Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Vierde deel
Part 15
„Bekoorlijke vriendin,” hervatte Noureddin, „ik heb betere gedachten van mijne vrienden, en van de hulp, die ik bij hen zal vinden, dan gij. Ik zal hen morgen alle tien bezoeken, vóór het uur dat zij gewoon zijn te komen, en gij zult mij zien terugkeeren met eene groote som gelds, waarmede zij mij zullen ondersteunen. Ik ben besloten alsdan mijne levenswijze te veranderen, en met dat geld eenen handel aan te vangen, dien ik vertrouw, dat mij goede winsten zal opleveren.”
Noureddin bleef niet in gebreke den volgenden morgen zijne tien vrienden te bezoeken. Zij woonden allen in de zelfde straat, en hij klopte aan de eerste deur de beste aan, waar een der rijkste van het vriendental woonachtig was. Eene slavin kwam voor. Alvorens de deur te openen stak zij het hoofd door het portiersraamtje, en vroeg wie daar was. „Zeg uwen heer,” zeide Noureddin, „dat het Noureddin is, de zoon van den gewezen vizier Khasan, die hem verlangt te spreken.” De slavin deed nu open, liet hem in de zaal gaan, en ging naar haren meester, die nog te bed lag, met de boodschap, dat Noureddin zich in de voorzaal bevond, en hem wenschte te spreken. „Noureddin!” herhaalde de rijke vriend op minachtenden toon, en zoo luide dat deze het zeer goed kon hooren, „zeg, dat ik niet te huis ben, en als hij terug mogt komen, zoo zeg hem telkens het zelfde; voor dien man ben ik niet te spreken.” De slavin ging naar voren en boodschapte Noureddin, dat zij gemeend had, haar heer te huis was, doch hij reeds was uitgegaan.
Noureddin verliet de woning van zijnen rijken vriend met een verslagen hart. „Terwijl die trouwelooze en ondankbare” sprak hij zuchtende, „gisteren nog verzekerde, dat ik geen' opregter vriend ter wereld had dan hij, verzaakt en behandelt hij mij heden op zulk eene onwaardige wijze!” Hij klopte nu bij een' anderen zijner vrienden aan; doch slaagde daar niet beter. Om kort te gaan: hij kreeg bij alle tien een zelfde niet te huis, ofschoon zij allen binnen hunne woningen waren.
Nu werd het Noureddin duidelijk, hoe dwaas hij was geweest, zich op zijne valsche vrienden te verlaten en geloof te slaan aan de vleijende betuigingen, waarmede zij hem overladen hadden, zoolang hij hen aan zijne tafel onthaald en met geschenken en weldaden overladen had. „Het is maar al te waar,” zuchtte hij met tranen in de oogen, „een rijk en gelukkig mensch, zooals ik nog kort geleden was, is gelijk aan een' met vruchten beladen boom; men loopt er dagelijks heen, om van zijne vrucht te plukken, maar zoodra men er geene vruchten meer aan vindt, houdt men op er naar om te zien.” Zoo lang hij zich op straat bevond, wist echter Noureddin zijne smart te beheerschen; maar, te huis komende gaf hij daaraan den vrijen loop, en ging naar zijne schoone levensgezellin, om haar zijn ongeluk mede te deelen.
Zoodra de schoone Perziane Noureddin met een treurig gelaat zag binnen komen, begreep zij dadelijk, dat hij bij zijne zoogenaamde vrienden de hulp niet had gevonden, waarop hij bouwde. „Welnu, Heer,” zeide zij, „zijt gij thans overtuigd van de waarheid mijner voorspelling?” „Ach, mijne beste!” sprak hij in diepe droefheid, „het is maar al te zeer naar uw zeggen uitgekomen; niet een van mijne gewezen vrienden heeft mij willen ontvangen, zien of spreken; ik ben door allen verstooten, zooals men een' hond van de deur zou jagen, of een' bedelaar wegzenden, wien men geen lust heeft een stuk brood of eene aalmoes te geven. Nooit had ik mij kunnen verbeelden zoo ondankbaar behandeld te zullen worden door menschen, die zoo veel verpligting aan mij hebben, en voor wie ik mij als het ware heb uitgekleed. Ik weet niet, wat te zullen aanvangen, en indien gij mij door uwen verstandigen raad niet uit de verlegenheid helpt, vrees ik tot uitersten te komen, die mijner onwaardig zouden zijn.” „Heer,” antwoordde de schoone Perziane, „ik weet u in uw ongeluk geen' anderen raad te geven, dan dat gij uwe slaven en uw kostbaarste huisraad verkoopt, om van die opbrengst te leven, totdat de hemel u welligt eenen anderen weg zal openen om u uit deze ellende te redden.”
Dit middel kwam Noureddin zeer hard voor; maar wat zou hij in den nood, waartoe hij zich gebragt zag, beter doen? Hij begon er mede, zijne slaven te verkoopen, thans voor hem slechts onnutte monden, die hij niet meer in staat zou geweest zijn open te houden. Van dat geld leefde hij eenigen tijd; maar toen dit begon op te raken, moest hij de toevlugt tot zijne meubelen nemen. Hij liet die op de openbare verkoopplaats brengen, en aan de meestbiedenden voor kontant geld veilen. Hoewel hij zeer kostbare stukken had, die hem enorme sommen gekost hadden, werden zij ver onder de waarde verkocht, en brachten dus betrekkelijk zeer weinig op. Waar hij duizenden voor besteed had, bekwam hij naauwelijks zoovele honderden voor terug. De som, die hij in handen kreeg, was echter altoos nog vrij aanzienlijk, en hij leefde daar eenen geruimen tijd van; doch toen nu ook dit geld weder op raakte, en al zijne hulpmiddelen uitgeput waren, wendde hij zich in zijne wanhopige droefheid andermaal tot de schoone Perziane om troost en raad.
Noureddin had echter niet de minste gedachte op het antwoord, dat deze verstandige vrouw hem gaf. „Heer,” zeide zij, „ik ben uwe slavin, en gij weet, dat wijlen uw vader, de vizier, mij gekocht heeft voor tien duizend goudstukken. Ik weet wel, dat ik sedert in waarde verminderd ben, maar toch houd ik mij overtuigd, dat ik nog eene som zal kunnen opbrengen, welke aan die koopsom zeer nabijkomt. Wilt gij dus geraden zijn, zoo draal niet, mij ter markt te brengen en te verkoopen. Met de aanzienlijke hoeveelheid geld, die ik u zal opbrengen, kunt gij dan naar eene andere stad gaan, waar men u niet kent, en u aldaar als koopman neêrzetten. Moogt gij u dan ook al niet in weelde en overvloed kunnen baden, gij zult toch de middelen hebben, om op een' goeden voet, gelukkig en tevreden te leven.”
„O, allerliefste en schoone Perziane!” riep Noureddin, „hoe kunt gij met mogelijkheid op dat denkbeeld komen? Heb ik u zoo weinig bewijzen van mijne liefde gegeven, dat gij mij tot zulk eene laagheid in staat acht? En indien ik die laagheid kon begaan, zou ik dit kunnen doen, zonder een' meineedige te worden, na de belofte aan mijnen vader gedaan, u nimmer te zullen verkoopen? Liever wil ik sterven dan er toe overgaan, mij van u te ontdoen, die ik liefheb als mij zelven. Maar uw voorstel bedroeft mij, want daaruit blijkt, dat gij mij lang zoo sterk niet bemint, als ik u liefheb.”
„Heer,” hernam de schoone Perziane, „ik ben overtuigd, dat gij mij zoo zeer bemint als gij daar zegt, en Allah weet het, dat ik ook u met geheel mijn hart liefheb. Het grieft mij, u een voorstel te moeten doen, dat gij zoo zeer ten mijnen nadeele uitlegt. Om echter het door u aangevoerde te wederleggen, behoef ik u slechts te herinneren, dat de nood alle wetten breekt. Ik bemin u zoo zeer, als gij mij met mogelijkheid liefhebben kunt, en ik kan u verzekeren, dat mijne liefde voor u nimmer ophouden of verminderen zal, aan welken meester ik ook zal toebehooren. Ja, geen grooter geluk zal mij kunnen te beurt vallen, dan dat gij mij terugkoopt, zoodra uwe omstandigheden het zullen toelaten. Ik hoop, dat die tijd éénmaal en welligt spoedig komen zal; want geld zoekt geld, indien men er slechts prijs op stelt, en het goed weet te besteden. Wel moet ik toestemmen, dat het eene treurige noodzakelijkheid is, die ons dringt voor eenen tijd te moeten scheiden; maar ik zie geen ander middel, om u en mij aan de ellende te onttrekken, die ons voor de deur staat.”
Noureddin moest bij zich zelven erkennen, dat, wilde hij eene drukkende armoede ontgaan, hem werkelijk niets anders overbleef, dan te doen, zooals zijne vrouw hem voorstelde. Hij bragt haar dus, hoewel met een bloedend hart, naar de markt, waar de slavinnen verkocht werden; en zich tot een' makelaar, Hagi Hassan genaamd, wendende, zeide hij: „Zie hier eene slavin, welke ik wil verkoopen; zeg mij den prijs, dien gij gelooft, dat ik voor haar zal kunnen maken?” Hagi Hassan verzocht Noureddin en de schoone Perziane naar binnen te gaan, en zoodra de laatste den sluijer, die haar bekoorlijk gelaat bedekte, op zijn verzoek had afgelegd, bleef hij eenige oogenblikken als opgetogen van bewondering staan. „Heer,” zeide hij daarop tot Noureddin, „bedriegen mij mijne oogen, of is dat niet de slavin, waarvoor wijlen uw vader de vizier voor eenigen tijd tien duizend goudstukken betaald heeft.” „Dezelfde,” antwoordde Noureddin. „Ik dacht het reeds,” hernam de makelaar, „want ofschoon ik in mijn leven vele slavinnen gezien heb, die op schoonheid aanspraak mogten maken, deze gaat die alle te boven, en is eenig in haar soort. Gij kunt op eene groote som rekenen, en ik beloof u mijn uiterste best te zullen doen om haar op dien hoogen prijs te brengen, dien ik mij voorstel, dat zij waardig is.”
Hagi Hassan en Noureddin verlieten nu de kamer, waar de schoone Perziane achterbleef. Hij ging terstond de kooplieden opzoeken; maar deze waren zoo druk bezig met het koopen van Grieksche, Afrikaansche en Tartaarsche slavinnen dat zij zich geen' tijd gunden, hem te woord te staan, zoodat onze makelaar wel moest wachten, totdat zij met hunne inkoopen gereed waren, en de markt ten einde liep. Eerst toen gelukte het hem, de meeste kooplieden bijeen te brengen. „Mijne brave heeren” sprak nu Hagi Hassan, met een blij gelaat en levendige gebaren, „al wat rond is, zijn geene paarlen, al wat lang is, geene vijgen, al wat rood ziet, is nog geen vleesch, en alle eijeren zijn niet versch. Ik wil hiermede zeggen, dat hoewel gij in uw leven vele schoone slavinnen gezien en gekocht hebt, daaronder zeker niet eene geweest is, die in vergelijking zou kunnen komen, met degene, die ik u thans kan aanbieden. Het is de parel van alle slavinnen, en gij behoeft mij niet op mijn woord te gelooven; gaat mede, mijne heeren, komt, ziet en oordeelt! Ik verlang, dat gij zelven mij zult zeggen, op welken prijs ik haar bij de eerste veiling moet inzetten.” De kooplieden, gedreven door nieuwsgierigheid om dit zoo hoog opgevijzelde wonder van schoonheid te zien, volgden Hagi Hassan in massa, die nu de kamer voor hen ontsloot, waar hij de schoone Perziane had gelaten. Allen bewonderden haar, en het eenstemmig gevoelen was, dat men haar aanvankelijk op geene mindere som dan vier duizend goudstukken moest stellen. Daarop verlieten zij de kamer, welke door Hagi Hassan, die met hen uitging, weder gesloten werd. Zoodra hij buiten kwam, riep hij met luider stem: „Voor vier duizend goudstukken de Perzische slavin! Wie biedt er meer voor?”
Geen der kooplieden had nog een woord gesproken, en onderling beraadslaagden zij nog, wat zij hoogen zouden, toen de vizier Saony op de plaats verscheen. Daar hij Noureddin op de markt gezien had, en het hem niet onbekend was, dat deze zijne meubelen verkocht had, kwam de vizier op het denkbeeld dat hij, nu weder eenig geld beschikbaar hebbende, eene slavin wenschte te koopen. Zou hij het niet eens beproeven, of hij den zoon van zijn' gewezen ambtgenoot en vijand niet in de wielen kon rijden? Hij reed dus nader bij, en wel juist op het oogenblik dat Hagi Hassan voor de tweede maal uitriep: „Vier duizend goudstukken voor de Perzische slavin.”
De hooge prijs deed Saony denken, dat die slavin van eene uitstekende schoonheid moest zijn, en dit maakte hem nieuwsgierig, om haar te zien. Hij zette zijn paard aan, baande zich een' weg door den kring van kooplieden, waardoor Hagi Hassan omringd was, en beval dezen hem de slavin te toonen. Het was het gebruik, niemand meer toe te laten bij eene slavin, zoo lang de kooplieden, die haar gezien hadden, nog aan het bod waren, doch deze vonden het nu toch niet raadzaam, hun regt te handhaven tegenover den vizier, wiens magt zij vreesden. Hagi Hassan zag zich dus genoopt aan het hem gegeven bevel te gehoorzamen; hij ontsloot de kamer en deed de schoone Perziane naar buiten komen, opdat Saony haar zou kunnen zien, zonder dat hij van zijn paard behoefde te stijgen.
De vizier was opgetogen van bewondering, toen hij eene slavin van zulk eene uitstekende schoonheid te voorschijn zag komen. Hij had met den zelfden makelaar reeds zaken gedaan, zoodat diens naam hem niet onbekend was. „Hagi Hassan,” zeide hij, „hebt gij haar niet afgeroepen voor vier duizend goudstukken?” „Ja heer,” antwoordde de aldus aangesprokene, „dat is de som, waarop deze kooplieden mij geraden hebben, haar in te zetten, en zoo even heb ik haar daarvoor afgeroepen, in afwachting dat zij zullen hoogen, vóór dat de toeslag valt.” „Ik geef dat geld,” hernam Saony, „indien er niemand meer biedt.” Ter zelfder tijd wierp hij den kooplieden een' blik toe, die genoeg te kennen gaf, dat hij niet begeerde, dat zij meer zouden bieden. Dit had de door den vizier gewenschte uitwerking; hij was algemeen zoo gevreesd, dat de kooplieden zich wel wachtten, den mond te openen, om tegen hem te bieden, zelfs hadden zij den moed niet zich te beklagen, dat hij door zijn bod op hun regt inbreuk maakte. Na dus eenigen tijd gewacht te hebben, zeide de vizier Saony op hoogen toon tot Hagi Hassan: „Welnu, waar wacht gij op? Ga naar den verkooper, en sluit den koop met hem voor vier duizend goudstukken; of vraag hem, hoe hij er over denkt, en of ik, Saony, de slavin voor dien prijs hebben zal, of niet.” De vizier wist nog niet, dat de slavin aan Noureddin toebehoorde.
Hagi Hassan sloot zijne kamer, en spoedde zich om Noureddin op te zoeken en de zaak met hem te bespreken. „Heer,” zeide hij tot hem, „het is mij zeer leed u te moeten mededeelen, dat uwe slavin voor zooveel als niet verkocht zal worden, gij zoudt haar even goed hebben kunnen weg schenken.” „En om welke reden?” vroeg Noureddin, ten hoogste verwonderd over deze zonderlinge inleiding. „Heer,” hernam Hagi Hassan, „bij den aanvang liet zich alles zeer goed aanzien, ik dacht u eene goede koopsom te bezorgen. Zoodra de kooplieden uwe slavin bezigtigd hadden, vonden zij geene de minste zwarigheid mij op te dragen, haar terstond op vier duizend goudstukken in te zetten. Ik heb haar voor dien prijs afgeroepen; maar toen kwam juist de vizier Saony daar voorbij, en hield zijn paard staande. De tegenwoordigheid van dezen algemeen gevreesden staatsdienaar was voldoende, om de kooplieden den mond te stoppen, daar zij anders niet zouden hebben geäarzeld, haar op den zelfden prijs te brengen, die de vizier uw vader besteed heeft. Saony wil echter niet meer geven dan vier duizend goudstukken, en het is wel tegen mijn' zin, dat ik zulk een onredelijk bod moet doen. De slavin is uw eigendom, intusschen mag ik u niet aanraden, haar voor dien prijs te laten. Gij kent hare waarde, en een ieder kent die. Bovendien is Saony er wel de man naar, eene uitvlucht te bedenken, om zich van de betaling af te maken.”
„Hagi Hassan,” hernam Noureddin, „ik ben u voor uwen raad zeer verpligt; wees echter gerust: want nimmer zal ik dulden, dat mijne slavin overgaat in handen van den grootsten vijand mijns vaders. Ik ben dringend om geld verlegen, maar liever wil ik in de diepste armoede sterven, dan gedoogen dat mijne slavin aan hem wordt uitgeleverd. Ik heb u slechts ééne vraag te doen; zeg mij alleen, wat moet ik doen om den verkoop te keeren?”
„Niets is gemakkelijker,” gaf Hagi Hassan ten antwoord, „houdt u, alsof gij op uwe slavin vertoornd zijt geweest, en in uwe gramschap hebt gezworen, haar ter markt te brengen; maar dat gij geen plan hadt haar te verkoopen, en gij haar alleen daar hebt laten heênvoeren, om uwen eed getrouw te zijn. Dit zal ieder bevredigen en Saony zal er niets tegen kunnen inbrengen. Maak u dus gereed, en zoodra gij zien zult, dat ik haar, als ware dit met uwe toestemming, aan Saony overlever, moet gij toeschieten, uwe slavin terugnemen, haar eenige slagen geven, en met haar naar uwe woning gaan.” „Ik bedank u,” sprak Noureddin, „en gij kunt er staat op maken, dat ik uwen raad zal volgen.”
Hagi Hassan keerde naar zijne kamer terug, opende de deur en ging binnen. Na de schoone Perziane met een paar woorden onderrigt te hebben, dat zij niet moest ontstellen over hetgeen gebeuren zou, nam hij haar bij den arm, en bragt haar bij den vizier Saony, die nog altoos voor de deur wachtte. „Heer,” zeide de makelaar, „ziehier de slavin; zij behoort u, neem haar.”
Naauwelijks had Hagi Hassan deze woorden gesproken, of Noureddin schoot toe, maakte zich meester van de schoone Perziane, en gaf haar eenige slagen. „Neem dit voor uwe brutaliteit,” sprak hij, luid genoeg, om door de omstanders gehoord te kunnen worden, „en keer met mij naar huis terug. Uw lastig humeur heeft er mij wel toe gebragt te zweren, dat ik u ter markt zou brengen, maar niet u te zullen verkoopen. Ik heb u nog noodig, en het zal altoos nog tijd zijn, tot dit uiterste over te gaan, als gij u niet wilt beteren.”
De vizier Saony ontstak over deze handelwijze van Noureddin in hevigen toorn. „Ellendige verkwister,” riep hij, „wilt gij mij doen gelooven, dat u buiten deze slavin nog iets anders te verkoopen overblijft? Hier met de slavin!” En te gelijk zijn paard aanzettende, reed hij op Noureddin toe, om hem de schoone Perziane te ontnemen. Deze beleediging, hem door zijn' grootsten vijand en in het openbaar aangedaan, deed Noureddin het bloed naar het hoofd stijgen. „Wacht mij hier,” sprak hij tot de schoone Perziane, en haren arm los latende, greep hij het paard van den vizier bij den teugel, zoodat dit eenige passen achterwaarts deed. „Ondeugende kerel!” schreeuwde hij in woede, „wat verstout gij u te zeggen, en wat wilt gij van mij? Indien ik mij niet ontzag voor de omstanders, ik zou u den baard uitrukken, of u den lasterlijken tong uit den mond halen.”
Daar de vizier Saony bij niemand bemind was, ja veeleer algemeen gehaat werd, was er onder de toeschouwers niet één te vinden, wien het geen genoegen zou hebben gedaan, indien deze gehate staatsminister eens duchtig door Noureddin werd afgeklopt. Zij gaven hem dit genoeg door teekens te kennen, en deden hem begrijpen, dat hij zich naar hartelust kon wreken, zonder dat iemand hunner zich in den twist zou mengen.
Saony maakte gebruik van zijn rijzweep, om Noureddin te dwingen de teugels van zijn paard los te laten; doch deze, een jongman in de kracht des levens, ontrukte hem de zweep, en trok hem, aangemoedigd door het gejubel der omstanders, van zijn paard. Hij sleurde hem met de haren door het slijk, en sloeg er zoo duchtig op los, dat het gelaat van den vizier weldra met modder en bloed bedekt was. De slaven, die Saony vergezelden, sloegen de hand aan hunne sabels, en wilden zich op Noureddin werpen, doch de kooplieden stelden zich tusschen beide en verijdelden hun opzet. „Wat wilt gij aanvangen?” zeiden zij; „ziet gij niet, dat de een vizier, de ander de zoon van een' vizier is? Laat hen hun verschil onder elkander afmaken. Misschien verzoenen zij zich later, en indien gij Noureddin mogt dooden, gelooft niet, dat uw meester, hoe magtig hij ook is, u tegen het geregt zou kunnen beschermen.” Door deze toespraak begonnen de slaven bevreesd te worden, en draalden zoo lang, totdat Noureddin zelf ophield zijn' overwonnen en magteloozen vijand te slaan. Hij liet den vizier in het slijk liggen, nam zijne schoone Perziane met zich, en keerde met haar naar zijne woning terug, onder het gejuich van het volk, dat hem met loftuitingen overlaadde.
Inmiddels werd Saony door zijne slaven opgeholpen; hij kon zich naauwelijks op de been houden, en op de schouders van twee zijner dienaren leunende, begaf hij zich, gevolgd door eene hem uitjouwende volksmenigte, regelregt naar het paleis des konings. Toen hij zich onder een der ramen van de vertrekken des konings bevond, begon hij luide op klagenden toon om geregtigheid te roepen. De koning deze klaagtoonen hoorende, liet hem voor zich brengen, en zoodra de vizier verscheen, vroeg hij hem, wie hem in dien ellendigen toestand gebragt had. „Sire,” zeide Saony, „men behoeft slechts in de gunst van uwe majesteit te staan, en eenig aandeel in uwen raad te hebben, om mishandeld te worden op eene wijze, zooals zij ziet, dat ik behandeld ben geworden.”
„Laat die praatjes maar achterwege,” antwoordde de koning, „zeg mij alleen, hoe zich de zaak heeft toegedragen; en wie u heeft beleedigd. Indien gij het regt op uwe zijde hebt, zal ik wel een middel weten, om uwen tegenstander zulks te doen berouwen.” „Sire,” vervolgde nu Saony, de zaak geheel in zijn voordeel voordragende, „ik ging naar de slavenmarkt, om eene goede keukenmeid te koopen, waaraan ik behoefte heb. Juist toen ik daar aankwam, werd er eene slavin te koop aangeboden en ingezet voor vier duizend goudstukken. Deze hooge inzet trok mijne aandacht. Ik liet haar voorbrengen, en nooit zagen mijne oogen een schoonere vrouw. Zij nam mij in; ik vroeg aan wie deze slavin toebehoorde, en vernam dat Noureddin, zoon van wijlen mijn waardigen ambtgenoot, den vizier Khasan, haar liet verkoopen. Uwe majesteit zal zich herinneren, dat zij voor twee of drie jaren aan genoemden vizier, eene som van tien duizend goudstukken heeft gegeven, met last haar voor dat geld eene slavin te koopen. Hij heeft het geld gebezigd, om deze slavin aan te schaffen, maar in plaats van haar bij uwe majesteit te brengen, heeft hij ze aan zijnen zoon gegeven. Na den dood van zijn' vader heeft die zoon zijne rijke erfenis, met lekker eten, drinken en allerlei zotheden, in korten tijd doorgebragt, zoodat na verloop van ruim een jaar niets meer te verkoopen overbleef dan gezegde slavin. Ik deed Noureddin bij mij komen en zonder met een enkel woord te reppen van de trouweloosheid, waarmede zijn vader in deze zaak omtrent uwe majesteit had gehandeld, veel minder hem deswegens eenig verwijt te doen, sprak ik hem met de grootste beleefdheid aan. „Noureddin,” zeide ik, „zooals ik verneem, hebben de kooplieden den eersten inzet van uwe slavin gesteld op vier duizend goudstukken. Ik twijfel niet, of zij zullen door tegen elkander op te jagen, haar op veel hooger prijs brengen. Maar wilt gij goed geraden zijn, zoo laat mij uwe slavin voor gezegde som, en dat niet om mij eene gunst te bewijzen; maar omdat ik plan heb haar te koopen tot een geschenk voor den koning; bij wien ik dan wel een goed woord voor u zal weten te spreken. Dit zal u oneindig meer voordeel zijn, dan dat de kooplieden u eene grootere som betalen.”
In plaats echter van beleefdheid met beleefdheid te beantwoorden, zag de vermetele jongman mij met fieren blik aan. „Ondeugende grijsaard,” duwde hij mij toe, „liever dan haar aan u te verkoopen, schenk ik mijne slavin weg aan den eersten Jood den besten.” „Maar Noureddin,” hernam ik, zonder mij warm te maken, hoewel ik daartoe alle reden had, „gij neemt niet in aanmerking, dat gij door zoo te spreken, niet zoo zeer mij, dan wel den koning hoont, aan wiens genadige goedheid, zoowel uw vader als ik, onzen hoogen rang, ja alles te danken hebben.” Deze mijne billijke tegenwerping, die hem moest nederzetten en tot beter inzien brengen, deed zijne dolle gramschap slechts te heviger ontbranden. Zonder mijn' hoogen rang en gevorderde jaren in aanmerking te nemen, wierp hij zich plotseling als een razende op mij, trok mij bij de beenen van het paard, en bragt mij vervolgens in den beklagenswaardigen toestand, waarin uwe majesteit mij ziet. Ik bezweer u, sire, in aanmerking te nemen, dat mij deze hoon alleen is wedervaren, omdat ik als verdediger van uwe eer optrad, en slechts uwe belangen op het oog had.” Dit gezegd hebbende liet Saony het hoofd hangen, en zich omdraaijende gaf hij aan zijne tranen den vrijen loop. De koning, bedrogen door dit listig en onwaar verslag van zijnen eersten staatsdienaar, en daardoor tegen Noureddin opgewonden, ontstak in hevigen toorn. Hij wendde zich tot den kapitein van zijne lijfwacht, die in zijne nabijheid was. „Neem,” sprak hij tot dezen, „veertig man van mijne lijfwacht, en haal mij Noureddin met zijne slavin hier. Zijn huis zult gij ter plundering overgeven.”