Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Vierde deel

Part 19

Chapter 193,347 wordsPublic domain

+--------------------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: | | | | Bron (B:) -- Correctie (C:) | | | | B: gij zoo vurig verlangt. | | C: gij zoo vurig verlangt.” | | B: mogen onderwijzen Zij leerden | | C: mogen onderwijzen. Zij leerden | | B: moeten komen In plaats van met | | C: moeten komen. In plaats van met | | B: spreken. Hier hield de prins op, | | C: spreken.” Hier hield de prins op, | | B: geval zal zijn De zaak is | | C: geval zal zijn. De zaak is | | B: Camaralzamen had plaats gevonden, | | C: Camaralzaman had plaats gevonden, | | B: hem wilde toepassen. „Mevrouw, ging | | C: hem wilde toepassen. „Mevrouw,” ging | | B: nieuwe weigering was „Mevrouw,” | | C: nieuwe weigering was. „Mevrouw,” | | B: de bewuste huwelijkzaak weder op | | C: de bewuste huwelijkszaak weder op | | B: „Mijn zoon, zeide zij, | | C: „Mijn zoon,” zeide zij, | | B: geslacht, dat met voo veel roem | | C: geslacht, dat met zoo veel roem | | B: voorkwam Maimoune „Gevreesde Maimoune!” | | C: voorkwam Maimoune. „Gevreesde Maimoune!” | | B: zoeken Het eerste paleis is van | | C: zoeken. Het eerste paleis is van | | B: voor elk huweluk aan den dag | | C: voor elk huwelijk aan den dag | | B: want niet tegenstaande mijn boos | | C: want niettegenstaande mijn boos | | B: antwoorden barstte Maimone in een | | C: antwoorden barstte Maimoune in een | | B: niet; dat ook uwe prinses | | C: niet, dat ook uwe prinses | | B: geest kwam te voorschijn Hij was | | C: geest kwam te voorschijn. Hij was | | B: volmaakte is” | | C: volmaakte is.” | | B: Dit zeggende, kustte hij haar op het | | C: Dit zeggende, kuste hij haar op het | | B: den raad toevoegde. De prins Camaralzaman | | C: den raad toevoegde.” De prins Camaralzaman | | B: mij dan.” Hierop wendde hij | | C: mij dan.” Hierop wendde zij | | B: zijn' groot-vizier, een zeer treurig | | C: zijn' groot-vizier, „een zeer treurig | | B: geloerd hebt, zeer goed afgespeeld, | | C: geleerd hebt, zeer goed afgespeeld, | | B: hem vernemen zou „Welnu,” vroeg de | | C: hem vernemen zou. „Welnu,” vroeg de | | B: gesteld is, zeide hij met een' | | C: gesteld is,” zeide hij met een' | | B: zag nu den groot vizier aan, alsof | | C: zag nu den groot-vizier aan, alsof | | B: „Sire, gaf de prins ten | | C: „Sire,” gaf de prins ten | | B: kwamen toeschieten Zij omringden haar | | C: kwamen toeschieten. Zij omringden haar | | B: het oog. „Mevrouw, zeide zij, „de | | C: het oog. „Mevrouw,” zeide zij, „de | | B: de schoonste en welgemaakste ridder | | C: de schoonste en welgemaaktste ridder | | B: vallen. „Sire, zeide zij tegen haren | | C: vallen. „Sire,” zeide zij tegen haren | | B: mag laten zien.” „Dochter, hernam | | C: mag laten zien.” „Dochter,” hernam | | B: Schahzaman. „Sire, zeide hij, | | C: koning van China. „Sire,” zeide hij, | | B: aan de naburige hoven bekendmaken | | C: aan de naburige hoven bekendmaken. | | B: de diepte der zee te werpen. | | C: de diepte der zee te werpen.” | | B: honderd vijftig sterrekijkers | | C: honderd-vijftig sterrekijkers | | B: getrokken had | | C: getrokken had. | | B: daar ten toon gesteld waren Zoodra | | C: daar ten toon gesteld waren. Zoodra | | B: steeds hartelijk liefhad Hij zond | | C: steeds hartelijk liefhad. Hij zond | | B: zeide zij toen, ik kan u dit | | C: zeide zij toen, „ik kan u dit | | B: paleis De gesnedene niet anders | | C: paleis. De gesnedene niet anders | | B: zeide zij tot hem, en ontbloot uw | | C: zeide zij tot hem, „en ontbloot uw | | B: worstelden, drong hen in de ooren, | | C: worstelden, drongen hen in de ooren, | | B: men hem aan den groot vizier voor, | | C: men hem aan den groot-vizier voor, | | B: rouw dompelt” „Indien ik met de | | C: rouw dompelt.” „Indien ik met de | | B: slagen. „Gij prins, ging hij voort, | | C: slagen. „Gij prins,” ging hij voort, | | B: van den koning Schazaman vierden feest. | | C: van den koning Schahzaman vierden feest. | | B: maken Toen alles gereed was, omhelsde | | C: maken. Toen alles gereed was, omhelsde | | B: verwijderden de prins Camaralzamen en Marzavan, | | C: verwijderden de prins Camaralzaman en Marzavan, | | B: De prins van Marzavan, ruim voorzien | | C: De prins en Marzavan, ruim voorzien | | B: zou hebben gedaan Maar hoe zulks | | C: zou hebben gedaan. Maar hoe zulks | | B: prins Camaralzaman, ik ben uwer majesteit | | C: prins Camaralzaman, „ik ben uwer majesteit | | B: weder in te halen „Wat loopt gij | | C: weder in te halen. „Wat loopt gij | | B: spottenden toon!] terwijl hij hem | | C: spottenden toon, terwijl hij hem | | B: vinden. Onder dit gesprek kwamen | | C: vinden.” Onder dit gesprek kwamen | | B: ik ook verlang, hernam de prins, | | C: ik ook verlang,” hernam de prins, | | B: haar te zien” Hij verhaalde vervolgens | | C: haar te zien.” Hij verhaalde vervolgens | | B: deed het hem openen Hij | | C: deed het hem openen. Hij | | B: niet kende „Deze kornalijn” sprak hij | | C: niet kende. „Deze kornalijn”, sprak hij | | B: drong. De prins scheen hiervan | | C: droeg. De prins scheen hiervan | | B: zich zelven, hoe zal ik terugkeeren? | | C: zich zelven, „hoe zal ik terugkeeren? | | B: te brengen onder den boom; waarop | | C: te brengen onder den boom, waarop | | B: in te wachten Maar ook steeds | | C: in te wachten. Maar ook steeds | | B: het kamp terugvindne, en was misschien | | C: het kamp terugvinden, en was misschien | | B: schuilplaats heeft doen aanlanden. | | C: schuilplaats heeft doen aanlanden.” | | B: geen begrip vormen Hoe groot echter | | C: geen begrip vormen. Hoe groot echter | | B: den vader toedroeg Hij ging hem met | | C: den vader toedroeg. Hij ging hem met | | B: zijn' vader zou aantreffen | | C: zijn' vader zou aantreffen. | | B: toorn, en willigt aan de wraakzucht | | C: toorn, en welligt aan de wraakzucht | | B: Badoura haren boezem. „Oordeel nu | | C: Badoura haren boezem. „Oordeel nu, | | B: roover werpende, gij leefdet om | | C: roover werpende, „gij leefdet om | | B: prinses,” juichte hij, dit gelukkige | | C: prinses,” juichte hij, „dit gelukkige | | B: een' gerusten slaap; zooals hij in | | C: een' gerusten slaap, zooals hij in | | B: zou willen toeëigenen, Dan | | C: zou willen toeëigenen, dan | | B: vazen voor zijn aandeel Na deze | | C: vazen voor zijn aandeel. Na deze | | B: had terug gekregen De tuinman zag | | C: had terug gekregen. De tuinman zag | | B: alleen ter aarde. Vervolgens spoede | | C: alleen ter aarde. Vervolgens spoedde | | B: dat hem ter hand komen. | | C: dat hem ter hand komen.” | | B: niet op,” zeide de prinses hem op | | C: niet op,” zeide de prinses, hem op | | B: welk toeval, de talisman aanleiding | | C: welk toeval de talisman aanleiding | | B: hem te zerzoeken, haar met | | C: hem te verzoeken, haar met | | B: „Sire, ging de prinses voort, | | C: „Sire,” ging de prinses voort, | | B: tot den prins Camaralzaman, zeide hij; | | C: tot den prins Camaralzaman, zeide hij: | | B: troon te bestijgen. „Sire,” antwoordde | | C: troon te bestijgen.” „Sire,” antwoordde | | B: zoo hadden zij, de zelfde officieren, | | C: zoo hadden zij de zelfde officieren, | | B: van de koningin Haïatalnefous Amgiad | | C: van de koningin Haïatalnefous. Amgiad | | B: hij uitriep: „Hoe! trouwelooze, betracht | | C: hij uitriep: „Hoe, trouwelooze, betracht | | B: aan u wilden vergrijpen Doch uwe majesteit | | C: aan u wilden vergrijpen. Doch uwe majesteit | | B: moest gehoorzamen Hij haalde de prinsen | | C: moest gehoorzamen. Hij haalde de prinsen | | B: de prin-een, „en wel, dat gij | | C: de prinsen, „en wel, dat gij | | B: broeder,” antwoorde Assad; „voor de | | C: broeder,” antwoordde Assad; „voor de | | B: wiep. Toen het roofdier echter | | C: wierp. Toen het roofdier echter | | B: gezegd kunnen worden; dat de emir Giondar | | C: gezegd kunnen worden, dat de emir Giondar | | B: nimmer toe overgaan, sprak hij | | C: nimmer toe overgaan,” sprak hij | | B: onderrigt is geweest.” | | C: onderrigt is geweest.”” | | B: bevende hand taste hij nu ook | | C: bevende hand tastte hij nu ook | | B: zelven kwam. Hij sloog zich op de borst, | | C: zelven kwam. Hij sloeg zich op de borst, | | B: zoo hoog en stijl | | C: zoo hoog en steil | | B: „Broeder, zeide hij tot Amgiad, | | C: „Broeder,” zeide hij tot Amgiad, | | B: hier sterven. Rust hier uit, | | C: hier sterven.” „Rust hier uit, | | B: bij hem neder, maar laat den moed | | C: bij hem neder, „maar laat den moed | | B: half uur rustens, deed Assad eene | | C: half uur rustens deed Assad eene | | B: gaat naar het u bewuste kerkerhol; | | C: „gaat naar het u bewuste kerkerhol; | | B: aanbidsters van het vuur te zijn. | | C: aanbidsters van het vuur te zijn.” | | B: van den berg wachten Hij durfde die | | C: van den berg wachten. Hij durfde die | | B: te verstrikken; opdat gij uitgaande, | | C: te verstrikken, opdat gij uitgaande, | | B: nemen Amgiad ten hoogste bedroefd | | C: nemen.” Amgiad, ten hoogste bedroefd | | B: bieden. „Mejufvrouw, gaf hij zonder | | C: bieden. „Mejufvrouw,” gaf hij zonder | | B: halen. De dame nog meer vermoeid | | C: halen. De dame, nog meer vermoeid | | B: gij ziet, mejufvrouw,” antwoordde de | | C: gij ziet, Mejufvrouw,” antwoordde de | | B: Amgiad de deur open ziende, beschouwde | | C: Amgiad, de deur open ziende, beschouwde | | B: riep de dame, of moet ik u halen? | | C: riep de dame, „of moet ik u halen? | | B: afwachten, als daar buiten” | | C: afwachten, als daar buiten.” | | B: was net bestraat. en kwam in eene | | C: was net bestraat, en kwam in eene | | B: zijn op uwe beminde Verleen mij | | C: zijn op uwe beminde. Verleen mij | | B: het daar niet aan Laat ons | | C: het daar niet aan. Laat ons | | B: voortgesteld, besloot hij eene grap | | C: voorgesteld, besloot hij eene grap | | B: misleidde. „Prins, zeide hij daarom, | | C: misleidde. „Prins,” zeide hij daarom, | | B: in gezelschap vond Hij wierp zich aan | | C: in gezelschap vond. Hij wierp zich aan | | B: antwoord, wat verlangt gij?” | | C: antwoord, „wat verlangt gij?” | | B: „Dat zal ik, antwoordde Amgiad. | | C: „Dat zal ik,” antwoordde Amgiad. | | B: „Prins,” zeide Bahader van dankbaarheid | | C: „Prins,” zeide Bahader, van dankbaarheid | | B: den prins nu dui-lijk, dat zijn | | C: den prins nu duidelijk, dat zijn | | B: den schuldige boet” Zonder verdere | | C: den schuldige boet.” Zonder verdere | | B: stroomde, en hem dus den weg wees | | C: stroomde, en hem dus den weg wees. | | B: opregtheid van den verhaler. „Prins, | | C: opregtheid van den verhaler. „Prins,” | | B: geheele rijk te laten opsporen. | | C: geheele rijk te laten opsporen.” | | B: te kunnen aan- eggen. Bovenal gaf | | C: te kunnen aanleggen. Bovenal gaf | | B: aan haar te verkoopen Ik wil hem dan | | C: aan haar te verkoopen. Ik wil hem dan | | B: hij als scheepschrijver moest voorkomen, | | C: hij als scheepsschrijver moest voorkomen, | | B: Behram verstoord over de gemeenzaamheid, | | C: Behram, verstoord over de gemeenzaamheid, | | B: en sprak: „Groot magtige koningin, | | C: en sprak: „Grootmagtige koningin, | | B: dem muur in de sloep bragt. | | C: den muur in de sloep bragt. | | B: de sloep eenen jubelkreet aan | | C: de sloep eenen jubelkreet aan. | | B: er echter meer, dan een half uur | | C: er echter meer dan een half uur | | B: De koningin Magiane ging zelve | | C: De koningin Margiane ging zelve | | B: zeggende wierp hij zich als | | C: zeggende, wierp hij zich als | | B: zoodat hij hand noch, vinger verroeren | | C: zoodat hij hand noch vinger verroeren | | B: met een kleed overdekte, op eene draagbaar | | C: met een kleed overdekt, op eene draagbaar | | B: zieke matroos was Hij zou deze | | C: zieke matroos was. Hij zou deze | | B: mede te deelen Dit verslag deed | | C: mede te deelen. Dit verslag deed | | B: gedaan had Zijn klagen en kermen, | | C: gedaan had. Zijn klagen en kermen, | | B: werktuig harer wreedheid van zich, „ik | | C: werktuig harer wreedheid, van zich, „ik | | B: heb, Mijn gevoel verzette er | | C: heb. Mijn gevoel verzette er | | B: hetgeen zij mij met goeden uitlag heeft | | C: hetgeen zij mij met goeden uitleg heeft | | B: voornemens te versterken Na haar zijnen | | C: voornemens te versterken. Na haar zijnen | | B: te hebben, deed, hij haar een | | C: te hebben, deed hij haar een | | B: werd gevolgd, wilde Bastame zich | | C: werd gevolgd, wilde Bastane zich | | B: en aanhooren Zij bemerkte al spoedig | | C: en aanhooren Zij bemerkte al spoedig | | B: die zich nog niet ver- van | | C: die zich nog niet ver van | | B: zijnen eersten staats minister, en maakte | | C: zijnen eersten staats-minister, en maakte | | B: Ebbenhout-eiland bij Camaralzaman, hunnen | | C: Ebbenhout eiland bij Camaralzaman, hunnen | | B: bevolking der hoofstad in beweging | | C: bevolking der hoofdstad in beweging | | B: majesteit nederlegd, doch nu er | | C: majesteit nedergelegd, doch nu er | | B: het antwoord, „Gaiour, koning van | | C: het antwoord, „Gaïour, koning van | | B: zich verpligten. | | C: zich verpligten.” | | B: en gelastte zijnen zonen | | C: en gelastte zijne zonen | | B: plaatse, hunne terugkomst zou | | C: plaatse hunne terugkomst zou | | B: daarvan zeer aan u verpligten. | | C: daarvan zeer aan u verpligten.” | | B: zijnde leger, geen ander | | C: zijnde leger geen ander | | B: vorst het in persoon aanvoerde | | C: vorst het in persoon aanvoerde | | B: vaderliefde, zich in al | | C: vaderliefde zich in al | | B: Haroun-al-Raschid, regeerde aldaar | | C: Haroun-Al-Raschid, regeerde aldaar | | B: met de dieren gelijk stellen. | | C: met de dieren gelijk stellen.” | | B: naar wenschte, op te sporen. | | C: haar wenschte, op te sporen. | | B: koopman was aangenomen, die eene | | C: koopman was aangekomen, die eene | | B: zij zeker allen overtrof. | | C: zij zeker allen overtrof, | | B: verlangde hoedanigheden overtrof Hij | | C: verlangde hoedanigheden overtrof. Hij | | B: „Heer” antwoordde de makelaar, „de | | C: „Heer,” antwoordde de makelaar, „de | | B: zou men haars gelijken zoeken. | | C: zou men haars gelijken zoeken.” | | B: een zijner bedieden naar de karavanserai, | | C: een zijner bedienden naar de karavanserai, | | B: opvatte, en dienstig, vond deze | | C: opvatte, en dienstig vond deze | | B: tegen te gaan. „Mijn zoon, | | C: tegen te gaan. „Mijn zoon,” | | B: vizier gaf zich, in deze zaak te | | C: vizier gaf zich in deze zaak te | | B: Khassan had toegeschenen, zoo zelfs, | | C: Khasan had toegeschenen, zoo zelfs, | | B: schaduw gesteld te worden.” „Mavrouw,” | | C: schaduw gesteld te worden.” „Mevrouw,” | | B: en deze haastte zich het benoodigde | | C: en deze haastten zich het benoodigde | | B: niet vergeten Mevrouw, hernam nogmaals de | | C: niet vergeten Mevrouw,” hernam nogmaals de | | B: hare slavinnen bersten in een luid | | C: hare slavinnen berstten in een luid | | B: zeer droefgeestig te zijn Hij | | C: zeer droefgeestig te zijn. Hij | | B: volstrekt weten; wat hier is voorgevallen, | | C: volstrekt weten, wat hier is voorgevallen, | | B: ten geschenke gegeven Zijn zoon, | | C: ten geschenke gegeven. Zijn zoon, | | B: viziersvrouw ten antwoord „ik kan niet | | C: viziersvrouw ten antwoord, „ik kan niet | | B: zijt geworden De koning zal u op uw woord | | C: zijt geworden. De koning zal u op uw woord | | B: regterstoel zullen moeten verschijnen. | | C: regterstoel zullen moeten verschijnen.” | | B: kustte die, om daardoor het bewijs | | C: kuste die, om daardoor het bewijs | | B: met de wetten der zamenleving; indien wij | | C: met de wetten der zamenleving, indien wij | | B: gevoel dat medebrengt Wanneer | | C: gevoel dat medebrengt. Wanneer | | B: In het beging ging alles goed, | | C: In het begin ging alles goed, | | B: „Heer,” zeide zij dan tot hem | | C: „Heer,” zeide zij dan tot hem, | | B: zonder er vrienden op te onthalen. | | C: zonder er vrienden op te onthalen.” | | B: mij heên te gaan.” En wat verpligt u, | | C: mij heên te gaan.” „En wat verpligt u, | | B: gevolgen moet ondervinden Ik bedroog | | C: gevolgen moet ondervinden. Ik bedroog | | B: daaromtrent niets kunt verwijten Wanneer | | C: daaromtrent niets kunt verwijten. Wanneer | | B: geluk moeten zijn. „Gij wildet echter | | C: geluk moeten zijn. Gij wildet echter | | B: zijn,” „Heer,” antwoordde de schoone | | C: zijn.” „Heer,” antwoordde de schoone | | B: niet in weelde en ovevloed kunnen | | C: niet in weelde en overvloed kunnen | | B: „Dezelfde,” antwoorde Noureddin. | | C: „Dezelfde,” antwoordde Noureddin. | | B: Daarop verlaten zij de kamer, | | C: Daarop verlieten zij de kamer, | | B: slavin te toonen Het was het gebruik, | | C: slavin te toonen. Het was het gebruik, | | B: vóór dat de toeslag valt” „Ik geef dat | | C: vóór dat de toeslag valt.” „Ik geef dat | | B: hernam Hagi Hassan, bij den | | C: hernam Hagi Hassan, „bij den | | B: zijn paard staande De tegenwoordigheid van | | C: zijn paard staande. De tegenwoordigheid van | | B: vijand mijns vaders Ik ben dringend | | C: vijand mijns vaders. Ik ben dringend | | B: daar hebt laten hêenvoeren, om uwen | | C: daar hebt laten heênvoeren, om uwen | | B: den mond halen” | | C: den mond halen.” | | B: den vizier Khazan, haar liet verkoopen. | | C: den vizier Khasan, haar liet verkoopen. | | B: vervolgens in den baklagenswaardigen | | C: vervolgens in den beklagenswaardigen | | B: oogenblik!” En waarvoor zou ik te vreezen | | C: oogenblik!” „En waarvoor zou ik te vreezen | | B: zijn' vizier Sanoy met | | C: zijn' vizier Saony met | | B: om zich, en sprak hem | | C: om zich, en sprak hen | | B: schilderijen pavilloen, omdat dit koepelvormige | | C: schilderijen-pavilloen, omdat dit koepelvormige | | B: inderdaad strafschuldig zijn” Hij ligtte nu het | | C: inderdaad strafschuldig zijn.” Hij ligtte nu het | | B: voor mijne moeite behouden. | | C: voor mijne moeite behouden.” | | B: beter begrijpen? „Gij bedoelt welligt | | C: beter begrijpen?” „Gij bedoelt welligt | | B: hebben in uwen tuin, vervolgde Noureddin, | | C: hebben in uwen tuin,” vervolgde Noureddin, | | B: wijn verkoopt Gij behoeft dit wijnhuis | | C: wijn verkoopt. Gij behoeft dit wijnhuis | | B: verstaat u op die zaken | | C: verstaat u op die zaken. | | B: ontbreekt nog iets.” En wat mag | | C: ontbreekt nog iets.” „En wat mag | | B: om uit te drinken, hernam | | C: om uit te drinken,” hernam | | B: en kondet gij ons tevens bij | | C: „en kondet gij ons tevens bij | | B: zilveren bokalen prijkten Noureddin noodigde | | C: zilveren bokalen prijkten. Noureddin noodigde | | B: zoo vrolijk te zien” „O, Scheich Ibrahim,” | | C: zoo vrolijk te zien.” „O, Scheich Ibrahim,” | | B: grijsaard dronk gaare zijn' beker wijn, | | C: grijsaard dronk gaarne zijn' beker wijn, | | B: uit hare hand ontving. „Bij | | C: uit hare hand ontving. Bij | | B: mijne verleidster was. | | C: mijne verleidster was.” | | B: al de tachtig kaaren aan te | | C: al de tachtig kaarsen aan te | | B: Ibrahim, vervolgde hij, „heeft waarschijnlijk | | C: Ibrahim,” vervolgde hij, „heeft waarschijnlijk | | B: aanspraak De tweede, dat gij de | | C: aanspraak. De tweede, dat gij de | | B: niet eenige goudstukken te geven „Daar | | C: niet eenige goudstukken te geven. „Daar | | B: niet op u laat wachten” | | C: niet op u laat wachten.” | | B: verlichte zaal voorviel Giafar echter | | C: verlichte zaal voorviel. Giafar echter | | B: half open stond, zo dat | | C: half open stond, zo zoodat | | B: deur plaats vat tende Scheich Ibrahim | | C: deur plaats vat vattende Scheich Ibrahim | | B: daartoe niet ver te gaan Hij kreeg uit | | C: daartoe niet ver te gaan. Hij kreeg uit | | B: zijn' groot vizier. „Giafar,” zeide | | C: zijn' groot-vizier. „Giafar,” zeide | | B: ge zegde aanhoorde, kon zich bijna | | C: ge gezegde aanhoorde, kon zich bijna | | B: besterven” „Zulks zou mij spijten,” | | C: besterven.” „Zulks zou mij spijten,” | | B: die hem niet herkende „Wat zoekt | | C: die hem niet herkende. „Wat zoekt | | B: ging zijn' groot vizier weder opzoeken. | | C: ging zijn' groot-vizier weder opzoeken. | | B: ben ik terug. „Neen,” hernam de kalif, | | C: ben ik terug.” „Neen,” hernam de kalif, | | B: iets te bevelen had. „Visscher, zeide | | C: iets te bevelen had. „Visscher,” zeide | | B: hij, gij hebt eer van uw werk; | | C: hij, „gij hebt eer van uw werk; | | B: vervolgde hij, indien ik meer had | | C: vervolgde hij, „indien ik meer had | | B: is u geschonken. Op het zelfde | | C: is u geschonken.” Op het zelfde | | B: zag | | C: zag. | | B: antwoordde Noureddin, ik zal gaan, werwaarts | | C: antwoordde Noureddin, „ik zal gaan, werwaarts | | B: u echter niet verwonderen, hernam de | | C: u echter niet verwonderen,” hernam de | | B: mijner vrienden Nooit heb ik dat | | C: mijner vrienden. Nooit heb ik dat | | B: mantel, hang hem doen om, en doe | | C: mantel, hang hem dien om, en doe | | B: plaats Wees gegroet.”_ | | C: plaats. Wees gegroet.”_ | | B: inhoud bekend te maken. Neem dezen,” | | C: inhoud bekend te maken. „Neem dezen,” | | B: Naauwelijks had Nourreddin de zaal verlaten, | | C: Naauwelijks had Noureddin de zaal verlaten, | | B: plotseling verschijning dadelijk geheel | | C: plotselinge verschijning dadelijk geheel | | B: „Wacht u daarvoor sire, hernam de schelmsche | | C: „Wacht u daarvoor sire,” hernam de schelmsche | | B: worden.” „Hoe, onbeschaamde!” antwoordde | | C: worden.”” „Hoe, onbeschaamde!” antwoordde | | B: den dood zijns vijands?” Daarna begaf | | C: den dood zijns vijands?”” Daarna begaf | | | +--------------------------------------------------------+