Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Vierde deel
Part 18
Alle drie sloegen zij de handen aan het werk, en daar de keuken van Scheich Ibrahim, hoewel niet groot, ruim voorzien was van alles, wat zij konden noodig hebben, was de schotel met visch weldra toebereid. De kalif droeg dien zelf op, en legde tevens bij ieder bord een citroen, indien een der gasten mogt wenschen daarvan gebruik te maken. Vooral Noureddin en de schoone Perziane aten, tot groot vermaak van den vorst, met goeden smaak van zijn geregt.
Toen zij hunnen eetlust bevredigd hadden, sloeg Noureddin de oogen op den kalif, die in bescheiden houding achter tafel stond, en scheen af te wachten, of men hem ook nog iets te bevelen had. „Visscher,” zeide hij, „gij hebt eer van uw werk; men zou de visch niet lekkerder kunnen wenschen, en gij hebt ons daarmede een groot genoegen gedaan.” Hierop stak hij de hand in zijne borst en haalde er zijne beurs uit, waarin nog dertig goudstukken waren, het overschot der veertig, welke Sangiar bij zijn vertrek uit Balsora gegeven had. „Neem dit voor uwe moeite,” vervolgde hij, „indien ik meer had zou ik u meer geven; ja, hadde ik u gekend vóór dat ik mijn vaderlijk erfdeel doorbragt, zoo zou ik u op éénmaal en voor altoos uit uwe armoede geholpen hebben; stel u echter thans met dit weinige tevreden.”
De kalif nam de beurs aan, en zeide: „Mijn goede heer, ik kan u niet genoeg danken voor uwe mildheid. Men is wel gelukkig, als men met zulke brave en edelmoedige menschen te doen heeft. Echter heb ik, alvorens te vertrekken, u nog een nederig verzoek te doen, dat ik u smeek mij toe te staan. Ik zie daar bij mevrouw eene luit liggen, hetgeen mij doet denken dat zij dit instrument bespeelt. Uw knecht is een hartstogtelijk beminnaar van muzijk en zang, en bijaldien gij van haar kunt verkrijgen, dat zij mij de gunst bewijst een enkel lied voor te dragen, zoo zal ik hoogst gelukkig van hier gaan.”
„Schoone Perziane,” zeide Noureddin zich onmiddelijk tot haar rigtende, „ik verzoek u dien goeden man dit vermaak te geven, en ik vertrouw, dat gij mij zulks niet zult weigeren.” Zij nam de luit, stemde die in weinig tijd, en speelde en zong een lied, waardoor de kalif geheel werd weggesleept, zoodat hij ten laatste in geestvervoering uitriep: „Welk eene stem, en welk een spel! Heeft men ooit iets voortreffelijkers gehoord?”
Het was de gewoonte van Noureddin, alles wat zijn eigendom was, en door dezen of genen bovenmatig werd geprezen, onbedacht weg te schenken; en van deze dwaasheid had het ongeluk hem nog niet genezen. „Visscher,” gaf hij op dien lofspraak ten antwoord, „ik zie wel, dat gij een kenner zijt zooveel van muzijk als van schoone vrouwen; daar deze jonge dame u zoo zeer behagen kan, zoo neem haar, zij is u geschonken.” Op het zelfde oogenblik stond hij op, sloeg zijn overkleed om, en wilde vertrekken, om den kalif, dien hij slechts voor een' armen visscher kende, in het rustige bezit te laten van de schoone Perziane. De laatste, ten hoogste ontsteld en verbaasd over de dwaze vrijgevigheid van Noureddin, weêrhield hem echter. „Heer,” sprak zij hem teeder aanziende, „waar wilt gij heen gaan? Ik bid u, herneem uwe plaats, en hoor wat ik voor u spelen en zingen zal.” Hij deed wat zij verlangde, en nu de luit aanslaande, en de met tranen gevulde oogen op hem gerigt houdende, zong zij eenige verzen, waarin zij hem op hartroerenden toon de weinige liefde verweet, die hij jegens haar liet blijken, door haar zoo vrijwillig te verlaten, ja weg te schenken aan een' man als Kerim, in wien ook zij niet den kalif vermoedde, maar slechts een' armen visscher zag.
Noureddin antwoordde op deze verwijten geen enkel woord. Hij gaf door zijn stilzwijgen te kennen, dat zijne daad hem niet berouwde. Maar de kalif, verwonderd over hetgeen hij gehoord had, zeide tot hem: „Heer, zooals ik bemerk, is deze wonderschoone en hoogst beminnelijke dame, welke gij mij met zooveel edelmoedigheid ten geschenke wilt geven, uwe slavin; gij zijt dus haar meester.” „Daar zegt gij de waarheid Kerim,” antwoordde Noureddin, „en moge het u verbazen, dat ik zoo gereed was, haar aan u af te staan, uwe verwondering zou ophouden, indien gij bekend waart met al de rampen, die mij om harentwil zijn overkomen.” „Ik verzoek u,” hernam de kalif, zijne rol van visscher steeds voortspelende, „verpligt mij nog door de mededeeling van uwe lotgevallen, die ik mij voorstel, dat zeer belangwekkend zullen zijn.”
Noureddin, die in grootere zaken zich zoo vrijgevig jegens den gewaanden visscher betoond had, vond er geen bezwaar in, hem ook dit zijn laatste verzoek toe te staan. Hij verhaalde hem zijn' geheelen levensloop, van af het tijdstip dat zijn vader de vizier, de schoone Perziane voor den koning van Balsora had aangekocht, zijne kennismaking met haar, en alles wat hij sedert gedaan had, en hem bejegend was, tot hunne aankomst te Bagdad.
„En waar wilt gij nu heen gaan?” vroeg hierop de kalif. „Dat weet ik zelf niet,” antwoordde Noureddin, „ik zal gaan, werwaarts Allah mij geleiden zal.” „Wilt gij naar mij hooren,” hernam de vorst „zoo zult gij niet verder gaan, maar integendeel naar Balsora terugkeeren. Ik zal een paar regels schrift medegeven, die gij van mijnentwege aan den koning moet overhandigen, en ik blijf er u borg voor, dat hij, na die gelezen te hebben, u zeer wel ontvangen, en niemand het wagen zal, u een kwaad woord te zeggen, laat staan u eenig leed te doen.”
„Kerim,” antwoordde Noureddin met een een' glimlach en een ongeloovig hoofdschudden, „hetgeen gij daar zegt, komt mij al zeer vreemd voor; het is nog nooit gebeurd, dat een arme visscher gelijk gij met een' koning briefwisseling houdt!” „Dit moet u echter niet verwonderen,” hernam de kalif; „zijne majesteit en ik zijn te zamen opgevoed en hebben de zelfde onderwijzers gehad, en steeds heeft er tusschen ons eene naauwe vriendschap bestaan. Het is waar, dat de fortuin ons niet gelijkelijk met hare gunsten bedeeld, maar hem tot koning, en mij tot visscher gemaakt heeft; dit verschil van rang en stand heeft onze vriendschap evenwel niet kunnen verminderen. Hij heeft mij meermalen en met aandrang voorgesteld, om mij uit mijnen nederigen stand tot hoogen staat te verheffen. Ik heb dit standvastig geweigerd, en mij tevreden gesteld, om van den invloed, dien ik bij hem heb, gebruik te maken ten dienste mijner vrienden. Nooit heb ik dat te vergeefs gedaan; laat mij slechts begaan, en gij zult bevinden, dat ik u niet te veel gezegd heb.”
Ten halve overtuigd, maar toch nog weinig meer prijs op zijne bewering stellende, gaf Noureddin eindelijk zijne toestemming, en daar er schrijfgereedschap in de zaal aanwezig was, zette de kalif zich dadelijk neder, en schreef een' brief aan den koning van Balsora, waarboven hij, aan het uiterste einde van het blad, in zeer klein schrift, deze formule plaatste: „_In naam van den barmhartigen God_,” ten teeken dat hij volstrekt en zonder verzuim gehoorzaamd wilde worden.
_Brief van den kalif Haroun-Al-Raschid aan den koning van Balsora._
_„Haroun-Al-Raschid, zoon van Mahdi, zendt dezen brief aan Mohammed Zinchi, zijn' neef. Zoodra Noureddin, zoon van den vizier Khasan, brenger van dezen brief, u dien zal hebben overgegeven, en gij dien zult gelezen hebben, zoo ontdoe u oogenblikkelijk van den koninklijken mantel, hang hem dien om, en doe hem zitten op uwe plaats. Wees gegroet.”_
De kalif vouwde en verzegelde den brief, en stelde dien aan Noureddin ter hand, zonder hem met den inhoud bekend te maken. „Neem dezen,” zeide hij, „en scheep u oogenblikkelijk in op het schip, dat dagelijks op dit uur van hier naar Balsora afvaart. Aan boord kunt gij uwe nachtrust nemen.” Noureddin nam den brief aan, en vertrok zonder ander reisgeld, dan het weinige, dat hij bij zich droeg op het tijdstip, dat de kamerheer Sangiar hem zijne beurs gaf. Toen de schoone Perziane hem zag heengaan, zonk zij achterover op de sofa neder, en smolt weg in tranen.
Naauwelijks had Noureddin de zaal verlaten, of Scheich Ibrahim brak het stilzwijgen, dat hij gedurende het voorgevallene bewaard had, en zag den kalif, dien hij nog altoos voor een' visscher hield, aan. „Luister eens, Kerim,” sprak hij; „gij zijt hier gekomen om ons twee visschen te verkoopen, die op zijn meest twintig stukken koper waard zijn, en men heeft u daarvoor gegeven eene goed gevulde beurs, benevens eene slavin. Meent gij dat alles voor u te behouden? Ik denk daar geheel anders over! De slavin moet ik half hebben. Wat de beurs aangaat, laat mij zien wat daarin is, bevat zij zilvergeld, zoo zult gij daarvan een stuk voor u nemen, maar indien het goud is, zoo neem ik dit geheel voor mij, en ik zal u eenige koperstukken geven, die ik nog in den zak heb.”
Om hetgeen nu volgen zal op te helderen, moeten wij aanteekenen, dat de kalif, alvorens den schotel met visch, dien hij had toebereid, op te dragen, aan zijn' groot-vizier gelast had, zich onmiddelijk naar het paleis te begeven, van daar vier zijner kamerdienaars en zijn staatskleed te halen, en in de nabijheid van het pavilloen post te vatten, totdat hij uit een der vensters in de handen zou klappen. De groot-vizier had zich van dezen last gekweten, en was met Masrour en de vier kamerdienaars steeds wachtende op het bestemde teeken.
Keeren wij nu tot het zoo even afgebroken gesprek terug. De vorst altijd in zijne rol van visscher volhardende, antwoordde den pavilloen-bewaarder vrij beslist, met te zeggen: „Scheich Ibrahim, of er in de beurs goud of zilver is, weet ik niet; maar ik ben bereid dit met u te deelen. Wat echter de slavin aangaat, deze begeer ik geheel voor mij te behouden. Neemt gij genoegen in mijn voorstel, zoo zullen wij het geld tellen en deelen; staat u dat echter niet aan, zoo zult gij niets hebben.” Op zulk een' hoogen toon was Scheich Ibrahim nog nooit door een' visscher toegesproken; hij gevoelde zich in zijne eer getast, en opstuivende greep hij een' der porseleinen bekers van de tafel, en wierp dien den kalif naar het hoofd. Het viel dezen niet moeijelijk den worp te ontwijken, waardoor Scheich Ibrahim nog meer opgewonden werd. Hij stond al waggelende op, nam de kaars die op de tafel stond, en klom een' verborgen trap af om een' rotting te halen.
De kalif maakte van deze gelegenheid gebruik, om zijn visschersgewaad met het door Giafar medegebragte kleed te verwisselen, en Scheich Ibrahim, met een' rotting in de hand weder binnenkomende, werd door deze plotselinge verschijning dadelijk geheel uit den droom geholpen. Hij wierp zich voor de voeten van zijn' vorst, die hem al lagchende vergiffenis schonk. Aan de schone Perziane beloofde de kalif eene kamer in zijn paleis, totdat hij haar als koningin aan Noureddin zou terugzenden.
De terugreis van Noureddin naar Balsora was voor zijn geluk te voorspoedig. Hij kwam daar eenige dagen vroeger aan, dan iemand denken kon, en voor hem, zooals wij zien zullen, veel te vroeg. Zonder bij zijne bloedverwanten of vrienden aan te gaan, ging hij van het schip regelregt naar het paleis des konings, daar hij wist, dat de koning in den regel juist op dien dag audiëntie gaf. Het gelukte hem, den brief in de hoogte houdende, door de menigte heen te dringen, en denzelven met de gebruikelijke eerbewijzing den vorst te overhandigen. De koning nam dien aan, en opende hem; maar naauwelijks had hij den inhoud gezien, of zijne kleur verschoot. Hij kuste echter den brief tot driemalen, en maakte zich gereed het bevel van den kalif te volbrengen, toen hij zich weder bezon, en den brief aan den vizier Saony, den geslagen vijand van Noureddin, ter lezing overreikte.
Saony, die Noureddin terstond herkend had, en zich reeds zeer ongerust maakte, wat hem herwaarts mogt voeren, was, toen hij het bevel las, dat de brief behelsde, even zeer verrast als de koning zelf. Doch daar hij in de zaak niet minder betrokken was, zoo zon hij dadelijk op een middel, om deze lastgeving te verijdelen. Den schijn aannemende, alsof hij den brief niet goed kon lezen, liep hij naar een der vensters om beter licht te hebben. Hij hield hier het papier digt voor de oogen, scheurde er de formule bovenaan behendig af, stak die in den mond, en slikte het reepje papier door, waarmede het teeken, dat de kalif volstrekt gehoorzaamd wilde worden, verdwenen was.
Na deze valsche streek voegde Saony zich weder bij den koning, gaf den brief terug, en vroeg op fluisterden toon: „En wat is nu het voornemen van uwe majesteit?” „Te doen, wat de kalif mij beveelt,” gaf de koning ten antwoord. „Wacht u daarvoor sire,” hernam de schelmsche vizier; „ik erken wel het handschrift van den kalif, maar de gewone bekrachtiging ontbreekt.” De koning had deze, toen hij den brief voor de eerste maal las, zeer goed opgemerkt, doch daar zij nu ontbrak, meende hij zich, in de verwarring, waarin hij verkeerde, vergist te hebben. Hij liet zich door Saony bepraten, en gaf Noureddin in handen van zijn vizier, om met hem naar welgevallen te handelen. Deze liet Noureddin naar zijne woning brengen, en hem daar stokslagen geven, totdat hij voor dood bleef liggen. In dien toestand deed hij hem naar de gevangenis vervoeren, en in een onderaardsch hok werpen, den cipier gelastende, hem niet dan water en brood te geven.
Tien dagen lang bleef Noureddin in zijne ellendige gevangenis, waar hij zon noch maan aanschouwde, en eene eeuwige nacht hem omringde. Op den elfden dag begaf Saony, die inmiddels door allerlei slinksche middelen bij den koning het doodvonnis over Noureddin had weten te verkrijgen, zich naar de gevangenis, vergezeld door een twintigtal zijner slaven. Men bragt den gevangene tot hem. Zoodra Noureddin zag dat hij in de handen van zijn' vijand was overgeleverd, voegde hij hem toe: „Gij zegepraalt en maakt misbruik van uwe magt, maar ik stel vertrouwen in de spreuk, welke in een van onze boeken geschreven staat: „O regter, gij die onregtvaardig oordeelt, gedenk, dat gij zelf weldra zult geoordeeld worden.”” „Hoe, onbeschaamde!” antwoordde Saony, „gij waagt het ook nu nog mij te honen? Maar laat dit zoo zijn, ik vergeef het u; laat mij overkomen wat wil, indien ik u slechts eerst, voor de oogen van geheel Balsora, het hoofd door den beul mag zien afslaan. Want ook gij moet weten, wat een onzer boeken zegt: „Wat is er aan gelegen, te moeten sterven den dag na den dood zijns vijands?”” Daarna begaf hij zich naar het koninklijk paleis, in welks front een schavot was opgerigt, en liet Noureddin door slaven bewaakt, voor zich uitrijden. De vrees, dat het verbitterde volk zou trachten den algemeen beminden gevangene te bevrijden, deed den vizier allen spoed maken. Hij leverde Noureddin dadelijk aan den beul over. Ook deze had medelijden met hem. „Heer,” sprak hij, „ik smeek u, mij uwen dood niet toe te rekenen. Als slaaf, ben ik in de noodzakelijkheid te gehoorzamen. Indien ik echter nog het een of ander voor u doen kan, zoo hebt gij slechts te spreken.” Noureddin stelde hem gerust, bedankte hem voor zijne gehechtheid, en maakte zich gereed, om den doodelijken slag te ontvangen. Nog slechts een wenk des konings, en het ware met zijn leven gedaan!..... Daar verschijnt op eenmaal in de straat, die regt op het plein van het paleis aanliep, een troep ruiters, die in vollen galop naderen. De kalif merkte dit dadelijk op, en niettegenstaande het onophoudelijk aandringen van Saony, geeft hij bevel het vonnis eenige minuten op te schorsen. Hij had den vizier Giafar herkend, en wilde eerst weten, wat deze hem kwam zeggen.
Om de komst van dezen staatsdienaar te Balsora te verklaren, moeten wij mededeelen, dat de kalif, nadat Noureddin met den brief was vertrokken, er de eerstvolgende dagen in het geheel niet aan gedacht had, om hem te bevestigen in zijn koningschap (waarvan hij tot de schoone Perziane gesproken had) door een' kourier naar Balsora hem achterna te zenden. Eens echter, dat hij zich naar zijne kamer begaf, hoorde hij in de vrouwenvertrekken eene zeer schoone stem; hij bleef staan om te luisteren, maar naauwelijks had hij de eerste woorden aangehoord, of hij vroeg aan Masrour, den opperste der gesnedenen, die hem volgde, welke vrouw daar zoo fraai zong. „Sire,” antwoordde Masrour, „het is de schoone slavin van dien jongen heer, wien het uwer majesteit behaagd heeft naar Balsora te zenden, om daar koning te zijn in de plaats van Mohammed Zinchi.”
„Ach! arme Noureddin,” riep de sultan nu uit, „hoe heb ik u vergeten! Spoed u,” vervolgde hij tot Masrour, „laat de vizier Giafar zich onmiddelijk naar Balsora begeven; en is Noureddin niet meer in het land der levenden, heeft men hem doen sterven, zoo doe hij den vizier Saony oogenblikkelijk ophangen. Leeft hij echter nog, zoo zal hij den koning, diens vizier en Noureddin voor mij brengen.”
De groot-vizier had naauwelijks dit bevel vernomen, of hij spoedde zich met zijn gevolg naar Balsora, om daar nog juist bij tijds aan te komen. De koning van Balsora ontving hem bij den ingang van zijn paleis met de meeste onderscheiding, en vroeg dadelijk naar het doel zijner zending. „Haroun-Al-Raschid,” sprak Giafar, „doet u vragen of Noureddin, de zoon van Khasan, nog leeft?” De koning beantwoordde deze vraag toestemmend, en deed den gevangene voorbrengen. Onmiddelijk liet Giafar hem van zijne boeijen ontdoen, en die Saony aanleggen. Slechts één dag hield hij zich te Balsora op; hij vertrok reeds den volgenden morgen, om zoo spoedig mogelijk den Beheerscher der geloovigen gerust te stellen, en hem Mohammed Zinchi, Noureddin en Saony over te leveren. Hij deelde hem alles mede, wat Noureddin van den koning van Balsora, daartoe door Saony aangedreven, had moeten verduren.
De kalif stelde daarop den boozen vizier geheel in Noureddin's handen, en toen deze weigerde hem persoonlijk te dooden, liet hij hem reeds den volgenden dag op een van Bagdad's pleinen door beulshanden onthoofden. Aan Noureddin gaf Haroun-Al-Raschid zijn verlangen te kennen, dat hij naar Balsora zou terugkeeren, om daar als koning te heerschen. „Beheerscher der geloovigen,” gaf deze ten antwoord, „in de stad Balsora te wonen, is mij, na al het voorgevallene, ondoenlijk geworden. Ik verzoek daarom uwe majesteit mij in haren persoonlijken dienst te nemen.” De kalif gaf aan dezen wensch gehoor, en verhief Noureddin tot zijnen meest begunstigden hoveling, terwijl hij hem de schoone Perziane terug gaf. Hij schonk hem bovendien zoo vele goederen, dat Noureddin spoedig zijn vroeger lijden vergeten was. Wat de koning van Balsora betreft, de kalif stelde zich tevreden hem voor te houden, van hoeveel belang het voor een' vorst is, goede staatsdienaren te kiezen. Met deze les zond hij hem naar zijn koningrijk terug.
INHOUD.
#EERSTE DEEL.#
Bladz. ~Inleiding~ 1 De Ezel, de Os en de Koopman 18
~De Koopman en de Geest~ 29 Geschiedenis van den Eersten Grijsaard en v. d. Hinde 37 Geschiedenis van den Tweeden Grijsaard en v. d. Twee Zwarte Honden 44
~Geschiedenis van den Visscher~ 50, 72 Geschiedenis van den Griekschen Koning en den Geneesheer Douban 58, 64, 67 Geschiedenis van den Man en den Papegaai 62 Geschiedenis van den Gestraften Vizier 65 Geschiedenis v. d. Jongen Koning der Zwarte Eilanden 84
~Geschiedenis van de Drie Calenders~ 99 Geschiedenis van den Eersten Calender 127 Geschiedenis van den Tweeden Calender 137, 158 Geschiedenis van den Nijdigaard en den Benijde 152 Geschiedenis van den Derden Calender 174
#TWEEDE DEEL.#
~Geschiedenis van de Vijf Dames van Bagdad~ Geschiedenis van Zobeïde 1 Geschiedenis van Amine 15
~Geschiedenis van Sindbad den Zeeman~ 30 Eerste Reis van Sindbad den Zeeman 34 Tweede „ „ „ „ „ 43 Derde „ „ „ „ „ 52 Vierde „ „ „ „ „ 64 Vijfde „ „ „ „ „ 77 Zesde „ „ „ „ „ 84 Zevende „ „ „ „ „ 95
~De drie Appelen~ 103 Geschiedenis van de Vermoorde Dame 109 Geschiedenis v. Noureddin Ali en v. Bedreddin Hassan 116
#DERDE DEEL.#
~Geschiedenis v. d. Kleinen Gebogchelde~ 1 en 148 Geschiedenis verhaald door den Christen Koopman 11 Geschiedenis verhaald door den Muzelmanschen Koopman 32 Geschiedenis verhaald door den Joodschen Geneesheer 50 Geschiedenis verhaald door den Kleêrmaker 69 Geschiedenis van den Barbier 93 Geschiedenis v. d. Eersten Broeder v. d. Barbier 96 Geschiedenis v. d. Tweeden Broeder v. d. Barbier 102 Geschiedenis v. d. Derden Broeder v. d. Barbier 111 Geschiedenis v. d. Vierden Broeder v. d. Barbier 118 Geschiedenis v. d. Vijfden Broeder v. d. Barbier 124 Geschiedenis v. d. Zesden Broeder v. d. Barbier 138
~Geschiedenis van Aboul-Hassan en Schemselnihar~ 152
#VIERDE DEEL.#
~Geschiedenis van den Prins Camaralzaman en van de Prinses Badoura~ 1 en 50 Geschiedenis van Marzavan 38 Geschiedenis van de Prinsen Amgiad en Assad 90
~Geschiedenis van Noureddin en van de Schoone Perziane~ 148