Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Vierde deel
Part 16
De kapitein der lijfwacht had het vorstelijke vertrek nog niet verlaten, toen een der kamerheeren, die het bevel des konings had aangehoord, zich ijlings voortspoedde, en hem dus voorkwam. Deze man, Sangiar genaamd, was een vrijgelaten slaaf van den vizier Khasan, aan wien hij ook zijne tegenwoordige betrekking te danken had. Sangiar, vervuld van dankbaarheid voor zijn' gewezen heer, en zeer gehecht aan Noureddin, dien hij had zien geboren worden, kon niet gelooven, dat deze zoo schuldig was, als de vizier zulks deed voorkomen. Daarbij was het hem bekend, dat Saony steeds vijandig jegens Khasan was geweest. „Heeft hij,” zeide Sangiar in zich zelven, toen hij het bevel des konings hoorde dat hem zeer deed schrikken, „zijn' haat aan den vader niet kunnen koelen, het is zeker, dat hij zich thans aan den zoon denkt te wreken, en indien ik hem niet red, dan is Noureddin verloren en zijn dood onvermijdelijk.” Met deze gedachten bezield, maakte de kamerheer den meesten spoed, om nog tijdig genoeg aan de woning van Noureddin te komen, en dezen tegen het hem nakend gevaar te waarschuwen. Hij klopte driftig aan, en Noureddin, thans geheel zonder slaven, deed zelf de deur open. „Mijn waarde heer,” zeide nu Sangiar, „maak u dadelijk van hier; er is voor u in Balsora geene veiligheid meer. Ik smeek u, zuim geen oogenblik!” „En waarvoor zou ik te vreezen hebben,” gaf Noureddin ten hoogste verwonderd ten antwoord. „Wat zou mij in de verpligting brengen, deze stad te verlaten?” „Vertrek, zeg ik u,” hernam Sangiar, „en neem uwe slavin met u. Saony heeft u bij den koning zoo zwart gemaakt, dat deze in hevigen toorn tegen u ontstak, en bevel gaf, u en uwe slavin onmiddelijk gevangen te nemen en voor hem te brengen. De kapitein van de lijfwacht, met de volvoering van dit bevel belast, volgt mij op den voet met veertig van zijne manschappen. Het is mij gelukt, hem voor te komen, maar binnen weinige minuten zal hij hier zijn, en uw huis omsingeld hebben. Meer kan ik u niet zeggen; want indien de bevelhebber van 's konings lijfwacht mij hier aantrof, zou ik een verloren man zijn, zonder u te kunnen redden, waarvoor ik mijne bezittingen en mijn leven in de waagschaal heb gesteld. Neem dit,” vervolgde hij, hem eene beurs met veertig goudstukken in de hand drukkende, „het is alles, wat ik op dit oogenblik bij mij heb, anders zou ik u meer geven. En nu, vaarwel, Allah bescherme u!” Bij deze laatste woorden verwijderde Sangiar zich met overhaasting, zonder de dankbetuigingen van Noureddin af te wachten; alleen riep hij hem heengaande nogmaals toe: „Maak spoed!”
Noureddin begaf zich onmiddelijk bij de schoone Perziane, om haar het onrustwekkende nieuws mede te deelen. „Zoo laat ons dan gaan, heer!” sprak zij, en hing haren sluijer om; „indien ik slechts bij u mag blijven, is het mij overal goed, waar wij ook heên zullen trekken.” Zonder dralen verlieten zij nu het huis, en het geluk was den vlugtelingen gunstig, want niet alleen kwamen zij de stad uit, zonder opgemerkt of aangehouden te worden, maar aan den mond van den Euphraat komende, vonden zij daar een schip dat zeilree lag, waarop zij zich aan boord begaven.
De kapitein bevond zich op het dek midden onder zijne passagiers. „Mijne kinderen,” vroeg hij, „zijt gij allen aan boord? En heeft niemand uwer iets vergeten, of nog in de stad te verrigten?” Het antwoord was, dat er niemand ontbrak, en hij onder zeil kon gaan, zoodra hem dit goed dacht. De kapitein liet daarop het anker ligten, en liep met een' gunstigen wind de haven van Balsora uit. Noureddin, die voorgegeven had alleen voor zijn genoegen te reizen, vernam weldra van een' der passagiers, met wien hij in gesprek kwam, dat het schip naar Bagdad bestemd was, hetgeen hem zeer verblijdde.
Terwijl nu Noureddin en de schoone Perziane zich reeds aan boord van het schip, en in veiligheid bevonden voor den toorn des konings van Balsora, verscheen de kapitein der lijfwacht voor zijn huis, dat hij terstond door zijne manschappen liet afzetten, zoodat niemand daaruit kon ontsnappen. Daarop klopte hij aan, doch daar er niemand kwam opdagen, om de deur te openen, liet hij deze door zijne soldaten openloopen. Zij drongen het huis binnen, zochten in alle kamers, hoeken en gaten, maar vonden natuurlijk noch Noureddin, noch de schoone Perziane. Nu vervoegde de kapitein zich bij de buren, en vroeg, of dat niet de woning van Noureddin was, en of zij hem ook hadden zien uitgaan. De eerste vraag werd toestemmend, de tweede ontkennend beantwoord. Werkelijk hadden zij hem niet gezien, maar al ware het anders geweest, geen der buren zou hem verraden of iets gezegd hebben, dat hem tot nadeel kon zijn; want hij was bij allen bemind. Intusschen werd de woning van Noureddin door de soldaten uitgeplunderd en omvergehaald, waarna de kapitein zich genoodzaakt zag den koning te berigten, dat hij te vergeefs naar de hem aangeduide persoon gezocht, en in het geheele huis geen levend wezen aangetroffen had. „Is hij niet te huis,” zeide de koning kortaf, met een vergramd gelaat „dan moet hij elders zijn; gij zult hem mij hier brengen, waar hij ook wezen mag; want ik wil hem in mijne magt hebben.”
De kapitein van de lijfwacht liet nu zijn onderzoek door de gansche stad voortzetten, terwijl de koning zijn' vizier Saony met alle eer naar zijne woning terugzond, zeggende: „Ga naar uw huis, draag zorg voor uwe gezondheid en bemoei u niet met de straf voor Noureddin, ik zelf zal u wraak verschaffen, wegens den hoon dien hij u heeft aangedaan.” De koning wist echter niet, dat de vogel reeds gevlogen en buiten zijn bereik was; anders zou hij waarschijnlijk niet zoo bepaald hebben gesproken, en zich veel nuttelooze moeite bespaard hebben. Hij was in de vaste meening, dat Noureddin zich ergens in de stad schuil hield, en liet dus omroepen, dat degene, welke den zoon van zijn' gewezen vizier Khasan verborgen hield, gestreng gestraft zou worden; terwijl hij, die den vlugteling en zijne slavin aanwees of uitleverde, daarvoor eene belooning zou ontvangen van duizend goudstukken. Maar welke moeite de koning zich ook gaf, hij kon omtrent de vlugtelingen niet het minste berigt inwinnen; zij waren spoorloos verdwenen. De nijdige vizier Saony had dus geen' anderen troost, dan dat de koning zich voor hem in de bres had gesteld. Daarmede echter waren de kwetsuren, die hij had ontvangen niet genezen, en zijne schande was er niet door uitgewischt. Eerde ook de koning hem, de algemeene verachting en spot die men hem toedroeg, kon al het water van de zee niet afwasschen.
Intusschen hadden Noureddin en de schoone Perziane eene zeer voorspoedige reis. Zij kwamen zonder ongelukken na een' betrekkelijk korten togt op de reede van Bagdad aan. Zoodra de kapitein de stad in het gezigt kreeg, verzamelde hij al de passagiers om zich, en sprak hen met een blij gelaat aldus toe: „Mijne kinderen, verheug u met mij, dat onze reis bijna volbragt is, ziedaar het wereldberoemde Bagdad, de groote en wondervolle stad, de verzamelplaats van alle volken der aarde, die als eb en vloed komen en gaan, maar steeds een genoegelijk aandenken medenemen naar hunne woonsteden. De ondragelijke winterkoude der Noordpoollanden zal er u evenmin kwellen, als de doodende hitte der verzengde luchtstreken. Gij vindt er eene eeuwige lente met de schoonste bloemen en de heerlijkste vruchten, die elders de herfst slechts schenkt; het is een aardsch paradijs.”
Het schip liet even beneden de stad het anker vallen, waarop de passagiers zich aan wal begaven, en ieder een onderkomen ging zoeken. Noureddin gaf voor den overtogt aan den kapitein vijf goudstukken, en liet zich met zijne schoone Perziane aan de havenkade afzetten. Daar hij echter nooit in Bagdad geweest was, verkeerde hij nog in het onzekere, waar zijn' intrek te nemen. Gedurende een' geruimen tijd wandelden zij langs eene rij tuinen, die zich aan de boorden van den Tigris bevonden, en daaronder zagen zij er een', die geheel door een' fraaijen muur omgeven werd. Een net geplaveide weg, dien zij volgden, bragt hen bij de poort van dien tuin, waarvoor zich eene fontein bevond, wier heldere waterstralen in een marmeren bekken werden opgevangen.
De prachtige poort, die reeds op zich zelven van den rijkdom en den goeden smaak des eigenaars getuigde, was gesloten, maar onder de van marmersteen opgetrokken boog bevond zich een voorhof met eene sofa aan elke zijde. „Zie hier een waarlijk aangenaam verblijf,” zeide Noureddin tot de schoone Perziane; „de nacht is spoedig op handen, wij hebben aan boord ons avondmaal gebruikt, en naar mijn gevoelen moesten wij hier ons nachtverblijf nemen, dan kunnen wij morgen op ons gemak naar eene goede herberg uitzien; wat dunkt u daarvan?” „Gij weet heer,” antwoordde de schoone Perziane, „dat ik geen' anderen wil heb dan de uwe, behaagt zulks u, laat ons dan hier blijven.” Zij dronken ieder eene teug water uit de fontein, en plaatsten zich vervolgens op eene der sofa's, den tijd al schertsende doorbrengende, totdat eindelijk hunne oogen zich sloten en zij door het zacht gemurmel der fontein in slaap gewiegd werden.
De tuin behoorde aan den kalif Haroun-Al-Raschid, en in het midden van dezen lusthof stond een zomerhuis, bekend onder den naam van het schilderijen-pavilloen, omdat dit koepelvormige gebouw van binnen door de eerste Perzische kunstenaars geheel met fraaije landschappen, jagten en allegorische voorstellingen beschilderd was. Die groote en prachtige zaal ontving haar licht door tachtig vensters. Aan elk van deze bevond zich een kristallen kroon met verscheidene armen. Deze tachtig lustres werden nimmer aangestoken, dan wanneer de kalif een' avond in het pavilloen doorbragt, en dan nog alleen maar bij zeer schoon en stil weder, als men al de vensters kon openzetten. Alsdan gaf dit eene zeer prachtige illuminatie, daar het geheele gebouw op zulk een' avond als in eene zee van licht gehuld was, en zelfs op grooten afstand eene schitterende vertooning aanbood.
In dezen lusthof woonde slechts een bewaarder, een hoog bejaard man, genaamd Scheich Ibrahim, aan wien de kalif dezen eerepost, tot loon voor vroeger bewezen diensten, had opgedragen. Haroun-Al-Raschid had hem daarbij aanbevolen, niet alle soort van menschen in den tuin toe te laten, en bovenal zorg te dragen, dat niemand zich verstoutte, gebruik te maken van de sofa's in de voorportalen bij de poort, opdat deze onbesmet en rein zouden blijven. Wie zich hiertoe verstoutte, moest hij wegjagen en kastijden.
Op dezen avond was de bewaarder, daar hij eene dringende zaak te verrigten had, uitgegaan, en nog niet terug, toen Noureddin en de schoone Perziane in onwetendheid eene zoo groote inbreuk op des kalifs bevel maakten. Eindelijk echter kwam hij te huis, en het was nog niet zoo donker of hij bespeurde dadelijk, dat op eene der sofa's twee menschen sliepen, wier gelaat met een' linnen doek bedekt was. „Zeer goed,” mompelde Scheich Ibrahim in zich zelven, „zie daar weder een paar overtreders van het verbod des kalifs; maar ik zal hen leeren daarvoor meer achting te hebben, daarop kunnen zij staat maken.” Hij opende de poort zonder gerucht te maken, ging naar binnen, en kwam een oogenblik daarna terug met een' rotting in de hand, en de mouwen van zijn kleed tot aan de ellebogen opgestroopt. Zijn plan was er duchtig op toe te slaan, en reeds had hij den stok opgeheven, toen hij zich weder bedacht. „Scheich Ibrahim,” sprak hij in zich zelven, „gij gaat deze menschen slaan, zonder in aanmerking te nemen dat het welligt vreemdelingen zijn, die van het bestaande verbod niets af weten, en, geen ander onderkomen hebbende, hier hun nachtverblijf hebben genomen. Het is dus verstandiger, dat gij eerst onderzoekt, wie gij voor hebt, en of deze twee personen inderdaad strafschuldig zijn.” Hij ligtte nu het doek, dat hunne hoofden bedekte, met groote voorzigtigheid op, en was zeer verwonderd, een' zoo welgemaakt jongman en eene zoo bekoorlijke vrouw te aanschouwen. Vervolgens maakte hij Noureddin wakker, door hem even bij de beenen te trekken.
Noureddin, dus in zijne rust gestoord, rigtte dadelijk het hoofd op, en toen hij een' grijsaard voor zich zag, wiens langen sneeuwwitten baard tot op de voeten afhing, ging hij overeind zitten, en zijne hand grijpende, zeide hij: „Goede vader, Allah zij met u! Verlangt gij iets van mij?” „Mijn zoon,” hernam Scheich Ibrahim, ingenomen door dezen vriendelijken groet, „wie zijt gij, en van waar komt gij?” „Wij zijn vreemdelingen, en eerst zoo even hier aangekomen,” antwoordde Noureddin; „deze plaats kwam ons niet ongeschikt voor om er den nacht door te brengen, en den dag af te wachten.” „Toch zoudt gij hier niet goed zijn,” bragt Scheich Ibrahim in, „sta op en volg mij in den tuin, die wel bezienswaardig is; ik zal u een beter nachtverblijf verschaffen.” „Behoort u dezen lusthof?” vroeg Noureddin. „Ongetwijfeld behoort die mij,” hernam Scheich Ibrahim met een' glimlach; „het is een erfdeel dat ik van mijn' vader heb. Kom dus binnen; gij zult er geen berouw van hebben, en veel zien, dat de moeite wel beloont.”
Noureddin stond nu van de sofa op, betuigde aan Scheich Ibrahim zijnen dank voor diens beleefdheid, en volgde hem in den tuin met de schoone Perziane, die gedurende het voorafgaande gesprek mede ontwaakt was. Scheich Ibrahim sloot de poort, en voor hen uitgaande bragt hij zijne gasten op eene plek, vanwaar zij den tuin in al deszelfs pracht en uitgestrektheid, als met een' oogopslag konden overzien. Wel had Noureddin in Balsora vele fraaije lusthoven aanschouwd, maar niet een', die met dezen was te vergelijken. Hij nam alles naauwkeurig op, en hoe verder zij kwamen, te hooger klom zijne verbazing, dat dit alles het eigendom was, van een uitwendig zoo eenvoudig man, als hun gastheer hem voorkwam. Eindelijk vroeg hij naar diens naam, en sprak toen: „Scheich Ibrahim, ik moet bekennen, dat deze tuin buitengewoon schoon is. Allah schenke er u een lang en rustig leven. Wat ons betreft, wij kunnen u niet dankbaar genoeg zijn, dat gij ons zoo veel schoons laat bezigtigen; gedoog dat wij u op de eene of andere wijze een blijk van onze erkentelijkheid geven. Zie hier twee goudstukken, ik smeek u, laat u dit niet beleedigen; maar doe er ons iets voor halen, opdat wij te zamen goede sier, en ons vrolijk kunnen maken.”
Scheich Ibrahim had het zwak zeer geldzuchtig te zijn. Op het gezigt der beide goudstukken lachte hij in zijn' baard. Hij nam die gretig aan; en daar hij geene bedienden had, liet hij zijnen gasten alleen, en ging heen, om den hem opgedragen last zelf uit te voeren. „Ziedaar,” mompelde hij zeer verblijd in zich zelven, „twee waarlijk goede menschen. Ik zou mij zelven grootelijks hebben benadeeld, indien ik de onvoorzigtigheid begaan had, hen te mishandelen en weg te jagen. Ik zal hen vorstelijk onthalen voor het tiende gedeelte van dit geld, en het overblijvende voor mijne moeite behouden.”
Terwijl Scheich Ibrahim er op uit was, om het een en ander voor het avondmaal te bezorgen, zetten Noureddin en de schoone Perziane hunne wandeling in den tuin voort, totdat zij het schilderijen-pavilloen bereikten. Zij bewonderden de fraaije bouworde, en klommen den wit marmeren trap op, die naar de zaal geleidde, waarvan zij de deur echter gesloten vonden.
Noureddin en de schoone Perziane waren nog niet weder beneden, toen Scheich Ibrahim terugkwam met de levensmiddelen, die hij in eene groote mand op zijne schouders droeg. „Scheich Ibrahim,” vroeg Noureddin met hoog geklommen verbazing, „hebt gij ons niet gezegd, dat deze tuin u toebehoort?” „Ik heb dat gezegd,” antwoordde Scheich Ibrahim, „en zeg het nogmaals. Maar waarom doet gij mij deze vraag?” „En dit prachtige pavilloen, behoort u dit ook?” ging Noureddin voort met vragen.
Op deze laatste vraag was Scheich Ibrahim niet gevat; zij bragt hem van zijn stuk af. „Indien ik zeg, dat dit mij niet behoort,” overdacht hij bij zich zelven, „zoo zullen zij mij dadelijk vragen, hoe het kan zamen gaan, dat ik wel de bezitter van dezen tuin, maar niet van het daarin staande pavilloen ben; en ik zal beschaamd staan, en niet meer weten wat te antwoorden.” Éénmaal met eene leugen begonnen, vond hij dus maar het beste, op den ingeslagen weg voort te gaan. „Mijn zoon,” gaf hij daarom ten antwoord, „de tuin zonder het pavilloen, dat zou iets vreemds zijn; beide zijn mijn eigendom.” „Dit zoo zijnde,” hernam nu Noureddin, „zoudt gij mij, daar wij toch dezen nacht de eer zullen hebben uwe gasten te zijn, een groot genoegen doen, ons ook het binnenste van dit gebouw te laten zien, want naar het uitwendige te oordeelen, moet dat buitengewoon prachtig zijn.”
Scheich Ibrahim was reeds te voorkomend jegens zijne gasten geweest, om aan Noureddin zulk een eenvoudig verzoek te kunnen weigeren. Hij nam daarbij in aanmerking, dat de kalif niemand had gezonden, om hem, zoo als hij gewoon was, van zijne komst te verwittigen, en hij dus dezen avond niet te verwachten was. Hij vond er zelfs geen bezwaar in, het avondmaal met zijne gasten in het pavilloen te gebruiken. Met dat oogmerk zette hij de mand met levensmiddelen, die hij had medegebragt, op de onderste trede van den trap, en begaf zich naar zijne eigen woning om den sleutel te halen. Hij kwam weldra terug, een licht medebrengende, en ontsloot de deur.
Noureddin en de schoone Perziane traden de zaal binnen, en konden zich niet genoeg verwonderen over de pracht en rijkdom, die zich hier aan hun oog voordeed. En inderdaad, het kostbare schilderwerk zelfs niet in aanmerking nemende, was het huisraad regt vorstelijk. Noureddin kon al die pracht niet aanschouwen, zonder zich zijne vroegere welvaart te herinneren, en dit perste hem menigen zucht af. Intusschen bragt Scheich Ibrahim de levensmiddelen boven, en bereidde de tafel toe, waaraan hij vervolgens met Noureddin en de Perziane plaats nam. Na goed gegeten en hunne handen gewasschen te hebben, stonden zij van tafel op, en terwijl Scheich Ibrahim afnam, ging Noureddin naar een der vensters, en opende dit. Het gezigt, dat hij bij den helderen maneschijn van daar over den tuin en den Tigris had, was zoo fraai, dat hij de schoone Perziane bij zich riep, en zij zich een' geruimen tijd in stille bewondering met dit nachtelijk natuurtafereel vermaakten.
Toen Scheich Ibrahim de tafel afgenomen en zich weder bij zijne gasten gevoegd had, vroeg Noureddin, of hij, na een zoo keurig maal, niet wat voor hen te drinken had. „Wat verlangt gij te drinken?” hernam Scheich Ibrahim. „Ik heb sorbet, die onverbeterlijk is; maar gij weet wel mijn zoon, dat men het sorbet wel voor, maar niet na het avondmaal gebruikt.” „Dat weet ik zeer goed,” antwoordde Noureddin, „het is ook geen sorbet, maar een' andere drank, waarin ik trek heb; nu zult gij mij misschien beter begrijpen?” „Gij bedoelt welligt wijn?” hernam Scheich Ibrahim. „Gij kunt goed raden,” antwoordde Noureddin met een' glimlach, „en wanneer gij die hebt, zult gij mij verpligten, door eene flesch te geven. De wijn laat zich na het souper zeer goed gebruiken; men wordt er vrolijk bij, en slaapt er goed op.”
„Allah beware mij,” riep Scheich Ibrahim, „dat ik de wijn in mijn huis zou hebben, of zelfs de plaats naderen, waar men er dien op nahoudt! Een man als ik, die viermaal als pelgrim naar Mekka is geweest, moet voor altoos van den wijn hebben afgezien.” „Gij zoudt ons intusschen een groot genoegen doen,” hield Noureddin aan, „door ons wijn te verschaffen. Indien het u niet veel moeite is, zal ik u een middel aan de hand doen, waardoor gij ons dat genoegen kunt geven; zonder dat gij zelfs de herberg, waar men dien verkoopt, behoeft binnen te gaan.” „Op die voorwaarde wil ik het doen,” hernam Scheich Ibrahim, „zeg mij dus alleen maar, hoe ik het moet aanleggen, om mijne handen en mijn geweten rein te houden?”
„Wij hebben in uwen tuin,” vervolgde Noureddin, „een' ezel gezien; dit dier is waarschijnlijk van u, en gij bedient er u van, als gij eene eenigzins zware vracht te vervoeren hebt. Ziedaar nog twee goudstukken, neem die en rijd met uwen ezel naar de naastbijgelegen herberg, waar men wijn verkoopt. Gij behoeft dit wijnhuis intusschen niet binnen te gaan; gij geeft het geld eenvoudig aan dezen of genen voorbijganger, met verzoek een paar kruiken wijn voor u te laten vullen, en die in de manden te plaatsen, die gij uwen ezel kunt laten dragen. Voor eene kleine belooning, zult gij daar ligt iemand toe vinden, en wat het afladen betreft, daar zullen wij ons wel mede belasten, zoodat gij met de geheele zaak niets te doen hebt, dan den ezel voort te drijven, waardoor uw geweten zich onmogelijk bezwaard kan gevoelen.”
De twee goudstukken (die bij deze aanwijzing gevoegd waren) hadden op Scheich Ibrahim eene krachtdadige uitwerking. „O mijn zoon,” riep hij uit, zoodra Noureddin met spreken ophield, „gij verstaat u op die zaken. Zonder u zou ik nooit aan dat middel gedacht hebben, hetgeen mij in de mogelijkheid stelt, u wijn te bezorgen, zonder mijn' op dat punt naauwgezet geweten te verontrusten.” Hierop verwijderde hij zich, om binnen weinige oogenblikken met den gevraagden wijn terug te keeren. Zoodra hij terugkwam, ging Noureddin den trap af hem te gemoet, ligtte de kruiken uit de manden en bragt die op de zaal.
Na den ezel op zijne plaats gebragt te hebben, kwam Scheich Ibrahim weder in de zaal. „Scheich Ibrahim,” zeide nu Noureddin tot hem, „wij kunnen u niet dankbaar genoeg zijn voor de moeite, die gij u om onzentwil hebt gegeven, maar ons ontbreekt nog iets.” „En wat mag dat zijn?” vroeg Scheich Ibrahim, „wat kan ik nog doen, om u genoegen te geven?” „Wij hebben geene bokalen om uit te drinken,” hernam Noureddin, „en kondet gij ons tevens bij den wijn wat fruit bezorgen, dat zou eene heerlijke zaak zijn.” „Gij hebt slechts te spreken,” antwoordde Scheich Ibrahim, „wat gij ook wenschen moogt, het zal u geworden.” Scheich Ibrahim ging naar beneden, om het verlangde te halen, en dekte op nieuw de tafel, waarop nu weldra heerlijke vruchten op zilveren schotels, en gouden en zilveren bokalen prijkten. Noureddin noodigde hem uit mede aan te zitten; maar hoe sterk hij daarop ook aandrong, Scheich Ibrahim was er niet toe te bewegen; hij wenschte zijnen gasten een' genoegelijken avond, en verliet de zaal. Noureddin en de schoone Perziane schikten weder aan, en maakten een begin door elk eene bokaal wijn te drinken, dien zij uitmuntend bevonden. „Wel nu mijne schoone,” sprak Noureddin al zijn leed vergetende, „zijn wij niet de gelukkigste menschen der aarde, dat wij een zoo aangenaam verblijf hebben gevonden? Laten wij ons dan verblijden, en alle zorgen ter zijde stellen. Kan mijn geluk wel grooter zijn, u aan mijne zijde, en deze gouden bokaal met tintelenden wijn voor mij?” Zij schonken en dronken druk, werden steeds vrolijker, en zongen het eene lied voor, het andere na.
Daar beiden, en vooral de schoone Perziane, eene zeer fraaie stem hadden, trok hun gezang aldra de aandacht van Scheich Ibrahim, die op den trap post vatte en hen met het grootste vermaak aanhoorde, zonder zich evenwel te laten zien. Ten laatste echter stak hij het hoofd door de half openstaande deur, en meenende dat Noureddin reeds te veel wijn gedronken had, kon hij zich niet onthouden, hem schertsende toe te roepen: „Houd maar goeden moed, mijn beste heer! Ik ben zeer verblijd, u zoo vrolijk te zien.” „O, Scheich Ibrahim,” riep Noureddin, „gij zijt toch een uitmuntend mensch, en wij hebben alle verpligting aan u! Wij zouden niet van u durven vergen om een' beker met ons te drinken; maar kom binnen, en bewijs ons ten minste de eer van uw gezelschap”—„Laat ik u niet storen,” antwoordde Scheich Ibrahim, „en maak u te zamen vrolijk, het is u van harte gegund; en ik zal mij vergenoegen, u zoo schoon te hooren zingen, als gij daar even deedt.” Dit zeggende, trok hij het hoofd weder terug en verdween.