Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Tweede deel
Part 7
Ik ging vervolgens nogmaals in de grot, en nam uit de doodkisten al de juweelen, al het goud en al de kostbare kleederen, die ik in handen kreeg. Ik bragt dit alles aan het strand, maakte er balen van, en bediende mij daartoe van de touwen, die bij het aflaten der doodkisten gebruikt werden, en dus in groote menigte voorhanden waren. Ik liet mijne goederen aan het strand, tot dat zich, gelijk ik hoopte, een schip zou vertoonen en mij aan boord nemen; want ik behoefde niet bang te zijn, dat mijne waren door den regen bederven zouden, daar het den tijd van den droogen mousson was.
Na verloop van twee of drie dagen zag ik werkelijk een schip, dat zoo even de haven had verlaten en het strand, waar ik mij bevond, op niet grooten afstand voorbij zeilde. Ik maakte het linnen van mijnen tulband los, waaide daarmede, en schreeuwde uit alle magt om mij te doen hooren. Men had mij spoedig opgemerkt, en de sloep werd uitgezet om mij af te halen. Op de vraag der matrozen door welk ongeluk ik mij op die eenzame plaats bevond, gaf ik ten antwoord, dat ik voor vier dagen op deze kust schipbreuk had geleden, en dat ik met mijne goederen, die aangespoeld waren, hier moest blijven, omdat ik niet over de steile rotsen kon komen. Gelukkig voor mij, stelden deze eenvoudige lieden zich hiermede tevreden, en namen mij, zonder eenig onderzoek te doen, met mijne balen in hunne sloep op.
De kapitein, die het druk had met zijne bevelen uit te deelen, nam mij aan boord, zonder mij met vragen lastig te vallen, die mij in groote verlegenheid hadden kunnen brengen. Hij betuigde mij alleen zijne blijdschap, dat hij aan een' schipbreukeling eene dienst had kunnen bewijzen, en hij was onbaatzuchtig genoeg, om de juweelen, welke ik hem voor mijne reiskosten aanbood, niet aan te nemen.
Wij zeilden voorbij verscheidene eilanden en ankerden onder anderen bij het Klokken-eiland, gelegen omstreeks tien dagreizen van Serendib en zes dagreizen van het eiland Kela. Op dit eiland vindt men loodmijnen en uitmuntende kamfer.
De koning van het eiland Kela is zeer rijk en magtig; hij is tevens gebieder van het geheele Klokken-eiland, dat eene uitgestrektheid, heeft van twee dagreizen, en welker bewoners nog zoo barbaarsch zijn, dat zij menschenvleesch eten. Wij dreven daar echter een' aanzienlijken handel, gingen toen weder onder zeil en deden nog verscheidene andere havens aan. Eindelijk kwam ik behouden te Bagdad in het bezit van onschatbare rijkdommen, te veel om hier op te sommen. Ten einde Allah mijn' dank te betuigen, dat hij mij uit zoo vele doodsgevaren gered, en behouden in mijn vaderland en bij mijne betrekkingen had terug gebragt, deelde ik groote giften uit, zooveel aan de moskeeën als aan de armen. Ik wijdde mij nu geheel en al aan mijne bloedverwanten en vrienden, vermaakte mij met hen en maakte goede sier.”
Met deze woorden besloot Sindbad het verhaal van zijne vierde reis, dat de verbazing van zijne hoorders in nog hoogere mate opwekte, dan dat zijner drie voorgaande reizen. Hij deed aan Hindbad op nieuw een geschenk van honderd sequinen uitreiken, en noodigde hem uit den volgenden dag terug te komen om bij hem te eten, en het verhaal van zijne vijfde reis aan te hooren. Toen het gezelschap den dag daaraan zich weder ten zijnen huize bevond en de maaltijd was afgeloopen, ving Sindbad aldus aan:
VIJFDE REIS VAN SINDBAD DEN ZEEMAN.
„Het genoegelijke leven, dat ik met mijne vrienden leidde, wischte weldra de vermoeijenissen en rampen, die ik had doorgestaan, uit mijn geheugen, zoodat ik na eenigen tijd reeds weder lust gevoelde om nieuwe reizen te doen. Ik kocht alzoo weder eene menigte koopwaren, die ik in balen pakte en op wagens liet laden, en waarmede ik mij naar de naaste zeehaven begaf. Om niet van den kapitein afhankelijk te zijn, liet ik op eigen kosten een schip dusdanig bouwen en uitrusten, als ik dit verlangde. Zoodra het schip gereed was, deed ik mijne goederen daarin laden en begaf mij aan boord, eenige kooplieden met hunne waren medenemende.
Met den eersten gunstigen wind ligtten wij het anker, en bevonden ons weldra in de ruime zee. Wij waren reeds eenige weken onder zeil geweest, toen wij gebrek aan drinkwater kregen, en voor een onbewoond eiland het anker lieten vallen om onze watervaten te vullen. Hier vonden wij een ei van gelijke grootte en omvang als dat, wat ik u vroeger heb beschreven. Het bevatte een' jonge rok, die spoedig zou uitkomen, en waarvan de bek reeds zigtbaar was. De kooplieden, die zich aan boord van mijn schip bevonden, en met mij aan land waren gegaan, hakten met een' bijl in het ei en maakten daarin eene opening, waardoor zij den jongen rok bij gedeelten te voorschijn haalden, en dien zij daarna lieten braden. Ik had hen ernstig gewaarschuwd, dat zij het ei onaangeroerd zouden laten, maar zij wilden naar mijn' raad niet hooren.
Naauwelijks hadden zij hunnen maaltijd geëindigd, of er vertoonden zich in de lucht op een' vrij grooten afstand twee donkere wolken. De kapitein, dien ik gehuurd had om mijn schip te besturen, bij ondervinding wetende, wat dit te beduiden had, zeide dat het de vader en de moeder van den jongen rok waren. Hij drong er op aan, dat wij terstond aan boord moesten gaan om, zoo mogelijk, het ongeluk, dat hij voorzag, te voorkomen. Wij volgden zijn' raad en gingen dadelijk onder zeil.
Intusschen naderden de twee rokken met een groot geschreeuw, dat nog verdubbelde toen zij bemerkten in welken toestand zich het ei bevond. Daarop vlogen zij weder weg naar den kant, van waar zij gekomen waren. Wij verloren hen voor een' korten tijd uit het oog, en de kapitein liet alle zeilen bijzetten, ten einde het gevaar te ontkomen, dat ons bedreigde.
De beide vogels kwamen terug, en wij bemerkten, dat elke rok een stuk rots, zoo groot als een' kleinen berg, in zijne klaauwen medebragt. Toen zij vlak boven mijn schip waren, staakten zij hunne vlugt, en op hunne wieken drijvende, liet de eene zijn stuk vallen, doch door de handigheid van den stuurman, die het roer omwierp en het schip deed zwenken, viel het in zee. Het water week, zoodat wij bijna den grond konden zien. Tot ons ongeluk liet echter de andere rok zijn stuk rots zoo juist op het midden van het schip vallen, dat het aan duizend stukken werd geslagen. De matrozen en de kooplieden werden allen door de rots verpletterd en zonken in de diepte der zee. Ook ik zonk eenige vademen diep, doch hield mijn' adem in, kwam weder boven, en had het geluk mij vast te klemmen aan een in mijne nabijheid drijvend stuk van het wrak. Mij nu eens met de eene, dan weder met de andere hand vasthoudende, werd ik, daar wind en stroom mij gunstig waren, eindelijk op een eiland geworpen. De kust was hoog en steil, doch ook deze zwarigheid kwam ik te boven. Ik zette mij in het gras om een weinig van mijne vermoeijenis te bekomen; en zoodra ik mij sterk genoeg gevoelde, stond ik weder op en ging dieper landwaarts in, om het eiland te verkennen. Dit viel mij mede; want overal bevond ik mij te midden van een' lusthof, vol van de schoonste vruchtboomen, allen beladen met rijp en half rijp ooft, de grond geleek een bloemtapijt, waardoor zich beekjes van het helderste water kronkelden. Ik plukte en at van de heerlijke vruchten, dronk van het heldere water, en ik gevoelde mij, zelfs in mijn ongeluk, gelukkig.
Toen ik mij aldus verkwikt had en mijne wandeling verder voortzette, zag ik aan den oever van ene beek een' grijsaard zitten, die mij toescheen zeer gebrekkig te zijn. Ik dacht in het eerst dat hij, gelijk ik, hier schipbreuk had geleden. Ik ging naar hem toe, en groette hem, waarop hij alleen met eene hoofdbuiging antwoordde. Ik vraagde hem vervolgens, wat hij daar deed, doch in plaats van te antwoorden, gaf hij mij een teeken, dat ik hem op mijne schouders nemen en door de beek zou dragen, ten einde aan de overzijde, zoo als hij verder te verstaan gaf, eenige vruchten te gaan plukken.
Ik meende, dat hij er werkelijk behoefte aan had, dat ik hem deze dienst bewees, en daarom nam ik hem zonder dralen op mijnen rug, en waadde met hem door de beek, die zeer ondiep was. „Klim af,” zeide ik nu, en kromde mij om hem het afstijgen gemakkelijk te maken. Doch in plaats van zich te laten afglijden (ik moet nog lagchen zoo dikwijls ik er aan denk), sloeg deze verduivelde grijsaard, dien ik voor gebrekkig had aangezien, zijne beide beenen met vlugheid om mijn' hals, en ik zag nu, dat het vel daarvan veel geleek op eene gedroogde koehuid. Terwijl ik deze opmerking maakte, zette hij zich op mijne schouders, gelijk een schoenmaker op zijn' driestal, en wrong mij de keel zoo digt, dat ik niet anders dacht, of hij verworgde mij. Een plotselinge schrik beving mij, en ik viel in zwijm. De lastige grijsaard bleef altoos aan mijn' hals hangen; alleen ontsloot hij zijne beenen een weinig, ten einde mij gelegenheid te geven om weder tot mij zelven te komen. Toen drukte hij den eenen voet krachtig tegen mijne maag, en schopte mij met den anderen zoo lang in de lenden dat ik, mijns ondanks, verpligt was op te staan. Zoodra ik weder overeind was, dwong hij mij voort te gaan en vruchten voor hem te plukken. Hij verliet dien geheelen dag mijne schouders niet, en toen ik mij des nachts ter ruste wilde begeven, legde hij zich met mij op den grond neder, zonder mijn' armen hals een oogenblik los te laten. Elken morgen wekte hij mij, door mij met de hielen in de lenden te schoppen, en dwong mij dan, door mij den hals bijna toe te knijpen, om op te staan, en hem te dragen, waarheen hij wezen wilde. Stelt u mijn' toestand voor, mijne heeren! dag en nacht zulk een' last te moeten dragen, zonder er mij van te kunnen ontslaan.
Eens vond ik op mijn' weg verscheidene drooge pompoenen, die van een' boom waren gevallen; ik zocht er eene der grootste uit, die ik mede nam. Na hem goed gereinigd te hebben, perste ik eenige druiven uit, liet het sap in mijne soort van flesch loopen, en vulde ze tot aan den hals. Ik verborg nu mijne met druivensap gevulde kalebas, en wist het zoo aan te leggen, dat wij na eenige dagen weder langs die plaats kwamen. Nu nam ik mijne kalebas, bragt die aan den mond, en dronk een' overheerlijken wijn, die mij zoo opwekte, dat ik bijna mijn treurig lot vergat. Ik gevoelde mij zoo opgeruimd, dat ik begon te zingen, en met mijne vracht op den rug meer danste dan liep.
Toen de grijsaard bemerkte, dat die drank mij vrolijk maakte, en ik hem met veel meer gemak en lust droeg dan gewoonlijk, gaf hij mij door teekenen te verstaan, dat ik ook hem moest laten drinken. Ik reikte hem mijne kalebas toe, hij nam die, en daar mijn wijn hem zeer lekker smaakte, dronk hij haar tot den laatsten droppel ledig. Er was nog genoeg in om hem dronken te maken, en hij werd het ook. Terwijl de dampen van den wijn hem meer en meer naar het hoofd stegen, ving ook hij aan op zijne wijze te zingen, en op mijne schouders eene soort van dans uit te voeren. Door dit hotsen gaf zijne maag terug, wat hij te gulzig had gedronken, en werden zijne beenen allengskens losser. Zoodra ik dit bemerkte, wierp ik hem met een' duchtigen schok van mijne schouders in het zand, waar hij bedwelmd bleef liggen. Ik nam nu een' grooten steen op en verpletterde hem de hersenpan. Mijne blijdschap was zeer groot, toen ik mij van dezen verwenschten grijsaard had verlost. Ik ging naar het strand, en tot mijne niet minder groote vreugde ontmoette ik eenige matrozen, die daar met hun schip voor anker lagen, om versch water in te nemen. Zij waren zeer verwonderd, toen zij mij zagen, en nog meer, toen zij mijne lotgevallen vernamen, waarmede ik hen in weinige woorden bekend maakte. „Gij waart,” zeiden zij, „in handen gevallen van den grijsaard van de zee, en gij zijt de eerste, dien hij niet heeft verworgd; nooit heeft hij den ongelukkige, van wien hij zich had meester gemaakt, weder losgelaten, dan na hem gestikt te hebben. Hij heeft dit eiland berucht gemaakt door het groote aantal lieden, die hij gedood heeft; en de vrees, die hij aan alle zeevarenden inboezemt, is zoo groot, dat matrozen en kooplieden, alleen in groot gezelschap, voet aan land durven zetten.”
Toen zij mij dit gezegd hadden, namen zij mij mede aan boord van hun schip. De kapitein ontving mij zeer vriendelijk; en als hij vernam, wat mij was overkomen, betuigde hij mij, verheugd te zijn, dat ik aan zulke gevaren ontsnapt was. Hij ging weder onder zeil, en na eenige dagen lieten wij het anker vallen voor eene groote stad met steenen huizen, die anders gewoonlijk slechts van hout of van bamboes zijn gemaakt.
Een der kooplieden van het schip, die zich mijner in vriendschap had aangetrokken, nam mij met zich naar de stad en bragt mij in een huis, ingerigt om schipbreukelingen of vreemde kooplieden zonder vermogen op te nemen. Hij gaf mij vervolgens een' grooten zak, en beval mij aan in de bescherming van eenige lieden, die allen van dergelijke zakken voorzien waren; hij verzocht hun, dat zij mij zouden medenemen om kokosnoten in te zamelen. „Ga,” zeide hij nu tegen mij, „met deze lieden; doe, gelijk gij hen zult zien doen, en draag zorg u niet van hen te verwijderen, gij zoudt anders uw leven in gevaar brengen.” Hij gaf mij ook levensmiddelen voor dien dag, en ik vertrok met die menschen.
Wij kwamen in een groot bosch van regt opgaande en hemelhooge boomen, wier stammen zoo glad waren, dat er voor den besten klimmer geene mogelijkheid bestond, zelfs de onderste takken, waaraan zich de vruchten bevonden, te bereiken. Het waren allen kokosboomen, met wier noten wij onze zakken wenschten te vullen. De apen, waarvan wij eene groote menigte zagen, waren echter betere klimmers dan wij, want zoodra deze dieren ons vernamen, vlugtten zij in de boomen, en klauterden met eene verwonderlijke vlugheid tegen de gladde stammen op.
De lieden, die bij mij waren, namen steenen op en wierpen die uit alle magt naar te toppen der boomen en naar de apen, die daar hunne wijkplaats hadden genomen. Ik deed gelijk de anderen, en nu bemerkte ik, dat de apen ons goede diensten bewezen, want in hunnen toorn gingen zij met verbazende vlugheid aan het plukken, en wierpen ons de noten toe, die wij nu maar hadden op te rapen en in onze zakken te doen. Nu en dan wierpen wij weder met steenen om de apen aan het werk te houden, en door deze list vulden wij spoedig onze zakken met vruchten, wat ons anders onmogelijk zou zijn geweest. Toen een ieder onzer zijn' zak gevuld had, keerden wij naar de stad terug, en de koopman, die mij naar het bosch had gezonden, betaalde mij de waarde voor de kokosnoten, die ik had medegebragt.
„Ga,” zeide hij, „elken dag naar het bosch tot dat gij genoeg verdiend zult hebben, om de kosten voor de terugreis naar uw vaderland te kunnen betalen.” Ik bedankte hem voor zijn' goeden raad, en verzamelde zoo vele kokosnoten, dat ik eene aanzienlijke som kon opleggen. Ik wachtte nu slechts op eene gunstige gelegenheid om naar mijn geboorteland terug te keeren, en zoodra deze zich opdeed, liet ik mijne kokosnoten aan boord brengen. Vervolgens nam ik afscheid van den koopman, aan wien ik zoo veel verpligting had, en ging scheep.
Daar de wind gunstig was, gingen wij dadelijk onder zeil, en zetten koers naar een eiland, waar de peper in grooten overvloed groeit. Van daar gingen wij naar Comara, waar de beste aloé wordt gevonden. Bij de bewoners dier eilanden is het eene wet, zich van wijn en van alle uitspattingen te onthouden.
Hier verruilde ik mijne kokosnoten tegen peper en aloéhout. Ook ondernam ik met andere kooplieden de parelvisscherij. Ik nam eenige duikers aan, die eene menigte groote en zeer schoone parelen voor mij opvischten. Verheugd over zulk eene rijke vangst, scheepte ik mij in op een schip, dat regelregt naar Balsora zeilde, waar ik behouden aankwam. Van daar vertrok ik onmiddelijk naar Bagdad, en verkocht er mijne peper, mijn aloéhout en mijne parelen zeer duur. Het tiende deel van mijne winst deelde ik uit aan aalmoezen en zocht mijne doorgestane vermoeijenissen in een genoegelijk leven te vergeten.”
Bij het eindigen van deze woorden deed Sindbad weder honderd sequinen aan Hindbad geven. Den volgenden dag kwamen de zelfde gasten nogmaals bij den rijken Sindbad ter maaltijd, en na hen even als de vorige dagen heerlijk onthaald te hebben, begon hij het verhaal van zijne zesde reis.
ZESDE REIS VAN SINDBAD DEN ZEEMAN.
„Mijne Heeren!” zeide hij, „gij zult moeijelijk kunnen begrijpen hoe ik, na het doorstaan van zoo vele rampen, en na vijf malen schipbreuk te hebben geleden, kon besluiten nieuwe gevaren te gaan zoeken. Als ik er wel over nadenk, ben ik zelf verwonderd over mijne dwaasheid, maar mijn noodlot dwong er mij voorzeker toe. Hoe dit zij, na een jaar rust, maakte ik aanstalten om eene zesde reis te ondernemen. Wat ook mijne bloedverwanten en vrienden mogten zeggen, om mij van mijn voornemen af te brengen, het was te vergeefs!
Wederom nam ik mijn' weg door Perzië en Indië, tot dat ik eene zeehaven bereikte. Hier ging ik scheep met een' kapitein, die voornemens was eene zeer lange reis te doen. Zij was in waarheid lang, maar tevens zoo ongelukkig, dat de kapitein en de stuurman van den koers afdwaalden, en volstrekt niet meer wisten, op wat lengte of breedte wij ons bevonden. Toen zij dit eindelijk ontdekten, was het waarlijk voor ons geene aangename zaak. Verbeeldt u onzen schrik, toen wij den kapitein eensklaps zijn' post zagen verlaten, terwijl hij in wanhoopskreten uitbarstte. Hij was als zinneloos, wierp zijn' tulband op het dek, rukte zich den baard uit, en sloeg zich met de vuisten voor het hoofd. Wij vraagden wat hem zoo wanhopig maakte. „Ik moet u zeggen,” antwoordde hij, „dat wij ons op de gevaarlijkste plaats der zee bevinden. Een zeer sterke stroom voert het schip mede, en eer een kwartier verloopen is, zijn wij misschien allen kinderen des doods. Bidt Allah, dat hij medelijden met ons hebbe, en ons uit dit gevaar redde, of wij zijn verloren.” Te gelijk beval hij alle zeilen bij te zetten, maar ook dit mogt niet baten; de stroom sleepte het schip met onweerstaanbare kracht mede naar eene ongenaakbare rots, waar tegen het aan stukken stiet. Wij hadden echter den tijd, niet alleen ons leven, maar tevens onzen voorraad en onze kostbaarste goederen te bergen, alvorens het schip uiteensloeg. Nu dachten wij het gewonnen te hebben, maar de kapitein zeide: „Wat verblijdt gij u! Wij bevinden ons hier op eene rots, van waar nog nooit een schipbreukeling levend is afgekomen. Zijn wij al niet in de golven omgekomen, er blijft ons niets over dan hier onze graven te maken en te sterven.” Deze woorden van den kapitein stortten ons in eene diepe droefheid; wij omhelsden elkander met tranen in de oogen en betreurden ons ongelukkig lot, dat ons aan een zoo onherbergzaam strand had geworpen.
De rots, aan wier voet wij waren, bevond zich aan de kust van een uitgestrekt eiland, maar zij was zoo hoog en zoo steil, dat er geene mogelijkheid bestond, haar te beklimmen, en had een onzer hieraan nog getwijfeld, de geraamten en de beenderen der schepelingen, die vóór ons hier aan het strand waren geworpen en er hun' dood hadden gevonden, zouden er hem het overtuigendste bewijs van hebben gegeven. De geheele kust lag als bezaaid met wrakken van schepen. Ongeloofelijk groot was de rijkdom aan koopmansgoederen, die hier aangespoeld waren. Dit alles strekte echter slechts om onze wanhoop te vergrooten. Wat toch baten alle schatten der aarde, indien men er geen gebruik van kan maken, en een zekere dood ons voor oogen staat! Ik ontdekte nu ook, waardoor de schepen naar deze noodlottige kust werden gedreven. In de rots, die uit kristal, robijnen en andere edelgesteenten bestond, was eene breede grot, waarin zich de zee met geweld als in een' afgrond nederstortte; hierdoor ontstond die sterke stroom. Van de rots stroomde in de zee eene bron, wier water zwart van kleur was en geheele stukken pek of jodenlijm met zich voerde, die door de visschen ingeslikt en als stukken barnsteen uitgeworpen, door de golven aan strand werden gespoeld. Eindelijk vonden wij er ook aloëhout, niet minder deugdzaam dan dat, hetwelk op het eiland Camara groeit. Maar iets, om ons leven mede te rekken, zooals vruchten, eetbare wortels, schildpadden of schelpdieren ontbraken er geheel. Waren alzoo onze levensmiddelen, die wij geborgen hadden, opgeteerd, dan stond ons de hongerdood met al zijne ijsselijkheden voor oogen. Dit maakte ons half zinneloos; en dagen lang zaten wij elkander zwijgend en wanhopig aan te staren.
Reeds in den aanvang hadden wij onzen voorraad onder elkander verdeeld, en zoo bezweek ook de eene vroeger dan de andere, naar mate hij een zwak of sterk gestel had, of van zijn' voorraad met meerdere of mindere spaarzaamheid had gebruik gemaakt. Die het eerst stierven, werden door de nog levenden begraven. Ik bewees die laatste eer aan al mijne lotgenooten.
Dit, mijne vrienden, moet u niet bevreemden. Ik was met den mij toegedeelden voorraad zeer zuinig geweest. Bovendien had ik mij aan boord nog van het een en ander voorzien, en hiervan liet ik mijnen makkers niets blijken. Dit moge onbarmhartig schijnen, maar wat beteekende dat weinige voor ons allen! Ik wil evenwel niet ontkennen, dat de wensch om mijn leven zoo lang mogelijk te rekken, mij zelfzuchtig maakte. En toch toen ik den laatsten mijner medgezellen ter aarde had besteld, bleef mij zoo weinig voorraad over, dat ik er aan begon te denken ook mijn eigen graf te graven, met het doel om mij daarin te werpen, als ik den dood voelde naderen. Bij dezen treurigen arbeid dacht ik er onwillekeurig aan, dat ik zelf de schuld van mijn ongeluk was, door niet naar den raad van mijne vrienden te hebben geluisterd. Het berouwde mij nu, dat ik mijne zesde reis ondernomen had. Ik trok mij de haren uit het hoofd, en liep als een waanzinnige naar de grot, om mij in den stroom te storten, en zoo een einde aan mijn leven te maken. Maar Allah had anders over mij besloten; hij deed mij op eene gedachte komen, die mij weder hoop gaf. „Deze rivier,” dacht ik, „die onder de rots doorloopt en zich in de zee uitstort, moet een begin hebben. Indien ik nu eens een vlot maak en mij aan den loop van dit water overgeef, zal ik mogelijk een bewoond land bereiken. Kom ik hierbij om, het zal slechts eene andere soort van dood zijn, dan die mij hier te wachten staat. Blijf ik integendeel behouden, dan zal ik niet alleen het treurige lot van mijne makkers ontgaan, maar welligt op nieuw in de gelegenheid komen om mij te verrijken. Wie weet, of het geluk mij niet wacht aan de andere zijde van deze noodlottige plaats, om mij mijne schipbreuk met woeker te vergoeden.”
Dit was met regt kasteelen in de lucht bouwen, maar ik was reeds zoo dikwijls aan niet minder groote gevaren ontkomen, dat ik, als 't ware, op mijn geluk steunde. Ik ging met ijver aan het werk, en daar het mij niet aan materialen ontbrak (want planken en touwwerk had ik maar voor het uitkiezen) maakte ik in korten tijd een stevig vlot, en een paar riemen. Toen een en ander gereed was, belaadde ik het met balen robijnen, smaragden, rotskristal, amber en andere kostbare stoffen. Vervolgens maakte ik mijn vlot los, en de hulp van Allah inroepende, gaf ik mij aan den stroom over.