Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Vierde deel
Part 11
Behram, op eene dergelijke uitnoodiging voorbereid, ging dadelijk met prins Assad in de sloep, en ontscheepte op last van den officier bij de aanlegplaats der koninklijke tuinen, ter plaatse, waar de koningin Margiane zich bevond. De kapitein wierp zich aan hare voeten, en na zich beroepen te hebben op de noodzakelijkheid, waarin hij door den storm gebragt was, om in de haven van hare hoofdstad eene wijkplaats te zoeken, zeide hij een slavenhandelaar te zijn, die al zijne slaven had verkocht, op één' na, welke hij tot zijn' schrijver gebruikte. Hierdoor op Assad opmerkzaam gemaakt, vestigde de koningin Margiane hare oogen op hem, en zijn schoon uiterlijk behaagde haar zoo zeer, dat zij terstond besloot hem tegen elken prijs te koopen. Met die bedoeling vroeg zij hem naar zijn' naam.
Behram wierp den prins een' blik van verstandhouding toe, die tevens iets dreigende had, om hem indachtig te maken, aan hetgeen hem, toen hij van zijne ketenen was ontslagen, werd opgelegd, namelijk den rol van schrijver en slaaf naar vereischte te vervullen, en niets te verraden, op straffe van anders zijne wraak te zullen ondervinden. Assad bekreunde zich echter om dien wenk niet. „Groote koningin,” gaf hij ten antwoord, terwijl de tranen hem in de oogen kwamen, „begeert uwe majesteit mijnen vorigen of tegenwoordigen naam te weten?”
„Hoe!” hernam de koningin; „hebt gij dan twee namen?” „Helaas, ja,” zuchtte de prins, „weleer heette ik Assad (_zeer gelukkig_), thans noem ik mij Motar (_het slagtoffer_).”
Margiane, die den waren zin van dit antwoord niet begreep, meende dat hij daarmede op zijn' toestand als slaaf zinspeelde, en maakte er uit op, dat hij bij zijne schoone gestalte ook een gezond verstand bezitten zou. Zij drong dus op dit punt niet verder aan, maar zeide kort daarop: „Daar gij scheepsschrijver zijt, zult gij wel fraai kunnen schrijven, laat mij eens eene proeve van uw schrift zien.” Assad droeg aan zijn' gordel een' inktkoker en papier; want Behram had er voor gezorgd, dat zijne uitrusting geheel met zijn beroep van schrijver overeenstemde, teneinde de koningin niet mogt twijfelen, aan hetgeen hij haar wilde doen gelooven. De prins zonderde zich een oogenblik af, en stelde de volgende op zijne ellende toepasselijke spreuken op het papier.
„Waar de helderziende in het water loopt, weet de blinde zich te wachten. De onwetende, die slechts onzin spreekt, ziet zich tot hoogen staat verheven, terwijl de wijze, met al zijne welsprekendheid, in het stof moet kruipen.—De Muzelman, rijk in het geloof, verzucht in de diepste ellende; terwijl de ongeloovige zegepraalt en over hem heerscht. Zoo is de wil des Allerhoogsten, en wie zal daarin verandering brengen; waar is de mensch, die zijn noodlot ontgaan kan?”
Assad bood deze regelen de koningin aan, en Margiane was niet minder verwonderd over den diepen zin der woorden, dan over de fraaiheid der letters. Er was niets meer noodig om haar geheel voor den prins in te nemen. Naauwelijks had zij dan ook het papier ingezien en gelezen, of zij wendde zich tot Behram, en zeide: „Deze slaaf bevalt mij, en ik begeer hem van u te koopen; tenzij gij goed mogt vinden hem mij ten geschenke te geven, dat misschien niet in uw nadeel zijn zal. Wat wilt gij, kies!”
Behram, verstoord over de gemeenzaamheid, die tusschen de koningin en Assad ontstaan was, en beducht dat deze, als hij hem achterliet, als zijn aanklager bij Margiane zou optreden, waardoor hij het ergste van haar te duchten zou hebben, gaf onbeschoft genoeg ten antwoord, dat hij niet noodig had eene keus te doen, daar hij zijn' slaaf niet konde, noch wilde missen. Dit antwoord vergramde de koningin Margiane dermate, dat zij den kapitein geen enkel woord meer wilde toespreken. Zij liet hem alleen staan, en nam Assad mede naar haar paleis. Van daar zond zij een' harer officieren aan Behram, om hem aan te zeggen, dat, indien hij den volgenden morgen met zijn schip nog in de haven werd gezien, zij dit dan met al wat er op en in was in brand zou laten steken. Behram was gedwongen zich naar dit bevel te voegen; hij keerde in eene kwade luim naar boord terug, en hoewel de storm niet geheel bedaard was, liet hij echter alles in gereedheid brengen om nog dien nacht onder zeil te kunnen gaan.
De koningin Margiane was naauwelijks in haar paleis, of zij gaf last het avondeten zonder verwijl op te dragen, en Assad mede naar haar vertrek nemende, verzocht zij hem aan hare zijde plaats te nemen. De prins verontschuldigde zich, zeggende dat zulk eene hooge eer aan een' slaaf niet toekwam. „Aan een' slaaf,” hernam de koningin, „gij moogt dat tijdelijk geweest zijn, thans zijt gij het niet meer. Zet u dus naast mij neder, en verhaal mij uwe geschiedenis; want hetgeen gij gezegd en geschreven hebt met betrekking tot uw ongeluk, gevolgd bij de onbeschaamdheid van dien slavenhandelaar, doet mij vermoeden dat die zeer merkwaardig zal zijn.”
Assad nam nu aan hare zijde plaats, en sprak: „Grootmagtige koningin, uwe majesteit vergist zich niet, mijne geschiedenis is werkelijk zeer vreemd. De kwellingen, de ongeloofelijke martelingen, welke ik heb doorgestaan, en de dood, waartoe ik bestemd was, waarvan uwe majesteit mij door hare waarlijk vorstelijke edelmoedigheid heeft bevrijd, zullen haar de grootheid doen kennen van hare aan mij bewezen weldaad, welke ik nimmer vergeten zal.”
Na deze inleiding, waardoor de nieuwsgierigheid van Margiane nog meer werd opgewekt, begon Assad haar bekend te maken met zijne koninklijke afkomst, met die van zijn' broeder Amgiad, en met de vriendschap, die zij van jongs af aan voor elkander koesterden. Hij deelde haar ook mede, hoe de booze bedoelingen hunner moeders, de bron van al hunne daarop volgende ongelukken geworden waren. Vervolgens sprak hij van den toorn zijns vaders, van de wonderbare wijze, hoe zij, door den koning ter dood veroordeeld, in het leven gespaard waren gebleven, van hunne zoo moeijelijke reis, hunne aankomst in de stad der toovenaars, in welker nabijheid hij zijn' broeder Amgiad had moeten achterlaten, en eindelijk van zijne langdurige en smartelijke gevangenschap, waaruit hij slechts ontslagen werd, om geofferd te worden op den berg des vuurs.
Door dit verhaal werd de koningin Margiane meer dan ooit in haat ontstoken tegen de vuuraanbidders. „Prins,” zeide zij, „niettegenstaande mijnen afkeer van de vuuraanbidders, heb ik hen steeds met menschelijkheid bejegend; maar na de barbaarsche behandeling, die zij u hebben aangedaan, en hun verfoeijelijk voornemen, om u aan hunnen vuur-afgod te offeren, verklaar ik hun eene onverzoenlijke vijandschap. Ik verwensch en verfoei hen.” De koningin zou in hare opgewondenheid willigt nog veel over dit onderwerp gezegd hebben, doch daar thans het avondmaal werd opgedragen, zette zij zich met den prins aan tafel. Het had haar behaagd, hem te zien en te hooren spreken, en haar hart gloeide reeds van liefde voor hem, terwijl zij geene gelegenheid verzuimde, om hem dit te laten blijken. „Prins,” zeide zij, „het is goed voor u, dat gij, na eene zoo lange onthouding, en zoo vele schrale maaltijden, waartoe de onmeedoogende vuuraanbidders u veroordeeld hebben, aan mijne tafel vergoeding vindt. Na zoo veel lijden en zulke ontberingen, hebt gij behoefte aan goed en krachtig voedsel.” En terwijl zij dus sprak, bediende zij hem eigenhandig van het beste, dat op tafel was, en liet hem van den fijnsten en krachtigsten wijn, den eenen beker na den anderen inschenken. Zij bleven lang aan tafel; geen wonder, dat de wijn onzen prins Assad, na eene zoo lange onthouding, opgewonden maakte, en dat hij zich, toen de tafel afgenomen werd, voor eenige minuten afzonderde, en daartoe een oogenblik waarnam, dat de koningin geene acht op hem sloeg. Hij begaf zich op het binnenhof, en vervolgens in den tuin. De frissche lucht verlokte hem een eindweegs op te wandelen, en zoo kwam hij aan eene fontein, wier hoog opspringende waterstralen, klaar als kristal, in eene groote kom van wit marmer werden opgevangen. Verhit van den wijn, waschte de prins, om zich te verkoelen, gelaat en handen. Daarna strekte hij zich op het de kom omzoomende malsche gras uit, en sluimerde tegen zijn' wil, door den slaap overmand, weldra in.
Intusschen viel de nacht in, en Behram, geen' lust gevoelende, om aan de koningin Margiane de gelegenheid te geven, hare bedreiging te verwezenlijken, had reeds het anker laten opwinden. Hoewel het hem zeer griefde, zijnen gevangene te moeten achterlaten, troostte hij zich echter daarmede, dat de storm had opgehouden, en dat de landwind, die thans opstak, zijn vertrek begunstigde. Zoodra hij met behulp van zijne sloep, het schip uit de haven had gehaald, beval hij de matrozen nog even aan wal te roeijen, om eenige watervaten te vullen uit de fontein in den vorstelijken tuin, die hij bij zijne ontmoeting met de koningin had opgemerkt.
De matrozen, ingelicht waar die te vinden was, roeiden naar wal, en gingen ieder met een ledig watervat op den schouder aan land. Zoo kwamen zij zonder veel moeite over den muur in den tuin en tot bij de waterkom. „Daar ligt een man te slapen,” sprak de voorste van de waterhalers, terwijl hij bij Assad staan bleef, en zijne makkers toewenkte, dat zij, zonder gerucht te maken, zouden naderen. Zij vormden een' kring om den slapende, en veronderstellende, dat het wel een Muzelman zijn zou, beraadslaagden zij onder elkander, of zij hem niet binden en mede nemen zouden, teneinde toch nog een offer voor hunne godheid te hebben. Op dat oogenblik brak de maan door de wolken, en bijna zou hun een' kreet van vreugde ontsnapt zijn, daar zij nu den door hunnen kapitein achtergelaten gevangene herkenden. Zij beschouwden dit niet als een bloot toeval, maar als het werk van hunnen God zelven, welke zich zijn slagtoffer niet had willen laten ontnemen, en het daarom zoo bestierde, dat hij hun weder in handen viel. Twee hunner bleven nu achter de wacht houden, gereed om, mogt Assad ontwaken, hem dadelijk aan te grijpen. Inmiddels vulden de anderen hunne vaten, en eerst toen zij daarmede gereed waren, stopte men den ongelukkigen prins eene prop in den mond, knevelde hem handen en voeten, waarna een der meest gespierde matrozen, hem als een' meelzak op zijne schouders nam, en zoo over den muur in de sloep bragt. De anderen met de watervaten volgden, en zoodra alles was ingenomen, trachtte men met kracht van riemslagen, het schip, dat op stroom wachtte, met den hen meesten spoed te bereiken. De kapitein stond op het verdek. Zoodra zij hem zagen en het schip nabijkwamen, hieven de matrozen in de sloep eenen jubelkreet aan. „Kapitein,” klonk het hem in de ooren, „laat spelen uwe hoornblazers en uwe trommelslagers; wij brengen uwen slaaf terug!”
Behram kon zich maar niet begrijpen, hoe zijn volk er toe geraakt was, om Assad weder in handen te krijgen, daar de koningin hem onder hare bescherming had genomen. De duisternis belette hem de personen, die zich in de sloep bevonden, te onderscheiden, hij wist dus niet, wat te moeten gelooven, en vertrouwde zijne eigen ooren niet, totdat de matrozen Assad gebonden voor zijne voeten nederlegden. Groot was nu zijne vreugde, en zonder zich den tijd te gunnen aan zijn volk te vragen, door welk wonder zij Assad aan de magt van zijne magtige beschermster ontrukt hadden, liet hij hem weder in ketenen slaan en onder in het schip werpen. Nadat de sloep aan boord was gehaald, gaf hij bevel alle zeilen bij te zetten, en den koers naar den berg des vuurs te vervolgen.
Intusschen was het paleis van de koningin Margiane in rep en roer. Toen zij den prins miste, meende de vorstin daarvan de reden te kunnen gissen, en wachtte geduldig zijne terugkomst af, die zij dacht, dat niet lang kon duren. Als er echter meer dan een half uur voorbijging zonder dat Assad verscheen, begon zij ongeduldig te worden, en beval aan hare vrouwen te onderzoeken, waar haar gast zich zoo lang ophield. Doch deze zochten hem te vergeefs, en kwamen eindelijk terug met het berigt, dat zij het paleis in alle rigtingen doorloopen hadden, zonder hem te kunnen vinden. Margiane begon zich nu ongerust te maken, en daar het donker werd, liet zij flambouwen ontsteken, en ging zelve met hare vrouwen om hem te zoeken. Ofschoon men thans alle plaatsen doorzocht, waar hij wezen en niet wezen kon, in het paleis vond men hem niet. De tuindeur open ziende, liep zij den hof in, hopende hem daar te zullen aantreffen. Zij zocht in alle lanen en boschjes en riep den prins bij zijnen naam, maar slechts de echo kaatste hare stem terug. Eindelijk kwam zij tot bij de fontein, en daar zag zij in het gras een kleedingstuk liggen, dat zij zich herinnerde gelijk te zijn aan hetgeen Assad droeg, toen de kapitein hem haar als zijnen scheepsschrijver voorstelde. Toen men nu verder bespeurde, dat het gras om de waterkom plat getrapt en nat was, bragt dit haar op de gedachte, dat Behram daar wel zijne watervaten kon hebben doen vullen, en zijn' gewezen slaaf hier aantreffende, hem weder had medegenomen. Zij zond dadelijk iemand naar de haven, die terugkwam met het berigt, dat men werkelijk even vóór den donker eene sloep bij den wal had gezien, welke zich daar eenigen tijd had opgehouden, waarschijnlijk met het oogmerk om water in te nemen, dat in dezen omtrek alleen hier was te vinden, en dat het schip, zoodra de sloep weder aan boord kwam, de haven had verlaten.
Zij twijfelde nu niet langer, of haar vermoeden was overeenkomstig de treurige waarheid. Dadelijk deed zij den kommandant van tien oorlogschepen berigt geven, dat hij zorg moest dragen, om met het aanbreken van den dag gereed te zijn, haar aan boord te ontvangen, om daarna onmiddelijk met de vloot onder zeil te gaan.
De kommandant liet zijne kapiteins, officieren, matrozen en soldaten bijeenkomen, en spoorde hen zoo zeer aan, dat op het door de koningin bepaalde uur, de ankers reeds opgewonden waren, en de vloot op het eerste sein de haven kon verlaten. Margiane kwam aan boord van het vlaggeschip, en sprak tot den bevelhebber: „Het is mijne begeerte, dat gij met alle middelen die u ten dienste staan, jagt zult maken op het koopvaardijschip, dat gisteren avond deze haven heeft verlaten. Indien gij het vaartuig inhaalt en neemt, zoo zij het u met zijne lading geschonken; mist gij echter uw doel, zoo zult gij daarvoor met uw hoofd moeten boeten.”
De tien schepen maakten gedurende twee etmalen jagt op het schip van den kapitein Behram, zonder iets te ontdekken. Bij het aanbreken van den derden dag, zagen zij eindelijk een zeil, dat door den kommandant voor het bedoelde schip werd gehouden, en met den middag hadden zij dit zoodanig ingesloten, dat het onmogelijk ontkomen kon.
Naauwelijks bespeurde de wreede Behram de tien schepen die jagt op hem maakten, of hij twijfelde niet, dat het de koningin Margiane was, die hem deze vloot had nagezonden. Hoewel hij het gevaar, dat hem bedreigde zeer goed inzag, wederhield hem dit echter niet aan zijnen ongelukkigen gevangene, zooals hij elken dag gedaan had van het tijdstip af dat zij de stad der toovenaars verlaten hadden, stokslagen te geven, en daar hij Assad aanmerkte als de oorzaak waarom hij vervolgd werd, mishandelde hij hem ditmaal met dubbele wreedheid. Intusschen wendde hij al het mogelijke aan, om zijne vervolgers te ontzeilen, en toen hem daartoe de hoop benomen werd, begreep hij zich van Assad te moeten ontdoen; want vond men dezen aan boord van zijn schip, dan was tevens zijne schuld bewezen, en had hij van de verbitterde koningin geene genade te hopen. Hij deed Assad van zijne ketting losmaken, en toen men hem uit het hol van het schip naar het dek sleepte, en voor hem bragt, greep Behram den prins verwoed in de borst. „Ha, verwenschte Muzelman!” riep hij, „gij zijt het, die mij in het ongeluk brengt; maar moet ik sterven, gij zult mij voorgaan in den dood.” Dit zeggende nam hij hem met beide handen op, en slingerde hem over boord.
Assad verdween in de diepte der zee, doch hij verloor zijne tegenwoordigheid van geest niet, en hield den adem in, zoodat hij weldra bovenkwam. Als een goed zwemmer spande hij nu alle krachten in om het land te bereiken, waarvan hij zich op eene mijl afstands bevond. Wind en golven waren hem daarbij gunstig, hij had weinig meer te doen dan zich boven water te houden, en op den rug van eene groote golf gedragen, werd hij eindelijk aan strand geworpen. Toen Assad zich op het drooge bevond, was zijn eerste werk als een goed Muzelman Allah te danken, dat hij hem aan een zoo groot gevaar had laten ontkomen, en nu tweemalen uit de handen der vuuraanbidders gered had. Na het gebed ontdeed hij zich van zijne kleederen, wrong die uit, en spreidde ze op de rots om ze in de zon te laten droogen, terwijl hij voor zich zelven naar eene schaduwrijke plaats uitzag, waar hij zich kon nederzetten, om van zijne vermoeijenis uit te rusten.
De slaap overviel hem weldra, en toen hij ontwaakte, waren zijne kleederen geheel droog, zoodat hij die weder kon aantrekken. Hoewel nu aan den dood ontkomen, was zijn toestand echter verre van geruststellend; want hij bevond zich op eene hem geheel onbekende kust, en wist niet, of hij al dan niet mogt wenschen de bewoners te ontmoeten, want het ongeluk, dat hem in de stad der toovenaars door den verraderlijken grijsaard was overkomen, deed hem vreezen, in plaats van geloofsgenooten, weder afgodendienaars en vijanden te zullen aantreffen.
En toch kon hij op deze woeste plaats niet blijven! Na dus de bescherming van Allah te hebben ingeroepen, ging hij langs het zeestrand, totdat hij in de rotsen een' begaanbaren weg ontdekte, die naar het binnenland liep; dezen sloeg hij in. Langer dan tien dagen ging hij door eene woeste en onbewoonde landstreek, waar hij zich met wilde vruchten en eenige wortelgewassen en waterplanten, die aan de oevers der beken groeiden, moest voeden. Eindelijk op den elfden dag kwam hij in de nabijheid van eene stad, die hij weldra tot zijne verwondering en schrik erkende voor die der toovenaars, waar hij vroeger zoo zeer mishandeld was geworden. Had Assad geweten, dat zijn broeder Amgiad daar als groot-vizier regeerde, hij zou zich verheugd hebben, en niet verlegen zijn geweest tot wien zich te wenden. Nu zag hij er tegen op, zich andermaal in die gevaarlijke stad te wagen, en, door ondervinding voorzichtig gemaakt, nam hij zich stellig voor, niet weder op een' vuuraanbidder te vertrouwen, maar eene wijkplaats te zoeken bij een' zijner geloofsgenooten, van wie hij bij zijne eerste komst enkelen gezien had. Daar het echter reeds laat was, en hij vermoedde dat de meeste winkels gesloten zouden zijn, oordeelde Assad het beter, om tot den volgenden dag te wachten, en dezen nacht op het kerkhof door te brengen, in welks nabijheid hij zich bevond. Naar het aldaar bij de aanzienlijken en rijken heerschende gebruik, waren boven verscheidene graven koepels of tempels opgerigt; in een dezer overdekte praalgraven, waarvan hij de deur open zag, besloot de prins den nacht door te brengen. Hij vreesde te regt de levenden meer dan de dooden.
Doch keeren wij thans terug tot het schip van Behram. Niet lang nadat hij zich van Assad had ontslagen, door hem in zee te werpen, zag hij zich van alle kanten door de schepen van de koningin Margiane ingesloten. Het schip, waarop de koningin zich bevond, kwam hem het eerst op zij, en inziende, dat het te vergeefs zou zijn aan eene zoo groote overmagt wederstand te bieden, deed hij de zeilen innemen en de vlag strijken, ten teeken, dat hij zich overgaf.
De koningin Margiane ging zelve aan boord van het schip over, en vroeg aan Behram, waar de schrijver was, dien hij de vermetelheid had genomen, uit haar paleis te ontvoeren. „Grootmagtige koningin,” sprak Behram, die nu wel beleefd kon zijn, „ik zweer uwe majesteit, dat hij zich niet aan boord van mijn schip bevindt; en behaagt het u naar de waarheid hiervan te onderzoeken, zulks zal mij aangenaam zijn; want daardoor zal mijne onschuld aan den dag komen.”
Margiane liet het vaartuig naauwkeurig doorzoeken, maar wat men er ook vond, niet den man, wien zij zoo vurig wenschte terug te vinden, zoowel omdat zij hem beminde, als uit den aard van haar edelmoedig hart. Hare smart was zoo groot, dat zij op het punt stond den kapitein met eigen hand te doorsteken, en reeds de hand aan de greep van haren dolk geslagen had, toen zij tot een zachtmoediger gevoel gestemd werd, bij het nu in haar opkomende denkbeeld, dat, mogt zij Behram ook voor den dader houden, zijne schuld toch niet bewezen was. Zij vergenoegde zich derhalve met schip en lading prijs te verklaren ten voordeele van den kommandant, die zich zoo uitmuntend in haren dienst gekweten had. Aan Behram gaf zij vrijheid zich met zijn scheepsvolk aan land te begeven, waartoe zij hem de groote sloep afstond. Voorzeker meer dan deze booswicht had durven verwachten, en oneindig veel meer, dan hij verdiende.
Het toeval wilde, dat Behram, na met vele gevaren geworsteld te hebben, met zijne sloep in de nabijheid van de stad der toovenaars landde, in den zelfden nacht, dat Assad des avonds daar was aangekomen. Daar de stadspoorten gesloten waren, zag ook hij zich gedwongen op het kerkhof eene rustplaats te zoeken, totdat de poort geopend zou worden. Tot groot ongeluk van Assad ging Behram, naar een geschikt verblijf omziende, voorbij de tombe, waarin de prins zich bevond. Hij trad daar binnen, en was bijna over Assad gestruikeld, die in zijn kleed gewikkeld, in een' vasten slaap gedompeld lag. Behram stiet een ruwen vloek uit, en maakte zoo veel beweging, dat Assad daardoor ontwaakte, en vroeg, wie daar was en hem stoorde.
Behram herkende den prins terstond aan zijne stem. „Aha, kameraad,” sprak hij, „tref ik u hier aan, dat kon nooit beter. Zijt gij ditmaal vrij gekomen, een volgend jaar zult gij mij niet ontsnappen en geofferd worden, of mijn naam zal geen Behram zijn. Gij zijt het, aan wien ik mijn ongeluk te danken heb; maar gij zult er u niet over verheugen.” Dit zeggende, wierp hij zich als een wild dier op den prins, stopte hem, om hem het schreeuwen te beletten, een' doek in den mond, en liet hem door zijne matrozen binden, zoodat hij hand noch vinger verroeren kon.
Zoodra de dag aanbrak en de poort open was, deed Behram zijnen gevangene naar de woning van den zelfden boosaardigen grijsaard overbrengen, die hem de eerste maal door list ten zijnent had gelokt. Niets verhinderde hem hierin, omdat de meeste inwoners nog sliepen, en hij bovendien den prins, met een kleed overdekt, op eene draagbaar liet plaatsen, even alsof hij een zieke matroos was. Hij zou deze voorzorg zelfs niet genomen hebben, indien hij niet had gevreesd, dat de groot-vizier Amgiad, die vroeger zijn' broeder reeds aan boord van zijn schip gezocht had, nu bij het minste vermoeden ook bij den grijsaard huiszoeking mogt doen, en dit deed hem voorzichtig zijn. Men bereikte het huis van den grijsaard zonder eenig opzien te baren, en zoodra men daar binnen was, bragt Behram den ongelukkigen prins naar het zelfde onderaardsche hol, waaruit hij hem voor eenigen tijd te voorschijn gehaald had. Na hem ketenen te hebben aangelegd, ging de kapitein den grijsaard opzoeken, om hem de oorzaak zijner terugkomst en den ongelukkigen uitslag zijner reis mede te deelen. Dit verslag deed den ellendigen grijsaard in nog feller haat ontbranden; hij liet terstond zijne dochters roepen, en beval haar den gevangene zoo mogelijk nog strenger te behandelen en nog harder te geeselen dan vroeger.