Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Vierde deel
Part 4
Toen de gesnedene den sterrekijker voor den koning van China bragt, wachtte die niet, tot de slaaf aan den monarch verslag deed van zijne mislukte proefneming; maar onmiddelijk den koning aansprekende, voegde hij hem stoutmoedig deze woorden toe: „Sire, zooals uwe majesteit heeft laten bekend maken, en ook aan mij bevestigd heeft, moest ik gelooven dat de prinses krankzinnig was, en ik hield mij verzekerd, haar te zullen genezen door de geheimen, waarmede ik bekend ben. Weldra echter kwam ik tot de overtuiging, dat uwe dochter geene andere ongesteldheid heeft, dan die van te beminnen, en om liefdekwalen te genezen, zoo ver strekt zich mijne kunst niet uit. Uwe majesteit zal daarin echter beter kunnen voorzien, dan iemand anders, indien zij haar slechts den man geeft, dien zij wenscht.” De koning, verbitterd over deze rondborstige taal, liet den sterrekijker onmiddelijk onthoofden.
Na hem deden zich nog honderd-vijftig sterrekijkers en geneesheeren op, doch allen ondergingen hetzelfde lot, en hunne hoofden werden op de poorten der stad ten toon gesteld.
GESCHIEDENIS VAN MARZAVAN.
De voedster van de prinses van China had een' zoon, Marzavan genaamd; hij was de zoogbroeder van de prinses. Deze kinderen waren in hunne jeugd meest altijd te zamen, en leefden met elkander als broeder en zuster. Die genegenheid bleef hen bij, zelfs toen zij op meer gevorderden leeftijd van elkander werden verwijderd.
Onder de vele wetenschappen, waarop Marzavan zich van zijne jeugd af, met hart en ziel had toegelegd, behoorde ook de voorspellende sterrekunde, de waarzeggerij en andere geheime kunsten. Hij werd daarin zeer bekwaam. Niet tevreden met hetgeen hij van zijne onderwijzers geleerd had, ging hij, zoodra hij meer onafhankelijk werd, groote reizen maken. Hoorde hij van een' uitstekend man spreken, dan ontzag Marzavan moeite noch kosten, om dien geleerde op te zoeken, en rustte niet, voordat hij hem gevonden, en zoo veel mogelijk van zijne lessen partij getrokken had.
Na eene afwezigheid van vele jaren kwam hij met een' schat van kennis uitgerust, in zijne geboorteplaats, de hoofdstad van China, terug. Het verwonderde hem ten hoogste, boven de poort, die hij binnenkwam, zoo vele afgehouwen hoofden te zien, die daar ten toon gesteld waren. Zoodra hij in zijne woning kwam, vroeg hij naar de oorzaak hiervan. Men deelde hem in het kort de zaak mede, en Marzavan werd hierover zeer bedroefd, daar hij zijne zoogzuster nog steeds hartelijk liefhad. Hij zond terstond iemand naar zijne moeder, om haar van zijne terugkomst kennis te geven.
Hoewel hare tegenwoordigheid bij de prinses slecht kon worden gemist, wist echter de voedster zich voor een oogenblik te verwijderen, om haren zoon te zien. Nadat zij hem omhelsd had, deelde zij hem met betraande oogen mede, in welk een' beklagenswaardigen toestand de prinses zich bevond. Zij verzweeg ook de oorzaak niet, die daartoe aanleiding had gegeven. Marzavan hoorde haar met gespannen aandacht, en vroeg, of zij hem niet in de gelegenheid zou kunnen stellen, om de prinses te zien en te spreken, zonder dat de koning daarvan kennis droeg. De voedster bedacht zich een oogenblik. „Mijn zoon,” zeide zij toen, „ik kan u dit thans niet verzekeren; maar wacht tot morgen, dan zal ik u een bepaald antwoord weten te geven.”
Daar behalve de voedster niemand bij de prinses mogt worden toegelaten, dan met vergunning van het hoofd der gesnedenen, die door den koning als wacht bij hare gevangenis geplaatst waren, bleef haar geen ander middel over, dan deze in haar belang te winnen, zoo zij haren zoon toegang tot de kamer der prinses wilde verschaffen. Zij wist echter, dat deze gesnedene nog niet lang in 's konings dienst, en dus onbekend was, met hetgeen vroeger aan het hof van China had plaats gevonden. Hierop bouwende, zeide zij tot hem: „Het is u bekend, dat ik de prinses gevoed en groot gebragt heb; maar wat gij misschien niet zult weten, is, dat ik haar te gelijk met mijne dochter zoogde, die nu kortelings in het huwelijk is getreden. De prinses, die haar altoos zeer lief had, zou haar gaarne eens bij zich zien, zonder dat iemand buiten ons daarvan echter kennis draagt.” „Wat gij mij daar zegt,” zeide de gesnedene, „is mij genoeg. Het zal mij, als dit in mijne magt staat, altoos een groot genoegen zijn, de prinses eenig vermaak te kunnen verschaffen, zij is reeds ongelukkig genoeg. Gij kunt dus dezen nacht, nadat de koning zijne dochter bezocht zal hebben, uw kind gaan halen of hier laten komen, de deur zal voor haar openstaan.”
Zoodra de avond viel, ging de voedster haren zoon Marzavan opzoeken. Zij verkleedde hem als eene vrouw, en nam hem dus vermomd met zich naar het paleis. De gesnedene niet anders denkende, of het was hare dochter, opende de deur en liet beiden binnengaan. In de kamer der prinses gekomen, sprak de voedster haar dus aan: „Mevrouw,” zeide zij, „het is geene vrouw, die gij bij mij ziet, maar mijn' zoon Marzavan, die gisteren van zijne reis is terug gekomen, en ik ben geslaagd, hem onder deze vermomming hier te brengen. Ik hoop, dat het u een genoegen zal zijn, hem eens weder te zien.”
Op den naam van Marzavan liet de prinses eene groote vreugde blijken. „Kom nader, mijn broeder,” zeide zij tot hem, „en ontbloot uw gelaat; het is immers geoorloofd, dat een broeder en eene zuster gemeenzaam met elkander omgaan?” Marzavan beantwoordde haren groet op de beleefdste wijze, doch zonder hem den tijd tot spreken te laten, vervolgde de prinses: „Ik ben verblijd, u na eene zoo lange afwezigheid in goede gezondheid weder te zien, wat ik niet had durven hopen; daar gij al dien tijd, zelfs aan uwe goede moeder, niets van u hebt laten hooren.” „Prinses,” sprak Marzavan „ik stel uwe belangstelling in mij op hoogen prijs. Ik had gehoopt u in gelukkiger toestand te zullen wederzien, dan die, waarin men mij gezegd heeft, dat gij u bevindt, en waarvan ik tot mijne groote droefheid thans getuige ben. Dit teedere en schoone ligchaam aan een' keten gekluisterd! Mijne smart zou zonder grenzen zijn, indien ik geen' troost vond in de hoop u te zullen genezen. Als ik van mijne langdurige studiën en van al mijne reizen geene andere vruchten mag plukken, dan alleen het geluk u aan de wereld en hare genietingen te kunnen wedergeven, zoo zal ik mij reeds rijkelijk beloond vinden.”
Bij het eindigen dezer woorden haalde Marzavan een boek en nog eenige andere zaken te voorschijn, die hij bij zich had gestoken, naar aanleiding van de omschrijving, welke zijne moeder hem van de ziekte der prinses had gegeven. „Wat zal dit alles, mijn broeder!” riep de prinses, al dien toestel ziende. „Ook gij behoort dus onder hen, die gelooven dat ik krankzinnig ben? Laat dien dwazen waan varen, en luister naar mij.” De prinses verhaalde nu aan Marzavan hare geheele geschiedenis tot in de kleinste bijzonderheden, en liet hem den ring zien, welken zij op de plaats van den haren gevonden had. „Zie daar,” vervolgde zij, „de zaak, zooals deze zich werkelijk heeft toegedragen. Ik zie zeer goed, dat hier iets achter schuilt, wat ik niet kan begrijpen, en dat aanleiding gegeven heeft, dat men mij voor krankzinnig houdt; maar men let te veel op het wonderlijke, zonder op het andere, dat duidelijk en zeker is, acht te slaan.”
Marzavan, ten hoogste verbaasd over hetgeen hij uit den mond van de prinses vernam, bleef eenige oogenblikken in gedachten verdiept en met het hoofd voorover gebogen staan, zonder een enkel woord te antwoorden: „Prinses,” sprak hij eindelijk, het hoofd oprigtende, „indien hetgeen gij mij daar hebt medegedeeld overeenkomstig de waarheid is, waaraan ik geenszins twijfel, zoo wanhoop ik niet uwe begeerte te bevredigen. Ik verzoek u alleen, nog eenigen tijd geduld te hebben, totdat ik ook die koningrijken zal hebben doorgereisd, welke ik nog niet bezocht heb. Hoort gij van mijne terugkomst, dan kunt gij zeker zijn, dat het voorwerp uwer liefde niet ver meer van u is.” Hierop nam hij afscheid van Badoura, en reeds den volgenden dag begaf hij zich weder op reis.
Marzavan trok van stad tot stad, van provincie tot provincie, en van het eene eiland naar het andere; overal waar hij kwam hoorde hij van niets anders spreken dan van de prinses Badoura en van hare geschiedenis. Na verloop van vier maanden kwam onze reiziger te Torf, eene groote en volkrijke zeeplaats. Hier sprak men hem voor het eerst niet meer van de prinses Badoura, maar wel van den prins Camaralzaman, die men zeide, dat zeer ziek was, en wiens geschiedenis, zoo als men die verhaalde, in vele opzigten overeenkwam met die van de prinses van China. Marzavan was hierover zeer verblijd; hij liet zich onderrigten in welk gedeelte der wereld die prins zich ophield. Men noemde hem de eilanden der kinderen van Khaladan. Twee reisgelegenheden stonden voor hem open, de eene over land, de andere over zee.
Marzavan koos de laatste als den kortsten weg, en ging met een koopvaardijschip onder zeil. De reis was zeer voorspoedig, en reeds had men de hoofdstad van den koning Schahzaman in het gezigt, toen het vaartuig door de onkunde van den stuurman, op eene onder het water verborgen klip stootte. De schok was zoo hevig, dat het schip dadelijk uiteensloeg. Dit ongeluk had plaats in het gezigt van het kasteel, waarin de prins Camaralzaman zijn verblijf hield. De koning Schahzaman en zijn groot-vizier waren daar op dat tijdstip beiden tegenwoordig, en de noodkreten der schipbreukelingen, die nog een' tijd lang met de golven worstelden, drongen hen in de ooren, zonder dat er mogelijkheid bestond, deze ongelukkigen spoedig genoeg hulp te bieden.
Marzavan was een uitmuntend zwemmer. Zoodra het schip vast geraakte, sprong hij over boord, en al zwemmende bereikte hij den oever digt bij het kasteel. Hier werd hem op last van den prins alle mogelijke hulp verleend. Men haastte zich, hem van kleeding te doen verwisselen, bood hem eenige ververschingen aan, en zoodra hij eenigzins van zijne vermoeijenis bekomen was, stelde men hem aan den groot-vizier voor, zooals deze gelast had.
Daar Marzavan een zeer gunstig voorkomen had, en op de vragen van den groot-vizier met bescheidenheid en veel juistheid antwoordde, werd deze staatsdienaar reeds terstond gunstig voor hem gestemd. Hij knoopte een gesprek met hem aan, en het bleek hem spoedig, dat hij iemand voor had, die op zijne reizen veel kennis had opgedaan. „Naar ik kan hooren,” zeide de vizier, „zijt gij iemand, die met veel kennis en verstand bedeeld is. Mogt het Allah behagen, dat gij op uwe reizen en bij uwe natuurkundige studiën het geheim hadt leeren kennen, om een' zieke te genezen, wiens ongesteldheid van buitengewonen aard is, en het geheele hof in rouw dompelt.” „Indien ik met de geaardheid van die ongesteldheid bekend ware,” gaf Marzavan ten antwoord, „zou ik er misschien een middel tegen kunnen vinden.”
De groot-vizier deelde nu aan den schipbreukeling mede, in welken toestand de prins Camaralzaman verkeerde, en verhaalde hem de zaak van het begin tot het einde. Hij begon te spreken over zijne door den koning Schahzaman zoo vurig begeerde geboorte, vervolgens verhaalde hij van zijne opvoeding, van den wensch des konings, om hem vroegtijdig te doen huwen, van den tegenzin, dien de prins in het huwelijk had, van zijne ongehoorzaamheid aan zijns vaders verlangen, en eindelijk van zijne opsluiting en zijne buitensporigheden in de gevangenis, die veroorzaakt waren door eene hevige liefde, welke hij had opgevat voor eene onbekende jonge schoone, die hij zeide, dat een' nacht bij hem had doorgebragt, doch waarvan geene andere bewijzen waren dan een' ring, welken de prins beweerde, haar van den vinger genomen te hebben, terwijl men maar niet kon ontdekken, waar ter wereld die dame zich ophield.
Bij deze mededeeling van den groot-vizier was Marzavan zeer verheugd, dat hij door de geleden schipbreuk juist daar was aangeland, waar zich de persoon bevond, die hij met zoo veel ijver gezocht had. Hij twijfelde niet, of de prins Camaralzaman zou de man zijn, voor wien de prinses van China in liefde was ontstoken, en dat die prinses wederkeerig het voorwerp van 's prinsen vurige wenschen was. Hij liet hiervan echter niets aan den groot-vizier blijken; hij zeide hem alleen, dat hij beter zou kunnen oordeelen, of de prins te helpen was, wanneer hij hem zag. „Volg mij dan slechts,” sprak de vizier; „de koning is op dit oogenblik bij hem, maar dat moet u niet ontstellen, want hij heeft mij reeds zijne begeerte te kennen gegeven u te zien.”
Op het oogenblik dat Marzavan door den vizier in het vertrek van den prins werd binnengeleid, lag Camaralzaman, bleek en met gesloten oogen, op zijn rustbed uitgestrekt. De koning zat bij zijne sponde, en hield de hand van zijn' zoon in de zijne. Marzavan vond zoo veel gelijkenis tusschen de trekken van den prins en die van de prinses van China, dat hij zich niet kon weêrhouden uit te roepen: „Nooit zag ik grooter gelijkenis!”
Door dezen met eene hem onbekende stem gedanen uitroep, werd de nieuwsgierigheid van Camaralzaman gaande gemaakt; hij opende de oogen, en zag Marzavan aan. Deze laatste was verstandig genoeg zijne lompheid te herstellen, door eene diepe buiging te maken, en door den prins in vers-maat te begroeten. Hij koos daarbij woorden, waaruit Camaralzaman moest besluiten, dat deze vreemdeling meer van zijne schoone onbekende wist; want de geschiedenis der prinses van China, welke hij bezong, moest noodwendig de aandacht van den verliefden jongeling trekken. Er vertoonde zich dan ook werkelijk een glimp van hoop en vreugde op het gelaat des kranken, en toen Marzavan ophield met spreken, gaf de prins aan den koning zijn' vader een teeken met de hand, dat hij zich met dien vreemdeling wenschte te onderhouden.
De goede koning, verrukt over de gunstige verandering, welke hij bij zijnen zoon meende te bespeuren, stond dadelijk op, en Marzavan bij de hand vattende, dwong hij hem, zijne plaats bij het bed van den prins in te nemen. Vervolgens vroeg hij hem, wie hij was, en van waar hij kwam, en toen Marzavan antwoordde, dat hij een' onderdaan was van den koning van China, vervolgde Schahzaman: „Gave Allah, dat gij mijn' geliefden zoon kondet genezen van zijne doodelijke zwaarmoedigheid; ik zou u veel te danken hebben, en de bewijzen mijner erkentelijkheid zullen grooter zijn, dan er ooit voor eenigen dienst betoond zijn.” Dit gezegd hebbende, liet hij den prins geheel vrij met Marzavan spreken, terwijl hij zich met zijn' vizier naar het andere einde der zaal begaf, zeer verheugd over eene zoo gelukkige ontmoeting.
Marzavan bragt zijn' mond aan het oor van Camaralzaman, en fluisterde hem toe: „Prins, het is thans geen' tijd meer, om treurig te zijn. De dame, om welke gij zoo veel geleden hebt, is mij bekend; zij is de prinses Badoura, dochter van Gaïour, koning van China. Ik kan u dit met zekerheid zeggen, daar zij mij zelve heeft medegedeeld, wat haar bejegend is. De prinses lijdt niet minder uit liefde voor u, dan gij voor haar.” Hij deelde hem vervolgens alles mede, wat hij van het gebeurde met de prinses wist, van af den noodlottigen nacht, waarin zij elkander op eene zoo onverklaarbare wijze gezien hadden. Ook vergat hij niet, melding te maken van de wijze, waarop de koning van China handelde met hen, die beproefden de prinses van hare gewaande krankzinnigheid te genezen, zonder hierin te slagen. „Gij prins,” ging hij voort, „zijt de eenigste, die u daartoe zonder eenig gevaar aanbieden, en haar volkomen genezen kunt. Maar alvorens eene zoo lange reis te ondernemen, moet gij gezond en sterk zijn. Wees er dus van nu af aan alleen op bedacht uwe gezondheid te herstellen.”
Deze mededeelingen van Marzavan hadden eene verbazende uitwerking. De prins Camaralzaman gevoelde eene zoo groote verligting door de hoop, die hem was ingeboezemd, dat hij zich sterk genoeg achtte, om op te staan. Hij vroeg daarom zijnen vader verlof, om zich te mogen kleeden, en dit met zulk een opgeruimd gelaat, dat de goede vorst er van opgetogen was. Zonder te vragen welk middel Marzavan gebezigd had, om dit wonder te bewerken, gaf hij zijne dankbaarheid te kennen, door hem herhaalde malen te omhelzen. Daarna vertrok hij met zijn' vizier, om de wonderbare genezing van den prins alom bekend te doen maken. Hij gaf bevel, dat er door het geheele rijk feesten zouden plaats hebben; zijne hovelingen ontvingen rijke geschenken, aan de armen deelde hij ruime aalmoezen uit, en de gevangenen werden in vrijheid gesteld. In één woord, de hoofdstad en het geheele land van den koning Schahzaman vierden feest.
Hoewel de prins Camaralzaman door slapeloosheid en onthouding van voedsel zeer verzwakt was, kreeg hij echter spoedig zijne vorige krachten terug. Toen hij nu geheel hersteld was en zich sterk genoeg achtte, om de vermoeijenissen der reis te kunnen doorstaan, herinnerde hij Marzavan aan zijne belofte. „Waarde Marzavan,” sprak hij, „het is thans tijd, om te vertrekken. Mijn ongeduld, om de bekoorlijke prinses te zien, en om een einde te maken aan de kwellingen, die zij uit liefde tot mij moet lijden, is zou groot, dat ik, indien wij niet spoedig op reis gaan, vrees, weder in denzelfden staat van moedeloosheid en uitputting te vervallen, als waarin gij mij hebt aangetroffen. Eene zaak echter verontrust mij, en doet mij voor vertraging beducht zijn, namelijk de overdreven zorg, welke de koning, mijn vader, voor mij heeft, zoodat hij nimmer zal kunnen besluiten, zijne toestemming tot deze langdurige reis te geven. Gij ziet zelf, dat hij mij bijna niet uit het oog verliest, en het grootste gedeelte van zijn' tijd bij mij doorbrengt. Indien gij daarop geen middel weet te vinden, is mijn toestand hopeloos.” Bij het uitspreken dezer woorden, kon de prins zijne tranen niet weêrhouden.
„Prins,” antwoordde Marzavan, „de hinderpaal, waarvan gij mij spreekt, heb ik voorzien, doch ik zal die weten uit den weg te ruimen. Het hoofddoel van mijne reis is geweest, de prinses van China van hare kwellingen te bevrijden. De genegenheid, welke wij van kindsbeen af elkander hebben toegedragen, en die nimmer uit mijn hart zal worden gewischt, dringt mij, daartoe al mijne krachten aan te wenden. Hoor nu, wat ik bedacht heb, om ons het vereischte verlof van den koning, uw' vader, te verschaffen. Gij zijt sedert uwe herstelling nog niet uit geweest. Zeg hem, dat gij gaarne een paar dagen met mij op de jagt zoudt gaan, ten einde u wat te verzetten. Het is niet waarschijnlijk, dat hij u deze uitspanning zal weigeren. Staat hij het u toe, draag dan zorg, dat wij ieder twee goede paarden hebben, om als het eene vermoeid is, ons van het andere te kunnen bedienen, en laat het overige aan mij over.”
Den volgenden morgen deed de prins Camaralzaman aan zijn' vader het verzoek, dat Marzavan hem gezegd had te doen. „Ik heb er niets op tegen,” zeide de koning, „dat gij u eens op de jagt vermaakt; maar onder beding dat gij niet langer dan één' nacht afwezig blijft, te veel vermoeijenis mogt u anders eens nadeelig wezen, en langer kan ik ook niet buiten u zijn.” De koning gaf hierop last de beste paarden uit zijn' stal te halen, en droeg zelf zorg, dat er niets ontbrak, om dit jagtpartijtje tot eene genoegelijke uitspanning voor den prins te maken. Toen alles gereed was, omhelsde hij zijn' zoon, en na Marzavan aanbevolen te hebben, toch goede zorg voor hem te dragen, liet hij hen vertrekken.
Zoodra zij buiten kwamen, verwijderden de prins Camaralzaman en Marzavan, onder den schijn van te jagen, zich zoo ver mogelijk van de hoofdstad, en met het vallen van den avond namen zij hun' intrek in een karavanserai, waar zij een avondmaal en nachtverblijf bestelden. Marzavan stond echter te middernacht op, wekte den prins, verzocht dezen hem zijn kleed te geven, en zelf een ander aan te trekken. Terwijl Camaralzaman zich kleedde, ging Marzavan naar den stal, en tuigde, zonder de stalknechten wakker te maken, drie paarden op, die hij voorbragt. Zij stegen nu dadelijk op, en het derde paard bij den teugel leidende, reden zij in den beginne stapvoets voort, ten einde geen gerucht te maken; doch zoodra zij buiten het gehoor hunner bedienden waren, zetten zij hunne paarden in den draf.
Met het aanbreken van den dag bevonden zij zich in een groot bosch, waar de weg een' viersprong maakte. Hier verzocht Marzavan den prins, hem een oogenblik te willen wachten. Hij ging een eindweegs het bosch in, stak het paard, dat hij van een der stalknechten had medegenomen, dood, verscheurde het kleed, dat de prins hem gegeven had, en doopte dit in het bloed van het gedoode paard. Na dit verrigt te hebben, voegde Marzavan zich weder bij zijn' reisgezel, en wierp het bebloede kleed midden op den reeds genoemden viersprong.
Camaralzaman vroeg hem, met welk oogmerk hij dit deed. „Prins,” gaf Marzavan ten antwoord, „als gij dezen avond niet terug zijt, en de koning, uw vader, van de stalknechten hoort, dat wij zonder hen, en terwijl zij nog sliepen, zijn vertrokken, zal hij niet dralen, volk uit te zenden, om ons op te sporen. Wanneer zij dan langs dezen weg komen, en het bebloede kleed vinden, zullen zij denken, dat gij door een' leeuw of tijger zijt verscheurd, en dat ik mij uit vrees voor zijne gramschap uit de voeten heb gemaakt. De koning, door dit berigt in den waan gebragt, dat gij niet meer in leven zijt, zal niet meer naar u doen zoeken, en zoo kunnen wij, zonder vrees van vervolgd te worden, onze reis ongestoord voortzetten. Het middel, ik wil het niet ontkennen, is wreed, vooral ten opzigte van een' vader, die zijn' zoon zoo hartstogtelijk lief heeft, maar moge hij door dit berigt van uwen dood zwaar getroffen worden, te grooter zal later zijne blijdschap zijn, als het hem ter ooren komt, dat gij nog leeft, en gelukkig zijt.” „Beste Marzavan,” antwoordde de prins Camaralzaman, „ik kan niet anders, dan uwe list bewonderen en goedkeuren; ik ben er u op nieuw dank voor verschuldigd. Het smart mij wel, mijn' goeden vader dus te moeten bedroeven, maar ik weet geen ander middel, en indien de prinses niet de mijne wierd, zou mijn' vader toch spoedig op mijn graf weenen.”
De prins en Marzavan, ruim voorzien van goud en edelgesteenten, zoodat zij niet karig in hunne uitgaven behoefden te zijn, zetten hunne reis te land en te water voort, zonder andere hindernissen of moeijelijkheden te ontmoeten, dan de langdurigheid der reis natuurlijk moest veroorzaken. Eerst in de derde maand bereikten zij de hoofdstad van China. Marzavan nam den prins niet mede naar zijn huis, maar bragt hem in eene herberg, waar de vreemdelingen meestal hunnen intrek namen. Zij bleven hier drie dagen, om van de vermoeijenissen der reis uit te rusten, en een sterrekijkersgewaad voor den prins te doen gereed maken. Op den vierden dag gingen zij te zamen naar het bad, waar Marzavan den prins verzocht, het voor hem bestemde gewaad aan te trekken; tot welke vermomming hij hem ijverig behulpzaam was. Uit het bad komende, begeleidde hij den prins tot in de nabijheid van het paleis des konings van China, waar hij van hem scheidde, om aan zijne moeder de tijding zijner terugkomst te zenden, en haar op te dragen, dit ook aan de prinses Badoura mede te deelen. Deze zou daardoor tevens weten, dat de man dien zij beminde, niet ver verwijderd was; dit toch had hij haar hij het afscheid nemen, beloofd.
VERVOLG DER GESCHIEDENIS VAN DEN PRINS CAMARALZAMAN EN VAN DE PRINSES BADOURA.
De prins Camaralzaman, door Marzavan onderrigt omtrent hetgeen hij te doen had, en in alles als een' sterrewigchelaar uitgerust, ging regelregt naar het paleis van den koning van China, en voor de poort blijvende stilstaan, riep hij ten aanhooren der wachten en portiers met luider stem: „Ik ben een sterrekijker, en kom hier, om de hooggeschatte prinses Badoura, dochter van den magtigen en wijdberoemden monarch Gaïour, koning van China, van hare krankzinnigheid te genezen, op de door zijne majesteit gestelde voorwaarden, dat zij, indien ik haar genees, mijne vrouw zal worden, en dat ik, zoo ik daarin niet slaag, mijn hoofd zal verbeuren.”