Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Vierde deel
Part 12
Assad was bijna wanhopig, zich weder in het zelfde hol te bevinden waar hij reeds zoo veel had moeten lijden, en dat met het treurige vooruitzicht van de zelfde wreedaardige mishandeling te moeten verduren, waarvan hij gedacht had voor altoos bevrijd te zullen blijven. Zoo weende hij bittere tranen, om zijn droevig noodlot, toen Bastane met een' stok, een brood en eene kruik water in de hand de gevangenis binnentrad. Het gezigt van dit wreede meisje, en de gedachte aan het lijden van een geheel jaar, dat niet zou eindigen, dan met een' niet minder ijsselijken dood, dit alles te zamen deed den prins schrikken en beven.
Bastane mishandelde den ongelukkigen gevangene inderdaad met gelijke wreedheid, als zij dit gedurende zijne vorige gevangenschap dagelijks gedaan had. Zijn klagen en kermen, en de met tranen gevulde, om ontferming smeekende oogen van den rampzaligen prins, schenen echter ditmaal haar steenen hart te treffen. Terwijl zij hem het kleed weder over den bebloeden rug en de schouders sloeg, gevoelde zij zich door diep mededoogen bewogen; ook zij kon hare tranen niet weêrhouden en weende met hem. „Prins!” riep zij op éénmaal, en wierp den stok, het werktuig harer wreedheid, van zich, „ik vraag u duizendmaal om vergeving voor de barbaarschheid, waarmede ik u vroeger en ook nu weder mishandeld heb. Mijn gevoel verzette er zich steeds tegen, maar ik durfde niet ongehoorzaam zijn aan het uitdrukkelijk bevel van mijn' vader, die u zonder reden haat, en uwen ondergang zoekt; ik wil echter niet langer het werktuig zijner boosheid zijn, die ik verfoei. Troost u, uw lijden zal spoedig een einde nemen, en ik wil mijn misdrijf, waarvan ik thans al het afschuwelijke inzie, door eene betere behandeling zoo veel mogelijk trachten goed te maken. Gij hebt mij tot heden gehouden voor eene ongeloovige, die het vuur aanbad; ken mij thans als een dienares van den alleen waren God. Ik heb van eene Muzelmansche slavin reeds eenig onderrigt genoten, en vlei mij, dat gij wel zult willen voortzetten en voleindigen, hetgeen zij mij met goeden uitleg heeft aangevangen. Om u van mijne opregtheid en mijne goede voornemens te overtuigen, prins, vraag ik hier in uwe tegenwoordigheid aan den alleen waren God vergiffenis voor de mishandelingen, die ik u heb aangedaan en waardoor ik ook Hem heb beleedigd. Ik smeek Hem, dat Hij mij het middel zal doen vinden, om u niet alleen voor verdere mishandelingen te vrijwaren en uw lot te verzachten, maar om u ook uwe vrijheid weder te geven.”
Deze zoo onverwachte en verrassende toespraak was den armen Assad eene groote troost, en hij verzuimde niets, om Bastane in hare goede voornemens te versterken. Na haar zijnen dank over hare welwillendheid betuigd te hebben, deed hij haar een verhaal van zijne lotgevallen, en van al de wederwaardigheden, waarmede hij den laatsten tijd te kampen had gehad. Bastane werd daardoor tot tranen toe geroerd, en herhaalde hare verzekering, dat hij voortaan niets dan goeds van haar te verwachten had. „Maar uwe zuster Cavame dan?” vroeg de prins, „zal zij niet voortgaan, mij om den anderen dag te mishandelen? Hoe zult gij het aanleggen, om ook haar in eene zachtmoediger stemming jegens mij te brengen?” „Bekommer u daar niet over,” antwoordde Bastane, „ik zal wel zorg dragen, dat mijne zuster u niet meer komt plagen.” En inderdaad wist zij het zoo aan te leggen, dat Cavame aan haar de taak overliet, om den gevangene te kastijden. Zij kwam den prins nu niet alleen op den gewonen tijd, maar dagelijks meermalen bezoeken, en in plaats van water en brood bragt zij hem thans wijn, vleesch en allerlei uitgezochte spijzen, welke zij door hare slavinnen in stilte liet toebereiden. Somtijds als hare zuster afwezig was, gebruikte zij zelve het middagmaal met hem; in één woord, zij wendde alles aan wat in haar vermogen was, om zijn lot dragelijk te maken, totdat zij gelegenheid zou vinden, hem in vrijheid te stellen.
Op zekeren dag bevond Bastane zich op de stoep harer woning, toen een omroeper op den hoek van de straat iets bekend maakte, dat zij echter door den te grooten afstand niet goed verstaan kon. Zij zag tevens, dat hij de straat inging, en dus haar huis voorbij moest komen; maar daar hij door een' ruiterstoet werd gevolgd, wilde Bastane zich niet laten zien. Zij ging naar binnen, en liet de deur op een' kier staan, zoodat zij alles wat buiten plaats vond, zonder opgemerkt te worden, kon afzien en aanhooren. Zij bemerkte al spoedig den groot-vizier Amgiad, die, op een schoon wit paard gezeten, in het midden reed. De omroeper ging voor hem uit, en herhaalde juist voor hare woning nogmaals met luider stemme: „Onze groot-vizier, uitblinkende door zijne regtvaardigheid, en door den koning met het hoogste gezag na hem bekleed, hier in persoon tegenwoordig, zoekt zijn' geliefden broeder Assad, die vóór ruim één jaar in deze stad is verdwenen. Hij wie dien prins in zijn huis heeft, of weet waar hij zich bevindt, brenge hem hier, of geve er den groot-vizier kennis van, en hij zal eene rijke belooning ontvangen. Doch degene, die hem gevangen houdt, zal, zoo dit ontdekt wordt, met den dood gestraft worden; hij, met zijne vrouw, kinderen en bloedverwanten, zij zullen allen moeten sterven; zijne goederen zullen verbeurd verklaard, en zijn huis omver gehaald worden.”
Naauwelijks had Bastane deze afkondiging aangehoord, of zij wierp snel de deur digt, en ijlde naar het onderaardsche hol. „Prins,” zeide zij met groote blijdschap, „gij zijt aan het einde van uwe rampen; kom en volg mij haastig.” Assad, reeds sedert lang van zijne ketenen bevrijd, draalde niet te doen, wat zij hem zeide, en zoodra zij uit het huis en op de straat waren, riep Bastane met luider stem: „Hier is degene, dien gij zoekt; hier is hij!”
Bij dezen uitroep zag de groot-vizier, die zich nog niet ver van daar bevond, om, en Assad, zijn' broeder Amgiad herkennende, liep, een' vreugdekreet slakende, op hem toe. Amgiad steeg van zijn paard, en zij omhelsden elkander, ten aanzien van honderden toeschouwers. Daarna deed de groot-vizier een' zijner officieren afzitten, en het paard aan zijnen broeder geven, met wien hij als in zegepraal naar het paleis reed, om hem aan den koning voor te stellen. Deze verheugde zich zeer in het geluk van zijnen eersten staats-minister, en maakte ook Assad tot een' zijner viziers.
Bastane waagde het natuurlijk niet, bij haren vader terug te keeren, wiens huis nog dien zelfden dag omver gehaald werd. Zij volgde den prins Assad tot aan het paleis, zonder hem uit het oog te verliezen, en Amgiad haar herkennende als degene, welke zijnen broeder tot hem had gebragt, gaf er den koning kennis van, die haar naar het vertrek van de koningin deed geleiden.
Nog dien zelfden dag werden de grijsaard en Behram, met hunne betrekkingen, gevat en voor den koning gebragt, die over allen het doodvonnis uitsprak. Zij wierpen zich aan zijne voeten, en smeekten om genade. „Ik schenk u geene genade,” sprak de koning op vastbesloten toon, „tenzij gij den vuurdienst afzweert, en u bekeert tot het Muzelmansche geloof.” Om hun leven te redden, onderwierpen zij zich aan de door den koning gestelde voorwaarde; ook Cavame deed dit.
Amgiad, verheugd zijnen geliefden broeder terug te hebben, zag van alle wraak af, en verhief in tegendeel Behram, nadat deze aan den Koran trouw gezworen had, tot eene eervolle betrekking. Zoo vergold hij hem het kwaad, dat hij zijn' broeder Assad had aangedaan. Deze onverdiende edelmoedigheid beschaamde en trof Behram, en toen hij na eenig tijdsverloop met de geschiedenis der beide broeders bekend werd, bood hij aan, indien zij een schip wilden uitrusten, hen naar het Ebbenhout eiland bij Camaralzaman, hunnen vader, terug te brengen. „Waarschijnlijk,” zeide hij, „zal de koning reeds met uwe onschuld bekend zijn, of het zal althans niet moeijelijk vallen, hem daarvan te overtuigen. Tot zoolang kunt gij aan boord vertoeven; en blijft uw vader volharden in zijne onregtvaardige verdenking jegens u, dan kunnen wij naar hier terugkeeren, en gij zult slechts eene vergeefsche reis hebben gedaan.”
Amgiad en Assad schepten groot behagen in dit voorstel. Zij spraken er met den koning over, die zulks ook goedkeurde, en bevel gaf, dat er een schip voor hen zou worden uitgerust. Behram met het toezigt daarover belast, kweet zich, door dankbaarheid aangespoord, met den meesten ijver van zijne taak; en toen het schip reisvaardig was, gingen de prinsen naar den koning, om hem voor al zijne weldaden te bedanken en afscheid te nemen. Zij waren nog bij den vorst, toen eensklaps de geheele bevolking der hoofdstad in beweging scheen te komen, en bijna op het zelfde oogenblik kwam een officier met het berigt, dat een groot leger in aantogt was, zonder dat iemand gissen kon, van waar dit kwam.
De koning ontstelde zeer over dit hem geenszins aangename nieuws, en Amgiad zulks bemerkende, nam terstond het woord, en zeide: „Sire, zoo even heb ik mijne waardigheid als groot-vizier in handen van uwe majesteit nedergelegd, doch nu er welligt onheil dreigt, beschouw ik het als mijn' eersten pligt, mijne diensten aan te bieden, om het gevaar zoo mogelijk af te wenden. Ik verzoek uwe majesteit, mij te vergunnen, te gaan zien, welke vijand, zonder voorafgaande oorlogsverklaring, op deze stad aanrukt.” De koning stond hem toe dit te doen, en zonder toeven trok nu de gewezen groot-vizier, met slechts een klein gevolg, het naderende leger tegemoet.
Prins Amgiad had slechts den tijd om de legerbenden, die met versnelden pas voortrukten, vlugtig op te nemen, toen hij reeds door eene ruiterbende, die de voorhoede uitmaakte, werd ontmoet en staande gehouden. Hij maakte den bevelhebber bekend met zijn' rang en zijne bedoeling, en werd door dezen voor zijne vorstin gebragt. Na haar de aan haren rang verschuldigde eer bewezen te hebben, vroeg de groot-vizier, of zij met een vriendschappelijk of vijandelijk doel kwam, en mogt dit laatste het geval zijn, welke redenen tot ontevredenheid de koning, zijn meester, haar gegeven had.
„Ik kom met vredelievende bedoelingen,” antwoordde de vorstin, „en heb geene vijandelijke oogmerken jegens den koning der toovenaars. Ik ben alleen hier gekomen, om een' slaaf, Assad genaamd, terug te eischen, die door een' inwoner dezer stad, den scheepskapitein Behram, gewelddadig uit den tuin van mijn paleis ontvoerd is geworden. Die Behram is de onbeschaamdste mensch ter wereld, en ik vertrouw, dat uw koning niet zal aarzelen, mij regt te doen wedervaren, indien gij hem zegt, dat het de koningin Margiane is, die dit verlangt.”
„Grootmagtige koningin,” gaf prins Amgiad ten antwoord, „die slaaf, om wien gij u zoo veel moeite geeft, is mijn broeder. Ik zelf zal hem u uitleveren, in de overtuiging, dat hij zich hoogst gelukkig zal rekenen, voor altoos uw slaaf te mogen zijn. Het behage inmiddels uwe majesteit, den koning, mijn' meester, met een bezoek te vereeren, het zal hem genoegen doen u te zien.”
Margiane gaf nu last de legertenten op te slaan, en terwijl men daarmede bezig was, begaf zij zich met een klein gevolg, onder geleide van Amgiad, naar de stad der toovenaars. Hij stelde de vorstin aan den koning voor, en deze ontving haar met al de achting, die zij verdiende. Assad, bij deze voorstelling tegenwoordig, herkende de koningin dadelijk, en haastte zich haar te begroeten. Margiane ontveinsde de vreugde niet, welke het haar gaf, hem weder te zien, en juist was zij met hem in een druk gesprek gewikkeld, toen een adjudant den koning berigtte, dat een tweede, nog magtiger heirleger dan het eerste, in het gezigt was, en van eene andere zijde de stad naderde.
De koning der toovenaars klom op het dak van zijn paleis, en de stofwolken, die ten hemel stegen, overtuigden hem weldra, dat het ontvangen berigt volkomen waarheid bevatte. „Amgiad,” riep hij, blijkbaar ontsteld, „wat staat ons nu te wachten? Ziedaar een nog grooter leger, dat op mijne hoofdstad aanrukt, en die met ondergang bedreigt!” Amgiad begreep de bedoeling des konings. Hij steeg te paard en reed in vollen draf het leger te gemoet. Al spoedig naderde hij eenige voorloopers, die hij verzocht, hem bij hunnen vorst te brengen. Zoodra Amgiad voor den koning verscheen, wierp hij zich met het aangezigt ter aarde, en vroeg, wat zijne majesteit van zijn' meester mogt verlangen.
„Zie in mij,” luidde het antwoord, „Gaïour, koning van China; wat mij hier heenvoert, is het verlangen, om eenig berigt in te winnen omtrent mijne dochter Badoura, welke ik vóór vele jaren ten huwelijk heb gegeven aan den prins Camaralzaman, zoon van Schahzaman, koning van de eilanden der kinderen van Khaladan. Ik had aan dien prins toegestaan, zijn' vader te bezoeken, en zijne gemalin mede te nemen, onder beding, dat zij na één jaar zouden terugkeeren; maar er zijn nu eene reeks van jaren verloopen, zonder dat zij iets van zich hebben laten hooren. Dit heeft mij mijne staten doen verlaten, en ik reis de wereld door, om hen te zoeken, zonder dat ik weet, of mijne dochter nog leeft, of reeds in het graf ligt. Mogt uw koning daaromtrent iets vernomen hebben, zoo zou hij, door mij zulks mede te deelen, een' bedroefden vader ten hoogste aan zich verpligten.”
Amgiad kon uit deze omschrijving zonder moeite zijn' grootvader herkennen, en hem met vervoering en kinderlijke teederheid de handen kussende, zeide hij: „Sire, uwe majesteit zal mij deze vrijheid vergeven, indien ik haar zeg, dat ik mij die alleen veroorloof, om daardoor van de liefde en eerbied blijken te geven, die ik voor een' grootvader gevoel. Zie in mij sire, den zoon van Camaralzaman, thans koning van het Ebbenhout-Eiland, en van de koningin Badoura. Ik weet niet beter, of beiden zijn nog in leven en welvarende.”
Deze geheel onverwachte en verrassende ontmoeting van een' kleinzoon, van wiens bestaan hij niets geweten had, verblijdde den koning van China zeer. Hij omhelsde den prins met de teederheid eens vaders; zij weenden in elkanders armen. Nadat zij dus aan hun gevoel lucht hadden gegeven, vroeg de koning van China aan zijn kleinzoon, door welk toeval hij zich hier aan het hof van den koning der toovenaars bevond. Amgiad beantwoordde deze vraag, met het verhaal van zijne lotgevallen en die van zijn' broeder Assad. „Wees getroost mijn zoon,” zeide nu de koning van China, „het is onbillijk dat prinsen, zoo onschuldig als gij en uw broeder, langer als bannelingen uit het ouderlijke huis in den vreemde zouden omzwerven. Ik zal u bij uwen vader terug brengen en uwe onschuld blootleggen. Keer thans terug, en geef ook uwen broeder kennis van mijne komst.”
Terwijl nu de koning van China zijne tenten liet opslaan, begaf Amgiad zich naar den koning der toovenaars, die zijne terugkomst met ongeduld verbeidde. Amgiad deelde hem zijne ontmoeting mede, waarop de koning zijne verwondering aan den dag legde, dat een zoo magtig en hoogbejaard vorst als de koning van China, eene zoo lange en vermoeijende reis had ondernomen, om zijne dochter door de geheele wereld te zoeken, en zelfs tot zijn ver afgelegen rijk was doorgedrongen. Hij liet dadelijk alles in gereedheid brengen, om dien vorst met den meest mogelijken luister te kunnen ontvangen, en hij besloot hem, als hooger in rang, het eerst een bezoek te brengen.
De toebereidselen hiertoe werden gemaakt, toen zich eene nieuwe stofwolk aan den horizont vertoonde, en weldra het berigt kwam, dat een derde leger met versnelden marsch de stad naderde. Hierdoor werd des vorsten plan verijdeld, en Amgiad reed weder uit, om te vernemen, wat men mogt begeeren. Assad vergezelde ditmaal zijn' broeder, en tot hunne onuitsprekelijke vreugde zagen zij, dat dit het leger was van hunnen vader Camaralzaman, die hen tot hier kwam zoeken.
De koning Camaralzaman had eene zoo groote droefheid aan den dag gelegd, dat hij in zijne drift zoo wreed jegens zijne onschuldige zonen had gehandeld, dat de emir Giondar, bewogen door de smart zijns meesters, hem eindelijk beleed, op welke wijze hij het leven der prinsen had gespaard. De koning erkende daarin de hand der Voorzienigheid, welke hem op deze wijze bewaard had, de beul te worden van zijn eigen kroost; hij verhief den emir tot zijn' groot-vizier, en liet rijke aalmoezen uitdeelen. Daar hij intusschen vreesde, dat de prinsen den moed niet zouden hebben, om ooit tot hem terug te keeren, besloot hij hen door de geheele wereld te gaan zoeken.
Geen wonder, dat deze bedroefde vader, toen hij zijne zonen plotseling voor zich zag, vreugdetranen stortte en niet ophield, hen te omhelzen. Nadat de eerste blijdschap des wederziens voorbij was, deelden de prinsen hunnen vader mede, dat hun grootvader, de koning van China, mede dien zelfden dag met een groot leger was aangekomen, en zijne tenten aan de andere zijde der stad had opgeslagen. Zoodra Camaralzaman dit vernam, besloot hij onmiddelijk bij zijnen schoonvader een bezoek af te leggen, en slechts door een klein gevolg, en door Amgiad en Assad vergezeld, begaf hij zich op weg naar het legerkamp van den koning van China. Zij hadden nog geen duizend schreden afgelegd, toen zich een vierde leger vertoonde, dat in goede orde aanrukte en van den kant van Perzië kwam.
Camaralzaman staakte nu zijnen togt, en gelastte zijne zonen vooruit te rijden, om op te nemen, welk leger dit zijn mogt, terwijl hij daar ter plaatse hunne terugkomst zou afwachten. De prinsen vertrokken oogenblikkelijk, en werden voor den koning gebragt, die zich aan het hoofd van dit nieuwe heer bevond. Na hem hunnen eerbied bewezen te hebben, vroegen zij naar de oorzaak, die hem bewogen had, om tegen de stad van den koning der toovenaars op te trekken.
De groot-vizier, die daarbij tegenwoordig was, nam nu aldus het woord op. „De vorst, tot wien gij deze vraag rigt, is Schahzaman, koning van de eilanden der kinderen van Khaladan, die zich reeds sedert geruimen tijd op reis bevindt, om zijnen zoon, den prins Camaralzaman, te zoeken, welke vóór vele jaren in stilte de staten zijns vaders heeft verlaten, zonder iets van zich te doen hooren. Indien die prins nog in leven is, en gij iets van hem mogt weten, zoudt gij den koning, mijnen meester, door de mededeeling daarvan zeer aan u verpligten.”
De prinsen betuigden, dat zij niets liever wenschten, dan aan eenen zoo achtenswaardigen monarch eenig genoegen te geven, en dat zij niet zonder hoop waren, hem binnen korten tijd meer daaromtrent te kunnen mededeelen, dewijl zij nu geene vrijheid hadden iets te zeggen. Daarop groetten zij den koning en den groot-vizier, en reden in vollen galop naar hunnen vader Camaralzaman, om hem te berigten, dat het in aantogt zijnde leger geen ander was, dan dat van zijnen vader Schahzaman, en dat de grijze vorst het in persoon aanvoerde.
Verrassing en vreugde, gemengd met een gevoel van smart en berouw, dat hij den goeden koning, zijn' vader, had verlaten, zonder eens afscheid van hem te nemen, tastten Camaralzaman bij het onverwachte berigt, dat hij zich zoo digt nabij hem bevond, zoo sterk aan, dat hij in onmagt viel. Doch zoodra Camaralzaman, door de zorg van de prinsen Amgiad en Assad, weder tot zich zelven kwam, en zijne krachten zulks gedoogden, spoedde hij zich naar het leger van Schahzaman, om zich aan de voeten te werpen van dien liefderijken vader, dien hij zoo zeer bedroefd had, en zijne vergiffenis af te smeeken.
Men kon zich niets treffender voorstellen dan deze ontmoeting tusschen vader en zoon. Schahzaman beklaagde zich, op eene liefdevolle wijze, over de ongevoeligheid van Camaralzaman. Hoe toch had hij het over zich kunnen verkrijgen, eenen vader, die hem zoo lief had, op eene zoo wreede wijze te bedroeven. Camaralzaman toonde een opregt berouw, over de onverschoonlijke daad, waartoe de liefde hem gebragt had. Schahzaman stelde zich hiermede tevreden, ontving zijn' zoon in zijne armen, en alle omstanders weenden bij dit roerende tooneel, waarin de kracht der vaderliefde zich in al hare grootheid vertoonde.
De drie koningen en de koningin Margiane bleven gedurende drie dagen aan het hof van den koning der toovenaars, waar een zoo zonderling toeval hen bijeen had gebragt. Zij werden voortreffelijk onthaald, maar vooral waren deze dagen merkwaardig door het huwelijk van den prins Assad met de koningin Margiane, en van den prins Amgiad met Bastane, uit dankbaarheid voor den dienst, welken zij aan zijn' broeder Assad had bewezen. Op den vierden dag namen de drie koningen en de koningin Margiane met prins Assad, allen de terugreis naar hunne staten aan. Wat Amgiad aangaat, de koning der toovenaars, kon niet besluiten, hem te laten vertrekken. Hij was reeds hoog bejaard, en had den prins zoo lief gekregen, of het zijn eigen zoon ware. Daarom besloot hij afstand van den troon te doen, en daarop Amgiad in zijne plaats te stellen. De nieuwe koning stelde van den aanvang zijner regering af aan, al het mogelijke in het werk, om zijne onderdanen van de afgoderij en vuurdienst af te brengen en het Muzelmansche geloof in zijne staten in te voeren, en hierin slaagde hij naar wensch.
GESCHIEDENIS VAN NOUREDDIN EN VAN DE SCHOONE PERZIANE.
De stad Balsora is langen tijd de hoofdstad geweest van een koningrijk, dat aan de kalifen van Bagdad schatpligtig was. Ten tijde van kalif Haroun-Al-Raschid, regeerde aldaar een koning, Zinneby genaamd, een eigen neef van voornoemden kalif. Zinneby vond het niet goed het bestier van zijn rijk aan een' enkelen vizier toe te vertrouwen, hij stelde er twee aan, die met gelijke magt bekleed werden, Khasan en Saony.
Khasan was zachtaardig van inborst, voorkomend, en milddadig, hij vond er behagen in, allen met wie hij iets had uit te staan aan zich te verpligten, voor zoover dit kon plaats hebben, zonder aan de geregtigheid, die hij moest handhaven, te kort te doen. Door die vriendelijkheid won hij aller harten, zelfs van hen, die hij volgens zijn ambt moest straffen, zoodat er aan het hof van Balsora, ja in de geheele stad, bijna niemand werd gevonden, die niet met den meesten lof van hem sprak.
Saony was van eene geheel andere inborst, hij was somber, nooit zag men hem lagchen, of kwam er een vriendelijk woord uit zijnen mond. Hij was terugstootend en barsch jegens iedereen, zoo wel jegens aanzienlijken als geringen. Hij bezat groote schatten, maar wist zich daarmede geene vrienden te maken, noch er eenig nut mede te stichten; want zijne gierigheid overtrof alle zijne andere ondeugden, en ging zoover, dat hij ook voor zich zelven er het noodige niet van durfde nemen. Zoo maakte hij zich bij ieder gehaat, en men hoorde nooit iets goeds van hem zeggen. Maar wat hem nog het meeste kwaad deed, was zijn bekende afkeer van zijn' waardigen ambtgenoot, dien hij op alle mogelijke wijze bij den koning zwart zocht te maken.
Nu gebeurde het eens, dat de koning van Balsora, na het sluiten van den raad, met zijne viziers en eenige andere hovelingen een gesprek aanknoopte over de schoone slavinnen, die bij de Arabieren de plaats van echtgenooten vervullen, of tot minnaressen worden aangekocht. Eenige hovelingen beweerden, dat het voldoende was, indien zoodanige slavin in schoonheid uitmuntte, zoodat men zich door haar bezit kon troosten over het niet altoos benijdenswaardige lot, met eene vrouw te moeten leven, aan welke geene schoonheden waren ten deel gevallen, doch die men uit familiebelang of om andere redenen gehuwd had.