Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Tweede deel
Part 9
Na deze verpligtende woorden, antwoordde ik, „Meester! Allah spare u gedurende eene lengte van dagen! Maar de vrijheid, welke gij mij hebt geschonken, is voldoende om u van de verpligting te kwijten, die gij aan mij meent te hebben voor het voordeel, dat ik het geluk heb gehad, u en uwe stad te kunnen bezorgen. Ik vraag u slechts verlof om naar mijn geboorteland terug te keeren.” „Welnu,” hernam hij, „de mousson, die de schepen hier aanbrengt, welke ivoor komen laden, zal weldra invallen. Ik zal u dan eene scheepsgelegenheid verschaffen, en u voorzien van hetgeen de reis voor u veraangenamen kan.” Ik bedankte hem op nieuw voor de vrijheid, welke hij mij had geschonken en voor de goede voornemens, die hij aan den dag legde. Ik bleef in afwachting van den mousson bij hem, en gedurende dien tijd deden wij zoo vele reizen naar den heuvel, dat al zijne pakhuizen met ivoor gevuld werden. De andere kooplieden, die in ivoor handel dreven, deden hetzelfde, want eene zaak van dien aard kon niet lang geheim blijven.
De schepen kwamen eindelijk aan, en mijn meester zocht zelf een schip voor mij en bevrachtte dit met ivoor, waarvan de helft voor mij was. Hij voorzag mij bovendien overvloedig van levensmiddelen, en dwong mij onderscheidene zeldzaamheden uit dat land, die eene groote waarde hadden, als een geschenk van hem aan te nemen. Nadat ik hem voor al zijne weldaden bedankt en een heerlijk afscheid genomen had, scheepte ik mij in. Wij gingen onder zeil, en gedurende de reis stond mij mijne ontmoeting met de olifanten gedurig voor den geest; het geval was daartoe ook wonderlijk genoeg.
Wij deden nog eenige eilanden aan, om ververschingen in te nemen. Doch zoodra wij eene Indische haven van het vasteland bereikten, besloot ik, ten einde de gevaren der zee tot aan Balsora te vermijden, daar voet aan wal te zetten. Ik liet mijn aandeel van het ivoor ontschepen, waarvoor ik eene groote som gelds maakte. Ik kocht eenige zeldzaamheden tot geschenken voor mijne bloedverwanten en vrienden, en zoodra ik met mijne uitrusting gereed was, sloot ik mij bij eene groote karavaan van kooplieden aan. Wij waren lang onder weg, en ik had veel door te staan; maar ik verdroeg mijn leed met geduld, bij de overtuiging, dat ik thans geene stormen of zeeroovers te duchten had.
Eindelijk namen mijne vermoeijenissen een einde, en ik kwam gelukkig te Bagdad aan. Ik vervoegde mij dadelijk bij den kalif, om hem rekenschap af te leggen van mijne zending. Deze vorst zeide tot mij, dat mijne lange afwezigheid hem verontrust had, doch dat de hoop, dat Allah mij in zijne hoede zou nemen, hem echter nooit had begeven. Toen ik hem het voorval met de olifanten verhaalde, was hij daarover zeer verbaasd, en hij zou het voor eene fabel hebben gehouden, indien hij niet van mijne waarheidsliefde overtuigd was. Hij vond deze geschiedenis en de anderen, die ik hem verhaald had, echter zoo merkwaardig, dat hij zijn' geschiedschrijver beval, ze met gouden letters op te schrijven, en ze in zijne schatkamer te bewaren. Ik ging heen, zeer tevreden over de genoten eer en de geschenken, die ik van hem ontving. Van dat oogenblik af wijdde ik mij geheel toe aan mijne familie en aan mijne vrienden.”
Op deze wijze besloot Sindbad het verhaal van zijne zevende en laatste reis; en zich vervolgens tot Hindbad wendende, zeide hij: „Welnu, mijn vriend, hebt gij ooit van iemand gehoord, die zoo veel geleden en doorgestaan heeft als ik, of dat een sterveling zich in zulke dreigende gevaren heeft bevonden? Is het niet billijk, dat ik na zulk een werkzaam en woelig leven een' genoegelijken en rustigen ouden dag geniet?” Zoodra hij deze woorden geëindigd had, stond Hindbad op, trad nader, kuste hem de hand en zeide: „Men moet toestemmen, heer! dat gij vreeselijke gevaren hebt doorgestaan, en dat de moeijelijkheden, die ik ondervonden heb, bij de uwe niet in vergelijking kunnen komen. Indien mijn last mij somtijds zwaar viel, na volbragten arbeid vond ik troost in mijn gering loon. Gij verdient niet alleen een rustig leven; ook de schatten, die gij bezit, zijt gij waardig, omdat gij daarvan een zoo nuttig en edelmoedig gebruik maakt. Ga dus voort, heer, in vreugde te leven tot aan het uur van uw' dood.”
Sindbad deed hem nogmaals eene beurs met honderd sequinen geven, nam hem op onder het getal van zijne vrienden, en zeide tot hem, dat hij van zijn dragersberoep afzien en dagelijks bij hem ter maaltijd komen moest, opdat hij reden mogt hebben, zich zijn leven lang Sindbad den zeeman te herinneren.
DE DRIE APPELEN.
Op zekeren dag gelastte Haroun-al-Raschid den groot-vizier Giafar, dat hij zich tegen den nacht aan zijn paleis moest bevinden. „Vizier!” zeide hij tot hem, „ik wil eene wandeling doen door mijne stad Bagdad, om met eigen oogen en ooren te vernemen, wat men van mij zegt, en in het bijzonder, of men tevreden is over mijne regters. Indien er onder zijn, over wie men regt heeft zich te beklagen, zullen wij hen afzetten en anderen in hunne plaats aanstellen, die zich beter van hun' pligt kwijten. Zijn er integendeel onder, over wie men met lof spreekt, zoo zullen wij dezen in waarde houden naarmate zij het verdienen.”
De groot-vizier was op het bepaalde uur bij zijnen vorst, en toen hij en de kalif met Masrour, den opperste der gesnedenen, zich verkleed hadden, ten einde niet herkend te worden, verlieten zij door eene geheime deur het paleis. Nadat zij eenige straten waren doorgegaan, ontmoetten zij in eene enge steeg een' langen grijsaard met een' witten baard. Hij droeg een groot vischnet op het hoofd, en had eene mand van gevlochten palmbladen aan den eenen arm, en een' stok in de hand. Toen de kalif dezen grijsaard zag, zeide hij: „Die man is zeker niet rijk, laat ons hem staande houden en naar zijne omstandigheden vragen.”
„Goede vriend,” zeide de vizier, hem aansprekende, „wie zijt gij en wat is uw beroep?” „Mijnheer,” antwoordde de grijsaard, „ik ben visscher, maar voorzeker de armste en ellendigste van alle visschers. Reeds op den middag ben ik van huis gegaan en nog heb ik geen' enkelen visch gevangen. Ik heb eene vrouw en kleine kinderen en niets om hen te voeden.” De kalif, hierdoor bewogen, nam nu het woord en zeide tot den visscher: „Zoudt gij den moed hebben uwe netten nog eene enkele maal uit te werpen? Wij zullen u honderd sequinen geven voor hetgeen gij ophaalt.” Op dit voorstel vergat de arme visscher zijne vermoeijenis, hield den kalif bij zijn woord, en keerde naar den Tigris terug, gevolgd door de drie anderen, terwijl hij bij zich zelven zeide: „Die heeren komen mij te fatsoenlijk voor, dan dat zij mij niet voor mijne moeite zouden betalen, en al gaven zij mij ook slechts het honderdste deel van hetgeen zij mij beloofd hebben, het zal voor mij altoos nog veel zijn.”
Zoo kwamen zij aan den oever van den Tigris. De visscher wierp zijne netten uit, en toen hij deze daarna weder optrok, haalde hij een' groot, welgesloten en zeer zwaar koffer op. De kalif liet door zijn' groot-vizier den visscher onmiddelijk honderd sequinen toetellen, en zond hem daarmee weg. Masrour nam op bevel van zijn' meester den koffer op zijn' schouder, en daar de kalif zeer ongeduldig was, om met den inhoud bekend te worden, keerden zij dadelijk naar het paleis terug. Toen het koffer geopend was, vond men er eene baal van palmbladen in, die met een' rooden draad was toegenaaid. Om aan het ongeduld van den kalif te voldoen gunde men zich den tijd niet, den draad los te maken, maar sneed dien met een mes door, en nu vond men in de baal een pak, in een oud stuk tapijt gewikkeld, dat met touwen omwonden was. Nadat het touw losgemaakt en het pak geopend was, zag men daarin met afgrijzen het aan stukken gesneden ligchaam van eene jonge vrouw, zoo blank als sneeuw.
Groot was, op dit gezigt, de verwondering van den kalif; maar deze verbazing ging weldra in toorn over, en een' woedenden blik op zijn' vizier werpende, riep hij uit: „Ha! ongelukkige, waakt gij op deze wijze voor de veiligheid van mijne onderdanen! Straffeloos vermoordt men onder uw beheer mijne onderhoorigen, tot zelfs binnen mijne hoofdstad, en men werpt hunne lijken in den Tigris, opdat zij wraak tegen mij zouden roepen op den dag des oordeels! Indien gij den dood van deze vrouw niet spoedig wreekt, door haren moordenaar te straffen, zoo zweer ik u, bij Allah en bij den grooten Profeet, dat ik u en veertig van uwe bloedverwanten zal doen ophangen.” „Beheerscher der geloovigen,” sprak de vizier, „ik smeek uwe majesteit mij tijd te vergunnen om den misdadiger op te sporen?” „Ik geef u daartoe niet meer dan drie dagen,” hernam de kalif, „denk daaraan.”
Hevig ontsteld over dit onredelijke bevel, keerde de vizier Giafar naar zijne woning terug. „Helaas!” zeide hij, „hoe zal ik in eene zoo groote en volkrijke stad als Bagdad, den bedrijver van dit gruwelstuk ontdekken, die deze misdaad waarschijnlijk zonder ooggetuigen gepleegd, en zich misschien reeds uit de stad verwijderd heeft. Een ander, in mijne plaats, zou misschien een' ongelukkige uit de gevangenis halen, en dezen doen sterven, om alzoo den kalif te misleiden en te bevredigen, maar ik wil mijn geweten met zulk eene bloedschuld niet bezwaren: liever den dood, dan mijn leven op zulk eene wijze redden!”
Hij gaf last aan alle onder hem staande beambten, om een naauwkeurig onderzoek naar den misdadiger te doen instellen. Deze zonden hunne geregtsdienaars uit, en waren ook zelven werkzaam, daar zij meenden bij deze zaak bijna even veel belang te hebben, als de vizier. Maar al hunne pogingen waren vruchteloos; er was van den moordenaar geen spoor te ontdekken, en de vizier begreep, dat het, zonder tusschenkomst des hemels, met zijn leven gedaan was.
Inderdaad, op den derden dag kwam een bode des kalifs bij den ongelukkigen staatsdienaar, en gelastte hem om te volgen. De vizier gehoorzaamde. Zoodra hij voor den kalif verscheen was diens eerste vraag: „Hebt gij den moordenaar?” „Beheerscher der geloovigen,” antwoordde de vizier met tranen in de oogen, „niemand heeft mij eenige aanwijzing omtrent hem kunnen geven.” De kalif werd woedend, deed hem scherpe verwijten, en gaf bevel, dat men hem en veertig der Barmeciden voor de poort van het paleis zoude ophangen.
Terwijl men bezig was de galgen op te rigten, en de veertig Barmeciden uit hunne woningen werden gehaald, riep op bevel van den kalif, een omroeper op alle pleinen en aan alle hoeken der straten: „Wie lust heeft den groot-vizier Giafar en veertig Barmeciden van zijn bloedverwanten te zien ophangen, die kome op het plein voor het paleis.” Toen alles gereed was, werden de groot-vizier en veertig zijner bloedverwanten door den regter en door geregtsdienaren van het paleis naar buiten gebragt, en onder de voor hen bestemde galgen geplaatst. Men deed hun den strop om den hals, waaraan zij moesten worden opgetrokken. Het volk, dat het geheele plein vervulde, kon dit treurige schouwspel niet met drooge oogen aanzien, want de groot-vizier Giafar en de Barmeciden waren bemind en geacht om hunne regtschapenheid, eerlijkheid en belangeloosheid, niet alleen te Bagdad, maar door het geheele rijk.
Men was gereed, om het onherroepelijke bevel van den te gestrengen vorst ten uitvoer te brengen, en men stond op het punt van een en veertig der braafste mannen van Bagdad het leven te benemen, toen een welgekleed jongman, van een zeer gunstig voorkomen, zich een' weg door de menigte baande, tot bij den groot-vizier doordrong, hem de hand kuste en zeide: „Oppermagtige vizier, hoofd der emirs van dit hof, toevlugt der armen! gij zult niet sterven voor de misdaad van een ander. Ga van hier, en laat mij boeten voor den dood der dame, die ik in den Tigris heb geworpen. Ik ben haar moordenaar, en verdien daarvoor de straf te dragen.”
Ofschoon deze bekentenis den vizier eene groote blijdschap veroorzaakte, kon hij echter niet nalaten medelijden te gevoelen met den jongeling, wiens uitzigt, in plaats van terugstootend te zijn, iets aantrekkelijks had. Hij wilde hem antwoorden toen een lange man van reeds gevorderden leeftijd insgelijks door de menigte heen drong, voor den vizier trad, en tot hem zeide: „Heer! geloof niet, wat deze jongeling u zegt; niemand anders dan ik, heeft de jonge vrouw, welke men in den koffer vond, gedood.” „Bij Allah, ik bezweer U, Heer!” riep de jonge man op zijne beurt, „straf den onschuldige niet voor den schuldige. Ik betuig u, en wil het met een' eed bevestigen, dat _ik_ alleen deze slechte daad heb begaan, en daarbij niemand tot medepligtige heb gehad.” „Mijn zoon!” viel de grijsaard in, „het is de wanhoop, die u hier heen heeft gevoerd, en gij wilt uw noodlot vooruit loopen; wat mij betreft, ik ben reeds lang genoeg op deze wereld. Sta mij toe, mijn leven voor u op te offeren. Heer!” vervolgde hij, zich tot den vizier wendende, „ik herhaal het u, ik ben de moordenaar; doe mij sterven en draal niet.”
De tegenstrijdige verklaringen van den grijsaard en den jongeling verpligtten den vizier hen, met verlof van den regter, voor den kalif te brengen. Toen hij in tegenwoordigheid van den monarch verscheen, boog hij tot zeven malen het hoofd ter aarde, en sprak op deze wijze: „Beheerscher der geloovigen! Ik breng hier vóór u dezen grijsaard en dezen jongen man, die elk voor zich beweren de moordenaar van de jonge vrouw te zijn.” De kalif vraagde nu met een gestreng gelaat aan de beschuldigden, wie van hen die dame op eene zoo barbaarsche wijze had omgebragt en in den Tigris geworpen. De jongeling verzekerde, dat hij het was; doch de grijsaard hield het tegendeel staande. „Ga!” beval de kalif aan den groot-vizier, „doe hen beiden ophangen.” „Maar, sire,” hernam Giafar, „indien slechts een van hen schuldig is, zoo zou het niet regtvaardig zijn, ook den andere te doen sterven.”
Toen nam de jongeling het woord, en zeide, zijne vingers opstekende: „Ik zweer, ten aanhoore van den Schepper van hemel en aarde, dat _ik_ het ben, die de dame gedood, aan vier stukken gesneden, en nu vóór vier dagen in den Tigris heb geworpen. Ik mag geen deel hebben aan den dag des oordeels, indien, hetgeen ik zeg, niet waarachtig is, daarom ben _ik_ het, die gestraft moet worden.” De kalif was verbaasd over dezen ongevergden en duren eed, en sloeg er geloof aan, vooral, omdat de grijsaard daar niets tegen inbragt. Om die reden wendde hij zich tot den jongen man, en zeide: „Ongelukkige! waarom hebt gij deze afschuwelijke misdaad begaan, en wat kon u bewegen u zelven over te leveren?” „Beheerscher der geloovigen!” antwoordde hij, „indien alles beschreven werd, wat tusschen deze dame en mij is voorgevallen, het zou eene geschiedenis zijn, leerzaam voor vele menschen.” „Verhaal ze ons dan,” hernam de kalif, „ik beveel het u.” De jonge man gehoorzaamde, en begon zijn verhaal op de volgende wijze.
GESCHIEDENIS VAN DE VERMOORDE DAME EN VAN DEN JONGEN MAN, HAAR ECHTGENOOT.
„Beheerscher der geloovigen! uwe majesteit moet weten, dat de vermoorde jonge dame mijne vrouw en de dochter van dezen grijsaard was, welke laatste mijn oom van vaders zijde is. Zij was naauwelijks twaalf jaar, toen hij haar aan mij ten huwelijk gaf, en sedert dien tijd zijn er nu bijna elf jaren verloopen. Onze drie kinderen zijn allen nog in leven. Ook moet ik mijne vrouw het regt laten wedervaren, dat zij mij nooit de minste reden tot ongenoegen heeft gegeven. Zij was deugdzaam, van eene zachte inborst, en zij stelde er hare hoogste vreugde in, om mij genoegen te doen. Van mijne zijde beminde ik haar opregt, en ik voorkwam al hare wenschen.
Het zal nu omstreeks twee maanden geleden zijn, dat zij ziek werd. Ik droeg alle mogelijke zorg voor haar, en spaarde niets, wat tot hare genezing strekken kon. Na verloop van eene maand werd zij iets beter en wenschte op zekeren dag naar het bad te gaan. Vóór dat zij echter van huis ging, zeide zij tot mij: „Lieve neef (zoo noemde zij mij uit gemeenzaamheid), ik ben zeer belust op appels; gij zult mij een genoegen doen, indien gij mij er eenigen bezorgt. Reeds lang heb ik daarnaar verlangd, en ik mag voor u niet ontveinzen, dat dit verlangen zoo toeneemt, dat ik voor kwade gevolgen vrees, indien daaraan niet spoedig voldaan wordt.” „Van harte gaarne,” antwoordde ik, „ik zal mijn uiterste best doen, ze u te bezorgen.”
Ik ging dadelijk om appels bij alle fruitverkoopers, doch, ofschoon ik eene sequin voor het stuk bood, ik kon ze in de geheele stad niet bekomen. Wat mijne vrouw aangaat, toen zij uit het bad terugkwam en de appels niet zag, werd zij zoo verdrietig, dat zij den ganschen nacht niet kon slapen. Ik stond met het krieken van den dag op, ging bij alle tuinlieden rond, maar slaagde niet beter dan den vorigen dag. Eindelijk ontmoette ik een' ouden tuinman, die mij verzekerde, dat ik mij vergeefsche moeite gaf, en ze nergens zou vinden dan in den tuin van uwe majesteit te Balsora.
Daar ik mijne vrouw hartstogtelijk lief had, en ik het verwijt niet op mij wilde laden, iets verzuimd te hebben om haar genoegen te geven, trok ik een ander kleed aan, en na haar mijn plan medegedeeld te hebben, vertrok ik naar Balsora. Ik maakte zoo veel spoed, dat ik binnen veertien dagen weder te Bagdad was, en drie appelen medebragt, die mij eene sequin het stuk kosten. In den geheelen tuin waren er geene meer te vinden, en de tuinman wilde ze mij daarom voor niet minder afstaan. Bij mijne tehuiskomst ging ik terstond naar de slaapkamer van mijne vrouw, en met een hart vol vreugde bood ik haar de appelen aan, maar haar verlangen daarna had intusschen opgehouden; zij nam ze met blijkbare onverschilligheid aan, en legde ze bij zich neer. Inmiddels was zij nog altoos ziek, en ik wist niet meer, welk middel ik tegen hare kwaal zou aanwenden.
Twee dagen na mijne reis bevond ik mij in mijn' winkel op de openbare markt, toen ik een' zwarte slaaf, groot van gestalte en breed geschouderd, maar van een slecht uitzigt, zag voorbijgaan met een' appel in de hand, welke ik dadelijk herkende voor een' van die, welke ik uit Balsora had medegebragt. Ik kon mij hierin niet vergissen, daar ik wist, dat er noch in Bagdad noch in de tuinen, om de stad gelegen, appelen te krijgen waren. Ik riep den slaaf. „Goede vriend,” zeide ik, „verpligt mij, door te zeggen van waar gij dien appel hebt gekregen.” „Het is,” antwoordde hij, al lagchende, „een geschenk van mijne beminde. Ik heb haar heden een bezoek gebragt, en vond haar een weinig ongesteld. Ik zag drie appelen bij haar liggen, en vraagde haar, van waar zij die had, daar die vrucht thans in geheel Bagdad niet te vinden is. Zij gaf mij ten antwoord, dat haar goede sukkel van een' man er eene reis van veertien dagen voor gedaan had, om ze haar te bezorgen. Wij hebben een' kouden maaltijd gedaan, en toen ik haar verliet, heb ik den appel, dien gij hier ziet, medegenomen!” Dit verhaal bragt mij buiten mij zelven. Ik stond van mijne plaats op, en na mijnen winkel gesloten te hebben, ijlde ik naar huis, en ging terstond naar de kamer van mijne vrouw. Dadelijk wierp ik een' blik op de plaats, waar de appels hadden gelegen, en ziende, dat er slechts twee waren, vraagde ik waar de derde gebleven was. Mijne vrouw wendde even het hoofd om naar de plaats, waar zij de appels gelegd had, en er ook slechts twee ontwarende, zeide zij op onverschilligen toon: „Neef! ik weet niet, wat er van dien derden appel geworden is, ik zie alleen, dat hij weg is.” Op dit antwoord twijfelde ik niet meer, of hetgeen de slaaf mij gezegd had, was overeenkomstig de waarheid. Op het zelfde oogenblik aan eene vlaag van woedende jaloezij gehoor gevende, trok ik het mes, dat in mijn' gordel stak, en stiet het in de borst van deze trouwelooze. Vervolgens sneed ik haar het hoofd af, en het ligchaam in vier stukken. Ik maakte hiervan een pak, hetwelk ik in eene baal van palmbladen verborg, en waarvan ik de opening met een' rooden draad toenaaide. Eindelijk sloot ik dit in een' koffer, en zoodra het donker werd, nam ik dien op mijne schouders, om hem in den Tigris te werpen.
Mijne beide jongste kinderen waren reeds te bed en in slaap; de derde was nog op. Toen ik terugkwam, vond ik hem bitter schreijende voor de deur zitten. Ik vraagde hem naar de reden van zijne tranen. „Vader,” zeide hij snikkende, „ik heb dezen morgen van moeder, zonder dat zij er iets van merkte, een der drie appelen, die gij voor haar hebt medegebragt, weggenomen. Ik heb dien lang bewaard en speelde er op straat met mijne broertjes mede, toen een leelijke zwarte slaaf hem mij uit de hand greep en er mede wegliep. Ik liep hem na en vroeg den appel terug; maar of ik al zeide, dat hij van mijne zieke moeder was, en dat gij eene reis van veertien dagen gedaan had, om ze voor haar te halen, niets mogt helpen, hij wilde hem mij niet teruggeven. Ik volgde hem al schreeuwende, doch nu keerde hij zich om, sloeg mij, en liep vervolgens weg, zoodat ik hem eindelijk uit het gezigt verloor. Toen ben ik zoo lang buiten de poort gaan wandelen, tot de tijd daar was, dat gij te huis komt; en nu wacht ik u hier, lieve vader, om u te verzoeken, dat gij er niets van aan moeder zegt, uit vrees dat zij dan van verdriet nog zieker zal worden.” Bij het eindigen dezer woorden, begon het kind op nieuw te weenen.
Hetgeen mijn zoon mij verhaald had, ontroerde mij vreeselijk. Ik zag de grootte van mijne misdaad in, en het berouwde mij, maar helaas te laat, dat ik geloof had geslagen aan de bedriegelijke woorden van een' ellendigen slaaf, die, van hetgeen hij van mijn' zoon vernam, de fabel had verzonnen, die ik voor waarheid had gehouden. Inmiddels kwam mijn oom, thans hier tegenwoordig, om zijne dochter te bezoeken, maar in plaats van haar in leven te vinden, vernam hij uit mijn' mond, dat zij niet meer was. Ik verborg niets voor hem, en zonder af te wachten, dat hij mij veroordeelde verklaarde ik mij zelven voor den misdadigste van alle mannen. Niettemin, in plaats van mij met regtmatige verwijten te overstelpen, mengde hij zijne tranen met de mijnen. Hij beweende, drie dagen lang, het verlies van eene geliefde dochter, en ik, dat van eene vrouw, welke ik beminde, en van wie ik mij op zulk eene gruwelijke wijze beroofd had, door ligtvaardig gehoor te geven aan een' leugenachtigen slaaf.
[Illustratie: Noureddin Ali en Bedreddin Hassan.
Dl. II, pag 117.]
Ziedaar, Beheerscher der geloovigen! de openhartige bekentenis, welke uwe majesteit van mij begeerd heeft. Gij kent thans mijne misdaad in al hare bijzonderheden, en ziet tot welke gruweldaden de jaloezij een' man vervoeren kan. Ik bid u zeer nederig thans mijn vonnis uit te spreken; hoe gestreng dat ook zijn moge, ik zal er mij niet over beklagen, en het zal altoos te ligt zijn voor mijne misdaad.”
De kalif was nu ten hoogste verwonderd over hetgeen de jonge man hem mededeelde. Maar met zijn ongeluk bewogen, vond hij hem meer beklagenswaardig dan misdadig. „De daad van dezen jongen man,” zeide hij, „is vergevenswaardig bij God en bij de menschen. De boosaardige slaaf is de eenige oorzaak van dezen moord; hij alleen moet gestraft worden. Daarom,” vervolgde hij, zich tot den groot-vizier wendende, „geef ik u drie dagen om dien misdadiger op te zoeken. Indien gij hem binnen dien tijd niet voor mijn' troon brengt, zal ik u in zijne plaats doen sterven.”
De ongelukkige Giafar, die zich reeds buiten gevaar waande, was zeer ter neêrgeslagen over dit nieuwe bevel van den kalif, doch daar hij dien vorst, wiens karakter hij kende, niet durfde tegenspreken, verliet hij het paleis, en begaf zich schreijende naar zijn huis, overtuigd, dat hij niet meer dan drie dagen te leven had. Hij was er zoo zeker van den slaaf niet te zullen vinden, dat hij niet de minste moeite deed, om naar hem te zoeken. „Het is niet mogelijk,” zeide hij, „in eene stad als Bagdad, waar een oneindig aantal zwarte slaven zijn, den regten man uit te vinden. Indien niet Allah mij hem doet kennen, gelijk hij mij reeds den moordenaar heeft ontdekt, kan niets mij redden.”