Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Vierde deel

Part 3

Chapter 34,044 wordsPublic domain

Juist was de koning met zijnen groot-vizier in gesprek, en beklaagde zich bij hem, dat hij eenen zeer slechten nacht had doorgebragt, ter oorzake van de ongehoorzaamheid en strafbare opvliegendheid van den prins, zijn' zoon, dien hij tot zijn groot leedwezen met hardheid moest behandelen. De vizier zocht hem te troosten, en te doen inzien, dat de prins zelf de oorzaak was van die vaderlijke gestrengheid. „Sire,” zeide hij, „uwe majesteit moet geen berouw gevoelen, hem te hebben doen opsluiten. Indien zij slechts het geduld heeft hem eenigen tijd in de gevangenis te laten blijven, zoo mag zij zich overtuigd houden, dat de jeugdige drift en stijfhoofdigheid van den prins wel zullen bedaren, en hij zich eindelijk zal onderwerpen, aan alles wat uwe majesteit van hem zal verlangen.”

Terwijl de groot-vizier dus sprak, kwam de slaaf zich aan den koning Schahzaman vertoonen. „Sire,” zeide hij, „het is mij zeer leed aan uwe majesteit iets te moeten mededeelen, dat zij niet zonder groote droefheid zal kunnen aanhooren. Hetgeen de prins zegt van eene dame, welke dezen nacht in zijne kamer zou geweest zijn, en den toestand waarin hij, gelijk uwe majesteit kan zien, mij gebragt heeft, zijn maar al te zeer blijken, dat hij niet meer bij zijn volle verstand is.” De slaaf gaf vervolgens een breedvoerig verslag van alles, wat de prins Camaralzaman gezegd had, en van de slechte behandeling hem aangedaan.

De koning werd door deze mededeeling zeer getroffen. „Dat is,” zeide hij tot zijn' groot-vizier, „een zeer treurig voorval, zeer verschillend van de goede hoop, welke gij mij zoo aanstonds gaaft. Ga, verlies geen oogenblik; zie zelf wat er van de zaak is, en kom het mij dan zeggen.”

De groot-vizier gehoorzaamde oogenblikkelijk. De kamer van den prins binnentredende, vond hij hem zeer bedaard met een boek in de hand zitten lezen. Hij groette hem, zette zich naast hem neder, en zeide; „Wee uw' slaaf, die door zijne mededeeling uwen vader een' doodelijken schrik heeft aangejaagd.” „En welk berigt,” vroeg de prins, „heeft mijn' vader zoo zeer doen schrikken? Ik heb groote reden, om mij over mijnen slaaf te beklagen.” „Prins,” hernam de vizier, „Allah zij geloofd, dat hetgeen die slaaf ons berigt heeft, onwaarheid is! De kalme toestand, waarin ik u aantref, en waarin God u moge bewaren, doet mij zien dat hij gelogen heeft.” „Misschien,” zeide de prins, „zal hij zich niet goed hebben uitgedrukt. Ik ben dus zeer blijde u hier te zien; gij toch, die zoo veel invloed bij den koning, mijn' vader, hebt, moet iets van de zaak weten. Daarom zeg mij, waar is de dame, die dezen nacht in mijne kamer geweest is.”

De vizier wist niet, wat hij hoorde. „Prins,” antwoordde hij, „wees niet verwonderd, dat uwe vraag mij verstomd doet staan. Bestaat er mogelijkheid, dat eenig man, nog veel minder eene dame, in den nacht tot hier kan doordringen, daar men deze kamer slechts kan binnentreden door de deur, en over het ligchaam van uwen slaaf? Hetgeen gij u als werkelijkheid voorstelt, zal slechts een droom geweest zijn, die een' zeer diepen indruk bij u heeft achtergelaten.” „Ik heb met uwe praatjes niet noodig,” hernam de prins op hoogen toon, „en wil volstrekt weten, wat er van die dame geworden is; wij zijn hier op eene plaats, waar ik in staat ben mij te doen gehoorzamen.”

Deze kortaf gesproken woorden bragten den groot-vizier in eene groote verlegenheid en angst. Hij zon op een middel, om uit dezen moeijelijken toestand te geraken, en vroeg daarom den prins op zeer onderworpen en beleefden toon, of hij zelf die dame gezien had „Ja, ja!” hernam de prins, „ik heb haar gezien, en ben overtuigd, dat gij haar hebt hier gebragt, om mij op de proef te stellen. Zij heeft de rol, die gij haar geleerd hebt, zeer goed afgespeeld, en door geen woord tot mij te spreken zich slapende gehouden, en zich uit de voeten gemaakt, zoodra ik weder was ingesluimerd. Doch ik behoef u dit niet te vertellen, zij zal u alles wel hebben medegedeeld.” „Prins,” hernam de groot-vizier, „ik zweer u, dat noch de koning uw vader, noch ik, u die dame hebben toegezonden; wij hebben daar zelfs niet aan gedacht. Veroorloof mij dus u nogmaals opmerkzaam te maken, dat gij dit meisje slechts in een' droom zult hebben gezien” „Gij zijt dus ook hier gekomen, om mij te bespotten,” hernam de prins toornig, „en mij in het aangezigt te zeggen, dat hetgeen ik met mijne oogen gezien en met mijne handen betast heb, geene wezentlijkheid, maar een droom is?” Dit zeggende greep hij den vizier bij den baard, en mishandelde hem met vuistslagen.

De arme groot-vizier verdroeg dezen zoo onstuimigen toorn van den prins Camaralzaman met ongeloofelijk geduld. „Zoo ben ik dan,” zeide hij in zich zelven, „in het zelfde geval als de slaaf; en ik mag nog van geluk spreken, indien ik het er zoo goed afbreng als hij.” Daar de prins inmiddels er steeds duchtig op toesloeg, besloot de mishandelde staatsdienaar de list van den slaaf na te volgen. „Ik smeek u, houdt op prins,” riep hij, „en verleen mij een oogenblik gehoor!” „Spreek,” zeide de prins zelf het slaan moede, „wat hebt gij mij te zeggen?”

„Ik moet u dan bekennen prins,” zeide nu de groot-vizier veinzende, „dat er van hetgeen gij mij gezegd hebt, wel iets waar kan zijn. Maar gij kent de pligten, welke een staatsdienaar jegens den koning, zijn' heer en meester, te vervullen heeft. Deel mij dus mede, wat ik uwen vader uit uwen naam moet zeggen. Ik zal uwe woorden getrouw overbrengen.” „Welnu,” sprak de prins, „ga, en zeg aan den koning, mijn' vader, dat ik wil trouwen met de dame, welke hij dezen nacht hier heen gezonden heeft. Doe dit spoedig, en breng mij zijn antwoord.” De groot-vizier maakte eene diepe buiging, en vertrok ten spoedigste. Hij achtte zich niet veilig, vóórdat hij den toren verlaten, en de deur achter zich had digt gegrendeld.

In groote verwarring en zeer neêrslagtig verscheen hij voor den koning Schahzaman, zoodat deze vorst reeds een voorgevoel had van de droevige tijding, die hij van hem vernemen zou. „Welnu,” vroeg de monarch met huivering, „in welken toestand hebt gij mijn' zoon aangetroffen?” De vizier deed hem een getrouw verslag van het onderhoud, dat hij met den prins gehad had, van diens oploopendheid, toen hij hem van de onmogelijkheid sprak, dat er eene dame bij hem kon geweest zijn, van de slechte behandeling, die hij van hem had ondervonden, en eindelijk van de list waarvan hij zich bediend had, om uit de handen van dien razende te ontkomen.

Schahzaman werd door dit berigt diep bedroefd, te meer daar hij zijn' zoon, niettegenstaande diens onbetamelijk gedrag, nog steeds eene teedere genegenheid toedroeg.—„Ik wil zelf zien, hoe het met hem gesteld is,” zeide hij met een' zwaren zucht; en vergezeld door zijnen vizier, begaf hij zich naar den toren.

De prins Camaralzaman ontving zijn' vader in zijne gevangenis met den meesten eerbied. De koning zette zich neder, en nadat hij den prins aan zijne zijde had doen plaats nemen, deed hij hem onderscheidene vragen, die door Camaralzaman allen met gezond verstand beantwoord werden. De monarch zag nu den groot-vizier aan, alsof hij zeggen wilde: „Ik kan niet zien, dat de prins mijn zoon krankzinnig is, zooals gij mij hebt verzekerd.” Daar hij werkelijk aan den prins niet het geringste teeken van krankzinnigheid kon bespeuren, aarzelde de koning niet langer, op de zaak zelve neder te komen. „Zeg mij toch mijn zoon,” zeide hij, „wat u met eene dame gebeurd is, welke, zooals men mij gezegd heeft, dezen nacht hier zou geweest zijn.”

„Sire,” antwoordde Camaralzaman, „ik smeek uwe majesteit het verdriet niet te vergrooten, dat men mij door deze zaak reeds veroorzaakt heeft. Bewijs mij liever de gunst mij dit meisje ten huwelijk te geven. Hoe grooten afkeer ik u ook betuigde van de vrouwen te hebben, deze jonge schoone is mij zoo bevallen, dat ik geene zwarigheid maak u mijne liefde te belijden. Ik ben gereed haar van uwe hand te ontvangen, en zal er u zeer dankbaar voor zijn.”

Dit antwoord van den prins bragt Schahzaman op nieuw in groote verslagenheid. Het verzoek van zijn' zoon kwam hem zoo dwaas voor, dat hij werkelijk aan zijn verstand begon te twijfelen. „Mijn zoon,” zeide hij, „gij voert daar een gesprek tot mij, waarvan ik geene hoogte kan krijgen. Ik zweer u bij mijne kroon, die éénmaal op uw hoofd moet overgaan, dat ik van die dame, waarover gij mij spreekt, volstrekt niets weet. En hoe zou zij zonder mijne toestemming, in dezen toren hebben kunnen doordringen? Want, hetgeen mijn groot-vizier u heeft gezegd, deed hij slechts, om aan uwe woede te ontkomen. Het zal dus zeker een' droom geweest zijn, die u in het hoofd maalt.”

„Sire,” gaf de prins ten antwoord, „ik zou mij de goedheid van uwe majesteit voor altoos onwaardig maken, indien ik geen geloof hechtte aan de verzekering, welke zij mij geeft. Maar ik smeek u, mij geduldig aan te hooren, en dan zelf te beoordeelen, of hetgeen ik u ga zeggen, een' droom geweest is.”

De prins Camaralzaman verhaalde nu zijnen vader op welke wijze hij ontwaakt was; hij schetste hem met levendige kleuren de schoonheid en de bekoorlijkheden van de dame, die hij aan zijne zijde had gevonden, de liefde die hij voor haar had opgevat, en de vergeefsche moeite welke hij had aangewend, om haar wakker te maken. Hij verborg zelfs voor hem de reden niet, die hem bewogen had, af te zien van verdere pogingen, om haar te doen ontwaken. Verder hoe hij zich weder te slapen legde, nadat hij zijn' ring met die van de schoone jonge vrouw had verwisseld. Bij deze laatste woorden trok Camaralzaman den ring van zijn' vinger, en bood dien zijnen vader aan. „Sire,” vervolgde hij nu, „de mijne is u niet onbekend, want gij hebt dien dikwijls gezien; oordeel zelf of dat alles een droom kan geweest zijn, en of ik, zooals men uwer majesteit heeft willen doen gelooven, krankzinnig ben.”

De koning zag duidelijk in, dat hetgeen de prins zijn zoon hem verhaald had, eene werkelijkheid moest zijn, waar hij niets tegen wist in te brengen. Zijne verwondering over deze inderdaad onverklaarbare gebeurtenis was echter zoo groot, dat hij eenen geruimen tijd in gedachten verdiept geraakte. De prins maakte van die gelegenheid gebruik. „Sire,” zeide hij, „de liefde welke dit bekoorlijke meisje, wier beeldtenis in mijn hart staat gegrift, mij heeft ingeboezemd, is reeds zoo hevig, dat ik de kracht niet heb, daaraan weêrstand te kunnen bieden. Ik smeek alzoo uwe majesteit, mededoogen met mij te hebben, en mij door haar bezit gelukkig te maken.”

„Na al hetgeen ik gehoord heb, en nu ik dezen ring gezien heb, mijn zoon,” antwoordde de koning Schahzaman, „kan ik er niet aan twijfelen, dat de dame, die deze liefde in uw hart heeft ontstoken, dezen nacht bij u is geweest. Gave Allah, dat ik haar kende, uw wensch zou nog heden vervuld worden, en ik zou de gelukkigste vader zijn! Maar waar haar te zoeken? Hoe, en op welke wijze is zij hier binnen gekomen, zonder dat ik er iets van vernomen heb. Waarom is zij slechts gekomen, om u terwijl zij sliep hare schoonheid te laten zien, eene onuitbluschbare liefdevlam in uw hart te ontsteken, en u weder te verlaten, nadat gij waart ingeslapen? Ik begrijp niets van deze wonderbare zaak, en indien de Hemel ons niet gunstig is, zoo zal zij de oorzaak van ons beider dood zijn.” Bij het eindigen dezer woorden vatte hij den prins bij de hand. „Kom mijn zoon,” vervolgde hij, „laat ons te zamen treuren, gij, door zonder hoop te beminnen, en ik, door u in droefheid te zien en niet te kunnen helpen.”

Camaralzaman vergezelde zijn' vader naar het paleis, waar hij zich, wanhopig eene hem geheel onbekende dame te beminnen, terstond te bed begaf. De koning sloot zich met hem op, en bragt verscheidene dagen bij zijn' zoon door, zonder zich in het minst met zijne staatszaken te bemoeijen. De groot-vizier was de eenigste, die vrijen toegang tot den monarch had. Na eenigen tijd bragt deze hem met nadruk onder het oog, dat niet alleen het hof ontevreden was over zijne afwezigheid, maar dat ook het volk luide begon te morren. „Sire,” vervolgde hij, „het strekt zeker den prins tot troost uw gezelschap te genieten, en het doet uw vaderhart goed, hem dit genoegen te kunnen verschaffen, maar indien uwe majesteit geen gehoor geeft aan den algemeenen wensch van al hare onderdanen, en niet als naar gewoonte audientie verleent en regt spreekt zoo zie ik groote gevaren te gemoet. Ik acht mij verpligt aan uwe majesteit in bedenking te geven, om den prins naar het kasteel op het kleine eiland, dat voor de haven ligt, te laten overbrengen. De gezonde lucht, die men daar inademt, zal hem goed doen, en het schoone gezigt dat hij daar heeft, zal hem den tijd van uwer majesteits afwezen zonder verveling doen doorbrengen.”

De koning Schahzaman keurde dezen raad van zijn' vizier goed, en nadat het kasteel op het kleine eiland, van het noodige huisraad voorzien was, begaf hij zich met den prins derwaarts, en verliet hem niet, dan om tweemaal in de week audientie te verleenen, en regt te spreken. Den overigen tijd bragt deze liefdevolle vader aan het bed van zijn kind door, en trachtte het zoo veel mogelijk te troosten.

Terwijl dit in de hoofdstad van het eiland der kinderen van Khaladan voorviel, hadden de beide geesten Danhasch en Casch-Casch de prinses van China naar haar paleis gevoerd, en haar weder te bed gelegd. Den volgenden morgen zocht deze bij haar ontwaken links en regts naar den schoonen jongeling, welken zij dien nacht aan hare zijde had gezien. Hem niet meer vindende, riep zij kermende hare vrouwen, die allen ijlings kwamen toeschieten. Zij omringden haar bed, en vroegen, wat zij begeerde.

„Zeg mij,” sprak de prinses van China, „waar is de jongeling gebleven, die dezen nacht bij mij is geweest, en dien ik met geheel mijn hart bemin?” „Prinses,” antwoordde hare voedster, „wij begrijpen u niet, indien gij u niet duidelijker verklaart.” „Zoo weet dan,” hernam de prinses, „dat ik dezen nacht een' jongeling aan mijne zijde zag, zoo welgemaakt en beminnelijk, als men zich slechts kan voorstellen. Ik heb hem langen tijd geliefkoosd, en alles gedaan, om hem wakker te maken, zonder daarin te slagen. Nu vraag ik, waar hij is gebleven?”

„Prinses,” antwoordde de voedster, „gij wilt ongetwijfeld eene grap met ons hebben! Behaagt het u, om op te staan?” „Ik spreek in vollen ernst,” hernam de prinses Badoura, „en ik wil weten, waar hij is.” „Maar prinses,” bragt de voedster in „toen wij u gisteren avond te bed bragten, waart gij alleen, en voor zoo ver uwe vrouwen en ik weten, is er sedert niemand hier binnengekomen.”

De prinses van China verloor het geduld; zij nam de voedster bij de haren, sleepte haar voort, en sloeg haar onder de woorden: „Gij zult het mij zeggen, oude tooverkol, of ik vermoord u?” De voedster deed haar uiterste best, om uit de handen der prinses te geraken. Eindelijk gelukte haar dit, echter niet zonder eene haarlok achter te laten, die Badoura als overwinningsteeken in de hand hield. Zich los geworsteld hebbende, liep de voedster vol angst naar de koningin, de moeder van de prinses van China. „Mevrouw,” sprak zij, „zie, hoe de prinses mij heeft behandeld. Zij zou mij vermoord hebben, indien ik niet uit hare handen had weten te ontkomen. Zij wil volstrekt van ons weten, welke jonge man dezen nacht in hare kamer is geweest, en het is ons niet mogelijk, aan haar vreemd verlangen te voldoen.”

De koningin begaf zich vergezeld door de voedster, onverwijld naar het vertrek, waarin de prinses was opgesloten, en zich naast hare dochter op de sofa plaatsende, vroeg zij eerst met belangstelling naar den toestand harer gezondheid. Daaromtrent een geruststellend antwoord bekomen hebbende, vervolgde zij: „Zeg mij nu ook, wat uwe voedster misdreven heeft, dat gij haar zoo hebt mishandeld. Eene prinses van uwen rang moet nimmer, zelfs in haren toorn, zoo ver gaan.” „Mevrouw,” antwoordde de prinses, „ik merk, dat ook gij met mij den spot wilt drijven; maar ik verklaar u, niet te zullen rusten, vóórdat ik den beminnelijken ridder, die dezen nacht bij mij heeft doorgebragt, tot echtgenoot zal hebben. Gij zult wel weten, waar hij zich op dit oogenblik bevindt, en ik smeek u, hem hier te doen komen.”

„Dochter,” hernam de koningin, „uw spreken verbaast mij ten hoogste, en ik betuig u, dat ik daar niets van begrijp.” De prinses verloor hierop den kinderlijken eerbied uit het oog. „Mevrouw,” zeide zij, „de koning mijn vader en gij hebt mij gekweld en vervolgd, ten einde mij tot een huwelijk te dwingen, toen ik daar geen' lust in had; die lust is thans in mij opgekomen, en ik wil volstrekt den ridder, van wien ik u gesproken heb, tot man hebben; zoo niet, dan breng ik mij zelve om het leven.”

De koningin trachtte de prinses door zachtmoedigheid tot bedaren te brengen. „Lieve dochter,” sprak zij, „gij weet immers zelve wel, dat gij hier geheel alleen zijt, en geen man bij u kan komen.” Maar in plaats van te luisteren, viel de prinses haar in de rede, en stelde zij zich zoo waanzinnig aan, dat de koningin beducht werd, dat zij zich ook aan haar zou vergrijpen, en met droefheid in het hart van daar ging, om er den koning berigt van te geven.

De koning van China wilde zich met eigen oogen van deze zaak overtuigen. Hij begaf zich naar het vertrek van zijne dochter, en vroeg haar, of het waar was, wat hij van haar had moeten hooren. „Sire,” antwoordde de prinses, „laat ons daar niet verder over spreken; bewijs mij slechts eene gunst, door mij hem tot echtgenoot te geven, die dezen nacht hier is geweest.” „Hoe, mijne dochter,” hernam de koning, „is er dezen nacht iemand hij u geweest?” „Sire,” viel de prinses haren vader in de rede, zonder hem te laten uitspreken, „hoe kunt gij dat vragen? Zulks is uwe majesteit niet onbekend. Het is de schoonste en welgemaaktste ridder ter wereld. Ik vraag hem aan u terug, en smeek u, mij dit niet te weigeren. Om uwe majesteit echter te overtuigen, dat die ridder werkelijk hier is geweest, en ik hem bewonderd en geliefkoosd heb, hoewel mijne pogingen om hem te wekken vruchteloos waren, zoo heb slechts de goedheid dezen ring te bezigtigen.” Bij deze woorden stak zij de hand uit. De koning van China wist nu niet meer, wat hij van de zaak denken moest, noch wat hij daarop zou antwoorden, want de ring, dien zij aan den vinger had en hem zien liet, was van een' man. Zich echter geen begrip kunnende vormen van alles, wat zij hem zeide, en haar reeds als krankzinnig beschouwende en opgesloten hebbende, dacht hij niet anders, dan dat zij geheel en al van het verstand beroofd was. Zonder haar dus verder tegen te spreken, deed hij haar in ketens sluiten, uit vrees dat zij zich in een' aanval van dolheid aan hem, of aan anderen die haar naderden, zou vergrijpen. Hij gaf de prinses alleen hare voedster, om haar te bedienen, en plaatste eene wacht bij de deur van haar vertrek.

De koning van China bijna ontroostbaar, dat de prinses, zooals hij meende, geheel zinneloos was, dacht nu alleen op middelen, die tot hare genezing zouden kunnen bijdragen. Hij deed den raad vergaderen, en legde den toestand bloot, waarin zijne dochter verkeerde, er bijvoegende, dat indien zich onder hen, of ergens in zijn geheele rijk, iemand bevond, die zich bekwaam achtte de prinses te kunnen genezen, en daarin werkelijk slaagde, deze haar tot gemalin zou hebben, en na zijn overlijden zijn rijk en zijne kroon beërven.

De begeerte, eene zoo schoone prinses te bezitten, en welligt éénmaal te zullen heerschen over een zoo magtig rijk als dat van China, maakte diepen indruk op eenen reeds bejaarden emir, die in de raadsvergadering tegenwoordig was, zoodat hij dadelijk van zijne plaats opstond, en aanbood de genezing der prinses te willen beproeven. „Ik sta het u toe,” zeide de koning, „maar indien gij niet slaagt, laat ik u het hoofd afslaan; want het zou niet billijk zijn, naar eene zoo groote belooning te dingen, zonder daarbij eenig gevaar te loopen. Hetgeen ik u zeg, geldt tevens voor alle anderen, die zich na u mogten aanbieden. Weet dus wel, wat gij doet.”

De emir, zich op zijne kennis in de tooverkunst verlatende, nam het voorstel zonder aarzeling aan, en de koning bragt hem in eigen persoon bij zijne dochter. Zoodra de prinses den emir zag, liet zij haren sluijer vallen. „Sire,” zeide zij tegen haren vader, „het bevreemdt mij, dat uwe majesteit een vreemden man bij mij brengt, aan wien ik mij volgens onzen godsdienst niet mag laten zien.” „Dochter,” hernam de koning, „laat u door zijne tegenwoordigheid niet verontrusten; hij is een van mijne emirs, die u ten huwelijk vraagt.” „Sire,” sprak de prinses, „hij is de man niet, dien gij mij reeds gegeven hebt, en die mij dezen ring aan den vinger gestoken heeft.”

De emir had verwacht, dat de prinses zou spreken en handelen als iemand, die van het verstand beroofd is. Hij was dus zeer verwonderd, haar zoo rustig te zien, en eene taal te hooren voeren, zooals men geenszins van eene krankzinnige zou verwachten. Hij begreep nu dadelijk, dat hare kwaal niets anders was, dan eene hevige liefde, die op goede gronden berusten moest, hetgeen hij echter niet aan den koning durfde mededeelen; want hij dacht, dat de vorst niet zou kunnen dulden, dat zijne dochter aan een' ander haar hart had geschonken, dan aan dengene, welken hij voor haar bestemd had. Hij wierp zich aan de voeten van koning van China. „Sire,” zeide hij, „na al hetgeen ik gezien en gehoord heb, zou ik te vergeefs beproeven de prinses te genezen; voor hare kwaal heb ik geene middelen, en ik stel dus mijn leven ter beschikking van uwe majesteit.” De koning, vergramd over de onbekwaamheid van den emir, en de vergeefsche moeite, die hij hem had laten nemen, liet hem onthoofden.

Ten einde verder niets te verzuimen, wat tot herstelling der prinses zou kunnen strekken, liet de koning eenige dagen na deze vergeefsche proef in zijne hoofdstad omroepen, dat indien er een geneesheer, sterrekijker of toovenaar was, ervaren genoeg om aan de prinses het verstand terug te geven, deze zich slechts te vertoonen had, om na de herstelling zijner dochter haar tot belooning te ontvangen; maar wanneer hij haar niet genas, hij zijn hoofd hierbij zou inschieten. Het zelfde liet hij door zijn geheele rijk en aan de naburige hoven bekendmaken.

[Illustratie: Camaralzaman en Badoura.

Dl. IV, pag. 37.]

De eerste, die zich opdeed, was een' sterrekijker en geestenbezweerder, welken de koning door een' gesnedene naar de gevangenis van de prinses liet brengen. De sterrekijker nam uit een' zak, dien hij onder den arm droeg, eene kleine hemelglobe, een komfoor, verscheidene soorten van droogerijen, geschikt om mede te berooken, eene koperen vaas, met nog vele andere zaken. Na dit alles uitgepakt te hebben, vroeg hij om eene kool vuur. De prinses van China vroeg aan den gesnedene, wat al dien toestel toch te beduiden had. „Prinses,” antwoordde deze, „dat is om den boozen geest, die in u is, te bezweren, hem in die koperen vaas op te sluiten en vervolgens in de diepte der zee te werpen.”

„Verwenschte sterrekijker,” riep de prinses, „gij schijnt wel gek en bezeten te zijn, ik heb mijn verstand zeer goed, en gij kunt die prullen wel weêr inpakken. Zijt gij echter zoo knap, als gij u voordoet, breng mij dan slechts den man hier, dien ik bemin; dat is de beste dienst, dien gij mij kunt bewijzen.” „Prinses,” antwoordde de sterrekijker, „is de zaak zoo gesteld, dan moet gij dien man niet van mij, maar alleen van den koning uw' vader vragen en verwachten.” Hij pakte nu alles weder in zijn' zak, in het geheel niet op zijn gemak, dat hij zich zoo ligtvaardig verbonden had, eene krankzinnige te genezen, die zoo goed bij haar verstand was.