen, dan onder voorwaarde, dat uwe majesteit mij met hare raadgevingen ondersteunen, en ik niets doen zal, zonder daar op vooraf hare goedkeuring verkregen te hebben.”

Het huwelijk, op deze wijze vastgesteld, zou, zoo verlangde het de koning, reeds den volgenden dag voltrokken worden. De prinses Badoura nam dezen tusschentijd te baat, om hare officieren, die haar steeds voor den prins Camaralzaman hielden, van dit tweede huwelijk te onderrigten, opdat zij zich daarover niet te veel zouden verwonderen. Zij sprak er ook met hare vrouwen over, en beval haar nogmaals aan, haar geheim vooral goed te bewaren.

De koning van het ebbenhout eiland, verblijd eenen schoonzoon te krijgen, waarmede hij zoo zeer tevreden was, deed den volgenden morgen zijnen raad bijeenkomen. Hij verscheen in die vergadering, vergezeld van den prins Camaralzaman, en na zich op zijn' troon geplaatst te hebben, verklaarde hij dezen prins tot zijn schoonzoon aan te nemen, en zijne kroon aan hem af te staan; waarom hij alle raadsleden uitnoodigde om hunnen nieuwen koning te erkennen en te huldigen. Vervolgens steeg hij van den troon. Zoodra Badoura zich op den vorstelijken zetel geplaatst had, ontving zij de gelukwenschen van alle daar tegenwoordig zijnde rijksgrooten van het Ebbenhout eiland, die haar hulde kwamen bewijzen, en den eed van getrouwheid aan hare voeten aflegden.

Toen de raad gesloten was, werd de huldiging van den nieuwen koning ook in de stad op eene plegtige wijze afgekondigd, terwijl er naar alle deelen des rijks koeriers werden gezonden, om de troonsbestijging van den prins Camaralzaman overal bekend te maken. Bij deze gelegenheid werden er in de hoofdstad en over het geheele eiland volksfeesten aangerigt; er heerschte eene algemeene vreugde. Dien avond werd op het paleis de bruiloft met veel pracht gevierd, en de prinses Haïatalnefous (dus heette de dochter van den koning Armanos), meer dan vorstelijk uitgedost, werd aan de prinses Badoura voorgesteld. Nadat de huwelijksplegtigheden waren afgeloopen, liet men de jonggehuwden alleen.

Den volgenden dag ontving de prinses Badoura, onder den naam van Camaralzaman en als koning van het Ebbenhout eiland, niet alleen de hulde van het hof, maar zij hield eene wapenschouwing over de troepen, en verrigtte nog vele andere zaken; alles met eene waardigheid en bekwaamheid, waardoor zij de achting en goedkeuring van allen verwierf, die er getuige van waren.

Zoo speelde Badoura gedurende eenige dagen haren zonderlingen rol. Eindelijk echter verloor de prinses Haïatalnefous het geduld, en sprak haar dus aan: „Ach!” zeide zij, „gij denkt dus voort te gaan en mij te veronachtzamen! Zeg mij toch, ik smeek er u om, waarin ik u mishaag, ik die u zoo zeer bemin, en mij zoo hoogst gelukkig acht, een' zoo volmaakten prins tot gemaal te hebben. Eene andere vrouw, beleedigd, ja verontwaardigd over zulk eene onverdiende en smadelijke behandeling, zou eene schoone gelegenheid hebben, om zich te wreken, door u aan uw lot over te laten; maar ik heb u zoo zeer lief, dat ik niet kan nalaten, u te waarschuwen. De koning mijn vader is zeer verstoord over uwe handelwijze, en wil slechts tot morgen wachten, om u, indien gij aldus voortgaat, zijne rechtmatige gramschap te doen ondervinden. Bewijs mij dus de gunst eene prinses niet tot wanhoop te brengen, die niet kan ophouden u te beminnen.”

Deze aanspraak bragt de prinses Badoura in eene onbeschrijfelijke verlegenheid. Zij kon aan de waarheid der mededeeling van Haïatalnefous niet twijfelen; de koelheid waarvan de koning Armanos dien dag jegens haar had doen blijken, overtuigde haar, dat hij werkelijk hoogst ontevreden moest zijn. Het eenigste middel, om haar gedrag te regtvaardigen, zou zijn, haar geheim aan Haïatalnefous te ontdekken. Maar ofschoon zij wel voorzien had, dat het vroeger of later tot eene dergelijke vertrouwelijke verklaring zou moeten komen, zag zij daar toch zeer tegen op, en de onzekerheid, of de prinses zulks goed of kwalijk zou opnemen, deed haar huiveren. Daarbij intusschen bedenkende, dat, bevond de prins Camaralzaman zich nog in leven, hij, om naar de staten van den koning Schahzaman terug te keeren, noodwendig het Ebbenhout eiland moest aandoen, en zij zich voor hem moest sparen, besloot zij eindelijk het waagstuk te ondernemen; liever dan zich aan den zekeren toorn, en welligt aan de wraakzucht van koning Armanos bloot te stellen.

Haïatalnefous ziende dat de prinses Badoura geheel ontsteld was, en dat zij te vergeefs op antwoord wachtte, werd eindelijk ongeduldig. Juist wilde zij het woord weder opnemen, toen Badoura haar voorkwam. „Beminnelijke en maar al te bekoorlijke prinses,” zeide zij, „ik heb ongelijk, en ik veroordeel mij zelve. Echter durf ik op uwe vergiffenis hopen, wanneer ik u een geheim ter mijner regtvaardiging mededeel.” Te gelijker tijd ontblootte de prinses Badoura haren boezem. „Oordeel nu, Haïatalnefous,” vervolgde zij, „of eene prinses aanspraak heeft op uw medelijden. Ja, ik ben overtuigd, dat gij mij van ganscher harte zult vergeven, indien ik u mijne geschiedenis zal hebben verhaald, en gij bekend zult zijn met de droevige omstandigheden, waardoor ik gedwongen werd, mij voor den prins Camaralzaman uit te geven.”

Toen de prinses Badoura haren geheelen levensloop aan de prinses van het Ebbenhout eiland had verhaald, smeekte zij haar dringend, dit geheim te bewaren, en zich te houden alsof zij werkelijk met haren man zeer ingenomen was, tot tijd en wijle, dat de ware Camaralzaman zou komen. „Prinses,” antwoordde Haïatalnefous, „het zou treurig zijn, indien een huwelijk zoo gelukkig als het uwe, en voorafgegaan door eene zoo zonderlinge liefdesgeschiedenis, van zoo korten duur ware! Ik wensch dus met u, dat de Hemel u weldra weder zal te zamen brengen. Intusschen kunt gij er gerust op zijn, dat ik het mij toevertrouwde geheim heilig zal bewaren. Ik zal het groote genot smaken, de eenige te zijn in ons gansche koningrijk, welke u kent voor degene, die gij zijt; terwijl gij voort zult gaan met waardigheid te regeren. Ik vroeg u om liefde, doch ik verklaar u thans hoogst gelukkig te zullen zijn, indien gij mij uwe vriendschap wilt schenken.” Bij deze woorden omhelsden de beide prinsessen elkander, en na vele betuigingen van wederkeerige vriendschap, begaven zij zich ter ruste.

De koning Armanos was den volgenden morgen zeer verblijd van zijne dochter te vernemen, dat de onverschilligheid van haren gewaanden man in eene vurige liefde veranderd was, en de prinses Badoura ging ongestoord voort den koninklijken scepter te voeren, tot groote tevredenheid van den ouden vorst en van het geheele koningrijk.

Terwijl dit alles op het Ebbenhout eiland plaats vond, was Camaralzaman nog steeds in de stad der afgodendienaars. Op een' vroegen morgen, dat de prins als gewoonlijk aan den arbeid dacht te gaan, werd hij daarin door den tuinman verhinderd. „De afgodendienaars,” zeide deze tot hem, „hebben heden een groot feest; en daar zij zich dan van allen arbeid onthouden, teneinde den dag met vermakelijkheden door te brengen, willen zij ook niet, dat de Muzelmannen dan zullen werken. Wij zijn hier in klein getal, en om den vrede te bewaren, wonen wij in den regel hunne spelen als toeschouwers bij, die bovendien wel waardig zijn, om gezien te worden. Gij kunt dus heden rustdag houden. Ik laat u hier, en ga eenige van mijne vrienden bezoeken; ik doe dit hoofdzakelijk in uw belang; want daar de tijd nadert, dat het schip, waarvan ik u gesproken heb, de reis naar het Ebbenhout eiland moet doen, wil ik bij hen berigten inwinnen, wanneer het onder zeil zal gaan, en tevens zal ik dan zien eene schikking omtrent uwen overtogt te maken.” De tuinman trok daarop zijn beste kleed aan, en ging uit.

De eenzaamheid en de werkeloosheid, waartoe de prins Camaralzaman dien dag veroordeeld was, bragten hem de treurige herinneringen aan zijne geliefde prinses met verdubbelde kracht voor den geest. Geheel in zich zelven verdiept, ging hij in den tuin wandelen, en deed niets dan steunen en zuchten, toen hij plotseling in zijne overdenkingen werd gestoord, door het geschreeuw van twee vogels, die op een' der boomen in den hof een geweldigen strijd voerden. Camaralzaman zag met bevreemding, hoe deze vogels elkander met ongehoorde woede beten en met de vleugels sloegen, totdat de eene dood aan den voet van den boom neder viel. De overwinnaar hernam vervolgens zijne vlugt en verdween in het luchtruim.

Dadelijk daarop streken twee groote vogels, die het gevecht van verre hadden aangezien, op de strijdplaats neder. De eene ging aan het hoofd, de andere aan de pooten van den dooden vogel staan. Zij beschouwden hem eenigen tijd, schudden met den kop ten teeken van droefheid, en maakten toen met hunne klauwen een' kuil, waarin zij den doode begroeven. Zoodra de beide vogels den kuil weder met aarde gevuld hadden, vlogen zij weg, doch kwamen kort daarna terug, den moordenaar in den bek houdende, de eene bij een' vleugel, de andere bij een' poot. Zij sleepten hem, niettegenstaande zijn' tegenweer en zijn geschreeuw, op het graf van den verslagene. Hier vielen beide vogels op den beangsten moordenaar aan, en beten hem zoolang met hunne snavels, tot er geen teeken van leven meer in te bespeuren was. Ten laatste scheurden zij hem den buik open, rukten er de ingewanden uit, en lieten hem zoo op de plaats liggen.

Gedurende dit alles bleef Camaralzaman buiten zich zelven van verwondering staan, zonder de minste beweging te maken, teneinde de vogels in hunne wonderbare regtspleging niet te storen. Eerst toen zij zich verwijderd hadden, naderde hij den boom, waar dit zonderlinge voorval had plaats gegrepen, en de oogen latende vallen op de hier en daar op den grond verspreide ingewanden van den teregtgestelden vogel, zag hij uit de maag iets roods steken. Hij nam die op en het roode voorwerp uithalende, herkende hij dit als de talisman van de prinses Badoura, die aan den prins, sedert de vogel ze hem ontroofde, reeds zoo vele moeiten, zuchten en tranen gekost had. „Ha, booze vogel!” riep hij, een' blik op den verscheurden roover werpende, „gij leefdet om kwaad te doen; dat was uw lust en uw leven. Maar zoo veel kwaad als gij mij berokkend hebt, zoo veel goeds wensch ik hun toe, die, door den dood van hun' makker te wreken, ook mij aan u gewroken hebben!”

Het is niet mogelijk de blijdschap van den prins naar waarheid te schetsen. „Geliefde prinses,” juichte hij, „dit gelukkige oogenblik, dat mij terugschenkt hetgeen u zoo dierbaar was, is zonder twijfel het voorteeken, dat ik ook u terug zal vinden, en welligt spoediger, dan ik durf denken! De Hemel zij geloofd, die mij dit geluk toezendt, en daardoor de hoop, u terug te zien, in mijn hart doet herleven.” Na het uitspreken dezer woorden kuste Camaralzaman den talisman, en bond hem zorgvuldig om zijnen arm. Den volgenden morgen, met het aanbreken van den dag, stond hij na een' gerusten slaap, zooals hij in langen tijd niet genoten had, vrolijk op, en trok zijn werkpak aan, om op verzoek van den tuinman een' ouden boom, die geene vruchten meer voortbragt, te gaan uitroeijen.

Camaralzaman begaf zich met spade en bijl dadelijk aan het werk. Eerst groef hij de aarde van de wortels af, en toen de bijl ter hand nemende, begon hij die met ijver af te kappen. Door een' der wortels heen hakkende, raakte hij met zijne bijl op iets hards, dat een' hollen klank gaf, en toen de aarde wegruimende ontdekte hij eene groote bronzen plaat, waaronder zich, dien opligtende, een trap bevond van tien treden. Hij klom dadelijk naar beneden, en kwam in een' kelder van twee of drie vierkante roeden, waarin hij langs de muren op rijen geschaard vijftig bronzen vazen telde. Hij nam er de deksels af, en bespeurde nu, dat allen tot aan den rand met stofgoud gevuld waren. Verblijd over de ontdekking van zulk een' grooten schat, klom hij weder naar boven, legde de plaat op de opening van den trap, en ging voort den boom uit te graven, in afwachting, dat de tuinman te huis zou komen. Deze had namelijk den vorigen dag vernomen, dat het schip naar het Ebbenhout eiland binnen weinige dagen zou uitzeilen, maar den juisten dag wist men hem niet te zeggen; daarom was hij thans naar den kapitein van het schip gegaan. Hij kwam terug met een gelaat, waarop de vreugde te lezen stond. „Mijn zoon,” zeide hij, „verheug u, en maak u gereed, om over drie dagen de reis te aanvaarden; het schip zal dan uitzeilen, en ik ben het met den kapitein omtrent uw verblijf aan boord en omtrent uwen overtogt eens geworden.” „Gij zoudt mij,” antwoordde Camaralzaman, „in mijnen toestand geene aangenamer tijding kunnen brengen. Maar ook ik heb u een nieuws mede te deelen, dat u verblijden zal. Ga even met mij, en gij zult zien, hoe gunstig de Hemel over u beschikt heeft.”