Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Vierde deel
Part 13
Anderen hielden staande, (en van dat gevoelen was ook de vizier Khasan), dat ligchamelijke schoonheid niet het eenigste was, wat men in eene slavin moest zoeken, maar dat zulk een schoon beeld, ook met verstand, zedigheid en andere vrouwelijke deugden en goede hoedanigheden moest bedeeld zijn, om een' man op den duur te kunnen boeijen en gelukkig te maken. De reden, die zij daarvoor bij bragten, was, zeiden zij, dat een staatsman of geleerde, die vele hoofdbrekende bezigheden heeft, na aldus den dag in arbeid en zorgen te hebben doorgebragt, behoefte heeft aan eene gezellin, die hem in den tijd zijner verpozing, nuttig en aangenaam weet te onderhouden, en hem aldus eene genoegelijke afleiding kan verschaffen. „Want,” besloten zij, „eene slavin te hebben met het eenige doel, om onze driften te bevredigen, waarin zij deelt, zou ons met de dieren gelijk stellen.”
De koning sloot zich bij deze partij aan, en om daarvan een bewijs te geven, droeg hij aan Khasan op, hem eene slavin te koopen, van volmaakte schoonheid, maar tevens begaafd met al die schoone hoedanigheden, welke men besproken had; bovenal moest zij zedig en deugdzaam zijn.
Saony, die van het tegenovergestelde gevoelen was geweest, werd zeer naijverig op Khasan, wegens de eer, die de koning hem bewees; hij kon zijn leed deswege niet verkroppen, en beproefde eene spaak in het wiel te steken. „Sire,” zeide hij, „het zal zeer moeijelijk zijn eene slavin te vinden, zoo volmaakt, als uwe majesteit verlangt. En vindt men zulk eene volmaakte schoonheid naar ligchaam en ziel, (hetgeen ik bijna niet kan gelooven) zoo zult gij haar nog zeer goedkoop hebben, sire, indien gij daarvoor tien duizend goudstukken betaalt.” „Saony,” antwoordde de koning met een' glimlach; want hij doorzag het oogmerk van zijn' vizier, „gij vindt die som waarschijnlijk te groot: zij kan dit voor u zijn, maar voor mij is zij dat niet.” En te gelijk gaf hij aan zijnen groot-schatbewaarder, die mede tegenwoordig was, last, om de tien duizend goudstukken aan het paleis van zijnen vizier Khasan te laten bezorgen.
Toen Khasan te huis kwam, liet hij al de makelaars, die zich met den handel in slaven en slavinnen onledig hielden, bij zich ontbieden, en droeg hun op, zoodra zij eene slavin gevonden zouden hebben, zooals hij hun omschreef, hem hiervan kennis te geven. De makelaars niets liever wenschende, dan den vizier voor wien zij de hoogste achting koesterden, te verpligten, en bovendien door eigenbelang daartoe gedrongen, beloofden, geene moeite te zullen sparen, om eene slavin, zooals hij haar wenschte, op te sporen. Er ging dan ook zelden een dag voorbij, dat zij er niet eene bij hem bragten, die in schoonheid uitmuntte; maar bij nader onderzoek vond de vizier toch altoos het een of ander gebrek.
Eens echter op een' vroegen morgen, dat Khasan zich naar het paleis des konings begaf, om den raad bij te wonen, trad een makelaar met overhaasting op hem toe, en deelde hem mede, dat er den vorigen avond laat, een Perzische koopman was aangekomen, die eene slavin te koop had van eene zoo uitstekende schoonheid, dat zij zeker allen overtrof, welke hij tot dusverre zou gezien hebben. „En wat haren geest en wetenschappelijke kennis aangaat,” voegde hij er bij, „de koopman staat er voor in, dat zij daarin gerust de proef kan doorstaan.”
Khasan, verblijd wegens een berigt, dat hem hoop gaf, ditmaal welligt zijn doel te zullen bereiken, en zich dus bij den koning groot te maken, zeide tot den makelaar, dat hij hem na den afloop van den raad, met de schoone slavin ten zijnent verwachtte, en dat hij, indien zij inderdaad zoo volmaakt was als hij opgaf, op eene goede belooning kon staat maken, waarna hij zijn' weg vervolgde.
De makelaar bleef niet in gebreke, zich op het bestemde uur aan het paleis van den vizier te laten vinden, en Khasan vond de slavin zoo boven verwachting schoon, dat hij haar van toen af den naam gaf van de schoone Perziane. Daar hij zelf vlug van geest en zeer geleerd was, behoefde hij slechts een enkel onderhoud met haar te hebben, om zich te overtuigen, dat hij te vergeefs eene andere slavin zou zoeken, die haar in eene der door den koning verlangde hoedanigheden overtrof. Hij vroeg zonder eenig bedenken aan den makelaar, tot welken prijs de Perzische koopman haar wilde laten.
„Heer,” antwoordde de makelaar, „de koopman is iemand van zijn woord, en hij heeft mij verklaard, dat hij haar in geen geval minder kan of wil afstaan, dan voor tienduizend goudstukken. Hij betuigde mij tevens, dat hij zonder den tijd, de moeite en de zorg, die hij aan hare opvoeding had ten koste gelegd, mede te rekenen, weinig minder besteed had aan de meesters, die haar onderwezen hadden, en aan hare voeding en kleeding. Hij had geen geld ontzien, om haar eene volmaakte opvoeding te geven; en zij had hem door hare leerzaamheid en haar zeer vlug begrip niet in zijne hoop teleurgesteld, zij bespeelde alle instrumenten, zij zong verrukkelijk, zij danste betooverend, haar schrift was fraai, zij had bijna alle bestaande boeken gelezen, en maakte zeer schoone verzen, in een woord, zij was een toonbeeld van volmaaktheid voor alle slavinnen, en te vergeefs zou men haars gelijken zoeken.”
De vizier Khasan kende de verdiensten van de schoone Perziane nog beter dan de makelaar, die slechts herhaalde, wat de koopman hem daarvan gezegd had, en begreep dus, met de zaak niet te moeten talmen. Hij zond onmiddelijk een zijner bedienden naar de karavanserai, waar de makelaar zeide, dat de koopman zijn' intrek had genomen, om dezen te ontbieden. De Perzische koopman kwam met den bediende mede, en na wederzijdsche begroeting zeide de vizier: „ik ben niet ongenegen de slavin van u te koopen, en dit niet voor mij, maar voor den koning; gij moet echter den prijs wat billijker stellen, uw eisch komt mij al te hoog voor.”
„Heer,” antwoordde de Perziaan, „ik zou er eene groote eer in stellen, mijne slavin den koning, als een blijk van mijnen eerbied en hooge achting voor zijne majesteit, ten geschenke te geven, maar mijne omstandigheden laten zulks niet toe. Ik vraag echter niets meer dan het geld, dat ik heb uitgegeven, om van haar te maken, wat zij is. Ik durf u echter de verzekering geven, dat, hoewel de prijs u te hoog toeschijnt, zijne Majesteit alle reden zal hebben, met den koop te vreden te zijn.”
De vizier Khasan, verblijd, gevonden te hebben, wat hij zocht, wilde niet dingen, en liet aan den koopman de door hem gevorderde som ter hand stellen. De Perziaan streek het goud op, doch alvorens heên te gaan, zeide hij nog tot den vizier: „Heer, daar de slavin voor den koning bestemd is, zoo veroorloof mij u te zeggen, dat de lange reis, welke ik met haar heb moeten doen, om herwaarts te komen, haar zeer vermoeid heeft. Hoewel nu reeds hare schoonheid onvergelijkelijk is, zult gij echter nog geheel iets anders zien; zoo gij haar veertien dagen bij u houdt, en zij eene zorgvuldige behandeling geniet. Indien gij haar na dat tijdsverloop aan den koning voorstelt, zal hij meer dan te vreden zijn, waarvoor gij mij dank zult wijten. Gij zult zelf hebben opgemerkt, dat haar vel eenigzins door de zon en de sterke lucht bruin geworden is; maar nadat zij twee of drie malen in het bad is geweest, zal hare huid in glans en blankheid het albast overtreffen, en gij zult haar oneindig schooner vinden, dan zij thans is.” Khasan nam dezen raad van den koopman gunstig op, en besloot dien te volgen. Hij gaf de schoone Perziane een afzonderlijk vertrek nevens dat van zijne vrouw, aan wie hij verzocht, haar niet aan te merken en te behandelen als eene slavin, maar als eene dame, welke den koning toebehoorde, en haar aan hare eigene tafel te laten eten; verder droeg hij aan zijne gemalin op, voor hare kleeding te zorgen, zoodat deze in pracht en goeden smaak niets te wenschen zou overlaten. Alvorens van de schoone Perziane te scheiden, zeide hij nog tot haar: „uw geluk zou niet grooter kunnen zijn; want ik heb u voor den koning gekocht, en ik vlei mij, dat hij over uw bezit nog meer voldaan zal zijn, dan ik dit ben, mij van den mij opgedragen last gekweten te hebben. Gij zult echter een veertien dagen ten mijnent blijven, opdat gij u van de vermoeijenis der reis moogt herstellen, en ik u dus in uwe volmaakte schoonheid aan den koning kan aanbieden. Doch om die reden moet ik u waarschuwen, dat ik een' zoon heb, dien het niet aan verstand en ligchamelijke schoonheid ontbreekt, maar jong, dartel en ondernemend is; neem u dus wel voor hem in acht.” De schoone Perziane bedankte den vizier voor zijne waarschuwing, en beloofde zich naar zijnen raad te zullen gedragen.
Noureddin (zoo heette de zoon van den vizier Khasan) had den vrijen toegang tot de vertrekken zijner moeder, met wie hij gewoonlijk het middagmaal gebruikte. Hij was welgemaakt van persoon, jong, aangenaam in den omgang, terwijl hij goede vermogens had, en zich met gemak wist uit te drukken. Hij bezat de bijzondere gave, iedereen te boeijen, zoo dikwijls hem dit behaagde. Hij zag dien middag de schoone Perziane bij zijne moeder aan tafel. Reeds op het eerste gezigt werd hij door hare schoonheid getroffen, en hoewel hij onderrigt was, dat zijn vader haar voor den koning gekocht had, gaf hij zich echter niet de minste moeite, om zijn hart vrij te houden. Hij liet zich, zonder eenigen tegenstand, door hare bevalligheid medeslepen, en het onderhoud, dat hij met haar had, en waarbij zij veel verstand aan den dag legde, betooverde hem zoodanig, dat hij reeds dadelijk tot het besluit kwam, geen middel onbeproefd te zullen laten, om haar aan den koning te ontnemen.
De schoone Perziane vond ook van haren kant den jeugdigen en geestigen Noureddin zeer beminnelijk. „De vizier,” sprak zij bij zich zelven, „bewijst mij zeer veel eer, door mij voor den koning van Balsora te bestemmen. Maar die grootheid heeft voor mij weinig aanlokkelijks, en ik zou mij gelukkig achten, indien hij zich te vreden stelde, mij aan zijnen zoon te geven.”
Noureddin maakte intusschen een goed gebruik van de gelegenheid, waarin hij was, om zich met de schoone slavin, die hem zoo zeer behaagde, te onderhouden, en zelfs met haar te schertsen en te stoeijen. Dit liep zoo druk, dat zijne moeder erg opvatte, en dienstig vond deze gemeenzaamheid tusschen de jongelieden zoo veel mogelijk tegen te gaan. „Mijn zoon,” zeide zij dikwijls tot hem, „het is niet betamelijk voor een jongmensch van uwe jaren, den meesten tijd in de vrouwenvertrekken door te brengen. Gij hebt wel wat beters te doen, dan hier uwen tijd met scherts en lach te verbeuzelen, ga dus nu aan uwe studie, en leg u daar met meer ijver op toe, opdat gij eenmaal bekwaam moogt worden, uw' vader in zijne hooge waardigheid te kunnen opvolgen.” Bij dergelijke vermaningen moest Noureddin zich wel verwijderen, wilde hij zijn hartsgeheim niet verraden, en zich daardoor van de gelegenheid berooven, om zijne schoone Perziane weder te zien, want kreeg zijn vader er vermoeden op, dan was alle hoop verloren.
Daar de schoone Perziane op hare lange reis, niet in de gelegenheid was geweest zich te baden, werd de vrouw van den vizier Khasan er na verloop van eenige dagen op bedacht, haar een warm bad te laten toebereiden. Zij gaf daartoe de noodige bevelen aan hare slavinnen, met uitdrukkelijken last, dat zij aan hare schoone gast dezelfde diensten en oplettendheden zouden bewijzen, als aan hare eigene persoon. Ook gaf zij haar een zeer prachtig gewaad, om daarmede de Perziane, als zij uit het bad kwam, op te tooijen. De vrouw van den vizier gaf zich in deze zaak te meer moeite, ten einde daar door het bewijs te geven, van hare belangstelling in alles, wat haren man aangenaam was.
Toen de schoone Perziane uit het bad kwam, was zij nog duizendmalen schooner, dan zij, op het tijdstip dat hij haar kocht, aan den vizier Khasan had toegeschenen, zoo zelfs, dat de viziersvrouw, toen zij zich weder aan haar kwam vertoonen, moeite had haar te herkennen; zoozeer was zij in haar voordeel veranderd. Zij kuste met innemende bevalligheid hare gastvrouw de hand, en terwijl een schalksch lachje om den kleinen mond speelde, sprak zij haar aldus aan: „Mevrouw, ik kan niet raden, hoe ik u in dit kleed, dat ik aan uwe goedheid te danken heb, mag bevallen. Uwe vrouwen zeiden, dat het mij zoo bevallig stond, dat zij mij niet meer herkenden, maar dit zijn vleijerijen, en ik moet u ten dezen op uw beter oordeel beroepen. Mogt hun zeggen echter eenige waarheid bevatten, dan zal ik dit geluk aan uwe verpligtende zorgen te danken hebben.”
„Mijne dochter,” antwoordde de viziersvrouw met zigtbare blijdschap, „wat mijne slavinnen u gezegd hebben, moet gij niet als vleijerij beschouwen, ik versta mij op die zaken nog beter dan zij, en ik verklaar u op mijn woord, dat niet alleen dit kleedje u zeer bevallig staat, maar dat gij ook uit het bad eene schoonheid hebt medegebragt, zoo verre uitstekende boven hetgeen deze vroeger was, als de zon in glans en gloed boven de maan en sterren uitblinkt. Gij zoudt mij bijna jaloersch maken; en indien ik wist dat het bad nog goed was, zou ik grooten lust gevoelen, daarvan ook gebruik te maken, ten einde door uwe schitterende schoonheid niet geheel in de schaduw gesteld te worden.” „Mevrouw,” hernam de schoone Perziane, „uwe goedheid is grooter, dan mijne weinige bevalligheden zijn kunnen, die zeker bij de uwe zouden moeten achterstaan, indien gij mijne jaren hadt, en ik de uwe telde. Wat het bad aangaat, dit laat niets te wenschen over, en indien gij lust hebt daarvan gebruik te maken, laat dan den tijd niet verloren gaan. Gij zult Mevrouw! uit het bad komende, van uwe vrouwen misschien hetzelfde hooren, dat zij mij gezegd hebben.”
De vrouw van den vizier liet zich bepraten, gaf haar besluit aan hare vrouwen te kennen, en deze haastten zich het benoodigde in orde te brengen. De schoone Perziane begaf zich nu naar hare kamer, terwijl de viziersvrouw met hare slavinnen naar het bad ging, en alleen twee jeugdige dienstboden achterliet, met strikten last, dat, mogt haar zoon Noureddin in hare afwezigheid komen, dezen niet bij de Perziane toe te laten.
Die voorzorg was niet overbodig, want naauwelijks had de vrouw van den vizier zich verwijderd, of Noureddin kwam opdagen, en daar hij zijne moeder niet in haar vertrek aantrof, ging hij regt door naar de kamer van het schoone meisje, alwaar hij in het voorvertrek de twee jeugdige slavinnen, als wacht vond uitgezet. Hij vroeg haar naar zijne moeder; waarop zij hem antwoordden, dat zij zich in het bad bevond. „En de schoone Perziane,” vervolgde Noureddin, „moet ik die ook in het bad zoeken?” „Neen,” hernamen de slavinnen, „zij is reeds daarvan teruggekeerd, en bevindt zich op hare kamer, maar uwe moeder heeft ons gelast, dat wij u, indien gij in hare afwezigheid hier kwaamt, niet bij haar mogen toelaten.”
Noureddin glimlachte, schoof de slavinnen op zijde, en ging regelregt naar het vertrek van de Perziane, dat slechts door een gordijn van het voorvertrek was afgescheiden. De jonge slavinnen wilden zich daartegen verzetten, maar Noureddin nam nu ieder bij een' arm, bragt ze de kamer uit, en grendelde de deur achter haar digt. De jonge slavinnen dus buiten de deur gezet, liepen geducht schreeuwende naar het bad, waar zij hare meesteres al weenende met het gebeurde bekend maakten. De goede viziersvrouw werd door dit nieuws, en over de onbeschaamdheid, die haar zoon zich had veroorloofd, zoo ontsteld, dat zij dadelijk uit het bad sprong, en nog slechts ten halve gekleed, want langer gunde zij zich den tijd niet, naar de kamers van de schoone Perziane ging. Doch hoe zij zich ook haastte, bij hare komst had Noureddin zich reeds verwijderd en de vlucht genomen.
De schoone Perziane was zeer verwonderd, de viziersvrouw geheel ontsteld bij zich te zien komen. „Mevrouw,” zeide zij, „zoo als ik zie, zijt gij geheel buiten u zelve; zou ik naar de reden daarvan mogen vragen? Wat is u in het bad overkomen, dat gij dit zoo overhaast hebt verlaten?” „Hoe,” riep de vrouw van den vizier, „kunt gij mij zulk eene vraag doen, en dat met eene bedaardheid van geest, die mij onverklaarbaar blijft; daar ik zeker ben, dat mijn zoon Noureddin in mijne afwezigheid hier is geweest, en zich bij u heeft opgehouden? Moet ik bij zijn stoutmoedig karakter niet het ergste vreezen, en zou hem en mij wel een grooter ongeluk kunnen overkomen?”
„Vergeef mij Mevrouw,” hernam de schoone Perziane, „ik begrijp niet, welk onheil daarin voor u of hem zou kunnen gelegen zijn. Noureddin heeft mij integendeel verzekerd, dat hij zich in mijn bezit hoogst gelukkig gevoelde, en ik hoop mij zoo te gedragen, Mevrouw, dat ook gij alle reden zult hebben, over mij te vreden te zijn.” „Ongelukkige!” riep de viziersvrouw, in wanhoop de handen wringende, „wat hebt gij gedaan! Wist gij dan niet, dat mijn man u gekocht en bestemd heeft voor den koning? Heeft hij u bovendien niet gewaarschuwd, dat gij u voor Noureddin in acht moest nemen?”
„Ik heb dat ook niet vergeten Mevrouw,” hernam nogmaals de schoone Perziane, „maar Noureddin kwam bij mij, en gaf mij de verzekering, dat de vizier, zijn' vader, van gedachten was veranderd, en in plaats van mij voor den koning te bewaren, zooals hij eerst voornemens was, mij nu, op zijne bede, aan hem ten geschenke had gegeven. Ik geloofde hem op zijn woord, Mevrouw; hoe vermogt ik, eene slavin, en van mijne jeugd af aan de wetten der slavernij onderworpen, mij nu tegen den wil en wensch van mijnen nieuwen meester te verzetten. Ik zou mij ook aan eene onwaarheid schuldig maken, indien ik u zeide, dat het mij zwaar viel, hem te gehoorzamen. Neen, de vrije omgang, die wij met elkander gehad hebben, heeft mij een' hartstogt voor uw' zoon ingeboezemd, die mij zonder smart van de hoop deed afzien, aan eenen koning toe te behooren, en ik zal mij zeer gelukkig achten, mijn verder leven bij Noureddin te mogen doorbrengen.”
„Mogt het Allah behagen,” zeide hierop de viziersvrouw, „dat het zoo kon geschieden, en dat mijn zoon u de waarheid gezegd had, ik zou mij dan met u verblijden en hoogst te vreden zijn. Maar geloof mij, Noureddin heeft u misleid; het is niet mogelijk dat zijn vader u aan hem geschonken heeft, ik weet dit maar al te zeker; hij kon noch mogt dit doen, zonder aan zijnen pligt jegens den koning te kort te doen, en diens gunst te verliezen, ja welligt zijn hoofd te verbeuren. En ik ken mijn' man; indien hij verneemt, wat hier is voorgevallen, dan zal zijne woede geene grenzen kennen. Zelfs mijne tranen zullen hem niet kunnen verbidden, en hij zal zijn' zoon niet sparen, maar hem aan zijne regtmatige gramschap opofferen. Arme Noureddin! zelfs uwe moeder kan u niet redden, gij zijt voor haar verloren!” Dit zeggende, begon zij bitter te weenen, en hare slavinnen berstten in een luid weegeklag uit, daar Noureddin, voor wiens leven zij moesten vreezen, door allen geliefd werd.
Kort daarop kwam de vizier Khasan te huis, en was niet weinig verwonderd zijne vrouw en hare slavinnen in tranen te vinden, terwijl ook de schoone Perziane hem toescheen, zeer droefgeestig te zijn. Hij vroeg naar de oorzaak van deze algemeene droefheid, doch kreeg geen antwoord, alleen verdubbelden de slavinnen hunne weeklagten. Dit deed zijne verbazing ten top stijgen, en zich tot zijne vrouw wendende, zeide hij tot haar: „Ik wil volstrekt weten, wat hier is voorgevallen, dat u aldus bedroeft; en ik verlang, dat gij mij de volle waarheid zeggen zult.”
De viziersvrouw was nu wel gedwongen te antwoorden, en tot eene leugen wilde noch durfde zij hare toevlugt nemen, te minder daar toch de waarheid eenmaal aan den dag moest komen.
„Heer,” sprak zij bevende, „beloof mij vooraf, dat gij mij deze ongelukkige gebeurtenis niet zult toerekenen, waaraan ik geheel onschuldig ben, en ik zal u alles zeggen.” En zonder zijn antwoord af te wachten, vervolgde zij: „Terwijl ik mij met mijne vrouwen in het bad bevond, is uw zoon hier gekomen, en hij heeft van mijne afwezigheid gebruik gemaakt, om aan de schoone Perziane te doen gelooven, dat gij haar niet meer aan den koning wildet geven, maar aan hem hadt geschonken. Ik zal u niet behoeven te zeggen, met welk oogmerk deze misleiding plaats had, en wat daarvan de rampzalige gevolgen waren, gij kunt dit ligt raden. Dit is het, heer! wat mij zoo zeer bedroefd heeft om uwentwil, en ook om de wille van een' zoon, voor wien ik het naauwelijks durf wagen, uwe verschoonende barmhartigheid in te roepen en af te smeeken.”
Het is met geene pen te beschrijven, hoezeer de vizier Khasan ontroerde, toen hij moest hooren, dat zijn zoon Noureddin zich zoo had kunnen vergeten. „Ha,” riep hij uit, zich met de vuisten voor het hoofd en op de borst slaande, en ten teeken van rouw en van droefheid zich den baard uitrukkende, „rampzalige zoon, die niet waardig zijt het daglicht te aanschouwen, wat hebt gij gedaan? Gij hebt voor de voeten uws vaders een' afgrond geopend; waarin hij en helaas, ook gij zult nederstorten. De koning zal zich niet vergenoegen met uw bloed en het mijne, om wraak te nemen over eene beleediging, die als ware het, hem in persoon is aangedaan. Ach! had ik u nooit zien geboren worden, of waart gij in de wieg gestorven, voor hoeveel droefheid en schande zou ik dan bewaard zijn gebleven.”
Zijne vrouw trachtte hem te troosten en neder te zetten. „Heer!” zeide zij, „laat het gebeurde u niet al te zeer bedroeven, het ongeluk is groot, maar niet onherstelbaar. Ik kan voor mijne juweelen, of voor een gedeelte daarvan, zonder moeite tien duizend goudstukken bekomen, en gij kunt daarvoor dan eene andere slavin koopen, die nog schooner en den koning meer waardig is, dan deze.” „Hoe,” hernam de vizier, „gelooft gij dan, dat ik mij zoo zou bedroeven over het verlies van tien duizend goudstukken? Dat verlies, ja, dat van geheel mijn vermogen, zou ik mij kunnen getroosten. Doch het geldt mijne eer, en die is mij meer waard, dan al het goud der aarde.” „Het komt mij nogthans voor,” antwoordde zijne vrouw, „dat ook deze zaak door geld kan hersteld worden, zonder dat er uwe eer bij lijden zal; en daarom moet gij u de zaak ook niet al te zwaar voorstellen.”
„Hoe kunt gij dit zeggen,” hervatte de vizier, „gij weet immers dat mijn ambtgenoot Saony mij ten hoogste vijandig is. Meent gij, dat hij, als dit geval hem ter ooren komt, daarvan geen gebruik zal maken, om mij bij den koning in ongenade te brengen? Uwe majesteit, zal hij zeggen, spreekt altoos zoo veel over de trouw en den ijver van Khasan, om hare belangen voor te staan, doch hij heeft thans het bewijs geleverd, zoo veel goedheid niet waardig te zijn. Hij heeft tien duizend goudstukken ontvangen, om voor u eene slavin te koopen. Hij is er in geslaagd, zich van die eervolle taak naar wensch te kwijten, nooit heeft men eene schoonere en meer volmaakte slavin gezien, dan het geluk hem heeft doen vinden; maar in plaats van haar bij uwe majesteit te brengen, heeft hij haar aan zijnen zoon ten geschenke gegeven. Zijn zoon, zal Saony met zijne gewone kwaadaardigheid voortgaan, heeft de schoone slavin met blijdschap aangenomen, en vermaakt zich dagelijks met haar; wat ik uwe majesteit daar gezegd heb, is de zuivere waarheid, en zij kan daarnaar gerust onderzoek laten doen. Ziet gij nu niet in,” vervolgde de vizier Khasan, „dat de koning, bij zulk eene beschuldiging, mij zijne gunst zal onttrekken, en de slavin uit mijne woning laten halen, indien hij het daar nog bij zal laten blijven.”