Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Vierde deel

Part 1

Chapter 13,731 wordsPublic domain

+----------------------------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, | | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te | | moderniseren. | | | | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het | | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Voetnoten zijn | | verplaatst naar het eind van de alinea met de verwijzing. | | | | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als | | _cursief_. Uitgespatieerde tekst is weergegeven als | | ~uitgespatieerd~; vette tekst als #vet#. | | | | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn | | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden: met/zonder | | accent, met/zonder koppelteken, met/zonder extra spatie). | | | | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de | | aangebrachte correcties. | | | | De illustraties zijn beschikbaar bij de html-versie van dit | | e-boek op https://www.gutenberg.org/ | | | | Van „Duizend en één Nacht” zijn ook 3 andere delen als e-boek | | beschikbaar via Project Gutenberg: | | #45874, Eerste deel: https://www.gutenberg.org/ebooks/45874 | | #45875, Tweede deel: https://www.gutenberg.org/ebooks/45875 | | #45876, Derde deel: https://www.gutenberg.org/ebooks/45876 | | | +----------------------------------------------------------------+

DUIZEND EN ÉÉN NACHT.

Duizend en één Nacht.

ARABISCHE VERTELLINGEN.

NAAR DE BESTE BRONNEN VOOR ONZEN TIJD BEWERKT.

_VIERDE DEEL._

AMSTERDAM, Gebrs. KOSTER. 1882.

DUIZEND EN ÉÉN NACHT.

ARABISCHE VERTELLINGEN.

GESCHIEDENIS VAN DE MINNARIJEN VAN CAMARALZAMAN, PRINS VAN HET EILAND DER KINDEREN VAN KHALADAN, EN VAN BADOURA, PRINSES VAN CHINA.

Op omstreeks twintig dagen varens van de kust van Perzië ligt in de ruime zee een eiland, genaamd het eiland der kinderen van Khaladan. Dit eiland is verdeeld in groote provinciën, met vele bloeijende en zeer bevolkte steden, die te zamen een magtig koningrijk uitmaken. Oudtijds werd dit land geregeerd door koning Schahzaman, die vier wettige vrouwen en zestig bijwijven had.

Schahzaman regeerde zijne staten met groote wijsheid. Hij was bemind bij zijne onderdanen, en leefde in vrede met de naburige koningen. In één woord, hij zou de gelukkigste monarch der aarde geweest zijn, had hem niet één ding ontbroken. Hij was reeds op jaren, en had, niettegenstaande zijne vele vrouwen, nog geene kinderen. Hij wist niet, waaraan dit te moeten toeschrijven, en was daarover zeer ontstemd, hij beschouwde het als het grootste ongeluk, dat hem kon overkomen, geen' zoon te hebben, die hem in zijn rijk zou kunnen opvolgen. Langen tijd ontveinsde hij zijne kwellende droefheid, welke hem te zwaarder drukte, daar hij zich geweld aandeed, die te verbergen. Eindelijk verbrak hij het stilzwijgen, en op zekeren dag met zijn' groot-vizier alleen zijnde, klaagde hij dezen zijn' nood, met de vraag of hij daar geen middel op wist te vinden.

„Indien hetgeen uwe majesteit mij vraagt,” antwoordde deze wijze staatsman, „afhankelijk was van de gewone regelen der menschelijke wijsheid, zij zou weldra de voldoening smaken, haren vurigsten wensch vervuld te zien; maar ik moet bekennen, dat mijne ondervinding en mijne kennis hier te kort schieten; het is bij God alleen, dat men in dergelijke zaken zijne toevlugt moet nemen. Te midden van onzen voorspoed, waarin wij hem maar al te ligt vergeten, behaagt het Hem soms, ons op eene gevoelige plaats te treffen; opdat wij aan Hem mogen denken, zijne Almagt erkennen, en van Hem vragen zouden, wat Hij alleen ons geven kan. Gij hebt onder uwe onderdanen, die er zich bijzonder aan toewijden, Hem te vereeren en te dienen, en die uit liefde tot Hem een sober leven leiden. Mijn raad is dus, dat uwe majesteit aan deze menschen aalmoezen geeft, en hen aanspoort hunne gebeden met de uwen te vereenigen. Welligt, dat onder een zoo groot aantal zich iemand zal bevinden, die rein en God welgevallig genoeg is, om van hem te verkrijgen, wat gij zoo vurig verlangt.”

De koning Schahzaman vond dezen raad zeer goed, en bedankte er zijn' groot-vizier voor. Hij liet rijke aalmoezen geven aan alle godsdienstige inrigtingen, deed de bestuurders bij zich ontbieden, en na hen feestelijk onthaald te hebben, maakte hij hen met zijne bedoeling bekend, en verzocht hun daartoe te willen medewerken.

Schahzaman verkreeg van den hemel, wat hij zoo vurig begeerde; eene zijner vrouwen werd zwanger en schonk hem een' zoon. Om zijne dankbaarheid te toonen, gaf hij weder rijke aalmoezen aan de Muzelmansche geestelijken. Men vierde de geboorte van den prins gedurende acht dagen, en dat niet alleen in de hoofdstad, maar in zijn geheele rijk, door allerlei openbare vermakelijkheden. Deze zoon was zoo schoon, dat men hem den naam van Camaralzaman (_Maan der Eeuwen_) gaf.

Camaralzaman werd met de meest mogelijke zorg opgevoed. Zoodra hij daartoe de jaren bereikt had, gaf de sultan Schahzaman hem een' zeer knappen gouverneur, en tevens een' zeer bekwamen onderwijzer, die in zijnen vorstelijken leerling zulk eene groote vatbaarheid, en een zoo zachtmoedig karakter opmerkten, dat het voor hen een vermaak was, hem te mogen onderwijzen. Zij leerden hem den godsdienst op prijs stellen, de deugd liefhebben, en rustten hem uit met al die kennis en wetenschappen, waarmede de vermoedelijke opvolger en beheerscher van een magtig koningrijk bekend behoort te zijn. Op meer gevorderden leeftijd kreeg hij onderrigt in den wapenhandel, het paardrijden en andere ligchaamsoefeningen, waarbij hij zeer veel handigheid en losse bevalligheid aan den dag legde.

De sultan beminde zijn' zoon met meer dan vaderlijke teederheid, waarvan hij hem dagelijks blijken gaf, en toen deze zijn vijftiende jaar bereikt had, wilde hij daarvan een nog treffender bewijs geven, door ten behoeve van zijn' zoon van den troon afstand te doen. Hij sprak hierover met zijn' groot-vizier. „Ik vrees,” zeide hij, „dat mijn zoon, door zijne jongelingsjaren in ledigheid door te brengen, verliezen zal, niet alleen de schoone gaven en de deugden, waarmede de natuur hem zoo mild bedeeld heeft, maar zelfs die, welke hij heeft verkregen door de zorgvuldige opvoeding, welke ik hem heb laten geven. Daar ik nu op eenen ouderdom ben, die mij aan een stil leven doet denken, zoo ben ik bijna besloten hem de regering over te dragen, en het overige van mijn leven toe te wijden aan het vermaak, mijn' zoon te zien regeren. Ik ben reeds zoo vele jaren onvermoeid werkzaam geweest, dat ik behoefte aan rust heb.”

De groot-vizier vond niet raadzaam den Sultan de redenen voor te houden, die hij tegen zijn plan zou hebben kunnen aanvoeren, en nam alzoo den schijn aan zijn gevoelen te deelen. „Sire,” antwoordde hij, „de prins is naar het mij voorkomt, nog wel wat jong, om hem een' zoo zwaren last op de schouders te leggen, zulk een uitgestrekt rijk te regeren. Uwe majesteit vreest, dat de ledigheid hem ten verderve zal voeren, en dit met regt; maar zou zij, om dit gevaar te voorkomen, het niet beter achten, hem eerst te laten trouwen? Het huwelijk heeft banden, die een' jongen prins weêrhouden kunnen, zich in den maalstroom van een losbandig leven te werpen. Daarbij zou uwe majesteit hem in den raad kunnen toelaten, waar hij allengskens leeren zal, om het gewigt der regering te dragen, en den glans op te houden uwer kroon, waarvan gij ten zijnen gunste afstand kunt doen, zoodra gij hem daartoe bij eigen ondervinding bekwaam zult achten.”

Schahzaman vond dezen raad van zijnen eersten staatsminister zeer verstandig. Daarom liet hij, zoodra de vizier zich had verwijderd, Camaralzaman ontbieden. Den prins, die gewoon was den sultan, zijn' vader, op vastgestelde tijden te bezoeken, zonder dat men hem behoefde te laten roepen, bevreemdde het eenigzins, thans bij zijn' vader te moeten komen. In plaats van met de gewone vrijmoedigheid voor hem te verschijnen, groette hij hem ditmaal zeer eerbiedig, en bleef met neêrgeslagen oogen voor hem staan, even alsof hij iets kwaads gedaan, en zijne teregtwijzing te vreezen had.

Deze gedwongen houding van den prins ontging den sultan niet. „Mijn zoon,” zeide hij met een gelaat, dat hem gerust moest stellen, „weet gij, met welk doel ik u hier heb doen komen?” „Sire,” antwoordde Camaralzaman, „God alleen kent de gedachten der menschen; daarom zal het mij aangenaam zijn, van uwe majesteit te mogen hooren, wat zij mij te zeggen heeft.” „Ik heb u bij mij ontboden,” hernam de sultan, „om u te zeggen, dat ik besloten heb u uit te huwelijken. Wat dunkt u daarvan?”

De prins Camaralzaman hoorde met grooten tegenzin zijn' vader aldus spreken. De zweetdroppels stonden op zijn gelaat, en hij was verlegen, wat te zullen antwoorden. Na eenig nadenken, zeide hij: „Sire, ik smeek u mij te vergeven, dat ik terneêrgeslagen ben over de verklaring, welke uwe majesteit mij doet. Op mijnen nog zoo jeugdigen leeftijd was ik daarop geheel niet verdacht. Ik weet zelfs niet, of ik wel immer zal kunnen besluiten, het huwelijksjuk op mijne schouders te nemen, niet alleen om de onrust, welke de vrouwen ons baren, maar ook om hare bedriegelijke listen, hare ondeugden en hare trouweloosheden, zooals ik daarvan bij onze schrijvers veel vermeld gevonden heb. Het is mogelijk, dat ik niet altoos bij deze meening zal blijven, maar toch gevoel ik, dat ik tijd zal behoeven, alvorens te kunnen besluiten tot hetgeen uwe majesteit van mij verlangt.”

Dit antwoord van den prins Camaralzaman bedroefde den sultan, zijn' vader zeer. Het deed den monarch wezentlijk leed, dat zijn zoon een' zoo grooten tegenzin in het huwelijk had. Hij wilde hem echter niet als een ongehoorzaam kind behandelen, noch van zijn vaderlijk gezag gebruik maken, en vergenoegde zich met te zeggen: „Ik wil u op dit punt niet dwingen; ik geef u den tijd er over na te denken, en in aanmerking te nemen, dat een prins als gij, wiens bestemming het is over een groot rijk te heerschen, er vóór alles op bedacht moet zijn, zich eenen opvolger te verschaffen. Hierdoor zult gij ook uwen vader verblijden, die zeer verheugd zal zijn, zich te zien herleven in de kinderen, die u geboren zullen worden.”

Hierbij liet Schahzaman de zaak berusten, en sprak er den prins niet meer van. Hij gaf hem zitting in den raad, en Camaralzaman had ook in andere opzigten reden, om over zijne vaderlijke goedheid tevreden te zijn. Eerst na verloop van een jaar nam hij hem weder alleen. „Welnu mijn zoon,” zeide hij, „gij hebt thans den tijd gehad, om de zaak rijpelijk te overwegen; wat dunkt u van het huwelijksvoorstel, dat ik u in het voorgaande jaar deed? Zult gij nog weigerachtig zijn, mij de vreugde te schenken, welke ik van uwe gehoorzaamheid verwacht, en wilt gij mij laten sterven zonder die voldoening te geven?”

De prins was thans minder ontsteld dan de vorige keer, en hij draalde niet lang op onbevangen toon te antwoorden: „Sire, ik heb niet verzuimd ernstig over de zaak na te denken; maar dit heeft mij slechts gesterkt in mijn besluit, van vrij man te blijven. Het vele kwaad van de oudste tijden af door de vrouwen in de wereld gebragt, zooals de geschiedenis ons daarvan honderden voorbeelden mededeelt, en zooals ik nog dagelijks hoor en zie, heeft mij gesterkt in mijn voornemen, om nimmer te huwen; uwe majesteit gelieve mij dus te verontschuldigen, indien ik rondborstig verklaar, dat het geheel nutteloos is, mij verder over een huwelijk te spreken.” Hier hield de prins op, en verwijderde zich driftig, zonder zijnen vader den tijd tot antwoorden te laten. Ieder ander monarch dan Schahzaman zou in hevigen toorn zijn ontstoken over de stoute taal, welke de prins, zijn zoon, zich veroorloofde; maar de sultan had Camaralzaman hartelijk lief, en hij wilde alle zachtmoedigheid gebruiken, alvorens zijn vaderlijk gezag te doen gelden, en hem tot gehoorzaamheid te dwingen. Hij kon echter voor zijn' groot-vizier de nieuwe oorzaak tot droefheid, welke Camaralzaman hem had gegeven, niet verbergen. „Ik heb uwen raad opgevolgd,” zeide hij, „maar Camaralzaman heeft nog minder plan om te huwen, dan toen ik er hem de eerste maal over heb gesproken; en daarbij heeft hij zoo stout geantwoord, dat ik al mijne zelfbeheersching noodig had, om niet in toorn te ontsteken. De vaders, die even vurig naar kinderen verlangen, als ik dezen zoon begeerd heb, zijn slechts waanzinnigen, die zich eigenwillig eene groote onrust op den hals halen, terwijl zij stil en rustig hadden kunnen leven. Zeg mij nu, verzoek ik u, welke middelen moet ik aanwenden, dat deze weêrspannige zoon zich naar mijn' wil voege?”

„Sire,” antwoordde de groot-vizier, „door geduld kan men dikwijls de moeijelijkste zaken tot een goed einde brengen; ik durf niet met zekerheid zeggen, dat dit ook hier het geval zal zijn. De zaak is van een' bijzonderen aard; maar uwe majesteit zal zich niet te verwijten hebben, te voortvarend te zijn geweest, indien zij goed kan vinden aan den prins nogmaals een jaar toe te staan, om zich te bedenken. Indien hij binnen dat tijdsverloop tot zijnen pligt komt, zoo zal dit voor uwe majesteit eene des te grootere voldoening zijn, daar zij niets dan de vaderlijke goedheid zal hebben aangewend, om hem daartoe te brengen. Mogt het tegendeel plaats hebben, en hij na verloop van een jaar in zijne weêrspannigheid blijven volharden, zoo komt het mij voor, dat uwe majesteit wel zal doen, hem in den vollen raad te verklaren, dat het heil van den staat gebiedend vordert, hij een huwelijk aangaat. Het is wel niet te gelooven, dat hij aan den u verschuldigden eerbied zal durven te kort doen, ten overstaan van dit geëerde staatsligchaam.”

De sultan verlangde met zoo veel drift den prins gehuwd te zien, dat een uitstel van een jaar hem eene eeuwigheid toescheen, en hij slechts met moeite kon besluiten zoo lang te wachten. De redenen, door zijn' vizier aangevoerd, waren echter zoo grondig, dat hij na een' langen zelfstrijd besloot, er zich naar te voegen. Hij begaf zich naar de vertrekken der moeder van den prins Camaralzaman, aan welke hij reeds sedert lang zijne denkwijze omtrent het huwelijk van hun' zoon had te kennen gegeven. Geheel neerslagtig deelde hij haar mede, wat er tusschen hem en Camaralzaman had plaats gevonden, en de langmoedigheid, welke hij ook dit maal op raad van zijn' vizier op hem wilde toepassen. „Mevrouw,” ging hij verder voort, „ik weet dat Camaralzaman vertrouwelijker met u spreekt, dan met mij. Ik verzoek u dus, hem over deze zaak ernstig te bestraffen, en hem voor te houden, dat, blijft hij zich tegen mijnen vaderlijken wil verzetten, hij mij alsdan zal dwingen tot uitersten te komen, die mij leed zouden zijn, en die ook hem berouw zouden doen hebben over zijne ongehoorzaamheid.”

Fatime (zoo heette de moeder van Camaralzaman) verzuimde niet, de eerste maal dat zij haren zoon zag, hem te zeggen hoe verstoord de sultan over zijne nieuwe weigering was. „Mevrouw,” antwoordde Camaralzaman, „ik smeek u, mijne droefheid niet te vermeerderen, door over deze voor mij onaangename zaak te spreken; ik vrees, dat mij in de spijtige stemming, waarin ik mij bevind, misschien uitdrukkingen mogen ontvallen, strijdig met den aan u verschuldigden eerbied.” Fatime begreep uit dit antwoord, dat de wond nog te versch was, en sprak voor dit maal over dit onderwerp niet verder. Eenige weken daarna meende zij echter het gunstige oogenblik gevonden te hebben, om met eenigen kans van een' goeden uitslag, de bewuste huwelijkszaak weder op het tapijt te kunnen brengen. „Mijn zoon,” zeide zij, „gij moet u niet driftig maken, maar ik smeek u, mij te willen zeggen, wat dan toch wel de redenen zijn, welke u een' zoo grooten tegenzin voor het huwelijk inboezemen. Indien gij geene anderen hebt dan de arglistigheid en de boosheid der vrouwen, zoo zijn die al zeer zwak en onredelijk. Ik wil de verdediging der slechte vrouwen niet op mij nemen, en ik erken dat er zulke zijn; maar het is eene onregtvaardigheid, aan allen die ondeugden ten laste te leggen. Gij beroept er u op, dat eenige vrouwen, waarvan uwe boeken melding maken, veel onrust en vele rampen in de wereld gebragt hebben, ik zal daar niets op afdingen. Maar waarom let gij niet op de vele monarchen, koningen en vorsten, wier dwingelandij en barbaarschheden in die zelfde boeken slechts met afschuw kunnen gelezen worden. Tegen ééne vrouw, zult gij duizend van die mannelijke tyrannen en barbaren vinden. En zouden de brave en deugdzame vrouwen, mijn zoon, die met die woedende monsters gehuwd waren, wel zeer gelukkig geweest zijn?”

„Mevrouw,” hernam Camaralzaman, „ik twijfel niet, of er zijn vele vrouwen, die braaf, deugdzaam, goed en zachtmoedig zijn. Mogt het den Hemel behagen, dat zij allen aan u gelijk waren! Maar wat mij het meest tegenstaat is de twijfelachtige keus, welke een man heeft, als hij zal trouwen; of beter dat men hem de vrijheid niet laat, eene keus te doen naar zijn' wil en zijne genegenheid. Veronderstel, mevrouw, dat ik besluiten kon mij in het huwelijk te begeven, zooals de sultan mijn vader dit met zoo veel ongeduld van mij verlangt; welke vrouw zal hij mij geven? Waarschijnlijk eene prinses, welke hij bij een' zijner koninklijke naburen voor mij ten huwelijk zal laten vragen, en die het zich tot eene eer zal rekenen, hem zijne dochter toe te zenden. Schoon of leelijk, ik zal haar moeten nemen. Maar aangenomen zelfs, dat geene andere prinses haar in schoonheid evenaart. Wie kan er voor instaan, dat zij ook eene schoone ziel heeft, dat zij toegevend, voorkomend en aanminnig is; dat zij een degelijk gesprek weet te voeren, en niet altijd redeneert over kleeding, opschik en duizend andere nietigheden, zaken welke een man met eenig gezond verstand slechts met medelijden kan aanhooren; in één woord, dat zij niet trotsch, hoogmoedig, lastig, kwaadsprekend is, en het geheele land niet zal uitputten door dwaze verkwistingen aan kleeding, edelgesteenten en andere kostbaarheden, die slechts eene ingebeelde waarde bezitten. Ziedaar, mevrouw, eene menigte zaken, die mij het huwelijk geheel en al tegen maken. Maar al mogt ook die prinses zoo volmaakt mogelijk zijn, en vrij van al de door mij opgesomde gebreken, zoo heb ik nog andere en gewigtiger redenen, om niet van mijn gevoelens af te gaan, of van besluit te veranderen.”

„Hoe, mijn zoon,” hernam Fatime, „gij hebt nog andere redenen, behalve die, welke gij mij hebt opgenoemd? Hoe die ook zijn mogen, ik ben zeker ze allen te wederleggen, en u met een enkel woord den mond te sluiten.” „Laat niets u daartoe weêrhouden, mevrouw,” hernam de prins, „ik ben geheel gehoor.” „Ik moet u dan zeggen, mijn zoon,” antwoordde Fatime, „dat, mogt u het ongeluk te beurt vallen, eene prinses te huwen, zooals gij daar hebt afgeschilderd, het dan voor een' prins als gij, eene ligte zaak zal zijn haar te verlaten, en er zorg voor te dragen, dat zij het land niet arm maakt.” „Maar, mevrouw,” hernam de prins Camaralzaman, „gevoelt gij dan niet, hoe hard en beschamend het voor een' vorst is, gedwongen te zijn, om tot zulk een uiterste over te gaan? Is het dan niet veel beter voor zijne eer en voor zijne rust, dat hij er zich niet aan blootstelt?” „Maar, mijn zoon,” wederlegde nog eens Fatime, „zoo als gij de zaak opneemt, moet ik besluiten, dat gij de laatste koning wilt zijn uit het vorstelijk geslacht, dat met zoo veel roem geregeerd heeft over het eiland van de kinderen van Khaladan.” „Mevrouw,” antwoordde de prins, „ik wensch den koning, mijn' vader, niet te overleven. Het zou niets vreemds zijn, indien ik vóór hem kwam te sterven; de voorbeelden, dat kinderen vóór hunne ouders in het graf dalen, zijn veelvuldig. Maar het is bovendien voor een koninklijk geslacht altoos roemrijk, indien de laatste telg uit dat vorstelijk bloed blijken heeft gegeven aan zijne doorluchtige voorgangers niet onwaardig te zijn, en daarnaar zal ik trachten.”

Hiermede nam het gesprek een einde; maar Fatime kwam er van tijd tot tijd nog gedurig op terug, en zij liet geen middel onbeproefd, om des prinsen afkeer van het huwelijk te overwinnen. Camaralzaman wist echter alle door haar aangevoerde redenen te wederleggen, en bleef in dit opzigt onbewegelijk.

Een jaar verliep, en tot groote smart van sultan Schahzaman gaf de prins Camaralzaman niet het geringste blijk, dat hij van gevoelens veranderd was. Op zekeren dag nu, dat de raad was vergaderd, en deze op last van den koning door den groot-vizier, al de viziers, de staf-officieren en de generaals van het leger werd bijgewoond, nam de vorst, op zijn' troon gezeten, het woord, en zeide tot den prins: „Mijn zoon, reeds lang zijt gij bekend met mijn' liefsten wensch, om u in het huwelijk te begeven, en ik had van u verwacht, dat gij voor een' vader, die nooit iets onredelijks van u heeft verlangd, meer inschikkelijkheid zoudt hebben getoond. Door een' zoo langen tegenstand van uwen kant is mijn geduld uitgeput; ik doe u nu nog eens het zelfde voorstel in tegenwoordigheid van mijn' raad. Het is thans niet alleen de wensch van een' vader, maar ook deze achtbare vergadering voegt voor het heil van den staat haar verzoek bij het mijne. Verklaar u dus, opdat ik de maatregelen kan nemen, die ik in het belang van mijn eer en van mijn rijk noodig zal achten.”

De prins Camaralzaman antwoordde hierop met zoo weinig terughouding, of liever met zoo veel oploopendheid, dat de sultan, met regt vertoornd over de beleediging, die zijn zoon hem in den vollen raad deed ondergaan, in gramschap uitriep: „Wat! onnatuurlijke zoon, gij vermeet u aldus te spreken tegen uwen vader en uwen sultan!” Te gelijk deed hij hem door zijne wacht vatten, en in een' ouden toren opsluiten. Doch zelfs ook nu verloochende zich de vaderlijke genegenheid van Schahzaman jegens zijn' weêrspannigen zoon niet, want hij liet hem in zijne gevangenis een bed, eenig huisraad en zijne boeken geven, benevens een' slaaf, om hem te bedienen.

Camaralzaman, tevreden zich met zijne boeken te kunnen bezighouden, bekreunde zich weinig om zijne gevangenschap. Hij deed dien avond naar gewoonte zijn gebed, las eenige hoofdstukken in den koran met de zelfde gerustheid, alsof hij zich in zijne eigen vertrekken bevond, en begaf zich vervolgens ter ruste.

In dien toren was een put, welke gedurende den dag tot woonplaats verstrekte aan eene toovergodin, genaamd Maimoune, dochter van Damriat, koning en opperste van een legioen geesten. Het was omstreeks middernacht, toen Maimoune zich, zoo ligt als een vogel, uit de put ophief, om naar gewoonte hare reis door de wereld te doen. Zij was zeer verwonderd licht te zien in de kamer, waar de prins Camaralzaman sliep; want de toren was reeds sinds jaren onbewoond. Zij trad binnen en zonder zich met den slaaf op te houden, die voor de deur lag te slapen, ging zij naar het ledikant, dat door deszelfs pracht hare aandacht trok. Hare verwondering klom nog hooger, toen zij daar iemand in zag liggen.