Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Tweede deel
Part 5
Op dat zelfde eiland vindt men ook den rhinoceros, een dier, een weinig kleiner dan de olifant, en grooter dan de buffel. Hij heeft op den neus een' hoorn van bijna twee ellebogen lengte, waarmede hij veel kracht kan uitoefenen. Men ziet daarop eenige lichte strepen, die te zamen de gedaante van een gewapend man vrij wel voorstellen. Als de rhinoceros met den olifant strijdt, tracht hij hem met zijn' neushoorn den buik te doorboren, ligt hem van den grond op, en draagt hem dan als een zegeteeken op zijn' kop mede. Als nu het bloed en het vet van den olifant hem in de oogen loopen en het gezigt benemen, gebeurt het niet zelden, dat hij met zijne vracht nedervalt, en wat ieder verwonderen moet, dan worden dikwijls beiden, olifant en rhinoceros, door den vogel Rok opgenomen, die ze in zijne klaauwen wegvoert om er zijne jongen mede te voeden.
De verdere bijzonderheden van dit eiland zal ik, om mijn verhaal niet te rekken, stilzwijgend voorbijgaan. Ik verruilde er eenige van mijne diamanten voor andere koopwaren. Wij bezochten nog verscheidene eilanden, totdat wij ten laatste, na ook vele koopsteden op het vasteland aangedaan te hebben, behouden te Balsora aankwamen. Van daar spoedde ik mij naar Bagdad. Mijn eerste werk was groote aalmoezen uit te deelen, en van het overige mijner met zoo vele gevaren verkregen schatten leidde ik een vrolijk leven.”
Aldus eindigde Sindbad het verhaal van zijne tweede reis. Hij deed aan Hindbad andermaal honderd sequinen geven en noodigde hem uit den volgenden dag terug te komen, om het verhaal van zijne derde reis te hooren.
De gasten gingen eindelijk ook naar huis, en kwamen den volgenden dag op het gewone uur terug. Zoo deed ook de drager, die zijne vroegere armoede reeds bijna vergeten scheen te hebben. Men zette zich aan tafel, en nadat de maaltijd was afgeloopen, vraagde Sindbad eenige oogenblikken gehoor, en ving het verhaal van zijne derde reis aan.
DERDE REIS VAN SINDBAD DEN ZEEMAN.
„Bij het rustige en genoegelijke leven, dat ik na mijne terugkomst te Bagdad leidde, had ik de vreeselijke gevaren en de ongemakken, welke ik op mijne beide vorige reizen had doorgestaan, weldra vergeten. Ik was in de kracht mijns levens; het verveelde mij niets om handen te hebben, en zonder veel te denken aan de nieuwe gevaren, welke ik ging trotseren, vertrok ik uit Bagdad met de kostbaarste koopwaren van het land, die ik naar Balsora liet vervoeren. Daar scheepte ik mij met eenige andere kooplieden in. Wij deden eene lange reis, en legden in verscheidene havens aan, alwaar wij een' belangrijken handel dreven.
Op zekeren dag in volle zee zijnde, werden wij door een' verschrikkelijken storm overvallen, waardoor wij uit den koers geraakten. De storm hield vele dagen aan en dreef ons naar de haven van een eiland, dat onze kapitein gaarne zou hebben vermeden, maar het schip was zoo ontredderd, dat wij wel gedwongen waren het anker te laten vallen. Toen men de zeilen had geborgen, kwam de kapitein naar ons toe, en zeide: „Mijne heeren, tot mijn leedwezen moet ik u zeggen, dat dit eiland en eenige andere in de nabijheid bewoond worden door eene soort van ruigharige wilden, die niet zullen nalaten ons aan te vallen. Hoewel het slechts dwergen zijn, is er toch, helaas! voor ons aan geen' wederstand te denken, want dit volk is nog talrijker dan de sprinkhanen; en indien het mogt gebeuren, dat wij een van hen dooden, zoo kunt gij zeker zijn, dat zij allen te zamen ons aanvallen en vermoorden zullen.” Deze woorden van den kapitein bragten eene groote ontsteltenis te weeg onder al de schepelingen, en wij ondervonden welhaast dat, hetgeen hij ons gezegd had, maar al te waar was. Wij zagen weldra eene ontelbare menigte afzigtelijke wilden van alle kanten te voorschijn komen. Hunne lengte ging de twee voet niet te boven; hun ligchaam was geheel met rosachtig en stoppelig haar begroeid, en in plaats van een' neus hadden zij eene soort van snavel, waarboven een paar groene diep in het hoofd liggende oogen glinsterden, zoodat hun gelaat veel geleek op dat van den katuil.
Zij gingen bij menigte te water en zwommen naar ons schip, dat zij weldra omringden. Zij riepen ons toe, maar het was ons niet mogelijk een enkel woord te verstaan; want hunne spraak had meer van het gesnater van een troep ganzen, dan van eene menschelijke stem. Zij wachtten echter niet, tot wij hun verlof gaven om aan boord te komen, maar zij klauterden als katten en apen tegen de touwen en planken van het schip op, zoodat het scheen, alsof zij geene plaats noodig hadden om de voeten te zetten, en dit alles met eene vlugheid, die ons versteld deed staan. Weldra wemelde het dek van dit kleine gespuis, en zij waren er volkomen meester, zonder dat wij den moed hadden er ons tegen te verzetten. Zij ontplooiden de zeilen, en zonder zich moeite te geven om het anker op te winden, kapten zij het ankertouw. Na eene korte vaart zetten zij het schip aan land, en dwongen ons door teekenen en door bedreigingen om aan wal te gaan. Nu alleen meester van het schip, vertrokken zij daarmede naar een ander eiland.
Het eiland, waar zij ons achterlieten, was zeer gevaarlijk, ja doodelijk voor allen, die het ongeluk hadden, door schipbreuk op die kust te worden geworpen, gelijk gij weldra zult hooren.
Wij verlieten het strand, en het eiland dieper indringende, vonden wij eenige vruchten en kruiden, waarmede wij een sober maal deden, om ons leven zoo lang mogelijk te rekken, want wij allen wachtten niet anders dan een' zekeren dood. Verder voortgaande, zagen wij in de verte een groot gebouw, waarheen wij onze schreden rigtten. Het was een paleis, dat er vrij goed uitzag, en dat voorzien was van eene zeer hooge poort met vleugeldeuren van ebbenhout. Daar deze niet gesloten waren, was de toegang voor ons vrij. Wij waagden het naar binnen te gaan, kwamen eerst in een zeer ruim voorhof en vervolgens in een groot vertrek. Wij zagen hier weinig huisraad, doch in plaats daarvan lag aan de eene zijde een hoop doodsbeenderen, en aan den anderen kant in de nabijheid van den schoorsteen hing tegen den muur een rek met braadspeten. Op dit gezigt voer ons eene koude rilling door de leden, doch wij waren zoo afgemat van het gaan, dat de beenen ons onder het lijf knikten, en door een' doodelijken schrik getroffen, vielen wij als bedwelmd op den grond. Zoo bleven wij een' geruimen tijd bewegingloos liggen. De zon ging onder, toen wij van onze bedwelming bijkwamen, maar op het zelfde oogenblik werd de deur van het vertrek, waarin wij ons bevonden, met groot gedruisch open gestooten, en hetgeen wij nu zagen was niet geschikt om ons gerust te stellen. Vóór ons stond een zwarte reus van een vreeselijk voorkomen en zoo lang als een palmboom. Hij had slechts één oog, dat in het midden van zijn breed voorhoofd stond, en als eene kool vuurs scheen te branden; zijne voortanden, die zeer lang en puntig waren, staken hem, even als de slagtanden van een wild zwijn, buiten den mond, die veel geleek op den muil van het zeepaard. Zijn onderlip hing hem tot de borst. Zijne ooren waren die van een' olifant en bedekten zijne schouders. De nagels zijner vingers waren lang en puntig, gelijk de klaauwen van een' roofvogel. Op het gezigt van dezen verschrikkelijken reus, vielen wij op nieuw in zwijm en bleven voor dood liggen.
Toen wij weder bijkwamen, zagen wij den reus bij den schoorsteen zitten, waaronder hij een groot vuur had aangelegd. Zijn oog was alleen op ons gerigt. Nadat hij ons naauwkeurig bezigtigd had, stond hij op, en nader tredende strekte hij de hand naar mij uit, greep mij in den nek, ligtte mij van den grond en bekeek en betastte mij aan alle kanten, even als een slagter een vet schaap doet. Daar ik echter zeer mager was, en hij niets dan vel en been aan mij vond, liet hij mij weder los, en nu kwam een ander aan de beurt; die het zelfde onderzoek moest ondergaan. De kapitein werd het laatst gegrepen, maar tot zijn ongeluk was hij van ons allen de vetste. De reus scheen goed verstand van vet menschenvleesch te hebben, want zonder zich lang te bedenken, nam hij een' braadspit van het rek en reeg hem daaraan. Wij slaakten een' kreet van ontzetting, weinig minder pijnlijk dan het gegil van onzen armen kapitein, want was het heden zijn lot aan het spit te worden gebraden, morgen zou de beurt aan een ander van ons komen, tot dat ook de laatste zijn graf in den maag van den reus zou hebben gevonden. Dat was ons vooruitzigt.
Gij kunt u dus voorstellen, mijne heeren!” vervolgde Sindbad, „hoe wij te moede waren, toen de reus zijn menschengebraad toebereidde en er zijn avondmaal van deed; het kille doodzweet brak ons uit. Toen hij het laatste beentje schoon afgekloven had, grabbelde de reus de overgebleven beenderen van onzen gewezen kapitein bijeen, en wierp ze bij den hoop, waarvan ik reeds melding heb gemaakt. Alleen het bekkeneel zonderde hij af, en plaatste het op den schoorsteenmantel, waarmede, zoo als ik tot mijne ontzetting tellen kon, het derde dozijn juist voltallig werd. Waarschijnlijk waren deze bekkeneelen bestemd tot drinkschalen, als hij met zijne reuzenvrienden een feestmaal hield. Na zijn' afschuwelijken maaltijd verliet de reus het vertrek, begaf zich naar het voorhof en legde zich voor de poort neder, zoodat, al hadden wij daartoe lust gevoeld, wij het paleis niet zouden hebben kunnen verlaten zonder over zijn ligchaam te gaan. Kort daarop hoorden wij hem ronken, en wel zoo hard, dat wij in den aanvang dachten, dat het begon te donderen. Het was ons niet mogelijk een oog te sluiten; wij bragten den nacht in de vreeselijkste ongerustheid door. Met het aanbreken van den dag ontwaakte de reus; wij hoorden hem hoesten en rogchelen, en wij dachten niet anders of hij zou komen, om een' van ons tot zijn ontbijt uit te kiezen. Ditmaal echter kwamen wij met den angst vrij, want kort daarop ging hij uit en liet ons alleen in het paleis achter.
Zoodra wij konden denken, dat hij ver genoeg verwijderd was, om ons niet te kunnen hooren, verbraken wij het stilzwijgen, dat wij den geheelen nacht bewaard hadden. Wij klaagden elkander onzen nood en deden het paleis van onze weeklagten weêrgalmen. Hoewel wij sterk genoeg in getal waren en slechts met een' enkelen vijand te doen hadden, kwam het ons niet in de gedachten ons van hem te ontslaan. En toch, al mogt dit ook eene gevaarlijke onderneming zijn, het was het eenige natuurlijke redmiddel, dat ons overbleef te beproeven.
Maar wij waren te neêrslagtig om een kloek besluit te nemen, en al onze beraadslagingen liepen op niets uit. Daar de reus het niet noodig achtte ons op te sluiten, ja zelfs de poort had opengelaten, haastten wij ons echter dit doodelijke verblijf zoo spoedig mogelijk te verlaten. Wij bragten den dag door met op het eiland rond te loopen en stilden, even als den voorgaanden dag, onzen honger en dorst met de vruchten en kruiden die wij vonden. Te vergeefs echter zochten wij naar een onderkomen; berghol noch grot boden ons eene schuilplaats aan tegen de slangen, leeuwen, tijgers en andere bloeddorstige dieren, wier sporen wij ontdekt hadden. Wilden wij dus niet allen eene prooi worden van deze verscheurende dieren, die, zoodra het donker begon te worden, een vreeselijk gehuil aanhieven, zoo bleef ons niets anders over dan naar het paleis van den reus terug te keeren. En het schijnt dat hij hierop had gerekend, toen hij ons de vrijheid liet om te gaan, waar wij wilden.
De reus bleef niet in gebreke om terug te komen en met een' van ons zijn avondmaal te doen, waarna hij zich te slapen legde en snurkte tot de dag aanbrak. Weder ging hij toen uit en liet ons achter, gelijk daags te voren. Onze toestand was zoo verschrikkelijk, dat sommigen onzer het wanhopige voorstel deden om in zee te springen, daar zij een' spoedigen en zachten dood verkieselijker achtten, dan den een na den ander aan den reus tot spijs te verstrekken, na alvorens aan een spit gestoken en gebraden te zijn. Doch een van ons nam nu het woord op. „Het is ons verboden,” zeide hij, „de hand aan ons eigen leven te slaan; maar al hadden wij daartoe vrijheid, is het dan nog niet verstandiger, dat wij bedacht zijn op een middel, om ons te ontslaan van dezen barbaar, die ons voor zulk een vreeselijk lot heeft bestemd?”
Na eenig nadenken kwam mij een middel voor den geest, dat, mijns inziens, uitvoerbaar was. Ik maakte er mijne lotgenooten mede bekend, en allen hechtten er hunne goedkeuring aan. „Broeders!” zeide ik vervolgens tot hen, „gij zult gezien hebben, dat er aan het strand veel hout ligt, dat de zee heeft aangespoeld. Wilt gij nu mijn' raad volgen, zoo laat ons eenige vlotten maken, voldoende in getal om ons allen te kunnen dragen, ten einde daarvan gebruik te maken, zoodra wij zulks dienstig zullen achten. Inmiddels kunnen wij het plan, dat ik heb voorgesteld om ons van den reus te ontslaan, beproeven; slaagt dit, zoo zullen wij met geduld kunnen afwachten tot een of ander voorbij zeilend schip ons van dit noodlottige eiland afhaalt; mist integendeel onze aanslag, zoo kunnen wij ons naar onze vlotten begeven en daarmede in zee steken. Ik kan niet ontkennen dat wij, door ons met deze zwakke vaartuigen aan de golven prijs te geven, ons leven in groot gevaar zullen brengen, maar indien wij toch den dood niet ontgaan kunnen, is het dan niet altoos verkieselijker, dat wij ons graf in de diepte der zee vinden, dan in de ingewanden van dit monster, dat reeds twee van onze makkers heeft verslonden?” Mijn voorstel droeg de algemeene goedkeuring weg, en wij maakten nog dien eigen dag onderscheidene vlotten, die ieder drie personen konden dragen.
Met den avond keerden wij naar het paleis terug, en kort na ons verscheen de reus. Wij moesten nogmaals een van onze kameraden zien braden. Maar hoor nu op welke wijze wij wraak namen over de wreedheid van den reus. Na zijn verfoeijelijk maal legde hij zich op den rug en sliep in. Zoodra wij hem, volgens zijne gewoonte, hoorden snurken, namen ik en nog negen van de stoutmoedigsten onder ons, elk een braadspit. Wij legden onze speten met de punt in het vuur, en toen deze gloeijend waren, staken wij die allen te gelijk in het oog van den reus en rukten het hem uit.
De smart deed den reus met een' vreeselijken kreet ontwaken. Hij sprong eensklaps overeind, en de armen uitbreidende, tastte hij naar alle kanten rond om een van ons te vatten en aan zijne woede op te offeren; maar wij hadden den tijd ons buiten zijn bereik te begeven, en wij gingen op den grond liggen, ter plaatse waar wij geen gevaar liepen onder zijne voeten vertrapt te worden. Na ons te vergeefs gezocht te hebben, vond hij, met zijne handen langs den muur tastende, ten laatste de poort en verwijderde zich onder een verschrikkelijk gebrul.
Ook wij verlieten het paleis en begaven ons naar het strand, ter plaatse waar wij onze vlotten hadden. Wij bragten die terstond te water om dadelijk in zee te kunnen steken, als de reus, geleid door een' gids van zijn ras, ons mogt vervolgen. Evenwel besloten wij den dag af te wachten, in de hoop dat, indien hij zich vóór dien tijd niet liet zien, en wij zijn gebrul, dat nog altoos aanhield, niet meer hoorden, zulks een teeken zou zijn, dat hij aan zijne wond was gestorven, in welk geval wij besloten op het eiland te blijven, tot dat wij een veiliger middel zouden vinden om het te verlaten. Doch naauwelijks begon het licht te worden, of wij zagen onzen wreeden vijand aankomen, geleid door twee andere reuzen, die bijna zijne lengte hadden, en voorafgegaan door een aantal andere, die uit alle magt liepen.
Toen aarzelden wij niet langer om ons op de vlotten te begeven, en wij roeiden met alle kracht ten einde ons van het strand te verwijderen. Doch de reuzen, die ons reeds hadden ontdekt, raapten zware steenklompen op, liepen naar het strand en ter halve lijf in de zee, van waar zij ons met steenworpen begroetten. De meesten troffen zoo juist, en de steenklompen waren zoo zwaar, dat al de vlotten, behalve dat, waarop ik mij bevond, verbrijzeld werden, zoodat allen, die er op waren, hun graf in de golven vonden. Wat mij en mijne twee makkers betrof, wij hadden ons behoud alleen te danken aan het snelle roeijen, waardoor wij ons reeds verder in zee en buiten bereik van de steenworpen bevonden.
Toen wij in volle zee kwamen, konden wij echter ons vlot niet meer besturen, en wij waren genoodzaakt het aan wind en golven prijs te geven, die ons dan hier, dan herwaarts heen stuwden. Gedurende dien dag en den daarop volgenden nacht verkeerden wij in de vreeselijkste onzekerheid omtrent ons lot. Toen de dag weder aanbrak, hadden wij het geluk tegen een eiland aan te drijven, en waren ten hoogste verblijd, dat wij het strand weder onder onze voeten hadden. Wij vonden op dit eiland heerlijke vruchten, die ons goed te pas kwamen om onze verloren krachten te herstellen.
Met den avond legden wij ons aan het strand te slapen, maar wij werden daarin gestoord door het geratel van eene slang, zoo lang en zoo dik als een palmboom, die met hare geschubde huid over het zand schuifelde. De slang was reeds zoo nabij, dat zij, toen wij het gevaar, waarin wij ons bevonden, ontdekten, reeds een' van mijne beide makkers gevat had, en niettegenstaande zijn gegil en zijne wanhopige pogingen om zich van het monster te ontslaan, zich om zijn lijf kronkelde, hem drukte dat de ribben kraakten, en eindigde met hem in te slokken. Mijn makker en ik namen ijlings de vlugt, en hoewel wij ons reeds op een' vrij grooten afstand bevonden, hoorden wij na eenigen tijd een geluid, waaruit wij opmaakten, dat de slang de beenderen van den ongelukkige, welke zij verslonden had, weder uitwierp. En inderdaad, toen wij den volgenden morgen die plaats bezochten, zagen wij met afschuw, dat wij ons niet vergist hadden. „O Allah!” riep ik toen uit, „wat lot hebt gij ons beschoren! Gisteren verblijden wij ons ontkomen te zijn aan de wreedheid van een' reus en aan de woede der golven, en nu verkeeren wij in een niet minder groot gevaar.” Dien dag bespeurden wij echter bij onze rondwandeling een' dikken en zeer hoogen boom. Wij namen ons voor er den nacht op door te brengen, ten einde ons tegen de slang in veiligheid te stellen. Wij deden, gelijk den vorigen dag, onzen maaltijd met de vruchten, die op dit eiland in grooten overvloed voorhanden waren, en toen het avond werd beklommen wij onzen boom. Het duurde niet lang, of wij hoorden de slang, die ons reeds geroken had, al blazende om den voet des booms, waarop wij ons bevonden, rondkruipen. Wij dachten in veiligheid te zijn, maar eensklaps rigtte zich de slang, op haren staart leunende, tegen den stam op, en mijn' makker die lager zat dan ik, eerst ontmoetende, opende zij haar' wijden muil, slokte hem in een' hap op, en trok zich terug.
Ik bleef op den boom totdat de dag aanbrak, en verliet toen meer dood dan levend mijne schuilplaats. In waarheid, ik kon geen ander lot verwachten, dan hetgeen mijnen beiden makkers was te beurt gevallen, en dit denkbeeld deed mij ijzen. De haren rezen mij te berge. Ik deed eenige schreden voorwaarts, met het voornemen om mij met het hoofd voorover in zee te storten; maar daar het leven zoet is, weêrstond ik aan deze ingeving mijner wanhoop, en onderwierp mij aan den wil van Allah, die naar zijn welbehagen over ons leven beschikt.
Ik deed echter wat in mijn vermogen was om mijn leven te beschermen. Ik verzamelde eene groote menigte kleine houten en doorntakken, en maakte daarvan verscheidene takkebossen, die ik stevig in elkander werkte en als eene verschansing om den boom optrok. Hier legde ik eenige lange bossen dwars over heen, teneinde een dak boven mijn hoofd te hebben. Zoodra het avond werd, begaf ik mij in mijne schuilplaats, met den treurigen troost, dat ik niets verzuimd had, wat zou kunnen strekken, om mij te vrijwaren voor het droevige lot, dat mij dreigde. De slang verzuimde niet terug te komen en om den boom rond te kruipen, zoekende hoe zij mij het best zou bereiken en verslinden; maar zij kon door de verschansing, die ik gemaakt had, haar doel niet bereiken. Eindelijk brak de dag aan en de slang verwijderde zich. Ik had intusschen den moed niet mijne wijkplaats te verlaten, vóór dat de zon hoog aan den hemel stond.
Ik was zoo afgemat door de slapeloosheid, waarin de slang mij gedurende den ganschen nacht had gehouden; ik had zoo veel te lijden gehad van haren verpestenden adem, dat de dood mij verkieselijk scheen boven al deze verschrikkingen. Mijne onderworpenheid van den vorigen dag vergetende, verwijderde ik mij van den boom en liep naar het strand, met het voornemen om mij in zee te storten.
De hemel echter,” vervolgde Sindbad, „werd bewogen met mijne wanhoop. Op den oogenblik dat ik gereed stond in zee te springen, bespeurde ik in de verte een schip. Ik riep uit al mijne magt, teneinde mij te doen hooren, en ik ontrolde het linnen van mijn' tulband, en zwaaide zooveel mogelijk daarmede, in de hoop dat men mij zou opmerken. Dit laatste middel had het gewenschte gevolg; eenige der matrozen hadden mij gezien, en de kapitein liet de sloep uitzetten om mij af te halen. Zoodra ik aan boord was, zag ik mij omringd door kooplieden en schepelingen, die zeer nieuwsgierig waren te vernemen, door welk toeval ik op dat woeste eiland was gekomen. Ik voldeed aan hun verlangen door het verhaal van mijne lotgevallen. Allen betuigden mij hunne vreugde, dat ik aan zulke vreeselijke gevaren was ontkomen, en beijverden zich, niet twijfelende of ik zou wel eetlust hebben, mij te onthalen op het beste, wat zij hadden. De kapitein, bemerkende dat mijne kleeding zeer gehavend was, had de edelmoedigheid, mij eenige zijner eigene kleederen te geven, die nog zoo goed als nieuw waren.
Wij zetten onze reis voort, zeilden voorbij verscheidene eilanden, en kwamen eindelijk aan het eiland Salahad, beroemd door het sandelhout, dat daar in menigte groeit en in de geneeskunde veel wordt gebruikt. Wij liepen de haven binnen en lieten het anker vallen. De kooplieden maakten een begin met hunne handelswaren te ontschepen en die te verkoopen, of tegen de voortbrengselen van dat land te verruilen. Inmiddels liet de kapitein mij bij zich komen en zeide tot mij: „Broeder, ik heb eenige handelswaren onder mijne berusting, welke toebehooren aan een' koopman, die kort geleden op mijn schip heeft gevaren. Daar deze man voor eenigen tijd overleden is, wil ik die goederen te gelden maken, en bij gelegenheid daarvan aan zijne erfgenamen verantwoording doen.” Hij toonde mij de balen, die reeds op het dek stonden, en vervolgde: „Zie hier de waren, waarvan ik spreek; gij zoudt mij eene dienst bewijzen, indien gij u wildet belasten daarmede, tegen eene behoorlijke belooning, handel te drijven.” Ik stemde hierin toe, en bedankte hem, dat hij mij in de gelegenheid stelde, mijn' tijd nuttig te kunnen besteden. De scheepsschrijver, die aanteekening hield van al de waren, die van boord gingen, en van de namen der kooplieden, wien zij toebehoorden, vraagde de kapitein op wiens naam hij de balen moest te boek stellen, die mij ter verkoop werden opgedragen. „Schrijft die,” antwoordde hij, „op naam van Sindbad den zeeman.” Ik was niet weinig verwonderd mijn' eigen naam te horen noemen, en den kapitein strak aanziende, herkende ik hem voor degene, die mij, op mijne tweede reis, achter liet op het eiland, waar ik bij de beek in slaap was gevallen, en die onder zeil ging zonder op mij te wachten, of naar mij te laten zoeken. Ik had hem in het eerst niet herkend, daar hij, sedert ik bij hem aan boord was, zeer verouderd en veranderd was.