Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Vierde deel
Part 10
Bahader kwam, zooals dit zijne gewoonte was, verkleed en zonder eenig gevolg, iets vroeger dan de genoodigde gasten. Hij was zeer verwonderd het slot van de deur opengebroken te vinden. Zouden dieven zich daartoe op het midden van den dag verstout hebben? Hij wist niet, wat te moeten denken, en ging zonder gerucht te maken naar binnen. Daar hij in de zaal hoorde praten en lagchen, sloop hij langs den muur den gang door, en stak het hoofd door de half openstaande deur, om te zien, wat soort van lieden zich ten zijnent bevonden. Toen hij nu bemerkte, dat het een jongeling van een edel voorkomen en eene jonge dame waren, die zich vroolijk maakten met het maal, dat voor hem en zijne vrienden bestemd was, en dat dus de ramp niet zoo groot bleek, als hij zich eerst had voorgesteld, besloot hij eene grap te hebben.
De dame zat met den rug eenigzins naar de deur gekeerd, zoodat zij den kamerheer niet kon zien. Amgiad echter werd hem gewaar, op een oogenblik dat hij zijn glas aan de lippen bragt. Zijne kleur verschoot, en met de oogen op Bahader gevestigd, bleef hij als een standbeeld zitten. De kamerheer legde den vinger op den mond, en wenkte, dat hij hem wilde spreken. Amgiad dronk nu zijn glas uit, en stond van tafel op. „Waar wilt gij heen?” vroeg de dame. „Mejufvrouw,” antwoordde hij, „blijf gerust zitten, ik moet mij even verwijderen, en ben zoo terug.” Bahader wachtte hem in den gang, en wenkte, dat hij zou volgen. Toen zij het voorhof hadden bereikt, zoodat zij vrij konden spreken, zonder gehoord te worden, vroeg de kamerheer, wat hem de vrijheid had doen nemen, het slot van de huisdeur stuk te maken, en zich met die dame aan zijne tafel te zetten.
„Heer,” gaf Amgiad ten antwoord, „ik moet bekennen, dat ik heb gehandeld als een dwaas, doch zoo gij het geduld wilt hebben mij aan te hooren, dan zult gij mij welligt minder schuldig achten, dan ik dit thans in uwe oogen zijn moet.” Hierop deelde hij hem zonder eenige terughouding de zaak mede. Ook verzweeg hij zijne afkomst niet, noch de reden, waarom hij zijn vaderland had moeten ontvlugten, om hier of elders in den vreemde eene wijkplaats te zoeken. Bahader was in het algemeen den vreemdelingen genegen, en het verheugde hem, iemand van zoo hoogen rang aan zich te kunnen verpligten. De beschaafde taal en manieren van Amgiad deden bij hem de overtuiging geboren worden, dat deze hem niet misleidde. „Prins,” zeide hij daarom, „het verblijdt mij iemand van zulk eene afkomst en zoo ongelukkig als gij binnen mijne woning aan te treffen, en dat door een zoo zonderling toeval, als men maar zou kunnen uitdenken. Beschouw u dus van nu af aan als mijn gast. Inmiddels wil ik eene grap hebben, en door mij daarbij behulpzaam te zijn zult gij mij verpligten. Vooraf moet ik u zeggen, dat ik de eerste kamerheer des konings ben, dat ik een ander huis bewoon, en dit slechts voor eene uitspanningsplaats houd, om mij met mijne vrienden in ongestoorde vrijheid te vermaken. Hoor nu mijn plan. Gij hebt aan uwe dame doen gelooven, dat dit uw huis is, en dat gij een' slaaf hebt. In die meening moet zij blijven, en die slaaf zal ik zijn. Opdat gij u daartegen niet moogt verzetten, zoo weet, dat ik zulks als eene gunst van u begeer, en dat mijn besluit onherroepelijk is. Keer dus naar uwe gezellin terug, vermaak u met haar, even alsof gij ten uwent waart, en als ik straks kom, als uw onderdanige slaaf, ontzie mij dan niet, beknor mij over mijn lang uitblijven, of sla mij zelfs. Gij moogt met uwe dame hier den avond en den nacht doorbrengen, en morgen kunt gij haar laten gaan; tot zoo lang wil ik u als slaaf bedienen. Daarna mijn' rang hernemende, zal ik zien, wat er voor u te doen is, en gij kunt op mij als een' vriend rekenen. Ga nu, en verzuim geen' tijd!” Amgiad wilde nog het een en ander inbrengen, maar de kamerheer begeerde daarvan niets te hooren, en drong er op aan, dat hij zonder verder verzuim naar de eetzaal zou terugkeeren.
Amgiad was naauwelijks weder in de zaal, toen de vrienden van den kamerheer verschenen. Bahader ontving hen op het voorhof, en verontschuldigde zich, dat hij hen dien dag niet kon onthalen, om redenen, die hij hun nader zoude mededeelen. Zoodra zij zich daarop verwijderd hadden, ging hij uit, om zich in een slavenkleed te vermommen.
Inmiddels voegde prins Amgiad zich met een verligt hart weder bij zijne dame, en dankte Allah in een huis te zijn gekomen, dat aan zulk een' voornamen en edelen heer toebehoorde. „Mejufvrouw,” zeide hij, zich aan tafel zettende, „ik vraag u duizendmaal verschooning voor mijne onwellevendheid, dat ik u zoo lang alleen heb gelaten, en voor den kwaden luim, waarin de afwezigheid van mijn' slaaf mij gebragt heeft; maar de schelm zal weten, dat hij mij zoo lang heeft doen wachten, en er voor boeten.” „Bekommer u daar niet over,” hernam de dame, „heeft uw slaaf zich aan pligtverzuim schuldig gemaakt, des te erger voor hem, zijne straf zal hij niet ontgaan. Denken wij dus niet meer om hem, en laat ons er alleen op bedacht zijn, om ons te vermaken.”
Zij gingen voort goede sier te maken, terwijl ook Amgiad daaraan thans met een opgeruimd hart deelnam, daar hij nu geene vrees voor de gevolgen meer behoefde te koesteren. Hij was thans niet minder goed geluimd dan de dame, en zij schertsten, aten en dronken te zamen, totdat Bahader als slaaf vermomd binnentrad. De kamerheer speelde zijn' slavenrol zeer goed. Hij nam den schijn aan zeer verslagen te zijn, dat hij zijnen meester reeds te huis en in gezelschap vond. Hij wierp zich aan zijne voeten en kuste den grond, om zijne vergiffenis af te smeeken; en zich weder oprigtende, bleef hij met de handen voor de borst gekruist, het hoofd voorover gebogen en met neêrgeslagen oogen voor hem staan, om zijne bevelen af te wachten.
„Ondeugende slaaf,” sprak Amgiad met gemaakten toorn in oog en stem, „zeg mij, of er op het geheele wereldrond een' onwaardiger slaaf te vinden is? Waar zijt gij zoo lang geweest?” „Heer,” antwoordde Bahader, „vergeef mij mijnen misslag; ik heb de boodschappen verrigt, die gij mij hebt opgedragen, doch mij daarbij niet zeer gehaast, daar ik u niet zoo vroeg te huis verwachtte.” „Gij zijt een deugniet,” riep Amgiad, „en uw rug zal ondervinden, dat liegen en pligtverzuim strafbare zaken zijn, die gij moet afleeren.” Hij stond nu op, kreeg een' stok, en gaf den kamerheer een drietal slagen, waarna hij zich weder aan tafel zette. De dame scheen echter met deze kleine kastijding niet tevreden; zij stond op hare beurt op, nam den stok, en gaf aan Bahader zoo vele en zulke gevoelige slagen, dat hem de tranen in de oogen schoten, en hij zich moeijelijk goed kon houden. Amgiad was ten hoogste verontwaardigd over de ongehoorde vrijheid, welke de dame zich veroorloofde, en dat zij een' kamerheer des konings aldus mishandelde, maar wat hij ook mogt inbrengen, zij stoorde er zich niet aan. „Laat mij begaan,” zeide zij, „zijt gij al voldaan, ik ben dit nog niet; ik zal hem leeren niet weder zoo lang uit te blijven.” Intusschen ging zij voort met slaan, en dit met zooveel woede, dat de prins zich genoodzaakt vond tusschenbeide te komen en haar den stok te ontrukken, dien zij niet zonder veel wederstand losliet, maar toch eindelijk moest laten glippen. In de onmogelijkheid verder te slaan, nam zij hare plaats weder in, echter niet zonder den gewaanden slaaf nog allerlei scheldnamen naar het hoofd te werpen.
Bahader, eindelijk uit de handen dezer furie verlost, droogde zijne tranen af, en ging aan tafel staan, om zijne gasten te bedienen. Toen hij zag, dat zij niets meer gebruikten, nam hij af, ruimde de zaal op, bragt alles op zijne plaats, en stak, daar het reeds donker werd, de waskaarsen aan. Telkens als hij in hare nabijheid kwam, moest hij van de dame allerlei beleedigingen en bedreigingen aanhooren, tot groote ergernis van Amgiad, die echter geene kans zag, zijne schoone tot zwijgen te brengen. Toen het tijd werd, om zich ter ruste te begeven, maakte Bahader op de sofa een bed in gereedheid, en begaf zich naar zijne kamer, waar hij, na het doorstaan van zoo vele ongewone vermoeijenissen, weldra in een' diepen slaap viel.
Amgiad en zijne schoone bleven nog eenigen tijd zitten, en alvorens zij zich op de sofa plaatsten, verliet de dame voor een oogenblik de zaal. De deur van de kamer, waar Bahader zich bevond, stond half open; hij sliep zoo vast, dat men hem in het voorhuis kon hooren snorken. „Ha, luiaard,” dacht de wraakzuchtige dame, „dat zal uw laatste slaap zijn,” en naar de zaal terugkeerende, zeide zij tot Amgiad: „Indien gij mij liefhebt, sta mij dan een enkel verzoek toe.” „Spreek,” gaf de prins ten antwoord, „wat verlangt gij?” „Neem,” vervolgde zij, „de sabel, welke daar aan den muur hangt, en sla uwen slaaf het hoofd af.”
Amgiad was niet weinig verbaasd over een zoo wreed verzoek, dat hij echter toeschreef aan de dampen van den wijn, die haar naar het hoofd waren gestegen. „Mejufvrouw,” antwoordde hij, „laat ons over mijn' slaaf niet meer praten; ik heb hem gekastijd, en gij hebt hem geslagen; dat is eene voldoende straf. Behalve zijn' misslag van heden ben ik zeer tevreden over hem.” „Daar laat ik mij niet mede afschepen,” riep de dame woedend; „sterven moet de schelm, en is dit niet door uwe hand, dan zal het door de mijne zijn!” Dit zeggende nam zij de sabel van den muur, rukte die uit de scheede, en ijlde de zaal uit, om haar voornemen te volvoeren.
Amgiad liep echter nog harder dan zij, hield haar staande en zeide: „Ik zie wel, Mejufvrouw, dat aan uwen wensch moet voldaan worden, maar mijne eer gedoogt niet, dat mijn slaaf door eene andere hand dan de mijne valt. Geef mij dus de sabel, en volg mij; maar zonder gerucht te maken, opdat hij niet ontwake.” De dame reikte het moordtuig over, en volgde den prins naar de kamer en voor het bed van Bahader. „Hij slaapt nog, sla nu toe,” zeide zij. „Dat zal ik,” antwoordde Amgiad. Het zwaard flikkerde in zijne hand, doch in plaats van den kamerheer te treffen, sloeg hij de wraakzuchtige dame het hoofd af, dat op het bed van Bahader nederviel.
Onze kamerheer, hierdoor wakker geworden, was niet weinig verbaasd, toen hij Amgiad met het bebloede zwaard nog in de hand voor zijn bed staan, en het ligchaam van de dame zonder hoofd op den grond uitgestrekt zag. Hij vroeg hem, wat dit te beteekenen had. De prins deelde hem de toedragt van zaken mede, „en,” zoo besloot hij, „om deze razende te beletten, dat zij u het leven benam, bleef mij geen ander middel over, dan aan het hare een einde te maken.”
„Prins,” zeide Bahader, van dankbaarheid doordrongen, „personen van koninklijk bloed en zoo grootmoedig als gij, zijn niet in staat eene zoo snoode daad toe te laten. Gij hebt mij het leven gered, en ik ben er u zeer dankbaar voor. Wij zullen echter, wordt de zaak bekend, groote gevaren loopen; het is daarom noodig het lijk weg te maken vóór dat de dag aanbreekt. Ik zal mij daarmede belasten.” „Neen,” sprak Amgiad, „ik heb haar gedood, het is dus niet meer dan billijk, dat ook ik het gevaar loop, dat er aan verbonden is, om het lijk van hier te brengen.” „Een vreemdeling als gij,” hernam Bahader, „zou daarin onmogelijk slagen. Laat mij dus begaan, en blijf hier geduldig wachten. Indien ik vóór den dag niet terugkom, zal u zulks een bewijs zijn, dat de wacht mij overvallen heeft. Daarom zal ik u bij geschrifte dit huis met deszelfs meubelen als eene vrije gift bij levenden lijve overdragen, opdat gij, mogt ik omkomen, daarvan in het rustig bezit kunt blijven.”
Zoodra Bahader dezen giftbrief geschreven en aan den prins Amgiad ter hand gesteld had, deed hij het lijk met het hoofd der verslagene dame in een' zak, nam dien op zijnen schouder, en sloeg daarmede den kortsten hem bekenden weg naar het zeestrand in. Hij was zijn doel reeds nabij, toen hij tot zijn ongeluk door eene politiewacht ontmoet werd. Deze hielden hem aan en den zak openende, vonden zij daarin het lijk en het afgehouwen hoofd van de vermoorde dame. Dus op de daad betrapt en van moord of medepligtigheid daaraan overtuigd, had de bevelhebber der wacht volgens de bestaande landswetten het regt, hem op de plaats zelve ter dood te laten brengen, doch daar hij in den vermomden slaaf den eersten kamerheer des konings herkende, vergenoegde hij zich, Bahader mede naar zijne woning te nemen, teneinde hem den volgenden morgen voor den koning te brengen. De vorst had naauwelijks het verslag van den bevelhebber der wacht aangehoord, of verontwaardigd over de snoode misdaad waaraan hij zijnen kamerheer schuldig achtte, overlaadde hij hem met verwijten. „Het is dan maar al te waar,” riep hij in hevigen toorn, „dat gij mijne onderdanen vermoordt en berooft, en de lijken uwer slagtoffers in zee werpt. Voor u is geen genade, al waart gij mijn' eigen zoon; het regt moet zijnen loop hebben. Breng den booswicht uit mijne oogen,” vervolgde hij, „laat onmiddelijk eene galg oprigten, en hang hem daaraan op.”
Bahader hoorde zijn vonnis met gelatenheid aan, en bragt geen enkel woord tot zijne verdediging in. Hij was te grootmoedig, om den prins als den dader bekend te maken; liever wilde hij onschuldig sterven, dan eene ondankbaarheid begaan.
De bevelhebber der wacht nam hem met zich mede, en terwijl men de galg oprigtte, liet hij door de stad omroepen, dat dien middag het doodvonnis zou voltrokken worden aan den eersten kamerheer des konings, wegens eenen door hem gepleegden moord.
Intusschen wachtte prins Amgiad te vergeefs op de terugkomst van Bahader. Hij maakte daaruit op, dat hem een ongeluk moest zijn bejegend, en juist wilde hij uitgaan, om te zien of hij ook iets aangaande zijn lot zou kunnen te weten komen, toen de omroeper op den hoek van die straat het volk opriep, om de teregtstelling van den eersten kamerheer des konings bij te wonen. Het was den prins nu duidelijk, dat zijn weldoener bij het wegdragen van het lijk in handen van de politie moest zijn gevallen, en dat hij te grootmoedig was geweest zich te redden, door den waren schuldige te doen kennen. „En ik zou gedoogen,” sprak hij bij zich zelven, „dat die edele man zich voor mij opoffert? Neen, dan zou ik mij zelven diep verachten. Indien iemand sterven moet voor de regtvaardige straf, welke deze boosaardige dame ondergaan heeft, zoo zal ik dit zijn, en niet de kamerheer. Nimmer zal ik dulden, dat de onschuldige voor den schuldige boet.” Zonder verdere overwegingen begaf hij zich vervolgens naar de strafplaats, waar het volk reeds in grooten getale heen stroomde, en hem dus den weg wees.
De prins wachtte het oogenblik af, dat de geregtsdienaars met Bahader op de strafplaats verschenen, en hem onder de galg geleidden. Toen drong hij door de menigte heen, en sprak den regter aldus aan: „Heer, ik verklaar en bezweer u, dat de eerste kamerheer des konings, dien gij ter dood wilt brengen, geheel onschuldig is aan den dood van de vermoorde dame. Ik heb die misdaad bedreven, indien het eene misdaad mag genoemd worden, eene boosaardige vrouw uit de wereld te helpen, die besloten had den edelen Bahader in den slaap het leven te benemen. Hoor van mij, hoe zich die zaak heeft toegedragen, en ben ik schuldig in uwe oogen, zoo doe mij sterven, maar laat dezen onschuldige gaan.”
De regter had het geduld den prins ten einde toe aan te hooren, en toen deze zijn verslag geëindigd en hem zijne ontmoeting met de dame medegedeeld had, nam hij daaruit aanleiding, de voltrekking van het vonnis op te schorsen, en de zaak andermaal voor den koning te brengen. De koning vond het gebeurde van zoo zonderlingen aard, en er was zoo veel in, dat voor de schuld der dame pleitte, dat hij besloot Amgiad daarover zelf te hooren, en hem voor zich te laten brengen. Reeds het open voorkomen van den jongen man nam den koning gunstig in, en hij liet zich de zaak tot in de kleinste bijzonderheden verhalen.
Amgiad verheugde zich zeer over deze gunstige stemming van den vorst, en besloot daarvan in zijn voordeel gebruik te maken. Hij bepaalde zich dus niet tot zijne ontmoeting met de dame, toen hij uit het bad kwam, en tot hetgeen met haren dood in betrekking stond; maar deed ook een beknopt verhaal, hoe hij met zijn' broeder Assad het rijk van den koning zijn' vader had moeten ontvlugten, hoe zij na eene hoogst vermoeijende reis bij deze stad waren aangekomen, en wat hem daar verder bejegend was, want omtrent het lot van zijn' broeder verkeerde hij in onzekerheid.
Dit verhaal maakte blijkbaar een' gunstigen indruk op den koning. Hij twijfelde geen oogenblik aan de opregtheid van den verhaler. „Prins,” zeide hij, „het verblijdt mij, door deze gelegenheid met u bekend te worden. Ik schenk u niet slechts het leven, en dat van mijn' kamerheer, wiens grootmoedig gedrag ik zeer prijzen moet, en dien ik in zijn ambt herstel; maar ik maak u tot mijn' groot-vizier, teneinde u op die wijze te troosten over de onverdiende miskenning, welke gij van den koning uw' vader hebt ondervonden. Wat nu uw' broeder den prins Assad aangaat, ik geef u vrijheid, gebruik te maken van al het gezag, dat ik in uwe handen gelegd heb, om hem door mijn geheele rijk te laten opsporen.”
Amgiad betuigde den koning van de stad en van het land der toovenaars zijnen dank voor al deze onverdiende gunstbewijzen, en beloofde, zich die door getrouwen dienstijver éénmaal waardig te maken. Met Bahader onderhield hij eene naauwe vriendschap, terwijl hij ook den braven kleêrmaker niet vergat, bij wien hij als vreemdeling een onderkomen en bescherming had gevonden. Hij verhief hem, met toestemming des konings, tot hofleverancier, en gaf hem bovendien een rijk geschenk, om daarmede zijne zaak op eene groote schaal te kunnen aanleggen. Bovenal gaf hij zich alle mogelijke moeite, om het verblijf van zijnen broeder uit te vinden. Hij deed door de omroepers in de geheele stad bekend maken, dat degene, welke het verblijf van zijn' broeder opspoorde, of slechts eene aanwijzing daaromtrent wist te doen, eene rijke belooning zou ontvangen. Hij zond ook lieden naar buiten om in den omtrek onderzoek te doen, maar alles te vergeefs, hij kon niets omtrent Assad te weten komen.
Intusschen bevond Assad zich nog altoos in het zelfde onderaardsche hol, waar hij door de behendigheid van den listigen grijsaard was opgesloten geworden. Bastane en Cavame mishandelden den ongelukkigen gevangene nog steeds met verregaande wreedheid en onmenschelijkheid, terwijl de dag tot het groote feest der vuuraanbidders met rassche schreden naderde. Het schip, dat gewoonlijk de reis naar de blaauwe zee en den berg des vuurs deed, werd reeds uitgerust en de lading, uit allerlei koopwaren bestaande, opgekocht. Dit alles geschiedde onder toezigt van een' zekeren kapitein Behram, een' zeer ijverigen vuurdienaar. Op den daartoe vastgestelden dag deed Behram prins Assad in eene kist, die ten deele met koopwaren was gevuld, en waarin men eenige luchtgaten had gemaakt, aan boord brengen, en deze in het ruim tusschen andere goederen plaatsen.
De groot-vizier Amgiad, wetende dat de vuuraanbidders de barbaarsche gewoonte hadden elk jaar op den berg des vuurs een' Muzelman aan hunne ingebeelde godheid te offeren, kwam op het denkbeeld, dat welligt zijn broeder Assad, in handen van deze lieden kon zijn gevallen, en door hem tot deze plegtigheid bewaard geworden. Toen hij nu vernam dat het daartoe bestemde schip zeilree lag, begaf hij zich in persoon aan boord van dien bodem. Hij deed alle passagiers en matrozen op het dek komen, en hield hen daar zoo lang als zijne onderhoorigen het schip doorzochten. Zij vonden echter Assad niet; deze was te goed verborgen. Toen dit onderzoek was afgeloopen, liep het schip de haven uit, en zoodra het zich in volle zee bevond, liet Behram prins Assad uit zijne kist halen, en hem in ketenen sluiten, uit vrees, dat hij om zijn lot te ontgaan over boord springen en dus een einde aan zijn leven mogt maken; want de ongelukkige wist welk een' wreeden dood hem te wachten stond.
In den beginne was de reis voorspoedig, doch na eenige dagen zeilens, kregen zij tegenwind, die spoedig tot een' orkaan oversloeg. Het schip wilde niet meer naar het roer luisteren, en aan de genade van wind en golven overgegeven, dreef het zoo ver uit de koers, dat kapitein noch stuurman meer wisten, op welke hoogte zij zich bevonden, en men in gedurige vrees verkeerde, op eene rots of blinde klip te stooten en te vergaan. Nog woedde de storm met gelijke kracht, toen men met het aanbreken van den dag land ontdekte. De passagiers en het scheepsvolk schepten nu weder moed, want terwijl het vaartuig door den wind en den vloed met snelheid naar het rotsachtige strand werd gedreven, zagen zij de haven van eene groote stad voor zich, en de stuurman had alle hoop deze te kunnen bezeilen. Ook Behram zag daarvan de mogelijkheid in, maar hij wist tevens dat dit eiland bestuurd werd door de koningin Margiane, eene Muzelmansche vorstin en dus eene groote vijandin der vuuraanbidders. Niet alleen wilde zij geen' enkelen van die afgodendienaars in hare staten dulden, maar zelfs hunne schepen mogten in die havens van haar rijk niet binnenloopen. Moest een vaartuig door storm daar eene toevlugt zoeken, dan werden schip en lading beide verbeurd verklaard, en de bemanning tot slaven gemaakt of ter dood gebragt.
Het stond echter niet meer in de magt van den kapitein eene andere uitkomst te zoeken, want het schip tegen wind en stroom in te voeren en de volle zee te kiezen, daartoe bestond geene mogelijkheid. Wilde hij dus niet tegen de scherpe rotsen, die de kust omgaven, verpletterd worden, dan bleef hem niets anders over dan de gevreesde haven binnen te loopen. In dezen uitersten nood nam Behram raad met den stuurman en met zijn scheepsvolk. „Kinderen,” sprak hij hun toe, „wij verkeeren in eenen bijna hopeloozen toestand. Wij moeten op de rotsen van deze kust vergaan, en zullen dan onzen dood in de golven vinden, of wij zijn gedwongen eene wijkplaats te zoeken in de haven der hoofdstad van de koningin Margiane, die daar voor ons ligt. De onverzoenlijke haat van deze vorstin tegen onzen godsdienst en hare belijders is u niet onbekend. Zij zal ons schip verbeurd verklaren, en wij zullen of gedood of als slaven verkocht worden. Er is slechts een middel, dat ons welligt zal kunnen redden. Wij moeten den Muzelman, dien wij aan boord hebben, van zijn ketenen ontdoen en hem als slaaf kleeden. Wanneer dan de koningin Margiane mij laat ontbieden en vraagt, waarin ik handel drijf, dan zal ik zeggen een slavenhandelaar te zijn, en dat ik al mijne slaven verkocht heb, uitgezonderd een' enkelen jongeling, dien ik voor mij zelven behouden heb als mijn' schrijver, omdat hij zeer goed lezen en schrijven kan. Wanneer ik dan nog zeg, dat hij een Muzelman is, zal zij hem zeker willen zien; zij zal medelijden hebben met zijne jeugd en mij voorstellen, hem aan haar te verkoopen. Ik wil hem dan aan de vorstin ten geschenke geven, onder voorwaarde, met mijn schip in de haven te mogen vertoeven, tot het weder mij zal veroorloven zee te kiezen. Ziedaar mijn plan; weet gij echter iets beters, zoo zegt het mij.” De stuurman en de matrozen juichten echter eenstemmig het voorstel van den kapitein toe, waaraan onmiddelijk een begin van uitvoering werd gegeven.
Daar hij als scheepsschrijver moest voorkomen, deed Behram den prins Assad een goed kleed aantrekken, en naauwelijks was men daarmede gereed, toen het schip de haven binnenliep, en men het anker liet vallen. Het paleis van de koningin Margiane was hier in de nabijheid gelegen, en de tuin strekte zich uit tot aan het zeestrand. Zoodra haar berigt werd, dat er een vreemd schip de haven was binnen gekomen, zond zij een' harer officieren, om den kapitein aan te zeggen, dat zij hem begeerde te spreken, terwijl zij, om hare nieuwsgierigheid te spoediger te bevredigen, zelve naar den tuin ging, om hem terstond bij de landing te ontmoeten.