Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Tweede deel

Part 8

Chapter 84,099 wordsPublic domain

Zoodra ik onder het gewelf van de grot kwam, was ik door een' donkeren nacht omgeven, en het water voerde mij mede, zonder dat ik van mijne riemen behoefde gebruik te maken. Ik dreef eenige dagen in deze duisternis voort. Op één punt was het gewelf zoo laag, dat ik bijna mijn hoofd gestooten en gewond zou hebben. Van mijn' voorraad gebruikte ik niet meer dan noodig was om in leven te blijven, maar hoe zuinig ik het ook aanlegde, eindelijk had ik het laatste stukje scheepsbeschuit gebruikt. Toen overviel mij de slaap, zonder dat ik mij daartegen kon verzetten. Hoe lang mijn slaap geduurd heeft, kan ik u niet zeggen, maar bij mijn ontwaken bevond ik mij in het vrije veld aan den oever eener rivier, terwijl mijn vlot was vastgemaakt. Eene menigte zwarten omringden mij. Zoodra ik hen zag, rigtte ik mij op en groette hen. Zij spraken mij aan, maar ik verstond hunne taal niet.

Ik was zoo verheugd, dat ik in het eerst niet wist, of ik waakte of droomde. Maar eindelijk overtuigd, dat ik niet sliep, riep ik in het Arabisch uit: „Roep den Allerhoogste aan, Hij zal u ter hulpe komen, en gij hebt niet te vreezen. Sluit uwe oogen, en in den slaap zal Hij het kwade van u afwenden en u het goede geven.”

Een der zwarten, die het Arabisch verstond, en mij dus hoorde spreken, naderde mij en zeide: „Broeder, wees niet verwonderd ons te zien. Wij wonen in deze landstreek en zijn hier gekomen, ten einde het water van deze rivier door kleine kanalen af te leiden, om onze rijstvelden te besproeijen. Wij bemerkten, dat er iets op het water dreef, en toen wij nader kwamen, zagen wij dat het een vlot was met goederen beladen. Een van ons heeft zich toen te water begeven en het vlot naar den wal gestuurd, waar wij het, zoo als gij ziet, hebben vastgelegd, in afwachting dat gij zoudt ontwaken. Wij verzoeken u ons uwe geschiedenis te verhalen, die hoogst zonderling moet zijn. Zeg ons, hoe gij u met zulk een zwak vaartuig op dezen stroom hebt durven begeven, en van waar gij komt.” Ik antwoordde, dat zij mij eerst wat eten moesten geven, en dat ik daarna hunne nieuwsgierigheid zou bevredigen.

Zij verschaften mij onderscheidene soorten van spijzen, en zoodra ik mijn' honger gestild had, deed ik hun een getrouw verhaal van hetgeen mij was overkomen. Zij luisterden met verbazing naar mij, en toen ik met spreken ophield, zeide de zwarte, die het Arabisch verstond, en mijne woorden vertolkt had, uit aller naam tot mij: „Dit is eene hoogst wonderlijke geschiedenis. Het is noodig, dat wij u bij onzen koning brengen, want uwe lotgevallen zijn te merkwaardig, om ze uit een' anderen mond dan den uwe te vernemen.” Ik verklaarde bereid te zijn om alles te doen, wat zij van mij verlangden.

De zwarten zonden nu iemand uit hun midden om een paard te halen, en zoodra dit er was, verzochten zij mij op te stijgen. De togt ving dadelijk aan. Eenigen der zwarten liepen voor mij uit, terwijl anderen mijn vlot, zoo beladen als het was, op hunne schouders namen, en volgden. Aldus gingen wij voort tot aan de stad Serendib (dit was ook de naam van het eiland, waarop ik mij bevond). De zwarten stelden mij aan hun' koning voor. Ik naderde den troon, waarop hij zat, en wierp mij ter aarde naar de wijze, waarop men gewoon is de Indische koningen te begroeten. De vorst beval mij op te staan, en ontving mij op eene zeer heusche wijze. Hij wenkte mij nader te komen, deed mij aan zijne zijde plaats nemen, en vraagde mij naar mijn' naam. Ik zeide hem, dat ik Sindbad de zeeman werd geheeten, om de vele zeereizen, die ik gedaan had, en dat ik in Bagdad geboren was. „En door welk toeval,” vervolgde hij, „zijt gij in mijne staten gekomen, want dit eiland is alleen aan deze zijde der kust genaakbaar.”

Ik verborg niets voor den koning, en verhaalde hem mijne zonderlinge lotgevallen. Hij was hierover zoo verwonderd en verrukt, dat hij beval mijne ontmoetingen met gouden letteren op te schrijven, om als eene bijzonderheid in de archieven van zijn rijk bewaard te worden. Inmiddels bragt men ook het vlot, en men opende de zich daarop bevindende balen in zijne tegenwoordigheid. De koning was verbaasd over den grooten rijkdom, welke zich aan zijne oogen vertoonde, zoo van aloëhout als van amber en kostbare zijden stoffen; maar bovenal bragten de smaragden hem in verrukking, daar hij in zijne schatkamer niet een' enkelen had, die daarbij was te vergelijken.

Toen ik bemerkte, dat de koning mijne edelgesteenten met vermaak aanschouwde, en hij zelfs eenige der schoonste, stuk voor stuk in handen nam om ze met meer naauwkeurigheid te bezien, wierp ik mij voor zijne voeten, en zeide: „Sire! niet alleen mijn persoon is ten dienste van uwe majesteit maar ook de schatten, welke mijn vlot bevat; ik verzoek u, daarover als uw regtmatig eigendom te willen beschikken.” „Sindbad,” antwoordde de vorst lagchende, „ik zal mij wel wachten u iets te ontnemen, van hetgeen Allah u gegeven heeft. In plaats van uwe rijkdommen te verminderen, door daaraan eene hebzuchtige hand te slaan, zal ik trachten die te vermeerderen, en ik wil niet, dat gij mijne staten zult verlaten, zonder de blijken van mijne mildheid met u te dragen.” Ik antwoordde hierop alleen door zijne edelmoedigheid te prijzen en met de bede, dat het een zoo grootmoedig vorst steeds wel mogt gaan. Hij belastte een' zijner officieren zorg voor mij te dragen, en gaf mij eenige van zijne lieden om mij op zijne kosten te bedienen. Zij kwamen de bevelen van hun meester getrouw na, bezorgden mij eene voortreffelijke woning, waar ik op kosten des konings heerlijk werd onthaald. Ook mijne balen werden aldaar bezorgd, zonder dat er iets aan ontbrak.

Ik ging dagelijks op vastgestelde uren naar het hof, en den tijd, die mij overbleef, besteedde ik om de stad te bezigtigen, en alles te beschouwen, wat mijne aandacht waardig was. Het eiland Serendib ligt onder de evennachtslijn, en is tachtig mijlen lang en breed. De hoofdstad is aan het einde van eene schoone vallei, aan den voet van een' hoogen berg gelegen. Deze berg is zoo hoog, dat men hem drie dagreizen ver in zee zien kan. Hij bevat vele robijnen, smaragden en andere edelgesteenten en metalen. Op het eiland groeijen vele kostbare boomsoorten, onder andere de kokosboom; in de valleijen treft men diamanten aan, en op de kusten zijn parelvisscherijen.

Toen ik van mijn' togt door het eiland in de stad terug kwam, verzocht ik den koning naar mijn vaderland te mogen terugkeeren, hetgeen hij mij op de beleefdste wijze toestond. Hij dwong mij zelfs een rijk geschenk uit zijne schatkamer aan te nemen. Als ik afscheid van hem nam, gaf hij mij nog andere geschenken met een' brief voor den Beheerscher der geloovigen, onzen heer en meester, en zeide: „Sindbad! gij zult mij verpligten deze geschenken en dezen brief den kalif Haroun-al-Raschid ter hand te stellen, en hem de verzekering te geven van mijne hoogachting en van mijne vriendschap.” Ik nam het geschenk en den brief, en beloofde zijne majesteit de bevelen, waarmede het haar behaagde mij te vereeren, met stiptheid te zullen nakomen. Vóór dat ik mij inscheepte, ontbood de vorst den kapitein en de kooplieden, met wie ik de reis zou doen, bij zich, en beval hun mij met de meeste onderscheiding te bejegenen.

De brief des konings was geschreven op het vel van een om zijne zeldzaamheid zeer kostbaar dier. De letters hadden eene hemelsblaauwe kleur, en de inhoud, in de Indische taal geschreven, luidde aldus:

_„De koning van Indië, vóór wien duizend olifanten uitgaan, die in een paleis woont, waarvan het dak schittert van den glans van honderd duizenden robijnen; en die in zijne schatkamer heeft twintig duizend kroonen, verrijkt met diamanten, aan den Kalif Haroun-al-Raschid._

_Hoewel de geschenken, die wij u zenden, van geringe waarde zijn, zoo hopen wij echter, dat gij die, als een broeder en vriend van onze hand zult aannemen, uit hoofde van de vriendschap, welke ons hart u toedraagt, en waarvan wij verheugd zijn u een bewijs te kunnen geven. Wij vragen van u eene gelijke vriendschap, omdat wij meenen, die waardig te zijn, daar wij met u in rang gelijk staan. Wij noodigen u daartoe uit in naam van onze broederschap. Wees gegroet.”_

De geschenken bestonden ten eerste in een' beker, vervaardigd uit een' enkelen robijn, een halve voet hoog en een duim dik, en gevuld met fijne ronde paarlen, die door elkander een halve drachme wogen; ten tweede, in een slangenvel met schubben, zoo groot als een gewoon goudstuk, dat de eigenschap bezat, om hen, die daarop sliepen, voor ziekten te vrijwaren, ten derde, in aloëhout ter waarde van vijftig duizend drachmen, benevens dertig greinen kamfer van de grootte van eene pimpernoot, en eindelijk in eene slavin van verblindende schoonheid, wier kleeding met edelgesteenten als bezaaid was.

Het schip ging onder zeil, en na eene lange doch gelukkige reis kwamen wij te Balsora aan, van waar ik mij onmiddelijk naar Bagdad begaf. Bij mijn aankomst aldaar was mijn eerste werk, mij te kwijten van den mij opgedragen last.

Ik nam den brief van den koning van Serendib, en begaf mij naar de poort van het paleis van den Beheerscher der geloovigen, gevolgd door de schoone slavin, en door alle leden van mijne familie, die de geschenken droegen. Zoodra ik de deurwachters, met de reden van mijne komst bekend had gemaakt, bragt men mij voor den troon van den kalif. Ik wierp mij aan den voet des troons neder, en na eene zeer korte aanspraak, bood ik den kalif den brief en de geschenken aan. Nadat hij den brief gelezen had, vroeg hij mij, of de koning van Serendib inderdaad zoo rijk en magtig was, als hij in dit geschrift te kennen gaf. Ik wierp mij andermaal voor den troon en na mij te hebben opgerigt, antwoordde ik: „Beheerscher der geloovigen! Ik kan uwe majesteit de verzekering geven, dat de koning niet te hoog opgeeft van zijne grootheid en van zijn' rijkdom; ik ben er getuige van geweest. Niets is bewonderenswaardiger, dan de pracht van zijn paleis. Wanneer deze vorst zich in het openbaar vertoont, plaatst men een' gouden troon op een' witten olifant, waarop hij zich nederzet; terwijl hij aan weêrszijden omgeven wordt door twee rijen staatsdienaren en hovelingen, allen op olifanten gezeten. Vóór hem, op den zelfden olifant, houdt een officier eene gouden lans in de hand; achter den troon staat een ander, die een' gouden staf draagt, aan welks boveneinde een smaragd is, bijna een halve voet lang en een duim dik. Vóór hem uit, gaat eene garde van duizend man, gekleed in goudlaken en zijde, en gezeten op rijk geharnaste olifanten. Gedurende den togt des konings, roept de officier vóór op den olifant, van tijd tot tijd met luider stem:

„Zie hier den grooten monarch, den magtigen en gevreesden sultan van Indië wiens paleis bedekt is met honderd duizenden robijnen, en die twintig duizend diamanten kroonen bezit! Zie hier den gekroonden monarch, grooter dan ooit Soliman en de groote Mihrage waren!”

Daarna roept de officier achter den troon op zijne beurt:

„Deze zoo groote en magtige monarch moet sterven, moet sterven, moet sterven!”

De voorste officier neemt dan weder het woord en roept uit:

„Lof zij hem, die leeft en niet sterft!”

Overigens is de koning van Serendib zoo regtvaardig, dat hij geene regters in zijne hoofdstad en in zijne staten heeft; zijn wil is voor zijne volken de eenige wet. Zij hebben, even als hun vorst, de regtvaardigheid lief, en wijken nooit van hun' pligt af.” De kalif was over mijne woorden zeer voldaan. „De wijsheid van dien koning,” zeide hij, „blijkt reeds uit zijn' brief, en, na hetgeen gij mij daarvan gezegd hebt moet men toestemmen, dat zijne wijsheid zulke onderdanen waardig is, en dat zijne onderdanen waardig zijn zulk een' vorst te bezitten.” Met deze woorden gaf hij mij mijn afscheid, en liet mij met een rijk geschenk vertrekken.”

Hiermede eindigde Sindbad zijn verhaal, en zijne gasten vertrokken, ook Hindbad, nadat hij zijne honderd sequinen had ontvangen. Toen zij den volgenden dag terug kwamen, verhaalde Sindbad hun zijne zevende en laatste reis.

ZEVENDE EN LAATSTE REIS VAN SINDBAD DEN ZEEMAN.

„Na mijne zesde reis kwam het niet in mijne gedachten op, weder eene nieuwe te ondernemen. Behalve dat ik op mijn' leeftijd naar rust verlangde, had ik stellig voorgenomen mij niet weder aan gevaren bloot te stellen. Ik had het besluit genomen, mijne overige dagen in rust door te brengen. Toen ik eens een groot aantal mijner vrienden bij mij ten eten had en wij ons vrolijk maakten, kwam een mijner bedienden mij zeggen, dat een officier van den kalif mij verlangde te spreken. Ik stond van tafel op, en ging naar hem toe. „De kalif,” zeide hij, „heeft mij gelast u mede te deelen, dat hij u begeert te spreken.” Ik ging met den officier naar het paleis, hij bragt mij onmiddelijk bij den vorst. Ik wierp mij aan zijne voeten, doch hij deed mij opstaan. „Sindbad!” zeide hij, „gij moet mij eene dienst bewijzen. Ik heb besloten de beleefdheid des konings van Serendib te beantwoorden, en gij moet mijn' brief en mijne geschenken aan hem overbrengen.” Dit bevel van den kalif klonk mij als een donderslag in de ooren. „Beheerscher der geloovigen!” zeide ik, „ik ben bereid te doen, wat uwe majesteit mij bevelen zal, maar ik bid haar zeer nederig te bedenken, dat ik een oud man ben, en nog gebukt ga onder de vermoeijenissen, die ik op mijne vele reizen heb doorgestaan. Ik heb zelfs eene gelofte gedaan Bagdad niet weder te verlaten.” Vervolgens nam ik hieruit aanleiding, hem een breedvoerig verhaal van al mijne lotgevallen te doen, en hij had het geduld mij ten einde toe aan te hooren!

Doch naauwelijks had ik uitgesproken, of hij zeide: „Ik stem toe, dat dit zeer buitengewone ontmoetingen zijn; maar zulks moet u niet terughouden om, uit genegenheid voor mij, de reis welke ik u voorstel te ondernemen. Het geldt hier alleen eene reis naar het eiland Serendib, om u van den door mij aan u opgedragen last te kwijten. Daarna zal het u vrij staan, onmiddelijk de terugreis aan te nemen.

Maar gij moet gaan, want gij zult inzien, dat het niet met de welvoegelijkheid en met mijne waardigheid overeenkomt, iets aan den koning van dat eiland schuldig te blijven.” Toen ik nu zag, dat het de volstrekte begeerte van den kalif was, betuigde ik bereid te zijn hem te gehoorzamen. Hij was hiermede zeer ingenomen, en liet mij duizend sequinen geven, om de kosten van de reis te bestrijden.

Binnen weinige dagen was ik gereed, om te vertrekken. Zoodra ik de geschenken en een' eigenhandigen brief van den kalif aan den koning van Indië had ontvangen, vertrok ik naar Balsora, waar ik scheep ging. De reis was zeer voorspoedig, en zonder eenige bijzondere ontmoeting kwam ik in de hoofdstad van het eiland Serendib aan. Ik vervoegde mij aan het hof, en verzocht, dat men mij dadelijk gehoor bij den vorst zou verschaffen. Men bragt mij onder veel eerbetoon naar het paleis, en ik begroette den koning door mij, volgens gebruik, voor hem neder te werpen.

De koning herkende mij terstond, en was zeer verheugd, toen hij mij weder zag. „Ha, Sindbad!” zeide hij, „wees welkom! Ik verzeker, dat ik, na uw vertrek, nog menigmaal aan u gedacht heb. Gezegend zij deze dag, waarop wij elkander wederzien.” Ik boog mij ter aarde, bedankte hem voor zijne goedheid, en bood hem den brief en de geschenken van den kalif aan.

De kalif zond hem een rustbed met toebehooren van goudlaken, ter waarde van duizend sequinen, vijftig opperkleederen van zeer rijke stof, honderd andere van het fijnste witte linnen van Caïro, Suëz en Alexandrië, nog eene andere sofa van karmozijn, eene agaten vaas, ter dikte van een vinger en minder diep dan wijd, op welker bodem men in bas-relief een jager zag, die een' boog en een' pijl in de hand hield, en gereed was om op een' leeuw te schieten. Ook zond hij hem nog eene zeer prachtige tafel, die, volgens overlevering, van den grooten Salomo afkomstig was. De brief van den kalif was van dezen inhoud;

_„Gegroet, in naam van den alleen regtvaardigen Opperheer, van den magtigen en gelukkigen Sultan, van Abdala Haroun-al-Raschid, dien God tot de hoogste eereplaats heeft verheven na zijne voorvaderen._

_Wij hebben uw' brief met vreugde ontvangen, en wij zenden u dezen, voorzien met het zegel van onze verhevene Poort, den bloemhof der hooge geesten. Wij hopen dat gij, daarop de oogen slaande, van onze goede meening overtuigd zult zijn; en deze u aangenaam zal wezen. Wees gegroet.”_

Het verheugde den koning van Serendib zeer, dat de kalif aan zijn verzoek voldaan had. Kort na dit gehoor, verzocht ik, om naar Bagdad te mogen terugkeeren, hetgeen mij slechts met veel moeite werd toegestaan. Eindelijk liet de koning mij gaan, en gaf mij bij het afscheid een zeer aanzienlijk geschenk. Ik scheepte mij nu dadelijk in, om regelregt naar Bagdad te zeilen, maar Allah had anders over mij beschikt. Op den derden dag van ons vertrek werden wij door zeerovers aangevallen, en daar ons schip niet tot verdediging in staat was, viel het den zeeroovers niet moeijelijk het te nemen. Sommigen van het scheepsvolk stelden zich te weêr, wat hun het leven kostte. Ik en anderen, die zoo voorzigtig waren geweest ons niet tegen onze overweldigers te verzetten, werden tot slaven gemaakt. Nadat de roovers ons van alles beroofd hadden, bragten zij ons naar een groot eiland, waar wij allen verkocht werden.

Ik werd het eigendom van een' rijken koopman, die mij medenam naar zijne woning, waar hij mij goed eten voorzette, als slaaf kleedde, en vraagde, of ik ook eenig handwerk verstond. Zonder hem met mijn' naam en stand bekend te maken, gaf ik alleen te kennen, dat ik geen handwerksman, maar een koopman was, en dat de zeeroovers mij van alles hadden beroofd, wat ik op de wereld bezat. „Maar,” hernam hij, „kunt gij niet met pijl en boog omgaan?” Ik antwoordde hem, dat ik dit reeds in mijne jeugd had geleerd. Toen gaf hij mij boog en pijlen, en deed mij achter zich op een' olifant stijgen. Bij bragt mij eenige uren ver buiten de stad in een groot bosch. Hier hield hij stil, liet mij afstijgen, en wees mij een' grooten boom aan. „Klim,” zeide hij, „in dezen boom, en schiet op de olifanten, welke hier voorbij zullen trekken, want dit bosch is zeer uitgestrekt en er zijn hier vele van die dieren. Als er een olifant gevallen is, kom het mij dan zeggen.” Daarna gaf hij mij eenige levensmiddelen en keerde naar de stad terug, terwijl ik gedurende dien dag en den ganschen nacht in mijn' boom op den uitkijk zat, zonder een' enkelen olifant te vernemen. Den volgenden morgen, bij het opgaan der zon, zag ik echter een groot getal van die dieren met statigen tred aankomen. Zij trokken vlak onder mijn' boom heen, en ik schoot verscheidene pijlen op hen af. Eindelijk zag ik er een, doodelijk getroffen, nedervallen. De anderen vervolgden hun' weg, zoodat ik gerust naar de stad kon terugkeeren, om mijn' meester den goeden uitslag mijner pogingen mede te deelen. Toen ik dit gedaan had, onthaalde hij mij op eene voortreffelijke wijze, prees mijne handigheid en overlaadde mij met loftuitingen. Daarna begaven wij ons naar het bosch, waar wij een' grooten kuil maakten en den gedooden olifant begroeven, met het voornemen om terug te komen, als het dier verteerd zou zijn, en het dan de tanden te ontnemen.

Ik zette deze jagt gedurende twee maanden voort, en er ging geen dag voorbij, waarop ik niet een' olifant doodde. Ik plaatste mij niet altoos op den zelfden boom, maar nu op den eenen, dan op den anderen. Op een' morgen, dat ik op de komst der olifanten zat te wachten, zag ik tot mijne groote verwondering, dat zij in veel grooteren getale aankwamen, en, in plaats van mij als naar gewoonte voorbij te trekken stil hielden, terwijl zij zulk een verschrikkelijk gedruisch maakten, dat de grond onder hunne pooten beefde. Zij naderden den boom, waarop ik mij bevond, omringden dien met uitgestrekte tromp, en hielden de oogen op mij gerigt. Op dit dreigend schouwspel, bleef ik bewegingloos zitten, en de schrik beving mij zoodanig, dat boog en pijlen mij uit de handen vielen.

Mijne vrees was niet ongegrond. Toen de olifanten mij eenigen tijd hadden aangestaard, als of zij mij met hunne dreigende ogen uit den boom wilden kijken, sloeg een der grootste zijn' slurf om den stam, en spande zich zoo in, dat hij hem met de wortels uit den grond rukte en ter aarde wierp. Ik viel met den boom mede; het dier omvatte mij met zijn' snuit en plaatste mij op zijn' rug. Meer dood dan levend, zette ik mij zoo veel mogelijk vast, met mijn' pijlkoker op den schouder. De olifant stelde zich nu aan het hoofd van den troep, legde een groot eind weegs af, zette mij toen op den grond, en vertrok met zijne makkers zonder mij eenig leed te doen. Verbeeldt u mijne verbazing. Ik meende eerst te droomen, doch geene olifanten meer bespeurende, stond ik op, en zag, dat ik mij op een' heuvel bevond van aanzienlijken omvang, en geheel bedekt met beenderen en olifantstanden. Dit gaf mij veel stof tot nadenken. Ik twijfelde of het was de algemeene begraafplaats der olifanten, en zij hadden mij hier heen gebragt, om mij die aan te wijzen; opdat ik mogt ophouden, hen om hunne tanden langer te vervolgen. Ik hield mij op den heuvel niet op; maar keerde naar de stad terug, waar ik, na een' dag en nacht geloopen te hebben, half uitgehongerd bij mijn' meester aankwam. Ik had op mijn' weg geen' enkelen olifant ontmoet, hetgeen mij deed denken, dat zij zich dieper in het bosch hadden begeven, om mij den weg naar den heuvel vrij te laten, en nog bewonder ik het instinkt van deze dieren, dat aan menschelijk verstand schijnt te grenzen.

Zoodra mijn meester mij zag, liep hij verblijd naar mij toe. „Ach! Sindbad,” riep hij uit, „ik was zoo ongerust over u. Ik ben naar het bosch geweest, vond daar een kortelings ontwortelden boom en uw' boog en pijlen op den grond liggen. Ik heb u geroepen en gezocht, en ten laatste ben ik, zonder hoop u immer te zullen wederzien, naar huis terug gekeerd. Verhaal mij toch, als ik u bidden mag, wat u is overkomen.” Ik voldeed aan zijn verlangen; en toen wij ons den volgenden dag naar den heuvel begaven, zag hij tot zijne groote blijdschap, dat ik hem de waarheid gezegd had. Wij belaadden den olifant, waarmede wij gekomen waren, met zoo vele tanden, als hij dragen konde, en keerden vrolijk naar de stad terug. „Broeder!” zeide nu mijn meester, „(want als zoodanig wil ik u beschouwen, en niet meer als slaaf, na de dienst, die gij mij hebt bewezen, door eene ontdekking, die mij tot een schatrijk man zal maken), dat Allah u met goederen overlade, en u voorspoed geve op al uwe wegen! Ik verklaar u ten Zijnen aanhooren, dat gij van dit oogenblik af een vrij man zijt. Ik heb voor u verborgen gehouden, hetgeen gij nu van mij zult vernemen.

[Illustratie: De drie Appelen.

Dl. II, pag. 105.]

De olifanten brengen jaarlijks een groot aantal slaven om het leven, die wij naar het bosch zenden, om die dieren te dooden, en ons met hunne tanden te verrijken. Welken raad wij hun ook geven, allen komen vroeg of laat door de list der olifanten om. Allah heeft u voor hunne woede beveiligd, eene gunst, die aan niemand vóór u is te beurt gevallen. Dit is een bewijs, dat Hij u lief heeft, en gij een werktuig zijt in zijne hand, om wel te doen in deze wereld. Gij brengt mij een ongeloofelijk voordeel aan; wij konden tot heden geen ivoor bekomen, zonder het leven van onze slaven in gevaar te stellen, doch door uw toedoen zal onze geheele stad rijk worden. Geloof niet, dat ik mij zal te vreden stellen met u de vrijheid te schenken, ik zal daaraan groote goederen toevoegen. Ik zou de gansche stad kunnen oproepen om u rijk te maken, en dit zou niet te vergeefs zijn; maar deze eer behoud ik mij zelven voor; ik wil die met niemand deelen.”