Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Vierde deel

Part 2

Chapter 24,099 wordsPublic domain

Het gelaat van den prins Camaralzaman was halverwege onder het dekbed verborgen. Maimoune ligtte de sprei een weinig op, en aanschouwde nu den schoonsten jongeling, dien zij nog ooit gezien had. „Welk een' glans,” zeide zij in zich zelve, „en welken gloed moet er uit die nu door sierlijke wenkbraauwbogen gesloten oogen stralen, indien zij zich openen! Waarom wordt deze wonderschoone jongeling, op eene met zijn' hoogen stand dus onwaardige wijze behandeld?” Maimoune kon zich niet verzadigen, den prins Camaralzaman te aanschouwen. Eindelijk, na hem op beide wangen en op het voorhoofd gekust te hebben, zonder dat hij ontwaakte, liet zij het dek zachtjes weder vallen, en verhief zich in de lucht.

Toen zij zich tot eene aanzienlijke hoogte boven de aarde had verheven, trof een sterk vleugelgeklap haar gehoor, hetgeen haar drong, naar dien zelfden kant heen te vliegen. Al naderende bemerkte zij, dat dit geluid werd veroorzaakt door een' dier geesten, welke aan God weêrspannig zijn. Maimoune behoorde tot degenen, die door Salomo tot onderworpenheid gedwongen werden.

De geest, die zich Danhasch noemde, en die een zoon was van Schamhouras, herkende ingelijks Maimoune, maar met grooten schrik. Hij wist, dat zij door hare onderwerping aan den schepper, eene groote meerderheid op hem had. Hij zou deze ontmoeting wel hebben willen ontwijken, maar bevond zich reeds zoo digt in hare nabijheid, dat hij niet ontvlugten kon, en hem niets anders overbleef dan met haar te strijden, of de minste te zijn en voor hare magt onder te doen.

Danhasch voorkwam Maimoune. „Gevreesde Maimoune!” sprak hij op smeekenden toon, „zweer mij bij Gods grooten naam, dat gij mij geen kwaad zult doen, en ik beloof u van mijnen kant, u geen leed te zullen toebrengen.” „Vervloekte geest,” antwoordde Maimoune, „wat leed zoudt gij mij kunnen doen? Ik ben niet bevreesd voor u, maar wil u echter de gevraagde gunst wel toestaan en den eed doen, dien gij van mij verlangt. Zeg mij eerst echter, van waar gij komt, en wat gij dezen nacht gezien en verrigt hebt.”

„Schoone dame,” hernam de geest op hoffelijken toon, „gij ontmoet mij juist van pas, om iets vreemds van mij te hooren, dat uwe aandacht verdient. Ik kom van de uiterste grenzen van China, waar men het gezigt heeft op het meest Oostelijke eiland van dat magtige rijk... Maar bekoorlijke Maimoune,” vervolgde Danhasch, die in tegenwoordigheid van deze toovergodin van vrees bijna niet kon spreken en over zijn geheele ligchaam beefde, „indien ik aan uw verlangen voldoe, belooft gij mij immers, dat gij mij ongedeerd en in vrijheid van u zult laten gaan?”

„Wat draalt gij? Vervolg booze geest!” riep Maimoune, „en vrees niets. Meent gij, dat ik een trouwelooze ben gelijk gij, en dat ik in staat zou zijn, te kort te doen aan den duren eed, dien ik u gezworen heb. Neem u echter wel in acht, mij niets dan waarheid te zeggen; anders zal ik u de vleugels korten, en met u handelen, zooals gij verdient.” Danhasch, door deze woorden van Maimoune een weinig gerustgesteld, zeide nu: „Mijne waarde dame, ik zal u niets zeggen, dan hetgeen waarheid is; heb slechts de goedheid naar mij te luisteren. China, van waar ik kom, is een der grootste en magtigste koningrijken van de geheele aarde. De tegenwoordige koning noemt zich Gaïour, en deze koning heeft eene eenige dochter, de schoonste maagd, welke men ooit gezien heeft. Noch gij, noch ik, noch de geesten van uwe en mijne partij en geheel het menschdom te zamen, zouden woorden of uitdrukkingen kunnen vinden, die sterk genoeg zijn, ja, de hoogste welsprekendheid zou te kort schieten, om een flaauw beeld te schetsen van deze schoonste der schoonen. Zij heeft donkerbruin haar, zoo zacht als zijde en zoo lang, dat het tot op de voeten afhangt, daarbij in zulk een' weelderigen overvloed, dat het, in tressen gestrengeld en op haar hoofd te zamen geschikt, gelijkt aan een' dier schoone druiventrossen, wier druiven van uitstekenden glans en grootte zijn. Onder dit glansrijke haar vertoont zich een fraai gevormd voorhoofd, zoo wit als elpenbeen; hare gitzwarte oogen zijn gelijk aan fonkelende diamanten in het zonlicht; haar mond is klein en rood als bloedkoraal; hare tanden zijn gelijk twee rijen paarlen, maar overtreffen deze in schoonheid en witheid; en als zij hare lippen beweegt, om te spreken, hoort men toonen zoo zacht, zoo aangenaam en zoo welluidend, dat een ieder er door betooverd wordt, hare woorden zijn vol geest en leven. Het schoonste albast moet in glans en witheid bij haren hals en boezem achterstaan, zoodat gij gemakkelijk kunt opmaken, er ter wereld geene volmaaktere schoonheid is. Wie den koning haar vader niet goed kent, zou uit de vaderlijke teederheid, die hij de prinses toedraagt, kunnen denken, dat hij verliefd op haar is. Nooit heeft een minnaar voor zijne geliefde minnares gedaan, wat deze vader voor zijne dochter doet. Hij waakt voor haar met de zorg van een jaloerschen echtgenoot, en houdt haar in de strengste afzondering. Doch, opdat zij zich in die eenzaamheid niet zou vervelen, liet hij zeven paleizen voor haar bouwen, wier gelijken men op de gansche wereld te vergeefs zoude zoeken. Het eerste paleis is van bergkristal, het tweede van brons, het derde van fijn staal, het vierde van marmer, het vijfde van koper, het zesde van zilver en het zevende van zuiver goud. Elk paleis is op eene eigenaardige wijze met ongehoorde pracht gemeubeld. De daarbij behoorende tuinen zijn mede op onderscheidene wijze met smaak aangelegd; het ontbreekt er niet aan fraaije gras- en bloemperken, watervallen, fonteinen en schaduwrijke boschjes, door welker loover de stralen der zon niet zouden kunnen dringen, en waar zelfs op het heetste van den dag eene aangename koelte heerscht. In één woord, de koning Gaïour doet zien, dat vaderliefde alleen genoegzaam is, om ongehoorde schatten te verspillen.

Op het gerucht van de onvergelijkelijke schoonheid der prinses van China, zonden vele der magtigste naburige koningen hunne gezanten, om haar ten huwelijk te vragen. De koning van China ontving de gezanten met de grootste hoffelijkheid; maar daar hij zijne dochter niet wilde uithuwelijken dan met hare toestemming, en de prinses al deze partijen van de hand sloeg, moesten zij met eene beleefde weigering weder naar huis gaan, beter voldaan over de eer hun aangedaan, dan over den uitslag van hunne zending.

„Sire,” zeide de prinses bij dergelijke voorstellen tot den koning, haren vader, „gij wilt mij uithuwelijken, en gelooft mij daarmede een groot genoegen te doen, maar waar elders dan bij uwe majesteit zal ik zulke prachtige paleizen en heerlijke tuinen vinden? Ik voeg hierbij, dat ik volgens uw koninklijk welbehagen tot niets gedwongen ben, wat mij minder aangenaam zou kunnen zijn, en dat men mij de zelfde eerbewijzen betoont als aan uw' persoon. Dit zijn voordeelen, die ik nergens elders in de gansche wereld zal terugvinden, aan welken echtgenoot ik mij ook verbinde. De mannen willen altoos de meesters zijn, en mijn hoofd staat er niet naar, om mij te laten bevelen.”

Ten laatste kwam er een gezantschap van een' koning, rijker en magtiger dan allen, die zich tot dus verre hadden opgedaan. De koning van China sprak hierover met zijne dochter, en hield haar voor, hoe voordeelig het voor haar zijn zou, dezen vorst tot echtgenoot te nemen. De prinses smeekte hem, haar daarvan te willen verschoonen, en bragt voor hare weigering de zelfde redenen van vroeger bij. Haar vader drong dit maal bijzonder sterk aan; in plaats echter van toe te geven, verloor de prinses allen eerbied uit het oog, welke zij aan haren koning en vader verschuldigd was. „Sire,” zeide zij toornig, „spreek mij niet meer over dat huwelijk, noch over eenig ander, of ik stoot mij een' dolk in het hart, om mij van den last te ontslaan, dien gij mij aandoet.”

De koning van China, ten hoogste verbitterd over dit onbetamelijk gedrag van de prinses, gaf daarop ten antwoord: „Dochter, gij hebt uw verstand verloren, en ik zal met u als met eene krankzinnige handelen.” Die bedreiging bleek niet ijdel te zijn; hij liet de prinses in eene der vertrekken van zijn paleis opsluiten, en gaf haar slechts tien oude vrouwen tot gezelschap, om haar te dienen, waaronder hare voedster was. Tevens zond hij boden aan de koningen, die zijne dochter ten huwelijk hadden laten vragen, om hun kennis te geven, dat de prinses een' onverwinnelijken afkeer voor elk huwelijk aan den dag legde, en dat hij vreesde, zij niet wel bij hare zinnen was. Hij liet ook aan al die hoven door zijne gezanten bekend maken, dat indien zich daar een geneesheer bevond, die zich bekwaam achtte, om zijne dochter te genezen, deze slechts had over te komen, en hij hem dan als belooning de prinses tot vrouw zou geven.

Schoone Maimoune,” vervolgde de geest, „zoo is het thans aan het hof van China gesteld. Ik verzuim niet de onvergelijkelijke schoonheid dagelijks te aanschouwen, want niettegenstaande mijn boos karakter, zou het mij spijten, haar het minste leed te doen. Ik bid u, kom haar zien, gij zult u niet teleurgesteld vinden, en mij dankbaar zijn, dat ik u eene prinses heb laten zien, die haars gelijken in schoonheid niet heeft. Gij hebt mij slechts te bevelen, ik ben bereid u tot gids te dienen.”

In plaats van hierop te antwoorden barstte Maimoune in een schaterend lagchen uit, zoodat Danhasch, niet wetende, waaraan hij dat uitbundig lagchen van de toovernimf moest toeschrijven, haar met de uiterste bevreemding aanstaarde. Toen die lachbuijen zich verscheidene malen herhaald hadden, zonder dat zij tot bedaren scheen te kunnen komen, riep zij eindelijk uit: „Dat is om iemand dood te doen lagchen! Ik meende, dat gij mij iets zeer bijzonders zoudt hebben te vertellen, zooals gij ook gezegd hebt, en nu spreekt gij mij van eene schoone krankzinnige: wel foei, wel foei! Wat zoudt gij dan wel zeggen, indien gij gelijk ik den schoonen prins gezien hadt, dien ik zoo straks aanschouwd heb, en dien ik lief heb gelijk hij dit waardig is? Op mijn woord, dat is nog heel wat anders dan uwe prinses, waarvan gij zoo veel ophef maakt.”

„Vriendelijke Maimoune,” hernam Danhasch, „mag ik mij verstouten u te vragen, wie die prins is, van wien gij mij spreekt?” „Hij is,” zeide Maimoune, „de jonge prins Camaralzaman, de eenige zoon van den koning van het eiland der kinderen van Khaladan. Hem is bijna het zelfde bejegend, als aan de prinses waarvan gij mij gesproken hebt. Zijn vader wilde hem met alle geweld doen trouwen, en nadat deze hem lang daarmede gekweld had, verklaarde de prins rond weg, dat hij niet wilde. Dit is de oorzaak, waarom hij thans gevangen zit in den ouden toren, waar ik mijn verblijf heb, en waar ik het geluk genoot, hem te aanschouwen en te bewonderen.”

„Ik wil u volstrekt niet tegenspreken,” hernam Danhasch, „maar gij zult mij toch wel veroorloven, schoone dame, te gelooven, dat geene sterveling mijne prinses in schoonheid kan evenaren, zoolang ik uwen prins niet gezien heb.” „Zwijg, booze geest,” viel Maimoune uit, „ik zeg u nogmaals, dat dit niet waar kan zijn!” „Ik wil tegen u niet stijfhoofdig zijn,” ging Danhasch voort, „gij kunt u overtuigen, of ik u te veel gezegd heb, door mijne prinses te gaan zien, en mij vervolgens uwen prins te toonen.”

„Het is niet noodig dat ik mij die moeite geef,” hernam Maimoune, „er bestaat een ander middel, om ons beiden daartoe in de gelegenheid te stellen. Ga uwe prinses halen en wij zullen haar aan de zijde van mijnen prins leggen; op die wijze zal het ons gemakkelijk vallen, eene vergelijking te maken, en onzen twist te beslechten.”

Danhasch bewilligde in het verlangen der toovernimf, en spreidde zijne vleugelen uit, met het doel, om dadelijk naar China terug te vliegen. Maimoune hield hem echter tegen. „Wacht nog,” zeide zij, „dat ik u eerst den toren zal hebben aangewezen, waar gij de prinses moet brengen.” Beiden vlogen nu naar den toren. „Ga nu uwe prinses halen,” sprak zij, „en spoed u; ik zal u hier afwachten.”

De geest scheidde daarop van de toovernimf, vloog naar China en kwam met ongeloofelijken spoed terug, beladen met de schoone en slapende prinses. Maimoune ontving haar, en bragt haar in de kamer van den prins Camaralzaman, waar zij haar aan zijne zijde op het rustbed nederlegde.

Toen nu de prins en de prinses beide slapende, en dus zonder daarvan bewust te zijn, neven elkander lagen, had er een lange tweestrijd plaats tusschen den geest en de toovernimf, aan wie van deze twee wonderen van menschelijke schoonheid den appel van Paris regtmatig toekwam. Zij bragten een' geruimen tijd door in zwijgend aanschouwen, bewonderen en vergelijken. Danhasch brak het eerst deze stilte af. „Gij ziet het nu,” zeide hij tot Maimoune, „en ik heb het u ook wel gezegd, dat mijne prinses schooner is dan uw prins. Kunt gij er thans nog aan twijfelen?”

„Hoe, of ik er aan twijfel!” riep Maimoune, „wel zeer zeker doe ik dat. Gij moet met blindheid geslagen zijn, om niet te kunnen zien, dat mijn prins het in schoonheid van uwe prinses verreweg wint. Ik ontken daarom niet, dat ook uwe prinses schoon is; maar vergelijk naauwkeurig en zonder vooringenomenheid, den een' tegen de andere, dan zult gij de zaak bevinden zooals ik u zeg.”

„Al nam ik er ook een jaar toe,” hernam Danhasch, „om hen te aanschouwen en te vergelijken, ik zou er niet anders over denken, dan ik thans doe. Wat ik met den eersten oogopslag reeds gezien heb, zal ik niet anders vinden, al keek ik er mij blind op. Dit belet echter niet, bekoorlijke Maimoune, dat ik, indien gij zulks wenscht, het u gaarne gewonnen wil geven.” „Neen! neen!” riep Maimoune, „het zal niet gezegd kunnen worden, dat ik van een' boozen geest, gelijk gij zijt, eene gunst heb aangenomen. Ik stel de zaak in handen van een' scheidsman, en indien gij daar niet in toestemt, zoo zal ik uwe weigering beschouwen, als eene bekentenis, dat ik het gewonnen heb.”

Danhasch, gereed alles toe te geven, wat Maimoune van hem mogt verlangen, gaf ook nu bereidwillig zijne toestemming. Maimoune trapte daarop met den voet op den grond. Deze spleet van een, en een afzigtelijke geest kwam te voorschijn. Hij was gebogcheld, éénoogig en kreupel, had zes horens op zijn' dikken kop, zijne handen en voeten waren zoo krom als haken, en de nagels aan teenen en vingers als vogelklaauwen. De aarde sloot zich vervolgens weder digt. Zoodra hij Maimoune zag, wierp hij zich aan hare voeten; en de eene knie buigende, vroeg hij haar, wat zij van haren zeer nederigen dienaar begeerde.

„Sta op, Casch-Casch,” zeide zij, „ik heb u hier doen komen, om scheidsman te zijn in een geschil, dat ik met dezen ondeugenden Danhasch heb. Sla uw oogen op dat rustbed, en zeg ons onpartijdig, wie u toeschijnt de schoonste te zijn, die jongeling of deze jonge dame.”

Casch-Casch staarde op den prins en de prinses met alle teekenen van verrassing en bewondering. Na hen naauwkeurig te hebben beschouwd, zonder tot een besluit te kunnen komen, zeide hij tot Maimoune: „Mevrouw, ik zou u moeten misleiden en tegen mijn gemoed spreken, indien ik zeide, dat ik den eenen schooner vond dan de andere. Hoe langer ik hen bezie, des te meer komt het mij voor, dat zij beiden eene volmaakte schoonheid bezitten, en ik kan zelfs niet het minste gebrek ontdekken, waardoor men zou kunnen zeggen, dat de een volmaakter is dan de andere. Om hieromtrent tot eene beslissing te geraken, weet ik u geen' anderen raad te geven, dan de eene na den anderen wakker te maken, en dat gij te zamen overeenkomt, dat diegene welke de meeste drift en hartstogt zal doen blijken, de minst reine van hart, en alzoo in zekeren zin de minst volmaakte is.”

De raad van Casch-Casch behaagde zoowel aan zijne meesteres als aan Danhasch. Maimoune veranderde zich in eene vloo en sprong op den hals van Camaralzaman. Zij prikte hem zoo hevig, dat hij ontwaakte en de hand aan die plaats bragt, maar zonder haar te vatten. Maimoune had zich door een' snellen sprong uit den weg gemaakt, en nam nu hare gewone gestalte weder aan, om te zien wat de prins doen zou. Zij had zich echter, even als de beide andere geesten, onzigtbaar gemaakt.

Toen de prins zijne hand terugtrok, liet hij deze vallen, en wel juist op die van de prinses van China. Hij opende nu de oogen, en keek zeer verwonderd op, eene vrouw aan zijne zijde te vinden, en wel zulk een schoone vrouw! Hij ligtte het hoofd op, om haar beter te kunnen opnemen. De jeugd van de prinses en hare onvergelijkelijke schoonheid ontstaken op dit oogenblik een vuur in zijne borst, zooals hij nog nimmer ontwaard had. De liefde had hem op éénmaal van zijn' afkeer van de vrouwen genezen; hij kon zijne oogen niet afhouden van zijne schoone gezellin, en zich niet bedwingen uit te roepen: „Hoe schoon, hoe bekoorlijk is zij! Mijne eenige geliefde! mijne ziel! mijn alles! kom aan mijne borst en in mijne armen?” Dit zeggende, kuste hij haar op het voorhoofd, op beide wangen en voor den mond, en wel met zoo weinig voorzorg, dat de prinses zou ontwaakt zijn, indien niet Danhasch haren slaap door betoovering verzwaard had.

„Hoe! mijne schoone dame,” sprak de prins, „ontwaakt gij niet bij deze liefdeblijken van den prins Camaralzaman? Wie gij ook zijn moogt, hij is uwe wedermin niet onwaardig.” Hij wilde haar nu voor goed wakker maken, maar eensklaps bezon hij zich. „Zij is zeker,” zeide hij in zich zelven, „degene, welke de sultan, mijn vader, mij ten huwelijk wil geven. Hij heeft niet goed gehandeld, mij haar niet eerder te laten zien. Ik zou hem dan niet beleedigd hebben door mijne ongehoorzaamheid, en hij zou zich zelven de beleediging bespaard hebben, die ik hem door mijne weigering in den raad toevoegde.” De prins Camaralzaman had nu berouw over zijne vroegere dwaasheid, zooals hij het thans noemde, en andermaal stond hij op het punt, de prinses van China te wekken, toen hem eene nieuwe gedachte voor den geest kwam. „Wie weet,” zeide hij, „of de sultan, mijn vader, mij niet tracht te verstrikken? Ongetwijfeld heeft hij deze jonge dame gezonden, om mij te beproeven, of ik werkelijk zoo afkeerig van het huwelijk ben, als ik heb voorgegeven. Wie weet of hij haar niet zelf heeft hier gebragt, en zich hier of daar verborgen houdt, om zich ter zijner tijd te vertoonen, en mij te beschamen wegens mijne veinzerij? Deze tweede fout zou nog veel grooter zijn dan de eerste. Om zeker te gaan, zal ik mij dus vergenoegen met dezen ring, dien ik als eene gedachtenis wil behouden.” Het was een zeer kostbare ring, welke de prinses van China aan den vinger had. De prins trok hem daar met handigheid af, en stelde den zijne in de plaats. Dadelijk daarop legde hij zich weder neder, en sliep door de tooverkracht der geesten weldra even vast als vroeger.

Zoodra de prins Camaralzaman in een' vasten slaap lag, veranderde Danhasch op zijne beurt zich in eene vloo, en beet de prinses in de onderlip. Zij sprong met schrik op, ging overeind zitten, wreef zich de oogen, en was zeer verbaasd zich aan de zijde van een' jongeling te bevinden. Van die bevreemding ging zij tot bewondering over, en tot eene ontboezeming harer blijdschap, toen zij zag, dat het zulk een welgemaakt en beminnelijk jongman was.

„Wat!” riep zij, „zijt gij het, dien de koning, mijn vader mij tot echtgenoot had bestemd? Het is wel ongelukkig, dat ik dit niet geweten heb; ik zou mij dan niet verzet hebben, noch zoo lang verstoken zijn geweest van een' echtgenoot, dien ik niet kan nalaten met geheel mijn hart te beminnen. Ontwaak dus! ontwaak mijn geliefde!”

Dit zeggende, nam de prinses den prins Camaralzaman bij de armen, en schudde hem zoo hevig, dat hij had moeten ontwaken, indien niet Maimoune hare tooverkracht op hem verdubbeld had. De prinses liet intusschen niet af, hem bij herhaling te schudden en aan te stooten, en ziende, dat hij maar niet wakker was te krijgen, zeide zij: „Hoe nu! wat is er met u gebeurd? Heeft een medeminnaar, jaloersch over uw geluk en het mijne, zijne toevlugt tot de tooverkunst genomen, en heeft hij u in een' onverstoorbaren slaap gedompeld?” Zij vatte zijne hand, en die met teederheid aan hare lippen brengende en kussende, bespeurde zij den ring dien hij aan den vinger had. Zij vond dezen zoo zeer gelijk aan den hare, dat zij onwillekeurig naar haren vinger zag, en nu bemerkte, dat men de ringen verwisseld had. Vermoeid van de vergeefsche pogingen, die zij aanwendde, om den prins te wekken, en in de vaste meening, dat dit alles de beschikking van haar' vader was, zeide zij: „Daar gij zoo vast slaapt, wil ik niet langer trachten uwen slaap te storen; tot morgen dus!” En na hem bij deze laatste woorden nog een kus' op de wang te hebben gedrukt, legde zij zich weder neder, en sliep spoedig in.

Toen Maimoune bemerkte, dat zij kon praten zonder te vreezen, dat de prinses van China daardoor zou ontwaken, zeide zij tot Danhasch: „Welnu Danhasch, hebt gij het gezien? En zijt gij nu eindelijk overtuigd, dat uwe prinses minder schoon is, dan mijn prins? Ga; ik wil u de weddingschap, welke gij mij schuldig zijt, wel schenken; maar wanneer ik u op een anderen tijd iets verzeker, geloof mij dan.” Hierop wendde zij zich tot Casch-Casch. „Wat u aangaat,” sprak zij, „ik bedank u. Neem met Danhasch de prinses op, en breng haar te zamen in haar eigen verblijf terug.” Beiden volbragten het bevel van Maimoune met spoed. Zij bleef alleen achter, en begaf zich weder in haren put.

Zoodra de prins Camaralzaman den volgenden morgen ontwaakte, keek hij of de dame, welke hij dien nacht bij zich had gevonden, nog aan zijne zijde was. Toen hij bemerkte, dat zij verdwenen was, zeide hij in zich zelven: „Ik heb wel gedacht dat het een strik was, dien mijn vader mij wilde spannen, en ik heb het aan mijne voorzigtigheid te danken, dat ik er aan ontkomen ben. Wat zou hij mij hebben uitgelagchen!”—Hij riep vervolgens zijn' slaaf, liet zich aankleeden, en een waschbekken met water te brengen. Na zich gewasschen te hebben, nam hij een boek en ging als gewoonlijk zitten lezen, zonder met een enkel woord over het voorgevallene in dien nacht te spreken. Eerst na afloop van zijne gewone morgenbezigheden riep hij den slaaf. „Kom bij mij,” zeide hij, „en lieg niet. Hoe is de jonge dame, die dezen nacht in mijne kamer is geweest, hier gekomen, en wie heeft haar hier gebragt?” „Prins,” antwoordde de slaaf met de grootste verbazing, „van welke dame spreekt gij?” „Van haar,” hernam de prins, „welke dezen nacht hier was en hier geslapen heeft.” „Prins,” zeide de slaaf, „ik zweer u, dat ik er niets van weet noch begrijp. Hoe zou die dame hier hebben kunnen binnen komen, daar ik, zoo als gij weet, vóór de deur slaap.”

„Schelm, gij liegt!” riep de prins, opstuivende, „gij hebt u laten omkoopen, om mij te kwellen en razend te maken.” Te gelijk gaf hij den slaaf een' oorvijg, dat hij op den grond viel. Vervolgens bond hij hem het puttouw onder de armen vast, liet hem in den put afzakken, en dompelde hem herhaalde malen onder water. „Ik zal u verdrinken!” schreeuwde de prins, bij de toediening van dit bad, „indien gij mij niet dadelijk zegt, wie die dame is, en wie haar hier heeft gebragt.”

De slaaf ter halver lijve in het water hangende, en aan de gramschap van zijn' meester overgeleverd, zeide tot zich zelven: „De prins is zeker krankzinnig geworden, uit spijt dat hij hier is opgesloten; hij is in staat zijne bedreiging uit te voeren, en niets dan een leugen kan mij redden.” „Prins,” riep hij nu op smeekenden toon, „ik bid u, schenk mij slechts het leven, en ik zal alles bekennen, wat ik weet.” De prins trok hem nu uit den put op, en drong er op aan, dat hij met zijne bekentenis onmiddelijk voor den dag zou komen. „Prins,” sprak de slaaf, die op zijne beenen stond te beven, „zie in welken toestand ik mij bevind, en geef mij zoo veel tijd, dat ik van kleed verwissele.” „Ik wil u dat toestaan,” antwoordde Camaralzaman, „maar maak voort, en neem u wel in acht, iets voor mij te verbergen.” De slaaf verliet de kamer, maar grendelde de deur achter zich digt, en liep onmiddelijk naar het paleis.