Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Vierde deel
Part 5
Nadat zoo vele geneesheeren, sterrewigchelaars en toovenaars, die zich in den aanvang hadden opgedaan, om de prinses te genezen, dit met den dood hadden moeten bekoopen, had zich in de laatste maanden niemand meer vertoond, die het gevaarlijke proefstuk durfde ondernemen. Men dacht algemeen, dat er op de geheele wereld niemand meer te vinden zou zijn, dwaas genoeg, om na zoo vele afschrikkende voorbeelden, zijn leven, als het ware moedwillig, ten offer te brengen, in eene zoo hopelooze poging. Geen wonder dus, dat Camaralzaman zich spoedig door eene nieuwsgierige volksmenigte omringd zag.
Alle omstanders hadden medelijden met den jeugdigen vermetele, wiens edel en gunstig voorkomen, reeds op het eerste gezigt, velen voor hem innam. „Waar denkt gij aan, goede Heer?” zeiden zij, die het digtst bij hem stonden, „hoe kunt gij zoo dwaas zijn, uw jeugdig en veelbelovend leven aldus aan een' zekeren dood prijs te geven? Toonen de afgeslagen hoofden, die op de poorten der stad geplaatst zijn, u niet, welk lot ook u te wachten staat? Bij Allah! laat uw plan varen, keer terug, nu het daartoe nog tijd is.”
De prins Camaralzaman liet zich echter door deze welmeenende waarschuwingen niet afschrikken, en daar er niemand opdaagde, om hem voor den koning te brengen, herhaalde hij met nog luider stem zijn geroep, in de zelfde bewoordingen als de eerste maal. Die vermetelheid deed de omstanders huiveren; er ging een' algemeene kreet op: „Hij zoekt den dood, en Allah ontferme zich over zijne jeugd en zijne arme ziel!” Maar de prins hield zich alsof hij hen niet hoorde, en riep voor den derden maal. Nu verscheen de groot-vizier in persoon, ten einde hem op last van den koning Gaïour voor dien te brengen.
Deze staatsdienaar geleidde Camaralzaman voor den koning, die hem, op zijn' troon gezeten, ontving. De prins wierp zich voor hem neder, en kuste den grond. De koning, die met onverschilligheid zoo velen had doen sterven, welke in hunnen vermetelen waan hadden gemeend de prinses te kunnen genezen, gevoelde een innig mededoogen met Camaralzaman. Had hij de anderen naauwelijks aangezien, hem deed hij naast zich op zijn' troon zitten, en sprak hem aldus aan: „Jongman, ik kan moeijelijk gelooven, dat gij op zoo jeugdigen leeftijd, de kennis en de ervaring zult bezitten, die vereischt worden om mijne dochter te genezen. Wel zou mij dit eene groote vreugde zijn, want ik zou haar aan u met genoegen ten huwelijk geven, hetgeen ik aan allen die voor u kwamen, slechts met tegenzin zou hebben gedaan. Maar hoe zulks mij ook smart, ik moet u verklaren, dat, indien gij niet slaagt in uwe onderneming, noch uwe jeugd, noch uw edel voorkomen, mij zullen beletten u te doen onthoofden. Bedenk u dus wel; nog laat ik u vrij, van deze gevaarlijke proef af te zien.”
„Sire,” antwoordde de prins Camaralzaman, „ik ben uwer majesteit grooten dank schuldig voor de eer, welke zij mij aandoet, en voor de goedheid, die zij jegens mij, een' vreemdeling, aan den dag legt. Ik ben echter niet uit een land, zoo ver van hier verwijderd, dat het misschien in uwe staten zelfs bij name niet bekend is, gekomen, om onverrigter zake weder van hier te gaan. Zou men mij niet met regt van ligtzinnigheid beschuldigen, indien ik, na eene zoo lange reis ondernomen, en zoo vele gevaren en ontberingen doorgestaan te hebben, thans mijn plan lafhartig opgaf? Uwe majesteit zelve zou alle achting voor mij verliezen. Moet ik sterven, sire, laat dit zijn, zonder mij uwe genegenheid onwaardig te maken. Ik smeek u dus mijn ongeduld, om het bewijs mijner kunde te leveren, op geene te lange proef te stellen. De uitkomst zal, hoop ik, bewijzen, dat ik van mij zelven en van mijne ervaring geen te hoog denkbeeld heb gekoesterd.”
De koning van China beval aan den gesnedene, die de prinses Badoura bewaakte, doch thans daar tegenwoordig was, den prins Camaralzaman bij de prinses, zijne dochter, te brengen. Alvorens hem te laten vertrekken, liet hij het nogmaals aan zijne keus om van de onderneming af te zien. Maar de prins gaf daaraan geen gehoor; hij volgde den gesnedene met vastberadenheid, of liever met een' geestdrift, die verwondering baarde.
De gesnedene geleidde Camaralzaman; maar toen zij aan de galerij kwamen, die naar het vertrek der prinses voerde, kon de prins zijn ongeduld niet langer bedwingen, en versnelde zijn' gang, ten einde te spoediger bij háár te zijn, om wie hij zoo vele tranen gestort, en zoo vele zuchten geslaakt had, sedert den nacht, waarin zij zich aan zijne zijde bevonden had.
De gesnedene liep nu ook met meer spoed, doch hij had moeite, den prins weder in te halen. „Wat loopt gij toch zoo hard!” sprak hij op spottenden toon, terwijl hij hem bij den arm vatte en terug hield, „gij kunt immers zonder mij niet binnengaan? De lust tot sterven moet bij u wel groot zijn, dat gij den dood zoo ijverig zoekt. Niet een der sterrewigchelaars, die ik ter plaatse gebragt heb, waar gij maar al te spoedig zijn zult, heeft zoo veel haast aan den dag gelegd.” „Goede vriend,” antwoordde Camaralzaman, terwijl hij weder aan de zijde van zijn' geleider voortging en hem aanzag, „dat komt omdat al die sterrekijkers, waarvan gij spreekt, niet zeker van hunne zaak waren, gelijk ik dit ben. Zij wisten in tegendeel, dat zij het leven zouden verliezen, indien zij niet slaagden, en hiertoe bestond voor hen de kans zelfs niet. Daarom beefden zij te regt, toen zij de plaats naderden, waar wij thans heengaan, en waar ik zeker ben, mijn geluk te zullen vinden.” Onder dit gesprek kwamen zij aan de deur, die toegang gaf tot de vertrekken der prinses. De gesnedene ontsloot deze, en bragt den prins in eene groote zaal, waardoor men in de kamer der prinses ging, die slechts door een zijden voorhangsel daarvan was afgescheiden. Alvorens hier binnen te treden, zeide hij op zachten toon tot den gesnedene: „Ten einde u te overtuigen, dat ik mij niet te veel op mijne bekwaamheid heb laten voorstaan, zoo laat ik het aan uwe keuze over, of ik de prinses zal genezen in hare tegenwoordigheid, of van hier, zonder een voet verder te gaan?”
De gesnedene, ten hoogste verwonderd over de zekerheid, waarmede de prins sprak, hield op den spot met hem te drijven, en zeide: „Het komt er niet op aan, of het hier geschiedt of daar. Indien gij de prinses slechts geneest, op welke wijze het ook zij, zoo zult gij eenen onsterfelijken roem inoogsten, niet alleen aan dit hof, maar door de geheele wereld.” „Hoezeer ik ook verlang,” hernam de prins, „om eene prinses van zoo hooge geboorte, en bestemd mijne vrouw te worden, te aanschouwen, wil ik om u alle mogelijke voldoening te geven, mij wel voor eenige oogenblikken van dat genoegen berooven.” Hij nam daarop zijn' inktkoker en zijne pen, en schreef de volgende regelen aan de prinses van China:
_De prins Camaralzaman aan de prinses van China._
„_Aanbiddelijke prinses! De verliefde prins Camaralzaman zal u niet spreken van alles wat hij heeft geleden, sedert den noodlottigen nacht waarin uwe bekoorlijkheden hem eene vrijheid deden verliezen, die hij besloten had zijn gansche leven te bewaren. Het is voldoende te zeggen, dat gij, bekoorlijk zelfs tot in uwen slaap, hem toen zijn hart ontroofd hebt. O, die nijdige slaap, welke hem belette, den glans te zien van uwe schoone oogen, hoe groote moeite hij zich ook gaf, ze u te doen openen. Hij verstoutte zich toen, u zijnen ring aan den vinger te steken, als een bewijs zijner onveranderlijke liefde, en die tegen den uwen te verwisselen, dien hij u hierbij toezendt. Indien gij u verwaardigt hem dezen terug te zenden, als wederkeerig bewijs uwer liefde, dan zal hij zich den gelukkigsten van alle minnaars achten; zoo neen, uwe afwijzing zal hem niet beletten, den doodelijken slag met berusting te ondergaan, daar die hem zal treffen; omdat hij u bemint. Hij wacht uw antwoord in uwe voorkamer._”
Toen de prins Camaralzaman met dit schrijven gereed was, voegde hij er den ring van de prinses bij, en maakte er een pakje van, dat hij den gesnedene ter hand stelde, met de woorden: „Goede vriend, breng dit aan uwe meesteres. Indien zij niet geneest op het eigen oogenblik, dat zij deze regelen gelezen heeft, en ziet wat ik haar daar bij toezend, zoo geef ik u volkomen vrijheid, in het openbaar van mij te zeggen, dat ik de onwaardigste en onbeschaamdste ben van alle sterrekijkers, die ooit op aarde geleefd hebben, daar nog zijn, of na mij komen zullen.”
„Als dat geen pogcher is, dan is het een duizend-kunstenaar, wiens gelijke nog moet geboren worden,” dacht de gesnedene, en door nieuwsgierigheid gedreven, ging hij haastig in de kamer der prinses van China. Haar het pakje, waarmede de prins Camaralzaman hem belast had, aanbiedende, zeide hij: „Prinses, een sterrekijker, vermeteler dan de anderen, die zich vóór hem hebben opgedaan, is hier aangekomen, en beweert ten stelligste, dat gij deze regelen slechts behoeft te lezen, en te zien wat hij daar heeft bijgevoegd, om volkomen genezen te zijn.”
De prinses nam het briefje, en opende het met blijkbare onverschilligheid, maar zoodra zij haren ring zag en herkende, gaf zij zich bijna den tijd niet, om het geschrevene te lezen. Zij stond met overhaasting op, verbrak met een' geweldigen ruk de keten, waaraan zij gekluisterd was, snelde naar de deur, en ligtte het voorhangsel op. Badoura herkende in den prins-sterrekijker dadelijk haren zoo lang betreurden en zoo vurig gewenschten geliefde. De prins zag in haar zijne schoone bezoekster. Zij omhelsden elkander met hartstogtelijke teederheid, en konden in hunne verrukking geene woorden vinden, om hunne blijdschap en verwondering uit te drukken, elkander terug te zien, na het raadselachtige en kortstondige te zamen zijn, waarvan zij ook nu nog niets begrepen. De voedster, welke de prinses was gevolgd, deed haar weder in hare kamer gaan, waar de prins haar echter ditmaal vergezelde. Badoura gaf haren ring nu aan Camaralzaman terug, met de woorden: „Herneem dit kleinood. Ik zou het niet kunnen behouden, zonder u het uwe terug te geven, en dat wil ik behouden, zoo lang ik leef.”
Inmiddels had de gesnedene zich gehaast den koning van China het wonder mede te deelen, waarvan hij ooggetuige was geweest. „Sire,” sprak hij in verrukking over hetgeen hij gezien had: „Al de sterrekijkers en geneesheeren, die zich tot nu toe aangeboden en ondernomen hebben, om de prinses te genezen, zijn slechts weetnieten en botterikken geweest. Hij, die nu gekomen is, heeft zich noch met een tooverboek, noch met bezweringen van booze geesten, noch met het rook en van kruiden of iets van dien aard opgehouden; hij heeft de prinses genezen, zelfs zonder haar te zien.” Hij verhaalde vervolgens de wijze, waarop dit had plaats gehad, en de koning, hierover ten hoogste verblijd, begaf zich dadelijk naar de prinses. Hij omhelsde zijne dochter, omarmde den prins, en diens hand nemende, legde hij deze in die van de prinses Badoura. „Gelukkige vreemdeling,” zeide hij nu, „wie gij ook zijn moogt, ik houd mijne belofte, en geef u mijne dochter tot echtgenoot. Maar als ik u aanzie, kan ik bezwaarlijk gelooven; dat gij diegene zijt, voor wien gij u hebt uitgegeven.”
De prins Camaralzaman bedankte den koning in de schoonste bewoordingen voor de gunstige gedachten, die hij van hem koesterde, en voor de groote weldaad, hem op dit oogenblik bewezen, door hem tot zijn' schoonzoon aan te nemen. „Sire,” vervolgde hij, „het vermoeden van uwe majesteit, dat ik geen sterrekijker ben, is gegrond. Ik heb daarvan alleen het kleed aangenomen, om, zoo doende, naar de hooge verbindtenis met den magtigsten monarch van het Heelal te kunnen dingen. Ik ben een prins, de zoon eens konings en eener koningin; mijn naam is Camaralzaman; en mijn vader noemt zich Schahzaman. Hij regeert over de genoeg bekende eilanden der kinderen van Khaladan.” Daarna verhaalde hij hem zijne geschiedenis, en deed hem opmerken, hoe wonderbaar de oorsprong van zijne liefde was, even als van die der prinses voor hem, en dat, hoe onverklaarbaar ook hunne nachtelijke bijeenkomst bleef, de wisseling der ringen toch het bewijs opleverde, dat deze werkelijk had plaats gevonden.
Zoodra de prins Camaralzaman met spreken geëindigd had, riep de koning in geestdrift uit: „Deze geschiedenis is zoo wonderbaar, dat zij waardig is, voor het nageslacht bewaard te blijven. Ik zal die laten beschrijven, en terwijl het oorspronkelijke in de archieven van mijn koningrijk zal berusten, wil ik er afschriften van doen maken; opdat zij ook in andere landen bekend moge worden.” De huwelijksplegtigheid had nog dien zelfden dag plaats, en gedurende verscheidene weken werden aan het hof feesten gegeven, en heerschte er vreugde in het geheele Chineesche rijk. Ook Marzavan werd niet vergeten; de koning van China gaf hem eene betrekking aan zijn hof, met belofte, hem later tot eene aanzienlijke post te zullen verheffen.
De prins Camaralzaman en de prinses Badoura, thans hunne wenschen vervuld ziende, smaakten gedurende verscheidene maanden het zoete des huwelijks, zonder dat hun geluk door iets verstoord werd, en de koning van China gevoelde zich gelukkig in zijne kinderen.
Zulk een onvermengd geluk is echter op deze aarde zelden van langen duur. Op zekeren nacht droomde prins Camaralzaman, dat zijn vader, de koning Schahzaman, op sterven lag, en dat deze op klagenden toon zeide. „De zoon, dien de Hemel mij schonk, dien ik als mijn oogappel beminde, heeft mij ondankbaar verlaten, en is de oorzaak van mijnen dood.” Hij werd met schrik wakker, en loosde een' diepen zucht, waardoor ook zijne gade ontwaakte. De prinses Badoura, vreezende dat hij ongesteld zou zijn, vroeg hem, waarom hij zoo zuchtte, en wat hem deerde.
„Ach,” zeide de prins op treurigen toon, „welligt is de koning mijn vader, terwijl ik met u spreek, reeds niet meer op deze aarde!” Hij deelde haar daarop zijnen droom mede, en beleed, dat deze zeer droevige gedachten bij hem had opgewekt, omdat hij werkelijk uit liefde tot haar zich zeer aan zijnen vader had bezondigd, door hem in stilte te verlaten, en aan zijnen dood te doen gelooven. De prinses Badoura, niets liever wenschende dan haren man genoegen te geven, hoorde hem zwijgend aan, maar zij had reeds haar besluit genomen. Zoodra de koning van China haar dien morgen kwam bezoeken, zoo als geregeld zijne gewoonte was, stond zij op, en hem de hand kussende, zeide zij: „Sire, ik heb van uwe majesteit eene gunst te vragen, welke ik haar smeek, mij niet te weigeren. Opdat gij echter niet zoudt denken, dat ik die vraag doe, op verzoek van den prins, mijn' gemaal, zoo moet ik u hierbij zeggen, dat hij daar niets van weet. Mijne bede dan is, dat het u behagen moge, mij toe te staan, om met hem aan den koning Schahzaman, mijn' schoonvader, een bezoek te brengen.”
„Dochter,” gaf de koning ten antwoord, „hoezeer ook uw afwezen mij bedroeven zal, zoo kan ik echter uw besluit niet misprijzen; het getuigt voor uw goed hart en voor uwen moed, om eene zoo lange reis te ondernemen. Ga dan, ik sta het u toe, onder beding, dat gij aan het hof van den koning Schahzaman niet langer dan een jaar zult vertoeven. Die monarch zal, gelijk ik durf hopen, er niet tegen hebben, indien de zaak zoo geschikt wordt, dat wij om het andere jaar, hij zijnen zoon en zijne schoondochter, ik mijne dochter en mijn' schoonzoon, bij ons zullen zien.”
Camaralzaman was zeer verrast, toen de prinses Badoura hem zeide, dat zij aan den koning van China verzocht had, om haren schoonvader te gaan bezoeken, en dat deze daarin had toegestemd. De prins bedankte haar voor dit vernieuwde blijk harer liefde, en hij verheugde zich reeds bij voorraad nu weldra in de gelegenheid te zullen komen, om de vergiffenis van zijn' goeden vader, dien hij zoo diep bedroefd had, af te smeeken en te verwerven.
Inmiddels liet de koning van China alles voor de reis in gereedheid brengen. Hij vergezelde zijne kinderen verscheidene dagreizen ver, ten einde nog zoo lang mogelijk hun bijzijn te genieten. Toen men eindelijk zou scheiden, omhelsde de koning schreijende zijne dochter en den prins Camaralzaman. „Mijn zoon,” sprak hij! „ik stel thans mijne geliefde dochter geheel in uwe handen; laat daarom uwe liefde, haar het gemis der mijne vergoeden, en houdt niet op haar te beminnen, gelijk zij dit waardig is. En nu mijne kinderen,” vervolgde hij, „ik geef u mijnen zegen mede, reis en leef gelukkig, totdat ik de vreugde zal smaken, u weder te zien, en aan mijn hart te drukken, dat steeds voor u zal blijven kloppen.” Na deze vaderlijke ontboezeming, liet hij hen vertrekken, en keerde, om zich te verzetten, al jagende naar zijne hoofdstad terug.
Toen de prins Camaralzaman en de prinses Badoura hunne tranen hadden afgedroogd, welke de scheiding van den koning hen had doen storten, begonnen zij er aan te denken, hoe verblijd de goede Schahzaman zou wezen, indien hij zijnen reeds als dood betreurden zoon, in leven en hoogst gelukkig zou wederzien. Hier over spraken zij thans dagelijks, en niet alleen Camaralzaman, maar ook de prinses van China verblijdde zich reeds bij voorraad in de vreugde, welke de oude vorst smaken zou.
Na verloop van eene maand kwamen zij in eene grasrijke vlakte, waardoor een helder beekje kronkelde, en waarin eene menigte op zich zelve staande zware boomen prijkten, die met hun digt gebladerte eene verkoelende schaduw gaven. Het was dien dag brandend heet, en Camaralzaman vond dit oord zoo schoon, dat hij aan de prinses voorstelde, daar dien dag rust te houden en de tenten te laten opslaan. Badoura wenschte niets liever, want de lange reis en de drukkende hitte hadden haar zeer vermoeid. De prins liet dus halt maken, zij stegen af, en terwijl men de tenten van de kameelen aflaadde, en bezig was die uit te spannen, ging Badoura onder de schaduw van een' boom zitten. Daar echter ook de muskieten in dit lommerrijke plaatsje behagen schepten, om haar heen gonsden, en haar plaagden, was hare tent niet zoodra gereed, of zij ging daar binnen. Vermoeid en warm, liet de prinses om luchtiger te zijn, zich van haren gordel ontdoen, die hare bedienden bij haar nederlegden, terwijl zij zich op haar rustbed uitstrekte en weldra insliep. Ten einde hare meesteres niet te storen, verwijderden zich nu de vrouwen en lieten haar alleen.
Zoodra de prins Camaralzaman op alles order gesteld had, kwam ook hij de tent binnen, en ziende dat de prinses sliep, zette hij zich zonder gerucht te maken bij haar neder. Zijne oogen vielen nu op den gordel, die bij haar lag, en niets beter te doen hebbende, nam hij dien in zijne handen, en vermaakte zich met het beschouwen der diamanten en robijnen, waarmede hij versierd was. Zoo op de schitterende steenen turende, bespeurde hij een klein zijden beursje, dat zeer behendig tegen de stof aangenaaid en met een koordje gesloten was. Hij voelde dat dit iets hards bevatte, en de nieuwsgierigheid deed het hem openen. Hij vond daarin een' kornalijn, waarop eenige zinnebeelden en karakters waren ingesneden, die hij niet kende. „Deze kornalijn”, sprak hij bij zich zelven, „moet eene bijzondere eigenschap bezitten, daar mijne prinses hem zoo zorgvuldig bewaart, om hem niet te verliezen.” Het was inderdaad een talisman, welke de koningin van China aan de prinses hare dochter ten geschenke had gegeven, en die, zooals zij gezegd had, het vermogen bezat, haar tegen alle ongelukken te behoeden, zoo lang zij hem hij zich droeg. De prins scheen hiervan eenig vermoeden te hebben, en om den talisman, want in de tent was het hiertoe te donker, beter te kunnen bezien, ging hij er mede naar buiten. Terwijl hij nu het gesteente op het vlak van zijne hand had gelegd, en het met aandacht beschouwde, schoot er plotseling een vogel uit de lucht neder, en ontnam hem het kleinood. Camaralzaman was over dezen roof zoo ontsteld, dat hij eenige oogenblikken als wezenloos staan bleef. Hij had door zijne ongepaste nieuwsgierigheid, zijne geliefde prinses een kleinood doen verliezen, waarop zij, zoo als hij teregt begreep, een' zeer hoogen prijs moest stellen. De vogel scheen intusschen den spot met hem te drijven, want hij zette zich niet ver van die plaats op den grond neder, den talisman als een zegeteeken in den bek houdende.
De prins nu tot bezinning komende, liep naar den vogel toe, verwachtende dat deze zou opvliegen, en van schrik zijnen roof laten vallen. Maar zoodra hij naderde, vloog het dier een weinig verder, zonder zijn buit los te laten, en zette zich weder neêr. De prins ging voort het te vervolgen; doch nu vloog de vogel na den talisman te hebben doorgeslikt, een geheel eind voort. Zijn vervolger, op zijne behendigheid steunende, hield echter niet op den roover te vervolgen, in de hoop hem door een' steenworp te zullen treffen en dooden.
Er had nu tusschen den prins en den vogel een' koddige wedloop plaats, en het scheen, dat de laatste daaraan geen einde wilde maken, door in eens voor goed weg te vliegen. In tegendeel zette hij zich herhaalde malen dan eens op een tak, dan weder op den grond neder, als wilde hij zijn vervolger inwachten. Dus getergd wordende, volgde de prins den stouten roover over berg en dal, tot dat de avond inviel. Nu koos het slimme dier, tot groote teleurstelling van Camaralzaman, zijn nachtverblijf niet in het struikgewas, waar hij hem welligt in den slaap zou hebben kunnen verrassen en vatten, maar boven in den dunnen top van een' hemelhoogen dadelboom, waar hij volkomen veilig was.
De prins, bijna wanhopende het kleinood ooit terug te bekomen, stond een oogenblik in beraad, om naar het kamp terug te keeren. „Maar,” zeide hij bij zich zelven, „hoe zal ik terugkeeren? Hoe kan ik in het donkere van den nacht den weg vinden, dien ik al in den blinden heb doorloopen? Zal ik niet verdwalen? En eindelijk, hoe zou ik voor de prinses Badoura durven verschijnen, zonder haar den talisman terug te brengen?” Bij al deze afschrikkende overwegingen, kwam nog zijne vermoeidheid, zoodat hij het besluit nam, den nacht door te brengen onder den boom, waarop zich de vogel had neêrgezet, altoos in de zwakke hoop, den volgenden dag gelukkiger te zullen zijn. Ofschoon door honger en dorst gekweld, deed de vermoeijenis van den dag hem weldra inslapen.
De prins Camaralzaman ontwaakte, voordat nog de vogel den boom had verlaten, en zoodra deze opvloog, deed hij zijn uiterste best hem te volgen en niet uit het oog te verliezen. De vogel maakte hem dit gemakkelijk, door zich weder nu en dan neder te zetten, en hem van tijd tot tijd in te wachten. Maar ook steeds was hij, als de prins nabijkwam, dien te vlug af, en weder zocht hij zijn nachtverblijf op eene voor Camaralzaman onbereikbare plaats. De prins had zich dien dag met wilde wortelen en vruchten gevoed, die hij op zijnen weg vond, en legde zich nogmaals onder een' boom te slapen.
Elf dagen lang hield de ondeugende vogel onzen edelen prins aldus bezig, zonder dat deze van zijnen kant de vermoeijende en bijna hopelooze jagt wilde opgeven. „Ik zal u dooden, en den talisman terug nemen,” zwoer hij in zijnen toorn „al zou ik u ook vervolgen tot aan het einde der aarde.” Maar de prins had goed zweren, de vogel stak den draak met hem en met zijnen eed. Zij kwamen aan eene groote stad, door zeer hooge wallen en muren omgeven. De vogel vloog daarover heen, maar Camaralzaman kon ongelukkig niet vliegen. Wilde hij in de stad komen, dan moest hij de poort gaan op zoeken. Daar stond de arme prins nu allertreurigst te kijken, de vogel was uit zijn gezigt verdwenen, en met deze zijne hoop, om den talisman van de prinses Badoura immer terug te zullen zien.