Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Tweede deel
Part 6
Dat hij _mij_ niet herkend had, was eerder te begrijpen, daar hij in de stellige overtuiging verkeerde, dat ik mij reeds lang in het rijk der dooden bevond. „Kapitein,” zeide ik, „is het zeker, dat de koopman, wien deze balen toebehooren, Sindbad heette?” „Ja,” antwoordde hij, „zoo noemde hij zich; hij was van Bagdad, en heeft zich te Balsora op mijn vaartuig ingescheept. Eens, dat wij aan een eiland aanlegden, om water en eenige ververschingen in te nemen, en hij zich met andere kooplieden aan wal begaf, is hij achtergebleven, en wij misten hem niet, vóór dat wij reeds eenige uren onder zeil waren. De wind maakte het ons onmogelijk den steven te wenden en hem af te halen.” „En gij meent dat hij dood is?” hernam ik. „Daarvan ben ik zoo goed als zeker,” antwoordde hij. „Welnu! kapitein,” ging ik voort, „open dan uwe oogen eens goed. Ik ben die Sindbad, welken gij op dat onbewoonde eiland hebt achtergelaten. Ik had mij bij eene beek nedergezet en was in slaap gevallen. Bij mijn ontwaken zag ik niemand meer van hen, die met mij aan land waren gegaan.” Nadat ik dit gezegd had, zag de kapitein mij sterk aan.
Hij bleef eenigen tijd in die houding staan, en hield zijne oogen onafgewend op mij. Eindelijk echter scheen hij zich mijne gelaatstrekken te herinneren, en tot de overtuiging te komen, dat ik werkelijk die Sindbad was, dien hij voor dood had gehouden. „Allah zij geprezen,” riep hij uit, viel mij om den hals, „ik ben opgetogen van vreugde, dat ik door mijn' misslag niet schuldig ben aan uw' dood. Zie hier uwe goederen; zij zijn niet verminderd, maar vermeerderd, daar ik er een' gelukkigen handel mede heb gedreven, opdat uw kapitaal niet renteloos op uwe erfgenamen zou overgaan. Ik geef u alles met de daarop verkregen winst terug.”
Van het eiland Salahad vertrokken wij naar een ander, waar ik eene goede lading kruidnagelen, kaneel en andere specerijen insloeg. Op onze terugreis zagen wij een' haai van twintig ellebogen lengte; alsmede een' anderen visch die veel op eene koe geleek. Zijne huid is zoo dik en hard, dat men er schilden van maakt, waardoor geen pijl kan dringen. Eindelijk liepen wij, na eene lange reis, te Balsora binnen. Van daar keerde ik naar Bagdad met een' grooten rijkdom aan geld en goederen terug. Wederom schonk ik daarvan een aanzienlijk deel aan de armen, en kocht nog verscheidene nieuwe landgoederen.”
Aldus eindigde Sindbad het verhaal van zijne derde reis. Hij deed Hindbad weder honderd sequinen geven en noodigde hem tegen den volgenden dag op het middagmaal, om het verhaal van zijne vierde reis aan te hooren. Zoodra de maaltijd op den volgenden dag afgeloopen was, nam Sindbad het woord, en zette aldus het verhaal van zijne hoogst zonderlinge lotgevallen voort.
VIERDE REIS VAN SINDBAD DEN ZEEMAN.
„De genoegens, die ik na mijne derde reis in ruime mate mogt smaken, hadden toch voor mij zoo veel bekoorlijks niet, dat daardoor mijne lust, om verre landen te bezoeken en vreemde dingen te zien, kon worden uitgebluscht. Ik stelde dus orde op mijne zaken, voorzag mij van een' goeden voorraad van allerlei kostbare koopwaren, en vertrok. Ditmaal voegde ik mij bij eene karavaan, die naar Perzië ging. Ik doorreisde verscheidene provinciën van dat uitgestrekte rijk, totdat ik eene zeehaven bereikte, waar ik mij inscheepte. Wij gingen onder zeil, en reeds hadden wij verscheidene havens aan het vasteland en eenige eilanden in de Indische zee bezocht, toen wij door een' orkaan werden overvallen, zoodat de kapitein zich verpligt zag de zeilen te strijken, en maatregelen te nemen om het gevaar af te wenden, waarmede wij bedreigd werden. Al onze voorzorgen waren echter vruchteloos; de bevelen van den kapitein werden niet goed of te langzaam uitgevoerd, de zeilen vlogen los en aan stukken, het roer werd weggeslagen en het nu niet meer te besturen schip stiet op een rif en berstte. Vele passagiers verdronken, en de lading ging geheel verloren. Eenige der kooplieden en matrozen,” vervolgde Sindbad, „en ik, wij hadden het geluk, ons aan planken of andere drijvende overblijfselen van het uiteengeslagen schip vast te klemmen, en wij werden door den vloed, die zeer sterk was, op de kust geworpen van het eiland, dat voor ons lag. Wij vonden daar vruchten en eene bron van zoet water, wat ons zeer te stade kwam om onze krachten te herstellen. Wij bragten den nacht door op de plaats, waar de zee ons had aangespoeld, zonder nog te hebben nagedacht over hetgeen ons verder te doen stond. Onze verslagenheid over de ramp, die ons getroffen had, was daartoe te groot.
Den volgenden dag echter, zoodra de zon opkwam, verwijderden wij ons van het strand, en het eiland dieper ingaande, zagen wij spoedig eenige woningen, waarheen wij nu haastig onze schreden rigtten. Bij onze komst in het gehucht, dat uit een twintigtal hutten bestond, kwamen vele zwarten naar ons toeloopen. Zij omringden ons, maakten zich van onze goederen meester, en na die onder elkander verdeeld te hebben, bragten zij ons naar hunne woningen.
Met vijf van mijne kameraden kwam ik in het zelfde huis. Men deed ons nederzitten, diende ons een zeker kruid voor, en noodigde ons door teekenen uit om daarvan te eten. Het geregt zag er niet onsmakelijk uit en had een' aangenamen geur. Mijne makkers hierdoor verlokt, en alleen hunne hongerige magen raadplegende, vielen dadelijk aan, zonder op te merken, dat zij, die het ons voorzetten, er zelven niet van aten. Wat mij aangaat, door een voorgevoel gedreven, dat er welligt achter deze gastvrijheid der zwarten iets anders mogt schuilen, ik nam den schijn aan van te eten, maar zette er den mond niet aan. Ik bevond er mij wel bij, want weldra bleek het, dat mijne kameraden geheel buiten zinnen waren, en niet meer wisten wat zij zeiden.
Vervolgens diende men ons rijst voor, toebereid met kokosolie, en mijne van hun verstand beroofde makkers aten er duchtig van. Ik gebruikte slechts zeer weinig, naauwelijks genoeg om mijn' honger te stillen.
En raadt nu eens, mijne heeren!” vervolgde Sindbad, „waarom die lieve zwarten ons eerst dat kruid toedienden, en ons vervolgens op rijst onthaalden? Het eigenbelang speelde hier de hoofdrol, de gastvrijheid kwam niet in aanmerking; het waren menscheneters. Het bedwelmende kruid moest dienen, om ons het bewustzijn te benemen van het lot, dat ons te wachten stond (want te veel verdriet vermagert), en zij gaven ons rijst om ons vet te maken. Met mijne makkers hadden zij hun doel bereikt: zij hadden geen besef van hunnen toestand, aten zooveel zij maar konden en werden dagelijks dikker en vetter. Wat mij betreft, ik werd, in plaats van vet, nog magerder dan ik ooit geweest was.
De vrees voor zulk een' afgrijselijken dood, waardoor ik onophoudelijk gekweld werd, benam mij niet alleen den eetlust, maar deed de weinige spijzen, die ik gebruikte, in vergift veranderen. Ik kwijnde weg, en tot mijn geluk; want toen de zwarten mijne makkers geslagt en opgegeten hadden, lieten zij het daarbij niet blijven. Omdat zij zagen, dat ik mager, ontvleescht en ziek was, verschoven zij mijn' dood.
Intusschen genoot ik veel vrijheid, en men sloeg zoo weinig acht op mijne handelingen, dat dit mij in de gelegenheid stelde de woonplaats van mijne zwarte vrienden te verlaten. Een grijsaard, die mij zag gaan, en mijn voornemen giste, schreeuwde mij luidkeels na, dat ik terug moest komen. Maar wie zoo gek was, Sindbad de zeeman niet! Ik liep er slechts te sneller om, en was weldra buiten zijn gezigt. Die grijsaard was op dat tijdstip mijn eenige gevangenbewaarder, want al de anderen waren van huis en werden eerst tegen den avond terug verwacht: iets dat meermalen plaats had. Zij zouden dus bij hunne terugkomst het vogeltje gevlogen en de kooi ledig vinden, zonder veel kans te hebben mij te achterhalen; en daarop had ik gerekend. Men moet echter zijn' vijand niet te ligt achten; die zwarten kunnen loopen als windhonden en hebben een' scherpen reuk. Ik gebruikte dan de meest mogelijke voorzorg om uit hunne handen te blijven, want hiervan was ik zeker, vet of mager, zij zouden mij thans niet meer sparen. Ik liep den geheelen dag door; eerst des avonds gunde ik mij een weinig rust, en versterkte mij door eenige spijs te nemen van den kleinen voorraad, dien ik bij mijne vlugt had medegenomen. Gelukkig scheen de maan en flikkerden de sterren helder aan den blaauwen hemel, zoodat ik ook 's nachts kon voortgaan. Zoo liep ik zeven dagen lang, vermeed alle bewoonde plaatsen, en leefde, toen de voorraad verteerd was, van kokosnoten, wier kern mij tot spijs en wier melk mij tot drank verstrekte. Op den achtsten dag bereikte ik het strand; eensklaps bevond ik mij nu onder blanken, die peper plukten, welke op dat eiland in menigte groeit. Zoodra die lieden mij zagen, kwamen zij naar mij toe. Zij vraagden mij in het Arabisch wie ik was en van waar ik kwam. Verblijd dat ik mijne moedertaal hoorde spreken, voldeed ik bereidwillig aan hunne nieuwsgierigheid en verhaalde hun, hoe ik schipbreuk geleden had en op dat eiland was gekomen, waar wij in handen van wilden waren gevallen. „Maar die zwarten,” zeiden zij, „zijn menscheneters. Door welk wonder zijt gij aan hunne wreedheid ontkomen?” Ik deelde hun mede, wat u reeds bekend is, en zij waren ten hoogste verwonderd, dat ik, na het doorstaan van zoo vele gevaren en vermoeijenissen, nog in leven was.
Ik bleef bij hen totdat zij eene genoegzame hoeveelheid peper hadden ingezameld, waarna ik mij met hen inscheepte op het vaartuig, dat hen hier had gebragt, en waarmede zij nu naar het eiland terugkeerden. Zij stelden mij voor aan hun' koning, die een zeer menschlievend vorst was. Hij luisterde geduldig naar het verhaal van mijne rampen, en beklaagde mij. Hij deed mij kleederen geven, en beval, dat men mij in alles verzorgen zou.
Zijn eiland was sterk bevolkt en rijk aan allerlei voortbrengselen, waarmede de inwoners een' grooten handel dreven. Dit aangename oord en de goedheid van den edelmoedigen vorst troostten mij eenigzins over mijn ongeluk. Daar ik bij den koning in gunst stond, beijverde bijna een ieder zich om mij genoegen te doen, en beschouwde men mij niet langer als vreemdeling, maar als inboorling van het eiland.
Ik merkte inmiddels iets op, dat mij zeer vreemd voorkwam. Als de koning of een zijner onderdanen te paard reed, gebruikte hij noch zadel, noch toom of stijgbeugels. Dit deed mij de vrijheid nemen zijne majesteit te vragen, waarom men zich bij het paardrijden niet van deze gemakken bediende. Hij antwoordde mij, dat ik hem daar over dingen sprak waarvan het gebruik, ja zelfs de naam, in zijn rijk onbekend was.
Dadelijk ging ik nu naar een' bekwamen werkman, en liet hem van hout een' zadel maken, naar het model, dat ik hem gaf. Deze gereed zijnde omkleedde ik hem met leder, vulde dit op met haar en versierde hem met gouden passementwerk. Daarop vervoegde ik mij bij een' slotenmaker, die mij, volgens mijne opgave, een gebit en stijgbeugels maakte.
Toen alles gereed was, bood ik den koning mijn werk aan, en legde den zadel op het paard, dat hij had laten voorbrengen, om een' rid te maken. De vorst steeg, terwijl ik den stijgbeugel vasthield, volgens mijne aanwijzing op, en zette zich in den zadel. Hij was over mijne uitvinding zeer voldaan, en deed mij dit door een rijk geschenk blijken. Ik moest nu ook voor zijne staatsdienaren, en de voornaamste officieren van zijn hof zadels maken, waarvoor zij mij geschenken gaven, die mij in korten tijd tot een rijk man maakten. Ook de aanzienlijkste inwoners der stad, kwamen er mij om vragen, en behalve ruime betaling, verwierf ik bovendien eene groote vermaardheid en genoot ik de algemeene achting.
Ik bleef inmiddels den koning getrouw bezoeken. Eens zeide hij tot mij: „Sindbad! ik heb u lief, en ik weet, dat gij bij al mijne onderdanen bemind zijt. Ik heb eene bede en ik wilde gaarne, dat gij mij die toestondt.” „Sire,” antwoordde ik, „ik ben bereid alles te doen om uwe majesteit mijne gehoorzaamheid te bewijzen; haar minste wensch zal voor mij steeds een bevel zijn.” „Ik wil u uithuwelijken,” hernam de koning, „opdat gij, door dien echt aan dit land verbonden, moogt vergeten ooit een ander vaderland gehad te hebben.” Daar ik mij tegen den bepaalden wil van den vorst niet durfde verzetten, kreeg ik eene zijner hofdames van voorname geboorte, schoon, deugdzaam en rijk, tot echtgenoot. Na de voltrekking van ons huwelijk nam ik mijn' intrek bij mijne vrouw, met welke ik eenigen tijd in volkomen eendragt, leefde. Evenwel was ik met mijn' toestand niet erg tevreden, ik kon mijn' geboortegrond, ik kon Bagdad niet vergeten, een onweêrstaanbaar verlangen naar mijn vaderland en mijne achtergelaten betrekkingen en vrienden liet mij dag noch nacht rust, en ik besloot, zoodra zich de gelegenheid aanbood, in stilte te vertrekken.
Met dit denkbeeld was ik bezield, toen de vrouw van een' mijner beste vrienden ziek werd en stierf. Toen ik mijn' vriend een woord van troost wilde toespreken, vond ik hem radeloos bedroefd. „Allah zij u genadig!” sprak ik binnentredende, „en Hij schenke u troost en een lang leven!” „Helaas!” antwoordde hij, „wat wenscht gij mij toe? Ik leef geen uur meer.” „Kom!” hernam ik, „haal u zulk eene treurige gedachte niet voor den geest; men sterft zelden van verdriet, en de tijd zal ook uwe wonde wel weêr heelen. Vergeet niet, dat gij een' vriend hebt, die in uw ongeluk deelneemt, en nog jaren zich in uwe vriendschap hoopt te verblijden.” „Ik wensch u een lang leven,” hernam hij, „doch wat mij betreft, het is met mij op deze wereld gedaan, want nog heden zal men mij met mijne vrouw begraven. Dit gebruik, door onze voorouders ingesteld, is steeds ongeschonden bewaard gebleven. De levende man wordt met zijne doode vrouw, de levende vrouw met haren dooden man begraven. Niets kan mij redden; wij zijn allen aan deze wet onderworpen.”
Terwijl mijn vriend mij met deze barbaarsche gewoonte bekend maakte, en dit nieuws mij eene rilling aanjoeg, kwamen de bloedverwanten, vrienden en buren om de begrafenis bij te wonen. Het lijk der vrouw werd, als ging zij ter bruiloft, met hare kostbaarste kleederen omhuld, en men versierde het met alles, wat zij ooit bij haar leven aan goud, zilver, paarlen en diamanten had gedragen. Toen werd het lijk in eene doodkist zonder deksel, als op een praalbed, gelegd, en de stoet stelde zich in beweging. De man ging achter de lijkbaar, aan het hoofd der lijkstatie. Men sloeg den weg in naar een' hoogen berg. Daar aangekomen, werd eene zware zerk afgewenteld, die op de opening van een' diepen put lag. Hierin liet men nu de kist neder met het lijk, zonder dit van zijn' tooi te ontdoen. De man omhelsde zijne bloedverwanten en vrienden, en liet zich zonder tegenstand te bieden in eene doodkist leggen, met eene kruik water en zeven kleine brooden bij zich. Men liet hem op dezelfde wijze neder als zijne doode vrouw. Daarna werd den steen weder op den put gelegd en de begrafenis was afgeloopen. Ik was bij dit alles zeer treurig gestemd, en mogten ook de anderen weinig aandoening verraden, omdat hun gevoel door de kracht der gewoonte verstompt was, mij werd het benaauwd om het hart. Bij mijne terugkomst sprak ik met den koning over dit gebruik. „Sire,” zeide ik, „ik kan mij niet genoeg verwonderen over de vreemde gewoonte, die in uw rijk plaats heeft, om de levenden met de dooden te begraven. Ik heb veel gereisd, vele volkeren bezocht, doch nooit heb ik van eene zoo wreede wet hooren gewagen.” „Wat zoudt gij dan willen, Sindbad!” antwoordde de koning, „het is eene algemeene wet, waaraan ook ik, zoo wel als ieder mijner onderdanen, onderworpen ben. Indien de koningin vóór mij komt te sterven, zal ik levend met haar worden begraven.” „Maar, Sire,” hervatte ik, „veroorloof mij aan uwe majesteit te vragen, of ook de vreemdelingen hieraan onderworpen zijn.” „Wel zeker,” hernam de koning met een' spotachtigen lach (want hij raadde mijne bedoeling), „zij zijn daarvan niet vrijgesteld, zoodra zij hier een huwelijk hebben aangegaan.” Met dit antwoord keerde ik, alles behalve opgeruimd, naar mijne woning terug. De vrees, dat mijne vrouw eerst mogt sterven, en dat men mij dan levend met haar zou begraven, maakte mij zeer treurig. Maar wat was er aan te doen? Ik moest geduld hebben en afwachten wat Allah over mij besloten had. Evenwel was er, sedert ik met die barbaarsche wet bekend werd, geen bezorgder echtgenoot, dan Sindbad de zeeman. Als mijne vrouw maar eene verkoudheid had gevat, als ik haar maar hoorde kugchen, werd het mij reeds bang om het hart, en hadde ik vleugelen gehad, de koning zelfs, al hadde hij mij tot zijn' eersten staatsdienaar willen maken, zou mij geen uur langer op zijn eiland hebben gezien. Zonder een' traan te storten of een' zucht te laten, zou ik van mijne lieve vrouw zijn weggevlogen. Ik had mij voorgenomen te ontvlugten, maar de dood voorkwam zulks. Hij was vlugger dan ik; mijne vrouw werd ziek, en was binnen weinige dagen een lijk.
Levend begraven te worden, leek mij niet minder vreeselijk toe, dan het lot mijner makkers bij de menscheneters. Ik moest mij evenwel onderwerpen. De koning, van zijn geheele hof vergezeld, wilde mijne uitvaart met zijne hooge tegenwoordigheid vereeren; en al de aanzienlijke ingezetenen der stad woonden mijne begrafenis bij.
Toen alles tot de plegtigheid gereed was, legde men het lijk van mijne vrouw, getooid met al hare juweelen en met hare kostbaarste kleederen, in de kist. De optogt nam een' aanvang. Ik, als de tweede hoofdpersoon in dit treurspel, was de eerste achter de lijkbaar. Ik stortte vele tranen en beklaagde mijn ongelukkig lot. Vóór wij den berg bereikt hadden, wilde ik nog eene poging aanwenden om het gemoed der toeschouwers te treffen. In de eerste plaats rigtte ik mij tot den koning, en vervolgens tot allen, die mij omgaven, en met het hoofd ter aarde gebogen, den zoom hunner kleederen kussende, smeekte ik hun, medelijden met mij te hebben. „Neemt toch in aanmerking,” zeide ik, „dat ik een vreemdeling ben, die aan deze gestrenge wet niet onderworpen behoort te zijn, en dat ik in mijn vaderland eene andere vrouw en kinderen heb.” Ik mogt deze woorden op een' smeekenden toon uitspreken, niemand werd er door getroffen, integendeel, men haastte zich het lijk van mijne vrouw in den put neder te laten, en een oogenblik daarna liet men ook mij af in eene opene doodkist, met eene kruik water en zeven brooden. Naauwelijks had de kist den grond bereikt, of men trok de touwen op, en sloot de opening van den put, door er den steen weder op te leggen, zonder dat men zich aan mijne wanhopige kreten stoorde.
In het afdalen kon ik, bij het weinige licht, dat van boven door de opening viel, mij eenig begrip maken van de plaats, die mij tot een levend graf moest verstrekken. Het was eene grot van grooten omvang in eene rots van wel vijftig ellebogen hoogte. De onverdragelijke reuk der half verteerde lijken, die ik regts en links van mij op den grond zag liggen, deed mij walgen, en ik meende nog de laatste zucht te hooren van sommigen, die kort geleden levend in dit hol waren neêrgelaten. Zoodra ik beneden was, verliet ik de kist, en de neus digt houdende verwijderde ik mij van deze plaats zoo ver mogelijk, niet zonder nu en dan over een lijk of over eene geraamte te struikelen. Ik wierp mij wanhopig op den killen grond, ik schreide en zuchtte, en duizenden gedachten dwarrelden mij door het hoofd. Daarna meer geregeld over mijn rampzalig lot nadenkende, zeide ik tot mij zelven: „Het is waar, dat Allah over ons beschikt volgens de besluiten zijner Voorzienigheid; maar, arme Sindbad, hebt gij het niet aan u zelven te wijten, dat gij zulk een' ellendigen dood moet sterven? Ach, mogt het Gode behaagd hebben, dat gij bij de vele schipbreuken, waaraan gij ontkomen zijt, uw graf in de golven haddet gevonden! Gij zoudt dan niet gedoemd zijn tot zulk een' langzamen en in alle opzigten verschrikkelijken dood. Maar gij zelf hebt u dien op den hals gehaald door uwe verwenschte hebzucht. Ach! ongelukkige waarom zijt gij niet gebleven in uw land, waar gij het goed hadt, en waar gij in rust de vruchten van uwen arbeid hadt kunnen genieten!”
Van deze nuttelooze klagten deed ik de grot weêrgalmen, gaf mij aan de wanhopigste gedachten over, en sloeg mij, als een razende, met de vuisten voor het hoofd en op de borst. Evenwel, hoe rampzalig ik mij ook gevoelde, de liefde tot het leven deed hare stem in mij hooren; ik was er dus op bedacht dat zoo lang mogelijk te rekken. Ik sloop, den neus digt houdende, en als een blinde rondtastende naar de plaats waar mijne kist stond, om mijn brood en water te halen. Hoe groot ook de duisternis was, die in de grot heerschte, zoo zelfs dat men den dag niet van den nacht kon onderscheiden, vond ik echter mijne kist terug; en het scheen mij nu toe, dat de grot nog veel grooter was, en meer lijken bevatte, dan ik aanvankelijk dacht. Ik leefde eenige dagen van mijn' brood en water maar eindelijk niet meer over hebbende, bereidde ik mij voor om te sterven.
Ik verwachtte ook niet anders dan den dood, want reeds werd ik op eene vreeselijke wijze door den honger en door den dorst gekweld, toen ik den steen van den put hoorde afnemen. Men liet een doode en eene levende af. De doode was een man. Het is niet onnatuurlijk, dat men op uiterste redmiddelen bedacht is, als men in zulk een' toestand verkeert als de mijne. Terwijl men de vrouw liet zakken, naderde ik de plek, waar de kist moest nederkomen, en zoodra ik bemerkte dat men den steen weder op den put legde, bragt ik de ongelukkige twee of drie zware slagen op het hoofd toe met een groot doodsbeen, dat ik had opgeraapt. Zij bleef ogenblikkelijk dood. Ik nam vervolgens de kruik met water en het brood uit hare kist, en kon mij nu daarmede weder eenige dagen voeden. Na verloop daarvan liet men weder een lijk af, ditmaal eene vrouw; de levende man volgde, die ik op gelijke wijze doodde. Tot mijn geluk heerschte er toen in de stad eene buitengewone sterfte. Ik nam steeds tot het zelfde middel mijne toevlugt, en had bij gevolg geen gebrek aan levensmiddelen. Eens, toen ik weder eene vrouw gedood had, hoorde ik in mijne nabijheid blazen en loopen. Ik ging naar den kant van waar het gerucht kwam, dat bij mijne nadering verdubbelde. Het kwam mij voor, als of ik iets zag vlugten. Ik volgde deze soort van schim, die nu en dan stil stond, doch als ik naderde, al blazende verder liep. Na lang geloopen te hebben, schemerde mij een licht als eene ster in de oogen. Op dat licht ging ik nu af; meermalen verloor ik het uit het oog, doch telkens zag ik het terug. Eindelijk naderde ik eene opening in de rots, ruim genoeg om mij een uitgang te verschaffen.
Bij deze ontdekking was ik zoo aangedaan, dat ik eenige oogenblikken roerloos bleef staan. Daarop liep ik snel naar de rotsspleet, wrong er mij door, en bevond mij in de vrije lucht aan het strand der zee. Mijne vreugde was zoo groot, dat ik bijna mijne oogen niet geloofde, en meende dat het slechts een droom was. Eindelijk kwam ik tot de overtuiging dat het geen spel mijner verbeelding, maar werkelijkheid was, en dat ik waarschijnlijk mijne vrijheid te danken had aan het een of ander zeedier, dat door de rotsspleet in de grot kwam, om zich aan de lijken te vergasten. Ik onderzocht nu den berg, en bevond dat deze gelegen was tusschen de zee en de stad. Het strand was aan de landzijde geheel door steile rotswanden afgesloten, en lag alleen open aan den zeekant. Ik wierp mij met het gelaat ter aarde, om Allah te danken voor de genade, die hij mij had bewezen. Na dit dankgebed keerde ik naar de grot terug om van daar brood te halen, waarmede ik in de vrije lucht mijn' maaltijd deed, met een' eetlust, zoo als ik dien sedert mijne begrafenis in dit doodshol niet gekend had.