Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Vierde deel
Part 17
De schoone Perziane bemerkte echter, dat Scheich Ibrahim op den trap bleef staan. Zij deelde dit aan Noureddin mede. „Heer,” vervolgde zij, „onze gastheer betuigt een' grooten afkeer van den wijn te hebben; maar indien gij mij behulpzaam wilt zijn, maak ik mij sterk hem over te halen, dat hij ons bescheid doet.” „Ik geloof, mijne schoone,” zeide Noureddin, „dat gij ditmaal te veel op u zelve rekent, maar ik ben geheel tot uwen dienst; zeg slechts, wat ik te doen heb.” „Beweeg hem, dat hij zich bij ons nederzet,” hernam de Perziane „schenk dan een' beker in, en biedt hem dien aan. Zoo hij weigert, moet gij dien uitdrinken, en u houden of de wijn u bevangen heeft en gij in slaap valt; het overige zal ik doen.”
Noureddin begreep terstond, wat de schoone Perziane in den zin had. Hij riep Scheich Ibrahim, die zich daarop weder aan de deur vertoonde. „Scheich Ibrahim,” ging hij voort, „wij zijn uwe gasten, en gij hebt ons op de meest verpligtende wijze onthaald. Zoudt gij ons nu het verzoek weigeren, dat wij u willen doen, en waarop wij hoogen prijs stellen, namelijk dat gij ons vereert met uw gezelschap. Ik kan mij niet voorstellen, dat gij ons dit genoegen ontzeggen zult.”
Scheich Ibrahim liet zich bepraten; hij trad binnen en nam plaats aan het uiterste einde der sofa, waarop zijne gasten gezeten waren. Hij hield zich zoo digt mogelijk bij de deur. „Daar zijt gij niet goed geplaatst, en wij kunnen u moeijelijk zien,” sprak Noureddin, „schik wat nader bij, en ga naast mijne vrouw zitten; dat zal haar een genoegen zijn.” „Daar gij het dus verlangt,” antwoordde Scheich Ibrahim, „zal ik het doen.” Hij schikte werkelijk naderbij, en glimlachte van genoegen, dat hem het geluk te beurt viel naast eene zoo schoone dame te zitten. Noureddin verzocht nu aan de Perziane een lied te willen zingen, uit erkentelijkheid voor de eer, die Scheich Ibrahim hun bewees. Zij kweet zich daarvan zoo wel, en zong zoo hartstogtelijk, dat de goede grijsaard geheel opgetogen was. Toen het lied ten einde was, schonk Noureddin een' beker in, bood dien den gastheer aan, en sprak: „Scheich Ibrahim, als ik u bidden mag, drink eens op onze gezondheid.” „Heer,” antwoordde hij, het hoofd afwendende, als schuwde hij zelfs het gezigt van den wijn, „ik smeek u mij daarvan te verschoonen; ik heb u reeds gezegd, dat ik sints langen tijd van den wijn heb afgezien.” „Daar gij dan volstrekt niet wilt drinken op onze gezondheid,” hernam Noureddin, „zoo veroorloof mij, dat ik dezen beker op uw welzijn ledig.”
Terwijl Noureddin dronk, sneed de schoone Perziane een' appel door, en bood de helft daarvan Scheich Ibrahim met een bevallig lachje aan. „Gij hebt,” zeide zij, „niet willen drinken; maar ik vlei mij, dat gij geene zwarigheid zult maken dezen appel te proeven, die keurig is, en dien ik u zeer kan aanbevelen.” Scheich Ibrahim kon niet over zich verkrijgen af te wijzen, wat hem door eene zoo schoone hand en met zoo veel bevalligheid werd aangeboden; hij nam den halven appel met een vriendelijk hoofdknikken aan, en bragt dien aan den mond. Zijne schoone buurvrouw zeide hem deswegens eenige beleefdheden, terwijl Noureddin zich met den rug in de sofa liet nedervallen, en zich hield alsof hij plotseling door den slaap overmand werd. De schoone Perziane schikte thans digter bij Scheich Ibrahim, en fluisterde hem toe: „Ziet gij wel, zoo doet hij nu. Als wij ons te zamen vrolijk maken, valt hij bij den tweeden of derden beker reeds in slaap, en laat mij alleen aan de verveling over. Ik vlei mij echter,” vervolgde zij, een' teederen blik op haren gastheer werpende, „dat gij wel de goedheid zult willen hebben, mij tot aan zijn ontwaken gezelschap te houden.”
De schoone Perziane nam nu een' beker, vulde dien met wijn, en bood hem Scheich Ibrahim met een verleidelijk lagchen aan. „Neem deze bokaal,” zeide zij, „en drink eerst op mijne gezondheid; ik zal u bescheid doen.” Scheich Ibrahim maakte groot bezwaar, en verzocht haar dringend hem hiervan te verschoonen; maar zij hield zoo sterk aan, dat hij, door hare bekoorlijkheid overwonnen, ten laatste den beker aannam, en dien tot op den bodem ledigde.
De goede grijsaard dronk gaarne zijn' beker wijn, maar hij schaamde er zich voor, en onthield er zich van in het bijzijn van onbekenden. Hij ging dien, gelijk vele zijner geloofsgenooten, in stilte in deze of gene herberg halen, en had daarbij ook ditmaal geenszins de voorzorg gebruikt, die Noureddin hem aan de hand had gedaan, om zijn geweten niet te bezwaren. Hij had den wijn gehaald bij een' herbergier, waar hij zeer bekend was, terwijl de duisternis hem ten dekmantel diende. Op die wijze had hij, wat zeer met zijne hebzucht strookte, het geld bespaard, dat hij, door die boodschap aan een' ander op te dragen, meerder zou hebben moeten uitgeven.
Terwijl nu Scheich Ibrahim, na gedronken te hebben, voortging zijn' halven appel te eten, schonk de schoone Perziane een' anderen beker in, dien hij ditmaal zonder veel tegenstribbelen uit hare hand ontving. Bij den derden beker maakte hij volstrekt geene zwarigheden meer. Hij dronk zijnen vierden, toen Noureddin uit zijn' geveinsden slaap ontwaakte, en, hem dus ziende, met een schaterend lagchen uitriep: „Ha, ha!, Scheich Ibrahim, daar heb ik u verrast. Gij hebt mij gezegd, dat gij geheel van den wijn hadt afgezien, en nu drinkt gij ze toch.”
Scheich Ibrahim, niet verdacht, dat hij dus verrast zou worden, werd bloedrood, maar nam daarom toch den beker niet van den mond, vóór dat hij dien geledigd had. „Heer,” zeide hij nu lagchende, „indien ik gezondigd heb, is dit niet mijne schuld, maar die van uwe gade, want hoe zou ik weêrstand hebben kunnen bieden, waar de bevalligheid in persoon mijne verleidster was.”
De schoone Perziane nam in schijn de partij voor haren gastheer op. „Scheich Ibrahim,” zeide zij, „laat hem maar praten, en stoor er u niet aan; laat ons te zamen drinken en vrolijk zijn.” Eenige oogenblikken daarna schonk Noureddin eerst voor zich, en toen voor de schoone Perziane in. Doch daar Scheich Ibrahim zag, dat Noureddin _hem_ niet bediende hield hij zelf zijnen beker bij, met de woorden: „Denkt gij misschien, dat ik bang ben, om tegen u op te drinken?” Op dit zeggen van Scheich Ibrahim konden Noureddin en zijne schoone gade zich bijna niet van lagchen onthouden. Noureddin schonk hem in, en zij hielden vol met schertsen en drinken tot bij middernacht. Omstreeks dien tijd merkte de schoone Perziane op, dat er slechts ééne waskaars op tafel stond, die een zeer flaauw licht verspreidde, zoodat de groote zaal bijna in duisternis gehuld was. „Scheich Ibrahim,” sprak zij tot den goeden grijsaard, „gij hebt ons slechts één licht gegeven, en er zijn hier zoo vele schoone waskaarsen; doe mij het vermaak die aan te steken, opdat wij elkander goed kunnen zien.”
Scheich Ibrahim had weinig lust, om op te staan. De wijn, die hem reeds naar het hoofd steeg, maakte hem vrijmoedig, en zonder eenige pligtplegingen te maken, zeide hij tot de schoone Perziane: „Verlangt gij meer licht te hebben, steek het dan zelve aan; dit voegt beter aan jeugdige menschen zooals gij, dan aan een' grijsaard met stramme beenen. Maar draag zorg, er niet meer aan te steken dan vijf of zes, want dat is voldoende.” De schoone Perziane stond op, ging eene der waskaarsen halen, ontstak die en begon vervolgens al de tachtig kaarsen aan te steken, zonder zich in het minst te bekreunen, om hetgeen Scheich Ibrahim haar gezegd had. Deze was zoo bezig met drinken en praten, dat hij er volstrekt geene acht op gaf, op welke wijze de schoone Perziane de haar gegeven vrijheid had overschreden, en toen hij nu met haar aan het praten raakte, drong Noureddin op zijne beurt aan, dat hij eenige der lustres of kristallen kroonen zou ontsteken. „Gij moet wel zeer op uw gemak gesteld zijn,” antwoordde Scheich Ibrahim, „dat gij zulks van mij durft vergen, en niet zelf de handen aan het werk slaat. Ga, ontsteek ze als gij lust gevoelt; maar niet meer dan drie.” Noureddin hield zich echter aan dat getal niet; hij stak al de kroonen aan, zoodat de zaal als in eene zee van licht zwom; ook wierp hij de tachtig vensters open, alles zonder dat Scheich Ibrahim daarvan iets bemerkte, zoo wist de schoone Perziane hem bezig te houden.
Haroun-Al-Raschid had zich op dat uur nog niet ter ruste begeven, en was in eene der zalen van zijn paleis, welke het uitzigt had op den Tigris, naar de zijde van het schilderijen-pavilloen. Het toeval wilde, dat de kalif een der vensters opende, en een oogenblik op het balkon trad, om frissche lucht te scheppen. Het schelle licht, dat hem tegenstraalde, deed hem eerst denken, dat er ergens brand was; maar weldra overtuigde hij zich, dat dit van zijn pavilloen moest zijn, en dat het niet in brand stond, maar geheel verlicht was. De groot-vizier Giafar was nog tegenwoordig, en wachtte slechts het tijdstip af, dat de kalif zich ter rust zou begeven, om naar huis te gaan. Tegen hem barstte het eerst de toorn van den Beheerscher der geloovigen los. „Vizier!” riep hij, „kom hier, en aanschouw het schilderijen-pavilloen. Zeg mij, hoe zulks op dit uur verlicht kan zijn, zonder dat ik mij daar bevind!”
Reeds de stem van den kalif, die van gramschap trilde, deed den groot-vizier beven, maar zijn schrik nam nog toe, toen hij, op het balkon komende, bespeurde, dat hetgeen zijn gebieder zeide, maar al te waar was. Giafar bevond zich in de grootste verlegenheid, te meer daar hij zich van de zaak geen begrip kon maken, en echter moest hij er iets op vinden, om de woede van den kalif ter neder te zetten. „Beheerscher der geloovigen,” zeide hij tot hem, „ik kan uwe majesteit daaromtrent niets anders zeggen, dan dat Scheich Ibrahim nu vier dagen geleden zich bij mij vervoegde. Hij gaf mij te kennen, dat hij voornemens was aan de hoofden zijner moskee een feest te geven, ter gelegenheid van eene plegtigheid, die hij zeer verblijd was onder de gelukkige regering van uwe majesteit te mogen vieren. Ik vroeg hem, wat hij dan in die zaak van mij verlangde, en waarmede ik hem van dienst kon zijn. Hierop verzocht hij mij, dat ik bij uwe majesteit zou bewerken, dat hij verlof kreeg zijne gasten in het pavilloen te onthalen, vermits zijne woning daartoe te klein en ongeschikt was. Ik liet hem gaan met de verzekering, dat hij zulks wel zou mogen doen, en dat ik er met uwe majesteit over wilde spreken. Dit laatste is mij echter door het hoofd gegaan, zoodat ik uwer majesteit voor dit mijn verzuim om vergiffenis moet vragen. Scheich Ibrahim,” vervolgde hij, „heeft waarschijnlijk dezen dag bestemd voor die plegtigheid, en zijne gasten willen verrassen, door de zaal van het pavilloen in al hare pracht te verlichten.”
„Giafar,” sprak de kalif op meer bedaarden toon, „naar hetgeen gij daar zegt, hebt gij u aan drie onvergeeflijke fouten schuldig gemaakt. De eerste, door aan Scheich Ibrahim verlof te geven, die plegtigheid in mijn pavilloen te vieren; aan een eenvoudig bewaarder mijner goederen komt zulk eene hooge eer niet toe, zijn rang geeft hem daarop geene aanspraak. De tweede, dat gij de toestemming niet kondet noch mogt geven, zonder mij daarin vooraf te kennen; en de derde, dat gij de ware bedoeling van dien goeden man niet beter doorgrond hebt. Ik ben overtuigd, dat zijne eigenlijke meening was, eene ondersteuning te verkrijgen, om hem in de uitgaven voor zijn feest te gemoet te komen. Gij hebt daarop niet gedacht, en ik stel hem niet in het ongelijk, dat hij, niets van u ontvangende, zich gewroken heeft, door u de nog veel grootere kosten van deze verlichting te berokkenen.”
De groot-vizier Giafar was zeer verblijd, dat de kalif het in dien zin opnam, en liet zich derhalve gaarne de misslagen aanleunen, die hem verweten werden; hij beleed zelfs rondborstig, dat hij verkeerd had gedaan, door aan Scheich Ibrahim niet eenige goudstukken te geven. „Daar gij schuld belijdt,” hernam de kalif lagchende, „zoo is het billijk, dat gij voor de door u begane fouten wordt gestraft; maar die straf zal ditmaal ligt zijn. Gij zult namelijk met mij het overige van dezen nacht in het gezelschap van die goede lieden doorbrengen. Het spreekt van zelven, dat ik, om hunne vreugde niet te bederven, daar incognito zal verschijnen; terwijl ik mij dus burgerlijk kleed, moet gij en Masrour eveneens doen; doch draag zorg, dat gij beiden niet op u laat wachten.” De vizier veroorloofde zich de opmerking te maken, dat het reeds laat was en het gezelschap dus waarschijnlijk uit een zou zijn gegaan, alvorens zij gereed waren, en daar konden zijn. De kalif echter gaf te kennen, dat zijn besluit nu eenmaal genomen was, en hij daarbij bleef. Giafar verbleekte; maar moest gehoorzamen.
De vorst verliet dus in burgerkleeding zijn paleis met zijn groot-vizier Giafar en met Masrour, opperste der gesnedenen, en ging door de straten van Bagdad, totdat hij aan zijn' tuin kwam. Hier had de kalif op nieuw reden van ergernis, want hij vond de poort open, daar Scheich Ibrahim, toen hij den wijn haalde, verzuimd had, die te sluiten. „Giafar,” zeide hij tot den groot-vizier, „wat moet ik er van denken, dat de poort van mijn' lusthof op dit uur van den nacht open staat? Zou het mogelijk zijn, dat Scheich Ibrahim de schandelijke gewoonte heeft, deze des nachts open te laten, om aan dieven en stroopers den vrijen toegang te geven? Dit is mij zeer onaangenaam, maar ik wil liever gelooven, dat hij door de drukte van het feest, zich aan dit nieuwe onvergeeflijke verzuim zal hebben schuldig gemaakt.”
De kalif trad den tuin in, doch bij het pavilloen gekomen, bleef hij onder aan den trap staan, daar hij, alvorens zich te vertoonen, wilde weten, hoe het in de zaal toeging. Hij gaf daarom zijn' vizier in bedenking, om in een der naastbij zijnde boomen te klimmen, vanwaar hij alles zou kunnen zien, wat in de verlichte zaal voorviel. Giafar echter maakte hem opmerkzaam, dat de deur der zaal half open stond, zoodat zij op den trap hunne waarneming zouden kunnen doen, zonder door het gezelschap te worden opgemerkt.
„Ik zie wel,” zeide de kalif half schertsende, „dat mijn tuinbewaarder zijn licht wil laten schijnen voor de menschen, daar hij feest viert met open deuren en vensters.” Groot was echter zijne verbazing, toen hij, bij de deur plaats vattende Scheich Ibrahim aan tafel zag zitten, in gezelschap eener onvergelijklijk schoone jonge dame en van een' zeer welgemaakten jongen man. De koninklijke pavilloen-bewaarder hield den beker in de hand. „Mijne lieve dame,” sprak hij op vrolijken toon tot de schoone Perziane, „een goed drinker moet nooit zijnen beker ledigen, zonder vooraf een lied te zingen. Doe mij de eer een oogenblik te luisteren.”
Scheich Ibrahim dreunde nu zijn lied helder uit de keel op, en de kalif was daarover te meer verwonderd, daar hij niet wist, dat hij ooit wijn dronk, en hij hem tot dusverre voor een zeer bedaard en verstandig mensch had gehouden. „Giafar,” zeide hij tot zijn' vizier, die een paar treden lager op den trap stond, op een' toon, die niet vrij van spotternij was: „Kom eens hier, om te zien, of de lieden daar binnen bestuurders van de moskee zijn, zooals gij mij dit hebt willen doen gelooven.”
De toon, waarop de kalif dit zeide, gaf den groot-vizier genoeg te kennen, dat de zaak zeer slecht voor hem begon te staan. Hij klom echter den trap op, en zag nu tot zijn' grooten schrik het zelfde tooneel, dat zich aan den kalif had voorgedaan. Hij geraakte geheel van zijn stuk, en wist niets tot zijne verontschuldiging bij te brengen. „Welk een schandaal!” duwde de vorst hem toe. „Men heeft de vermetelheid mijn pavilloen als herberg te gebruiken, en Scheich Ibrahim ontziet zich niet, daar met zijne gezellen goede sier te maken. Ik geloof nogtans niet, dat men een schooner en volmaakter paar in mijn rijk zou kunnen vinden, dan die twee jonge lieden. En daarom wil ik, alvorens mijn' toorn te bevredigen, weten, wat dat voor menschen zijn, en hoe Scheich Ibrahim aan dat gezelschap gekomen is.” De kalif bleef daarom met Giafar nog bij de deur staan. Zij hoorden nu Scheich Ibrahim tot de schoone dame zeggen: „Beminnelijke schoone, zoudt gij ook nog eenen wensch koesteren, waaraan ik voldoen kan, en waardoor de vreugde van dezen avond, indien mogelijk, nog verhoogd kan worden?” „Ik geloof,” antwoordde deze, „dat ons ten dien opzigte niets te wenschen overig blijft, indien gij mij een muzijk-instrument wildet verschaffen.” Scheich Ibrahim behoefde daartoe niet ver te gaan. Hij kreeg uit eene ebbenhouten kast eene fraaije met zilver gemonteerde luit, en bood deze de schoone Perziane met eene buiging aan. Zij nam het instrument en begon dit te stemmen.
Inmiddels wendde de kalif zich tot zijn' groot-vizier. „Giafar,” zeide hij, „de jonge dame zal op de luit spelen, en als zij zich daarvan goed kwijt zal ik, om harentwil, ook den jongen man en mijn' bewaarder niet straffen; maar u zal ik laten ophangen, omdat gij mij misleid hebt.” „Beheerscher der geloovigen,” hernam de groot-vizier met eene diepe buiging, „mijn leven is ter beschikking van uwe majesteit; maar als ik toch moet sterven, dan bewijze Allah mij de gunst, dat die dame zeer slecht moge spelen!” „En waartoe zou u dat baten?” hernam de kalif. „Hoe meer in getal,” antwoordde de groot-vizier, „des te meer reden van troost zullen wij vinden, daar het altoos aangenamer is in goed gezelschap dan alleen te moeten hangen.” De kalif, die gaarne een snedig gezegde aanhoorde, kon zich bijna niet van lagchen onthouden over dit antwoord van zijn' vizier. Hij bedwong zich echter, en keerde het oor naar de opening der deur, om de schoone Perziane te hooren spelen.
Wat hij hoorde, overtrof zijne verwachting. Zij begeleidde haar instrument met eene heerlijke stem, en speelde zoo meesterlijk, dat de Beheerscher der geloovigen in verrukking werd gebragt. Zoodra zij ophield met spelen en zingen, gaf hij zijn' vizier een' wenk, om met hem naar beneden te gaan, en sprak tot hem: „Schooner stem en meesterlijker spel heb ik nooit gehoord! Izaäk, dien ik voor den eersten luitspeler van de wereld hield, heeft in deze jonge dame zijne meesteres gevonden. Ik ben zoo tevreden over hetgeen ik gehoord heb, dat ik daar meer van wil hooren, en wel van meer nabij. Maar hoe zullen wij het aanleggen, om daartoe te geraken; zal ik van mijn regt gebruik maken, en onaangemeld binnentreden?”
„Beheerscher der geloovigen,” antwoordde de groot-vizier, „indien gij dat doet, en Scheich Ibrahim u herkent, dan zal hij het van schrik besterven.” „Zulks zou mij spijten,” hernam de kalif, „want hij heeft mij vele jaren trouw gediend. Doch er komt mij iets in de gedachten, waardoor ik welligt tot mijn doel zal kunnen geraken, zonder den goeden ouden man te verschrikken. Wacht mij met Masrour in gindsche laan, totdat ik terugkom.”
De nabijheid van den Tigris had den kalif in de gelegenheid gesteld, een' kleinen tak van die rivier met de vijvers van zijnen lusthof in verbinding te brengen, zoodat deze steeds van versch water voorzien werden, en van visch overvloeiden. Dit wisten de Bagdadsche visscherlieden zeer goed, en zij zouden goede zaken hebben kunnen maken, indien zij daar hadden mogen visschen; doch dit was hun ontzegd, en de kalif had aan Scheich Ibrahim gestreng verboden, immer een' van deze lieden toe te laten. Maar in dien nacht had de hoop op eene rijke vangst een' der visschers, die met zijne netten beladen daar voorbij kwam, toen hij de poort open vond, tot eenen nachtelijken strooptocht verleid. Hij was den tuin binnen geslopen, even voor dat de kalif daar kwam, en deze had dit gezien. Hierop bouwde Haroun-Al-Raschid zijn plan.
De visscher had zijne netten reeds uitgeworpen en maakte zich gereed die op te halen, toen de kalif plotseling bij hem stond. Hij herkende den vorst niettegenstaande zijne verkleeding, wierp zich terstond aan zijne voeten, en bad om vergiffenis, waarbij hij zich beriep op zijne armoede, die hem, toen hij de poort open had gevonden, tot dezen nachtelijken togt had verlokt. „Sta op, en heb geene vrees,” sprak de kalif, „doch haal uwe netten op, ik wil zien, wat gij gevangen hebt?” De visscher hier door gerust gesteld, haastte zich aan het bevel van den kalif te voldoen. Zijne vangst bestond in vijf of zes zeer schoone visschen. De kalif koos er de twee grootsten uit, liet de koppen bijeen binden, en zeide toen tot den visscher: „Geef mij uw kleed, neem gij het mijne, pak uwe netten bij elkander, en spoed u heen.”
De arme visscher vertrok zeer verblijd over zijn goed geluk, dat hem, behalve de drie nog overige visschen, voor zijne oude plunje, een goed pak kleeren had verschaft. De kalif voegde zich, de twee visschen in de hand dragende, weder bij Giafar en Masrour, en plaatste zich weder voor den groot-vizier die hem niet herkende. „Wat zoekt gij hier nachtdief,” zeide hij barsch, „pak u dadelijk voort, eer dat u iets erger overkomt!” De kalif kon zich niet van lagchen onthouden, waardoor Giafar hem herkende. „Beheerscher der geloovigen,” riep hij uit, „is het mogelijk dat gij het zijt? Ik herkende u niet, en moet u duizendmalen om verschooning vragen voor mijne onwellevendheid. Gij kunt u echter thans gerust in de zaal laten zien, zonder bevreesd te zijn, dat Scheich Ibrahim u in dat visschersgewaad zoeken zal.” „Blijft gij dan nog hier met Masrour,” beval de kalif, „terwijl ik mijn rol ga spelen.”
De vorst klom den trap op, en klopte aan de deur der zaal. „Daar is iemand aan de deur,” zeide Noureddin, die het kloppen het eerst hoorde, tot zijn' gastheer. „Wie is daar?” riep Scheich Ibrahim, zoo barsch mogelijk. De kalif stootte de deur open, en deed eene schrede in de zaal, waarna hij staan bleef. „Scheich Ibrahim,” gaf hij nu ten antwoord, „ik ben de visscher Kerim. Daar ik bemerkte, dat gij uwe vrienden onthaaldet, dacht ik dat deze visschen u misschien welkom zouden zijn; ze zijn zoo even gevangen.”
Noureddin en de schoone Perziane werden belust, toen zij van visch hoorden spreken. „Scheich Ibrahim,” zeide de laatste, „doe mij het genoegen dien man binnen te roepen, dat wij zijne visschen eens zien?” Scheich Ibrahim was niet meer in staat, om aan den gewaanden visscher te vragen, hoe en langs welken weg hij daar was gekomen; daartoe had hij te veel gedronken. Hij was op niets anders bedacht, dan om aan de schoone Perziane zijn hof te maken. Niet zonder moeite keerde hij het hoofd naar de deur, en zeide al stamelende tot den kalif, dien hij werkelijk voor een visscher aanzag: „Kom nader nachtdief, opdat wij u zien kunnen.”
De kalif, al de manieren van een' visscher namakende, kwam naderbij, en bood zijne twee visschen met veel takt te koop aan. „Ziedaar een paar heerlijke visschen,” zeide de schoone Perziane; „indien zij toebereid waren, zou ik er met smaak van eten.” „Mevrouw heeft gelijk,” liet Scheich Ibrahim daarop volgen; „zoo kunnen wij uwe visschen niet gebruiken, vriend. Wilt gij dat ik ze koopen zal, zoo moet gij ze eerst zelf toebereiden, waartoe gij in mijne keuken al het noodige vinden zult.”
De kalif ging zijn' groot-vizier weder opzoeken. „Giafar,” zeide hij, „ik ben zeer goed ontvangen geworden; maar men verlangt van mij, dat ik deze visschen zelf zal toebereiden; want Scheich Ibrahim is zoo zeer door den wijn en de liefde bevangen, dat hij niet meer weet, wat hij doet of zegt, en geen' anderen wil heeft, dan die van de schoone jonge dame, aan wier zijde hij gezeten is.” „Geef mij de visschen,” gaf de groot-vizier ten antwoord, „ik zal ze met spoed laten gereed maken; binnen een half uur ben ik terug.” „Neen,” hernam de kalif, „de zaak gaat mij zoo zeer ter harte, dat ik mij de moeite der bereiding wel wil getroosten. Daar ik in mijne visschersrol zoo goed geslaagd ben, zal ik ook die van kok wel weten waar te nemen.” Dit zeggende begaf hij zich naar de woning van Scheich Ibrahim, gevolgd door den groot-vizier en Masrour.