Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Vierde deel

Part 14

Chapter 144,065 wordsPublic domain

„Heer,” gaf de viziersvrouw ten antwoord, „ik kan niet ontkennen, dat Saony tot alles, wat gij daar zegt, zeer goed in staat is, want zijne boosaardigheid is algemeen bekend; maar om dus tot den koning te kunnen spreken, zou hij eerst met het voorgevallene geheel, of althans grootendeels bekend moeten zijn. Doch hoe kan of zal hij daar achter komen, daar aan niemand iets van het gebeurde bekend is, behalve aan mijne slavinnen, voor wier stilzwijgen ik u gerust durf borg staan. En mogt men bij den koning al eenig vermoeden opwekken, en hij u over die zaak aanspreken, dan kunt gij immers zeggen, dat het na een naauwkeurig onderzoek is gebleken, dat de slavin op verre na niet al die deugden en goede hoedanigheden bezat, welke gij bij den koop in haar meendet te ontdekken, en dat gij te dien opzigte door den Perzischen koopman bedrogen zijt geworden. De koning zal u op uw woord gelooven, en Saony zal het verdriet hebben, zijn boosaardig plan te zien mislukken, zooals dit reeds meermalen het geval is geweest, als hij u bij den koning den voet dacht te ligten. Stel u dus gerust; en wilt gij mijnen raad volgen, zoo laat den makelaar bij u ontbieden, geef hem te kennen, dat gij over de schoone Perziane niet voldaan zijt, en draag hem den last op, eene andere slavin voor u op te sporen, welke den koning meer waardig is.” Deze raad kwam den vizier zeer goed voor, en hij besloot daaraan onmiddelijk gevolg te geven; maar mogt hij nu de zaak minder donker inzien; de toorn, dien hij tegen zijnen zoon Noureddin had opgevat, werd daardoor niet verminderd.

Noureddin liet zich intusschen dien dag in het ouderlijke huis niet zien, hij had zelfs den moed niet, bij zijne jonge vrienden, met wie hij anders dagelijks omging, eene schuilplaats te vragen, uit vrees, dat zijn vader hem aldaar mogt zoeken. Hij ging de stad uit, en nam de wijk in een' openbaren tuin, waar hij nog nimmer geweest was, en dus weinig vrees behoefde te hebben, er van zijne kennissen te zullen aantreffen. Eerst laat in den avond, en na het uur, waarop zijn vader gewoon was zich ter ruste te begeven, waagde hij het, zachtjes aan een achterpoortje te kloppen, dat in den tuin uitkwam, en zich in de nabijheid van de vrouwenvertrekken bevond. Door dit poortje had men hem, als hij soms wat laat uitbleef en hij dit voor zijn' vader niet wilde weten, meermalen binnen gelaten. Ook ditmaal behoefde Noureddin niet lang te kloppen; men scheen zoo iets verwacht te hebben; eene der slavinnen van zijne moeder was opgebleven, en liet hem in. Zij bragt hem, zonder gerucht te maken, naar zijne kamer, waar Noureddin den nacht doorbragt, zonder echter veel te slapen. Zoodra het dag begon te worden, joeg de vrees hem weder voort, want de slavin ontveinsde het niet voor haren jongen meester, dat de gramschap van zijn' vader zeer hevig was, en dat deze had gedreigd, hem, de eerste maal dat hij onder zijne oogen kwam, te zullen dooden. Noureddin bragt dien dag weder in denzelfden tuin door, en werd des nachts op nieuw door de slavin ingelaten. Dit leven leidde hij gedurende eene geheele maand, en begon hem ten laatste zeer te verdrieten, maar daar de vizier, volgens het zeggen der slavin, nog steeds even vergramd op hem was, had Noureddin den moed niet, zich aan de voeten zijns vaders te werpen en diens vergiffenis af te smeeken.

De viziersvrouw vernam wel van hare slavinnen, dat Noureddin elken nacht, als zijn vader te bed was, te huis kwam, maar zij waagde het niet hem te bezoeken, of in hare tegenwoordigheid toe te laten. Op zekeren dag echter (er waren reeds vier weken verloopen, en de koning had nog altoos verzuimd zijn' vizier naar de slavin te vragen, zoodat het scheen, dat hem de geheele zaak was vergeten) nam zij de gelegenheid waar, om tegen haren man een woord ten gunste van Noureddin te zeggen, waartoe het haar tot dusverre aan den moed had ontbroken. „Heer,” zeide zij, „ik heb mij tot nu toe onthouden met u over onzen zoon te spreken; het zij mij echter thans vergund, u te vragen, hoe gij met hem denkt te handelen. Ik moet toestemmen, dat Noureddin zeer schuldig is, en zwaar tegen u heeft misdaan, daar hij u door zijn misdrijf van de eer heeft beroofd, om aan den koning eene slavin te kunnen aanbieden, zoo schoon en zoo volmaakt als de Perziane, maar de zaak is nu eenmaal zoo en niet te veranderen. Wat zult gij nu doen? Wilt gij uw' zoon met geweld in het verderf storten? Gij zult u dan eene veel grootere ramp op den hals halen, dan die, waarvoor gij zoo lang hebt gevreesd, doch die gij nu gerust uit uwe gedachten kunt zetten. Gij hebt er misschien niet aan gedacht, dat de booze wereld, als het ruchtbaar wordt, dat gij uwen zoon uit uw huis hebt verbannen, naar de reden van dit uw gedrag onderzoek zal doen, en men daardoor juist het geheim zal te weten komen, dat gij met zoo veel zorg tracht verborgen te houden. En indien dit mogt gebeuren, zoudt gij het ongeluk, dat daaruit voor u moet voortvloeijen, aan u zelven te wijten hebben.”

„Mevrouw,” hernam de vizier, „hetgeen gij mij daar zegt, is niet van grond ontbloot. Maar ik kan niet besluiten aan Noureddin vergiffenis te schenken, dan na hem eerst gestraft te hebben, gelijk hij verdiend heeft.” „Indien gij wilt handelen,” viel zij hem in de rede, „zooals mij daar in de gedachte komt, dan zal Noureddin voldoende gestraft en vernederd zijn, zonder dat gij hem uwe vergiffenis behoeft te onthouden. Tot dusverre komt uw zoon elken nacht te huis, nadat gij u ter ruste hebt begeven; hij slaapt hier en maakt zich weder uit de voeten vóór dat gij zijt opgestaan. Wacht hem dezen nacht op, en neem den schijn aan, of gij hem wilt dooden. Ik zal dan toeschieten, om hem te ontzetten, en gij kunt het doen voorkomen, alsof gij hem alleen op mijne voorbede het leven laat, en vergiffenis schenkt, waarbij gij hem de verpligting kunt opleggen de schoone Perziane tot zich te nemen, op die voorwaarden als het u behagen zal. Hij bemint haar, en zij, dit weet ik, haat hem niet.”

Khasan liet zich overhalen, den raad zijner vrouw te volgen. Overeenkomstig met dit plan, plaatste hij zich tegen den tijd, dat Noureddin gewoonlijk te huis kwam, achter de tuindeur. Toen men nu zijn' zoon binnenliet, greep hij dezen plotseling aan, en wierp hem ter aarde. Noureddin het hoofd omdraaijende, herkende zijn' vader, die met een' dolk in de hand hem vasthield, gereed hem te dooden. Op dat oogenblik kwam de moeder van Noureddin toeschieten, en den arm des viziers terughoudende, riep zij: „Heer, wat wilt gij doen?” „Houdt mij niet tegen,” sprak de vizier, „en laat mij een' zoon dooden, die niet waardig is het leven te genieten!” „Ach! heer,” hernam zijne vrouw, „ik zal mij eerder laten dooden, dan dat ik immer zal toelaten, dat gij de handen doopt in uw eigen bloed.” Noureddin maakte gebruik van dit oogenblik, en de met tranen gevulde oogen tot den vizier opheffende, riep hij op smeekenden toon: „Vader, ik heb zwaar jegens u gezondigd, maar spaar mijn jeugdig leven en schenk mij uwe vergiffenis; wees barmhartig voor uwen schuldigen, doch berouwhebbenden zoon, gelijk gij hier namaals van Allah barmhartigheid hoopt te ontvangen, op den dag, dat wij allen voor zijnen regterstoel zullen moeten verschijnen.”

Khasan liet zich nu den dolk door zijne vrouw uit de hand wringen, en zoodra hij Noureddin had losgelaten, wierp deze zich aan zijne voeten en kuste die, om daardoor het bewijs te geven, hoezeer het hem leed deed, zijnen vader bedroefd en beleedigd te hebben.—„Bedank er uwe moeder voor,” sprak de vizier op gestrengen toon, „dat ik u laat leven en vergiffenis schenk; zonder hare tusschenkomst had ik u reeds gedood. Ik wil u nu zelfs met mijne vergiffenis de schoone Perziane geven, doch onder beding, dat gij haar niet als eene slavin, maar als uwe vrouw zult behandelen, en haar nimmer verkoopen of verstooten. Daar zij verstandiger en deugdzamer is dan gij, zoo hoop ik, dat zij in staat zal zijn, u terug te houden, van de jeugdige dwaasheden, waardoor gij u in het verderf zoudt storten.”

Noureddin vond er geene zwarigheid in, de door zijnen vader gevorderde belofte af te leggen en bedankte hem voor eene goedheid, waarmede hij zich nooit had durven vleijen. De schoone Perziane was ook zeer tevreden, en tot groot genoegen van den vizier leefde het jonge paar met elkander in de beste eendragt.

Khasan wachtte inmiddels niet af, dat de koning hem aansprak over de lastgeving, die hij op zich had genomen; hij bragt die zaak zelf op het tapijt, en gaf hoog op van de moeijelijkheid om eene slavin te bekomen, zoo volmaakt als zijne majesteit wenschte. De koning geloofde hem, en sprak ten laatste in het geheel niet meer over deze zaak. Wel had Saony het een en ander vernomen, dat hem verdacht voorkwam; maar zijn ambtgenoot stond te hoog bij den koning aangeschreven, dan dat hij er zich aan durfde wagen, als zijn' beschuldiger op te treden.

Zoo bleef dus de zaak, zonder dat de koning eenigen achterdocht opvatte. Khasan wenschte zich zelven geluk, dat hij den verstandigen raad van zijne vrouw had opgevolgd, en een vol jaar verliep, toen de vizier eens zeer verhit uit het bad kwam, en daarbij eene zware verkoudheid opdeed, zoodat hij zich bij zijne tehuiskomst dadelijk te bed moest begeven. Hij kreeg dienzelfden nacht eene zware koorts. Den volgenden dag gevoelde hij zich zoo ziek, dat hij Noureddin, die niet van zijne sponde week, bij de hand nam, en hem aldus toesprak: „Mijn zoon, ik geloof, dat mijn einde nadert. Ik weet niet, of ik van de groote goederen, die Allah mij gegeven heeft, een goed gebruik heb gemaakt, maar gij ziet, dat zij mij niet van den dood kunnen bevrijden. Het eenigste, dat ik u met stervende lippen aanbeveel, is dat gij aan uwe belofte omtrent de schoone Perziane, ook na mijnen dood, gedachtig moogt blijven. Het is in dit vertrouwen, dat ik onbezorgd van deze wereld ga scheiden; want ik weet dat gij in haar eene verstandige huisvrouw zult hebben, die u, als gij haren raad volgt, tot eene beschermengel zal zijn.”

Dit waren de laatste woorden, die de vizier Khasan kon uitbrengen; hij werd door zware benaauwdheden aangetast, en gaf kort daarop den geest. Zijn dood werd niet alleen door zijnen zoon en zijne huisgenooten, maar ook aan het hof en door de gansche stad diep betreurd. De koning verloor in hem een' wijzen, ijverigen en getrouwen staatsdienaar, en de armen beweenden hem als een' beschermer en weldoener.

De begrafenis had met groote plegtigheid plaats. De viziers, de emirs en al de grooten van het hof wedijverden, om zijn lijk naar het graf te dragen, en wisselden elkander bij beurten af. Bijna alle bewoners van Balsora, zoowel rijken als armen, volgden de lijkstoet naar de begraafplaats, en toen de zerk op het graf werd gelegd hoorde men niets dan weenen en snikken.

Noureddin legde eene groote droefheid aan den dag over het verlies van eenen vader, dien hij steeds innig had lief gehad, en sloot zich een' geruimen tijd in zijn huis op, zonder iemand te willen zien of ontvangen. Eindelijk echter stond hij toe, dat men een zijner beste vrienden, die zich reeds dikwijls te vergeefs had laten aanmelden, bij hem liet. Deze vriend stelde alles in het werk, om hem wat op te beuren en te troosten, en na eenen warmen handdruk sprak hij hem aldus aan: „Mijn waarde Noureddin, ik en al uwe vrienden nemen hartelijk deel in het door u geleden verlies; wij begrijpen ook zeer goed, dat gij eenen vader gelijk de uwe, diep betreuren moet; maar aan die droefheid moet toch eenmaal een einde komen. Het zou,” vervolgde hij, „onnatuurlijk zijn, en strijdig met de wetten der zamenleving, indien wij onze afgestorvene ouders de betamelijke eer niet bewezen, en hen niet betreurden, zoo als het kinderlijk gevoel dat medebrengt. Wanneer wij dit verzuimden, zou men ons met regt van ongevoeligheid kunnen beschuldigen. Maar indien wij ons behoorlijk van dien pligt gekweten hebben, zoo dat niemand ons deswegens met grond eenig verwijt kan doen, dan wordt het onze pligt ook aan de zamenleving hare regten te geven, en weder in de wereld en voor onze vrienden te leven. Droog dus uwe tranen af, en herneem die blijmoedigheid, waardoor gij altijd de vreugde in onze gezelschappen aanbragt. Wees overigens, mag ik er, als ouder in jaren, dezen vriendenraad bijvoegen, matig in uwe vermaken, en een vriend der ongelukkigen, gelijk de vizier, uw vader, dit was. Door zijne voetstappen te drukken, zult gij aan zijne asch eene betere eer bewijzen, dan door uwe tranen, die thans lang genoeg gevloeid hebben, om van uw kinderlijk gevoel te getuigen.”

Deze inderdaad goede raadgeving van zijn' vriend vond ingang bij Noureddin, en had hij dien in alle deelen opgevolgd, zoo zou hij zich eene reeks van ongelukken en rampen hebben bespaard, die hij zich zelven nu op den hals haalde. In het begin ging alles goed, Noureddin vergenoegde zich, zijnen vriend dien middag bij zich aan tafel te noodigen, en verzocht dien bij het heêngaan, hem den volgenden dag weder gezelschap te willen houden, en een paar zijner vrienden mede te brengen. Zoo werden de eerste dagen in gepaste vrolijkheid doorgebragt. Maar voor Noureddin was het onmogelijk, om matig te blijven in zijne vermaken; hij liet zich door zijne hevige hartstogten medeslepen. Tegen den raad van zijn' vriend, vermeerderde hij zijn tafelgezelschap weldra tot een tiental personen, en met deze bragt hij den tijd in feesten en allerlei dikwijls losbandige vermakelijkheden door, zonder zich om zijne zaken te bekommeren. Zijne milddadigheid of liever verkwisting was daarbij zoo groot, dat hij zijne dischgenooten zelden zonder het een of ander kostbaar geschenk naar huis liet gaan.

Somtijds liet Noureddin, om zijne vrienden genoegen te geven, de schoone Perziane mede feest vieren. Zij gehoorzaamde uit inschikkelijkheid, hoewel zij den weelderigen voet waarop hij leefde, niet kon goedkeuren. Zij ontveinsde zulks ook niet, maar gaf hem haar gevoelen daaromtrent meermalen met vrijmoedigheid te kennen. „Heer,” zeide zij dan tot hem, „ik geloof gaarne dat de vizier, uw vader, u groote rijkdommen heeft nagelaten, maar hoe aanzienlijk die ook mogen zijn, houdt het uwe slavin ten goede, als zij u zegt, dat gij, op den ingeslagen weg voortgaande, daarvan spoedig niets meer zult overhouden. Men kan nu en dan zijne vrienden onthalen en zich met hen vrolijk maken; maar dag aan dag feesten te geven, daarmede kan men de grootste schatten verkwisten, met het zekere vooruitzigt van daarop volgende armoede. Gij zult dus voor uwe eer en uwen goeden naam veel wijzer doen, door het voetspoor van uw' overleden vader te volgen, en er u op toe te leggen, u voor de hooge ambten te bekwamen, waarin uw vader zoo veel roem heeft verworven.”

Noureddin hoorde deze goede vermaningen met een lagchend gelaat aan, en toen zijne echtgenoot hare raadgevingen geëindigd had, zeide hij, steeds voortgaande met lagchen: „mijne schoonste, houdt mij toch, als ik u bidden mag, geene zedepreken, gij zijt daartoe veel te goed en te lief, laten wij er alleen op bedacht zijn, om ons te vermaken. Mijn overleden vader, heeft mij altoos in den band gehouden, dikwijls meer dan mij lief was, en bedroefde mij zijnen dood, ik ben zeer verblijd, thans in vrijheid en naar mijn' eigen wil te kunnen leven. Laat ons, dierbaarste, onze jeugd genieten, de jonge jaren keeren nooit terug; om tot het geregelde leven te komen, waarvan gij mij spreekt, zal het altoos nog tijds genoeg zijn.”

Zoo bleef dan Noureddin, zonder naar de verstandige en welmeenende waarschuwingen van de schoone Perziane in het minst te luisteren, den ouden verkeerden weg bewandelen, en wat welligt nog het meeste bijbragt, om zijne zaken in de war te sturen, hij gaf zich niet eens de moeite de rekeningen in te zien, welke zijn secretaris niet verzuimde, hem dagelijks voor te leggen. Telkens als de man met zijn boek kwam, zond hij hem heên, met de woorden: „ga heên, en val mij niet lastig; ik heb wel wat anders in mijn hoofd, dan dat ik mij met uwe cijfers kan bemoeijen. Ik vertrouw u wel; draag meer zorg, dat mijne vrienden steeds vorstelijk onthaald worden; om het overige bekommer ik mij volstrekt niet.”

De secretaris was een eerlijk man, en zeer gehecht aan Noureddin, hij kon het dus niet over zich verkrijgen, zijn' meester, zonder hem te waarschuwen, in het verderf te zien loopen. „Heer,” zeide hij tot hem, „gij zijt hier de gebieder, en ik moet mij aan uwen wil onderwerpen. Ik smeek u echter, aan een' ouden dienaar te veroorloven, om u het spreekwoord te herinneren, dat hij die groote uitgaven doet en niet rekent, ongemerkt den bedelstaf te gemoet gaat. Gij vergenoegt u niet, ontzaggelijke sommen voor uw tafel te besteden, maar gij schenkt bovendien uw geld met handen vol weg; zonder daarbij eenigen regel te houden. Al bezat gij koninklijke rijkdommen, zij zouden onvoldoende zijn, en spoedig zoudt gij den bodem van uwe schatkist zien.” „Ik zeg u immers, dat gij heên zult gaan,” hernam Noureddin verstoord, „ik begeer geene lessen van u te ontvangen; zorg slechts goed op te disschen, en bekommer of bemoei u met het overige niet.”

Zijne vrienden lieten intusschen niet na, eenen zoo gullen gastheer als Noureddin, getrouw te bezoeken en gezelschap te houden; zij overlaadden hem met de vleijendste loftuigingen, zijne eenvoudigste gezegden werden als geestig uitgekreten, en vooral prezen zij alles, wat hem toebehoorde hemelhoog, waarbij zij goede rekening maakten. „Heer,” sprak de een, „gisteren reed ik voorbij een uwer landgoederen, nooit zag ik een schooner aanleg en prachtiger gebouw, alles getuigde voor den goeden smaak en den rijkdom des bezitters, het is een waar paradijs.” „Het doet mij genoegen,” antwoordde Noureddin, „dat dit mijn landgoed u zoo zeer behaagt: men brenge mij pen en papier, en daarmede is de zaak uit; het behoort van nu af aan u, ik schenk u dat goed.” Anderen spraken met grooten lof over een der huizen, baden of karavanserijen, die hij in eigendom had, en die hem hooge renten opbragten. Dat spreken alleen was voldoende, om hem te bewegen, er den vleijer mede te begiftigen. Zijne vrienden iets te weigeren, waartoe zij begeerte lieten blijken, was voor Noureddin eene onmogelijkheid. Hij schonk alles weg, wat hij bezat, zonder er verder over na te denken. Wel bragt de schoone Perziane hem meermalen onder het oog, hoezeer hij door die buitensporige milddadigheid zich zelven benadeelde; maar, in plaats van naar haar te luisteren, ging hij voort, bij de eerste gelegenheid de beste weg te schenken, wat hem nog te geven overbleef.

Zoo bragt Noureddin een geheel jaar door, goede sier te maken met zijne vrienden, en de schatten te verkwisten, die zijne voorouders, vooral de goede vizier, zijn vader, met veel zorg en moeite verworven en bewaard hadden. Op den laatsten dag van dat jaar hield Noureddin weder feest met zijne vrienden, en om vrijer te zijn, had hij na afloop van den maaltijd zijne slaven weggezonden, toen er aan de deur der zaal werd getikt. Een der gasten wilde opstaan, maar Noureddin kwam hem voor en deed zelf open. Het was zijn secretaris. Noureddin trad nu buiten de zaal, om te vernemen, wat deze hem mogt te zeggen hebben, en trok de deur halverwege achter zich toe.

De vriend, die opgestaan was, en met een oogopslag den secretaris gezien had, werd nieuwsgierig, wat deze aan Noureddin mogt te zeggen hebben. Hij plaatste zich achter de deur, waar hij het volgende gesprek afluisterde. „Heer,” zeide de secretaris, „ik moet u duizendmaal om verschooning vragen, dat ik u te midden van uwe vermaken kom storen. Maar hetgeen ik u heb mede te deelen, kwam mij voor van zoo overwegend belang te zijn, dat ik gemeend heb, die vrijheid te moeten nemen. Ik heb mijne laatste rekeningen opgemaakt, en de uitkomst is, zooals ik u reeds sedert lang en herhaalde malen voorspeld heb, dat er geene penning meer in kas is, van al de sommen, die gij mij ter hand hebt gesteld, om de uitgaven voor uwe verteringen te bestrijden. Ook de andere fondsen, die gij mij hebt aangewezen, zijn uitgeput, en uwe pachters en huurders hebben mij met onwederlegbare bewijzen getoond, dat uwe goederen en huizen, aan anderen zijn overgedragen, zoodat ik op uwen naam niets meer van hen kan invorderen. Ziehier mijne rekeningen, onderzoek die, en gij zult bevinden, dat de zaak is, zooals ik de eer heb u te zeggen. Wilt gij overigens mij langer in uwen dienst houden, zoo moet ik u verzoeken mij nieuwe fondsen aan te wijzen; daar ik mij anders in de noodzakelijkheid zie, u om mijn ontslag te vragen.” Noureddin werd door deze toespraak zoo verbaasd, dat hij geen enkel woord wist te antwoorden.

De vriend, die deze jobstijding had afgeluisterd, maakte er de andere gasten mede bekend. „Doet,” besloot hij, „er uw voordeel mede; wat mij betreft, Noureddin heeft mij heden voor het laatst bij zich aan huis gezien.” „Goed voorgaan, doet goed volgen,” schertsten de anderen, „ook wij zullen hem in het vervolg niet overloopen; de man zal thans het zijne zelf wel noodig hebben, zonder er vrienden op te onthalen.”

Op dat oogenblik kwam Noureddin weder binnen, en hoeveel moeite hij zich ook gaf, zijne gasten weêr aan den gang te brengen, hij verstond zich in de kunst van veinzen niet zoo goed, of zij konden wel aan hem bemerken, dat hetgeen zij van den luisteraar hadden vernomen, niet ver bezijden de waarheid kon zijn. Naauwelijks had Noureddin zijne plaats weder ingenomen, of een van zijne gasten stond op. „Vriend,” sprak deze: „het doet mij zeer leed, dat ik u heden niet langer gezelschap kan houden, veroorloof mij heên te gaan.” „En wat verpligt u, ons zoo vroeg te verlaten,” vroeg Noureddin. „Mijne vrouw,” luidde het antwoord, „is dezen morgen bevallen, gij kunt dus ligt denken, dat ik naar huis verlang.” De vriend maakte eene diepe buiging en vertrok. Nu was het ijs gebroken, kort daarop verliet een tweede, onder een ander voorwendsel het gezelschap, en eer een uur verloopen was, waren al de tien vrienden afgetrokken.

Noureddin wist niet, dat men zijnen secretaris beluisterd had, en dacht er volstrekt niet aan, dat zijne vrienden tot het besluit waren gekomen, hem voortaan van hun gezelschap te verschoonen. Hij begaf zich naar het vertrek der schoone Perziane, en deelde haar de tijding mede, die hij van zijnen secretaris had vernomen, waarbij hij het niet aan rouwklagten liet ontbreken, dat hij zijne zaken dus in de war had gebragt.

„Heer,” zeide de schoone Perziane, „veroorloof mij u te doen opmerken, dat gij steeds uw eigen hoofd hebt gevolgd, waarvan gij nu de treurige gevolgen moet ondervinden. Ik bedroog mij niet, toen ik u voorspelde, dat het hierop zou uitloopen. Het is mij een troost, dat ik geen deel heb aan uw ongeluk, en gij mij daaromtrent niets kunt verwijten. Wanneer ik u mijne gedachten daarover mededeelde, dan sloegt gij immer mijnen welmeenenden raad in den wind, ja dreeft er den spot mede, zeggende: „laten wij ons vermaken, en laat ons gebruik maken van den goeden tijd, misschien zal dit niet altoos zoo blijven.” Maar ik had geen ongelijk u te antwoorden, dat wij zelven door verstandige handelingen de bouwmeesters van ons geluk moeten zijn. Gij wildet echter niet naar mij hooren, en ik werd mijns ondanks genoodzaakt, u te laten begaan.”

„Ik beken,” hernam Noureddin, „dat ik groot ongelijk heb gehad, uwe verstandige raadgevingen niet in acht te nemen; maar gij bedenkt niet, dat, al heb ik ook mijn goed verkwist, dit geschied is in een' kring van uitgelezene vrienden, die ik sedert jaren ken. Het zijn allen brave lieden vol erkentelijkheid; ik ben zeker, dat zij mij in den nood niet zullen verlaten.” „Heer,” antwoordde zijne vrouw, „indien gij geene andere hulpbronnen hebt, waarop gij u kunt verlaten, dan op de erkentelijkheid van uwe vrienden, geloof mij vrij, dat uwe hoop alsdan op zeer zwakke gronden steunt, en gij reden zult vinden, daarover weldra anders te denken.”