Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Tweede deel

Part 4

Chapter 44,107 wordsPublic domain

Terwijl zij dus met mij spraken, steeg, zoo als zij mij gezegd hadden, het zeepaard uit de zee op, wierp zich op de merrie, en wilde haar verslinden, doch verschrikt door het geschreeuw dat de stalknechten maakten, liet het zijne prooi los, en stortte zich weder in zee.

Den volgenden morgen namen zij met de merriën de terugreis aan naar de hoofdstad van het eiland, en welwillend namen zij mij in hun gezelschap op. Bij onze aankomst werd ik aan den koning Mihradhan voorgesteld, hij vraagde mij door welk toeval ik mij in zijne staten bevond. Zoodra ik zijne nieuwsgierigheid door het verhaal van mijne lotgevallen bevredigd had, betuigde hij mij, dat hij zeer veel deel in mijn ongeluk nam. Te gelijker tijd gaf hij last, dat men de grootste zorg voor mij zou dragen en mij van alles, wat ik noodig mogt hebben, voorzien. Dit bevel werd op zulk eene wijze nagekomen, dat ik alle reden had over zijne edelmoedigheid en over den ijver van zijne dienaren tevreden te zijn.

Daar ik koopman was, zocht ik de lieden van mijn vak op, doch hoofdzakelijk de vreemde kooplieden, ten eerste om eenig nieuws uit Bagdad te vernemen, en ten tweede om naar gelegenheid uit te zien, onder hen iemand aan te treffen, met wien ik naar mijn geboorteland zou kunnen terugkeeren, want de hoofdstad van den koning Mihradhan ligt aan de zee, en heeft eene zeer schoone haven, waar dagelijks uit verschillende oorden der wereld schepen binnen loopen. Ook zocht ik het gezelschap der Indische wijzen, en vond er vermaak in hen te hooren redekavelen. Bij dit alles verzuimde ik echter niet geregeld aan het hof te komen, om mij met 's konings landvoogden en met de koningen, welke aan hem schatplichtig waren en die zich aan zijn hof ophielden, te onderhouden. Zij deden mij duizenden vragen over mijn geboorteland, terwijl ik van mijn' kant er naar streefde, mij met de zeden en wetten in hunne staten bekend te maken, om dusdoende mijne kennis te vermeerderen.

Onder de heerschappij van den koning Mihradhan bevond zich nog een ander eiland, Cassal genaamd. Dit eiland was onbewoond, en werd alleen door de schepelingen bezocht, om zich van versch water te voorzien of kokosnoten in te laden, die daar in overvloed te vinden waren. Men verzekerde mij, dat zich op dat eiland iederen nacht het geluid van keteltrommen liet hooren, hetgeen den matrozen deed denken, dat aldaar een demon zijn verblijf hield, die zij Deggial noemden. De lust bekroop mij van dit wonder oorgetuige te zijn. Op mijne reis derwaarts zag ik visschen, die eene lengte van honderd tot twee honderd ellen hadden. Deze waren zoo vreesachtig, dat men slechts op eene plank behoefde te kloppen om ze te verjagen. Ik zag nog andere visschen van slechts eene elleboogslengte, maar wier koppen veel overeenkomst hadden met die van nachtuilen.

Toen ik bij mijne terugkomst, aan de haven op en neêr wandelde, liep er een schip binnen. Zoodra dit voor anker lag, werd er een begin gemaakt met het lossen der koopwaren, en de kooplieden, aan wie deze goederen behoorden, lieten ze in de pakhuizen aan het havenhoofd opslaan. Terwijl ik hierover mijne oogen liet gaan, meende ik op eenige balen mijn merk te zien. Bij een naauwkeurig onderzoek bleef mij geen twijfel over; het waren de zelfde balen, welke ik te Balsora had ingeladen. Ik herkende ook den kapitein, doch overtuigd, dat men mij voor verdronken hield, sprak ik hem aan zonder mij dadelijk bekend te maken, en vraagde hem, aan wie de balen, welke ik met den vinger aanwees, toebehoorden. „Ik had,” antwoordde hij, „bij mij aan boord een' koopman van Bagdad, Sindbad genaamd. Op zekeren dag, dat wij ons in de nabijheid van een ons zoo toeschijnend klein eiland bevonden, liet hij zich met meer andere passagiers aan wal zetten. Dit gewaande eiland was evenwel niets anders dan een walvisch van schrikbarende grootte, die met den rug even boven de oppervlakte der zee lag te slapen. Het monster voelde echter niet zoodra de hitte van het vuur, dat men op zijn' rug had aangelegd, om de spijs toe te bereiden voor het middagmaal, of het begon zich te bewegen en verdween in de diepte der zee. Velen van hen, die zich op den rug van den visch bevonden, zijn verdronken, en onder deze ongelukkigen was ook Sindbad. Deze balen behooren hem, en ik heb besloten daarmede handel te drijven, totdat ik iemand van zijne familie aantref, aan wien ik rekening en verantwoording kan doen.” „Kapitein,” zeide ik nu tot hem, „ik ben die Sindbad, welke gij meent dat dood is; deze koopmansgoederen zijn mijn regtmatig eigendom.” „Bij Allah,” riep de kapitein, toen hij mij aldus hoorde spreken, „in wien zal men tegenwoordig nog vertrouwen stellen? De goede trouw onder de menschen bestaat niet meer! Ik heb met eigen oogen dezen Sindbad zien omkomen; de passagiers zijn daar ook getuige van geweest, en gij zegt, dat gij die Sindbad zijt? Welk eene vermetelheid! Op het eerste gezigt, meende ik een eerlijk man voor mij te hebben; maar gij schroomt niet u van eene verfoeijelijke leugen te bedienen, om in het bezit te geraken van goederen, die u niet toebehooren.” „Heb slechts een weinig geduld,” hernam ik, „en bewijs mij de gunst om aan te hooren, wat ik u te zeggen heb.” „Welaan!” luidde het korte antwoord van den kapitein, „ik luister, wat hebt gij te zeggen?” Ik verhaalde hem nu op welke wijze ik aan het mij dreigende doodsgevaar was ontkomen, en mijne ontmoeting met de stalknechten des konings Mihradhan, die mij aan zijn hof hadden gebragt.

De kapitein wist nu niet meer wat hij zou gelooven; doch weldra werd hij overtuigd, dat ik geen bedrieger was, door de komst van een drietal kooplieden, met wien ik aan boord zeer gemeenzaam had omgegaan, en die mij, niettegenstaande mijne gehavende kleeding, terstond herkenden, en hunne vreugde betuigden mij levend terug te zien. Ten laatste herkende ook de kapitein mij en zich om mijn' hals werpende, riep hij uit: „Geloofd zij Allah! dat hij u uit zulk een groot gevaar gered heeft. Ik kan u niet zeggen hoeveel genoegen mij dit doet. Zie hier uwe goederen; neem en handel er mede naar uw welgevallen.” Ik bedankte hem, prees zijne eerlijkheid en tot een bewijs van mijne dankbaarheid verzocht ik hem eenige balen, die ik hem aanwees, van mij ten geschenke te willen aannemen, maar hij weigerde en ik kon hem er niet toe overhalen.

Ik nam nu het kostbaarste uit mijne balen, dat ik den koning Mihradhan als geschenk aanbood. Daar deze vorst met mijn ongeluk bekend was, vraagde hij mij niet zonder eenige verbazing, hoe ik aan die fraaije en kostbare zeldzaamheden kwam. Ik verhaalde hem nu door welk geluk ik mijne goederen had terug gekregen. Hij had de goedheid, mij daarover zijne vreugde te betuigen en mijn geschenk aan te nemen, maar hij deed dit laatste niet, zonder mij een tegengeschenk te geven, dat het mijne in waarde verre overtrof. Hierop nam ik afscheid van den grootmoedigen vorst, en na mijne koopmansgoederen tegen voortbrengselen van dat land verruild te hebben, liet ik alles aan boord brengen van het zelfde schip, waarmede ik van Balsora was uitgezeild. Wij gingen weldra onder zeil, en onze terugreis was zeer voorspoedig. De lading, welke ik had medegebragt, bestond in aloë- en sandelhout, kamfer, muskaatnoten, foelie, kruidnagelen, peper en gember, te zamen voor eene waarde van bijna honderdduizend sequinen. Mijne familie ontving mij met alle teekenen van toegenegenheid, en ik was van mijn' kant zeer verblijd allen in welstand weder te zien.

Ik kocht landgoederen, slaven en slavinnen, liet mij een prachtig paleis bouwen, en maakte goede sier met mijne vrienden. In één woord, ik besloot de herinnering aan mijne geleden ongemakken door een onbezorgd en vrolijk leven uit mijn geheugen te verbannen.”

* * * * *

Sindbad brak hier zijn verhaal af, en beval de muzijkanten zich op nieuw te laten hooren. Men hield aan met eten en drinken tot dat de avond inviel, en de tijd om te scheiden daar was. Sindbad deed zich nu eene beurs met honderd sequinen geven, en stelde die aan den drager ter hand. „Neem dit voor u, Hindbad,” zeide hij, „ga naar uwe woning, en kom morgen terug om het vervolg van mijne lotgevallen te hooren.” De drager vertrok zeer verlegen met de eer, die hem was te beurt gevallen, en verheugd over het geschenk, dat hij ontvangen had. Het verslag, dat hij bij zijne tehuiskomst van het een en ander aan zijne vrouw en kinderen deed, stemde de harten dezer arme lieden tot vreugde en tot dankbaarheid aan de Voorzienigheid, welke hun door tusschenkomst van Sindbad zulk een onverwacht geluk had geschonken.

Den volgenden dag droeg Hindbad zorg, zich veel zindelijker te kleeden dan daags te voren, en verzuimde niet zich op het bestemde uur aan het paleis van den milddadigen reiziger te doen vinden. Sindbad ontving den drager met een vriendelijk lachje, en bewees hem alle mogelijke beleefdheid. Zoodra alle genoodigden bijéén waren, werd de tafel aangerigt, en men bleef ditmaal zeer lang aanzitten. Nadat de maaltijd was afgeloopen, nam de gastheer het woord en zich tot zijn gezelschap wendende, zeide hij: „Mijne heeren! ik verzoek u mij uwe aandacht te schenken bij het verhaal van mijne lotgevallen op mijne tweede reis. Ik durf u de verzekering geven, dat zij uwe opmerkzaamheid meer waardig zijn, dan die van mijnen eersten togt.” Er heerschte terstond eene algemeene stilte, en Sindbad ving aldus aan.

TWEEDE REIS VAN SINDBAD DEN ZEEMAN.

„Zoo als ik u gisteren mededeelde, had ik na mijne eerste reis het besluit opgevat, mijne verdere levensdagen te Bagdad en op mijne landgoederen in rust en in genot door te brengen. Het duurde echter niet lang, of dit werkelooze leven baarde mij verveling; de lust om ter zee te reizen en handel te drijven greep mij weder aan. Ik voorzag mij van die koopwaren, welke mij het geschiktste voorkwamen voor de reis, die ik mij had voorgesteld, en ik verliet voor de tweede maal mijn geboorteland met eenige andere kooplieden, wier braafheid ik kende. Wij voeren ditmaal van eiland tot eiland, en dreven op die wijze een' zeer voordeeligen handel; daar wij telkens, en steeds met voordeel, onze waren tegen andere inruilden. Op zekeren dag lieten wij ons aan wal zetten op een eiland, dat zeer rijk was van vruchtdragende boomen, maar overigens zoo eenzaam, dat wij er noch menschen, noch eenige menschelijke woning bespeurden. Wij volgden den loop van eene beek, die door eene met welig gras en bloemen bedekte vlakte kronkelde.

Terwijl de een zich vermaakte met bloemen, de ander met vruchten te plukken, zette ik mij onder een' grooten en schaduwrijken boom in het gras neder, haalde den voorraad, dien ik had medegenomen en die uit vleesch, brood en wijn bestond, te voorschijn, meenende hier eens een regt landelijk maal te doen, iets wat voor den zeeman een bijzonder genot heeft. Ik at dan ook zeer smakelijk en dronk er een' stevigen teug wijn bij. Of de geest van den wijn mij min of meer had bevangen, weet ik niet, maar mijne oogleden werden zwaar, en ik lag weldra in een' gerusten slaap. Hoe lang deze geduurd heeft, is mij onbekend, doch bij mijn ontwaken, zag ik geen schip meer voor anker liggen.

Ik was hierover zeer verwonderd. Ik stond op en zag naar alle kanten rond, maar ik ontdekte geen' der kooplieden, die met mij aan land waren gegaan. Ik zag alleen het schip, maar reeds zoo ver in zee, dat ik het weldra geheel uit het oog verloor.

Gij kunt u verbeelden, hoe ik te moede was. Ik meende van droefheid te sterven, schreeuwde vol wanhoop, sloeg mij voor het hoofd en wierp mij ter aarde, waar ik een' geruimen tijd bleef liggen, bestormd door gedachten, de eene al treuriger dan de andere. Ik verweet het mij zelven wel honderd malen, dat ik mij niet had tevreden gesteld met mijne eerste reis, die mij voor altoos had moeten afschrikken. Maar al dit klagen en de verwijtingen, die ik mij deed, bragten mij geene hulp aan, en mijn berouw kwam te laat. Wat baat het den put dempen, als het kalf er reeds in verdronken is?

Eindelijk koos ik de wijste partij; ik onderwierp mij aan mijn noodlot, en zonder te weten wat er van mij moest worden, besloot ik al het mogelijke te beproeven, dat tot mijne redding zou kunnen dienen. Ik klom in een' hoogen boom en zag naar alle kanten uit om te ontdekken, of ik niet het een of ander kon bespeuren, dat mij eenige hoop op uitkomst kon geven. Eerst wendde ik mijne oogen naar den zeekant, maar zag daar slechts lucht en water; aan de landzijde schitterde echter iets wits mij in de oogen. Ik klom uit den boom, en de levensmiddelen, die ik had overgehouden, mede nemende, ging ik op dit witte voorwerp af, hoewel ik door den grooten afstand niet kon onderscheiden, wat het eigentlijk was.

Eerst toen ik tot op een' kleinen afstand was genaderd, bemerkte ik, dat het een bijna ronde bal was van verbazende grootte en omvang. Ik ging echter voort, en op de plaats aangekomen, betastte ik den bal. Ik liep er om heen om te zien, of er ook ergens eene opening was, maar ik kon er geene ontdekken, en de bal was zoo glad, en zoo vast ineengesloten, dat ik geene kans zag om er op te klimmen. Ik vergenoegde mij dus rondom den bal te loopen, en moest daarvoor vijftig passen doen.

De zon was nog niet ondergegaan, toen eensklaps de lucht verduisterd werd; het was alsof eene donkere wolk, als een gordijn, voor de zon werd geschoven. Maar hoe zeer mij deze plotselinge overgang van licht tot donker verwonderde, nog hooger klom mij de verbazing, toen ik bespeurde, dat dit verduisteren veroorzaakt werd door een' buitengewoon grooten vogel, die met uitgespreide vlerken kwam aanvliegen.

Ik herinnerde mij nu dat ik de matrozen dikwijls had hooren spreken van een' vogel, Rok genaamd, en vermoedde dat de groote bal, dien ik zoo zeer had bewonderd, het ei van dezen vogel was. En inderdaad de Rok daalde klapwiekend en langzaam neder, en zette zich zeer voorzigtig op het ei neder, als wilde hij het uitbroeijen. Toen ik den vogel zag komen, had ik mij zoo digt mogelijk tegen het ei aangedrongen, zoodat een zijner pooten, dikker dan een boomstam, voor mij kwam te staan. Ik nam den linnen doek van mijn' tulband, en bond mij daarmede stevig vast aan den poot van den Rok, en dit deed ik in de hoop dat, als de vogel den volgenden morgen zijne vlugt hervatte om voedsel te gaan zoeken, hij mij met zich voeren en uit dit woeste eiland naar elders overbrengen zou. Ik zag mij hierin niet teleurgesteld. Den nacht bragt ik in den treurigsten toestand en geheel niet op mijn gemak door; doch zoodra de dag aanbrak, spreidde de Rok zijne vlerken uit, en voerde mij zoo hoog in de lucht, dat ik de aarde niet meer zien kon. Daarop schoot hij met zulk eene snelheid naar beneden, dat mij hooren en zien vergingen. Toen de Rok zich nederzette en ik grond voelde, ontknoopte ik schielijk den doek, om mij van hem te ontslaan. Naauwelijks had ik mij los gemaakt, of hij viel met zijn' snavel op eene slang van ongehoorde lengte aan. Hij pakte de slang op, en vloog terstond met zijne prooi weg.

De plaats, waar hij mij achterliet, was eene zeer diepe vallei, geheel ingesloten door eene keten van bergen, wier kruinen tot in de wolken reikten. Ik zocht te vergeefs naar een' weg, om uit deze gevangenis te geraken, want de rotswanden gingen loodregt opwaarts, en nergens was eene opening te ontdekken of eene vooruitstekende verhevenheid, waarop ik mijne voeten kon zetten. Dit bragt mij op nieuw in groote verlegenheid, en mijne tegenwoordige gevangenis met het woeste eiland vergelijkende, kon ik niet zien, dat ik bij deze plaatsverwisseling iets gewonnen had.

Toen ik mijn verblijf wat naauwkeuriger onderzocht, bespeurde ik, dat de bodem van dezen afgrond als bezaaid lag met diamanten, waaronder van eene verbazende grootte. Ik vermaakte mij eenige oogenblikken met dit inderdaad prachtige gezigt, doch weldra zag ik iets, waardoor mijn kortstondig genoegen vergald werd, en dat mij een' hevigen schrik aanjoeg. Ik bemerkte eene ontelbare menigte slangen, zoo dik en zoo lang, dat de kleinste met gemak een' olifant zou hebben ingeslokt. Des daags kropen zij in hare holen en hielden zich schuil, uit vrees voor haren gevaarlijksten vijand den vogel Rok; doch des nachts kwamen zij weder te voorschijn.

Ik bragt den dag door met de vallei om te wandelen, waarbij ik echter van tijd tot tijd eens ging zitten rusten. Intusschen ging de zon onder, en zoodra het donker begon te worden, begaf ik mij in de grot, welke ik tot mijn nachtverblijf gekozen had. Om tegen de slangen beveiligd te zijn, stopte ik den ingang, die zeer lang en eng was, met een' grooten steen digt, echter zoo, dat er eenig licht binnen kon dringen. Ik deed mijn avondmaal met een weinig van mijn' nog overgeschoten voorraad, en legde mij toen neder om te rusten. Hiervan echter kwam niets; het schuifelen en blazen der slangen, die voor mijne grot kropen, en zich, hoewel te vergeefs, den toegang zochten te verschaffen om mij te verslinden, hield den slaap uit mijne oogen, en deed mij beven. Ik was regt blijde, toen de dag aanbrak, en de slangen naar hunne holen terugkeerden. Ik waagde mij nu weder naar buiten, maar ik rilde over mijn geheele ligchaam, en ik kan u verklaren, mijne heeren, dat ik een' geruimen tijd over een' vloer van diamanten ging, zonder de minste begeerte daarnaar te hebben. Eindelijk zette ik mij neder, en niettegenstaande mijne ongerustheid en de gedachte, wat er toch van mij moest worden, viel ik, na mijn ontbijt te hebben gebruikt, vermoeid van het nachtwaken in slaap. Naauwelijks was ik ingesluimerd, toen er iets met groot gedruisch naast mij nederviel en ik verschrikt ontwaakte. Wat mij deze ontsteltenis had veroorzaakt was een groot stuk versch vleesch; en terwijl ik er over nadacht van waar dit mogt komen, zag ik, hoe nog verscheidene stukken aan verschillende kanten van de rotsen kwamen rollen, en hier en daar in de vallei nederploften.

Ik had het tot dus verre altijd voor een sprookje gehouden, wat de matrozen en andere lieden mij verteld hadden van de diamant-vallei en van het kunstje, dat door eenige kooplieden in het werk werd gesteld, om deze kostbare edelgesteenten uit den afgrond op te halen en in hun bezit te krijgen. Thans echter moest ik bekennen, dat men mij de zuivere waarheid gezegd had. Inderdaad, mijne heeren,” vervolgde Sindbad, „deze kooplieden begeven zich, in den tijd dat de arenden jongen hebben, naar de rotsen, die de diamant-vallei omgeven. Zij werpen dan groote stukken vleesch in de vallei. Door den zwaren val, en het geweld, waarmede die stukken nederploffen, hechten zich de diamanten, vooral die eenigzins hoekig zijn in het weeke vleesch, en de arenden, die aldaar zeer menigvuldig en sterker zijn dan ergens elders vallen op dezen stukken vleesch aan, en voeren ze naar hunne nesten op de toppen der rotsen, om er hunne jongen mede te spijzigen. Zoodra de kooplieden, die zich in de nabijheid der nesten schuilhouden, dit zien, loopen zij haastig en met groot geschreeuw derwaarts om de arenden te verjagen, en maken zich meester van de diamanten, die in het vleesch zitten. Zij bedienen zich van deze list, omdat er geen ander middel bestaat om de diamanten uit de vallei op te halen, daar het voor de menschen volstrekt onmogelijk is in dien peilloozen afgrond neder te dalen.

Ook ik achtte het voor onmogelijk immer uit dien afgrond te geraken, en had hem reeds als mijn graf beschouwd, doch hetgeen ik nu zag, deed mij een middel uitdenken om mijn leven te behouden.

Mijn eerste werk was nu de grootste en schoonste diamanten, die mij voorkwamen, op te rapen, en daarmede den ledigen zak te vullen, die gediend had om er mijne mondbehoeften in te bergen. Daarna zocht ik een der langste stukken vleesch uit, en bond dit om mijne middel met het linnen van mijn' tulband stevig vast. Den zak met diamanten bevestigde ik aan mijn' gordel, en wel zoo, dat ik geen gevaar liep, dien te verliezen. Vervolgens ging ik op mijn' buik liggen, en onthield mij van elke beweging. Naauwelijks had ik mij aldus nedergelegd, of de arenden kwamen in grooten getale aanvliegen, en maakten zich ieder van een der stukken vleesch meester. Een der grootste en sterkste viel op het stuk aan, dat ik om mijne lendenen had gebonden, sloeg er zijne klaauwen in, en mij medevoerende, bragt hij mij op den kruin van een' berg, tot in zijn nest. De kooplieden bleven niet in gebreke door hun geschreeuw de arenden te verschrikken.—Zoodra zij hen hadden genoodzaakt hunne prooi te laten varen, liep een van hen naar het nest, waarin ik mij bevond maar deed, toen hij mij zag, van schrik eene trede achterwaarts. Zich weldra hersteld hebbende, begon hij, zonder eerst de zaak te onderzoeken, mij uit te maken en te verwijten dat ik een dief was, en hem zijn eigendom wilde ontrooven. „Mijn goede vriend!” zeide ik bedaard, „gij zult spoedig op een' anderen toon spreken, als gij mij beter hebt leeren kennen. Troost u over uw gewaand verlies, ik heb diamanten genoeg voor u en voor mij, in grooteren getale en van meer waarde, dan die van al de andere kooplieden te zamen. Zoo wij ze hebben, is dit slechts bij geluk, maar ik had ze alleen voor het kiezen en oprapen op den bodem der vallei, en heb er dezen zak mede gevuld.” Dit zeggende, toonde ik hem den leêren zak, dien ik van mijn' gordel losmaakte. Ik had nog niet uitgesproken, toen ook de andere kooplieden kwamen aanloopen en ons omringden, niet weinig verwonderd iemand te zien, die niet tot hun gezelschap behoorde. Die verwondering steeg nog hooger, toen ik hun verhaalde wat er met mij gebeurd was. Zij bewonderden evenzeer de list, welke ik tot mijne redding had uitgedacht, als mijne stoutmoedigheid, om er de proef van te nemen.

Zij namen mij mede naar de herberg, waar zij te zamen hun' intrek hadden genomen, en toen ik daar in hunne tegenwoordigheid mijn' zak openmaakte en uitstortte, waren zij ten hoogste verbaasd over de grootte van mijne diamanten, en verklaarden eenparig, aan alle vorstenhoven, welke zij bezocht hadden, niet een' gezien te hebben, die daarbij was te vergelijken. Ik verzocht den koopman, aan wien het nest behoorde, waarin de arend mij gebragt had (want ieder koopman heeft een eigen nest), er voor zijn aandeel zoo vele uit te kiezen, als hij verkoos. Hij vergenoegde zich met er slechts één te nemen en niet eens den grootste. Toen ik er op aandrong, dat hij er nog eenigen zou nemen, zonder beschroomd te zijn mij daardoor te benadeelen, zeide hij: „Neen, deze steen heeft waarde genoeg, om mij een bestaan te verzekeren, zoodat ik geene reizen meer zal behoeven te doen.”

Ik bragt den nacht in het gezelschap van deze kooplieden door, en moest mijne zonderlinge lotgevallen voor de tweede maal vertellen, om hen te bevredigen, die bij het eerste verhaal daarvan niet tegenwoordig geweest waren. Intusschen kende mijne blijdschap geene grenzen, dat ik aan zoo vele en zoo groote gevaren op eene zoo wonderbare wijze was ontkomen. Somtijds scheen mij zulks toe slechts een bedriegelijke droom te zijn, en ik kon mij naauwelijks voorstellen, dat ik thans niets meer had te vreezen.

Daar de kooplieden zich reeds een' geruimen tijd hier hadden opgehouden, en ieder hunner tevreden scheen te zijn met de diamanten, die hem ten deel waren gevallen, vertrokken wij reeds den volgenden morgen. Onze weg liep aanvankelijk over hooge bergen, waar wij slangen zagen van eene verbazende lengte, aan wie wij het geluk hadden te ontkomen. Eindelijk bereikten wij eene havenplaats, van waar wij naar het eiland Rohan overstaken. Hier groeit de kamferboom, wiens bladrijke takken zich zoo ver van den stam uitbreiden, dat meer dan honderd menschen onder zijn looverdak beschutting kunnen vinden tegen het branden der zonnestralen. Het sap loopt uit eene opening, welke men boven in den boom maakt, en wordt in eene kan of in een' aarden vat opgevangen, waarin het dan aan de werking der lucht is blootgesteld. Langzamerhand wordt dit sap dik en komt dan later onder den naam van kamfer in den handel. De kamferboom, op deze wijze van zijne beste sappen beroofd, verdort weldra en sterft.