Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Tweede deel

Part 3

Chapter 34,044 wordsPublic domain

Zoodra ik mij sterk genoeg gevoelde om te kunnen uitgaan, wilde ik naar het huis, dat ik van mijn' eersten man had, terugkeeren, doch ik vond slechts de plaats waar het eenmaal gestaan had. Mijn tweede echtgenoot had, in de hevigheid van zijnen toorn, niet alleen mijne woning, maar de geheele straat omver laten halen. Deze daad van geweld is voorzeker ongehoord, en kan door niets verschoond worden; maar tegen wien zou ik mijne klagt indienen? De bewerker van die willekeurige handelwijze had zijne maatregelen zoo goed genomen, dat ik hem niet op het spoor kon komen. De oude dame, van wie ik moest veronderstellen, dat zij beter met den waren naam en den eigenlijken stand van mijn' wreeden echtgenoot bekend was dan ik zelve, wilde zich daarover niet uitlaten. Bovendien, al ware ik er ook in geslaagd, hem te ontdekken, was het mij niet duidelijk genoeg, dat de behandeling mij aangedaan, het werk was van eene onbeperkte magt? Zou ik zelfs wel den moed hebben, mij daarover te beklagen?

Mistroostig en van alles ontbloot, nam ik mijne toevlugt tot mijne geliefde zuster Zobeïde, en ik verhaalde haar, onder het storten van een' vloed van tranen, mijne ongelukken in mijn tweede huwelijk. Zij ontving mij met hare gewone goedheid, en moedigde mij aan om mijn lot met lijdzaamheid te dragen. „Lieve zuster!” zeide zij, „gij hebt veel ondervonden en veel geleden, maar zoo is de loop dezer wereld; niets is hier bestendig; heden zijn wij rijk en gelukkig, en morgen van alles beroofd. De dood ontneemt ons onze vrienden of een' dierbaar voorwerp, in wiens liefde wij ons verblijden, en met wien wij ons in de toekomst een' hemel van zaligheid droomden.” En om mij een bewijs te geven, dat zij bij ondervinding dus mogt spreken, maakte zij mij bekend met hare liefde voor den jongen prins, dien zij in de versteende stad had aangetroffen, en die een zoo treurig einde ten deel was gevallen door de jaloerschheid onzer zusters. Zij vertelde mij ook hoe deze, tot hare straf, in honden veranderd waren, en dat zij haar, op bevel van de toovergodin, elken nacht op het strengste moest kastijden, eene taak, die haar zeer zwaar viel. Na mij nog vele bewijzen van hare liefde gegeven te hebben, stelde ik mij ook voor aan hare jongste zuster, welke sedert den dood van onze moeder bij haar inwoonde.

Wij danken Allah, dat hij ons op eene zoo zonderlinge wijze bij elkander had gebragt, en wij namen ons voor onze vrijheid te behouden, en niet weder te scheiden, vóór dat de dood ons daartoe noodzaken zou. Reeds lang hebben wij te zamen een rustig leven geleid, en daar ik belast ben met de huishoudelijke uitgaven, heb ik er vermaak in, de levensmiddelen, die wij noodig hebben, zelve in te koopen. Met dat doel was ik gisteren uitgegaan, en daar de drager, van wien ik mij bediende om de waren, welke ik in onderscheidene winkels gekocht had naar huis te brengen, blijken gaf van een geestig en in den omgang aangenaam mensch te zijn, hielden wij hem bij ons, om ons met hem te vermaken. De avond was reeds gevallen, toen deze calenders ons verzochten hen voor dien nacht huisvesting te geven. Wij namen hen in, echter onder ééne voorwaarde, die zij aannamen. Nadat wij hen aan tafel gul onthaald hadden, vergastten zij ons op een concert, toen er andermaal aan de deur werd geklopt. Ditmaal waren het drie kooplieden van Moussoul. Zij deden ons een gelijk verzoek als de calenders, en werden onder dezelfde voorwaarde in ons gezelschap toegelaten, want hun voorkomen was zeer gunstig, en deed ons de beste gedachten van hen koesteren. Doch deze heeren hielden hunne belofte evenmin als de anderen. Wij hadden de magt en waren in ons goed regt hen daarvoor te straffen, maar wij vergenoegden ons, met hen hunne geschiedenissen te laten vertellen, en wij namen geene andere wraak, dan hen vervolgens weg te zenden, en hun eene wijkplaats te ontzeggen, welke zij verbeurd hadden.”

* * * * *

De kalif Haroun-al-Raschid was zeer tevreden, dat aan zijne nieuwsgierigheid voldaan was, en betuigde openlijk zijne bewondering over de verhalen van al de vreemde gebeurtenissen, die hij had aangehoord.

Deze groote monarch liet het echter hierbij niet blijven. Hij besloot aan de drie calenders, koningszonen, en aan de drie dames een doorslaand bewijs te geven van zijne grootmoedigheid. Zonder zich ditmaal van de tusschenkomst van zijnen groot-vizier te bedienen, rigtte hij zelf het woord tot Zobeïde: „Mejufvrouw,” zeide hij, „heeft de toovergodin, welke zich eerst aan u in de gedaante van eene slang vertoonde, en u later zulk een' zwaren taak opdroeg, niet gezegd, waar gij haar des verlangende kunt vinden; of liever, heeft zij u niet beloofd terug te komen, om na zeker tijdsverloop aan uwe twee in zwarte honden veranderde zusters hare natuurlijke gedaante terug te geven?”

„Beheerscher der geloovigen!” antwoordde Zobeïde, „ik heb nog vergeten aan uwe majesteit te zeggen, dat de toovergodin mij een pakje met haar heeft ter hand gesteld, met de verzekering, dat, mogt hare tegenwoordigheid door mij verlangd worden, ik daarvan slechts twee haartjes behoefde te verbranden, dan zou zij oogenblikkelijk bij mij zijn, al ware zij op dat tijdstip aan gene zijde van den berg Kaukasus.” „Mejufvrouw,” hernam de kalif, „waar hebt gij dat pakje met haar?” Zobeïde antwoordde, dat zij dit van het oogenblik af, dat het haar door de toovergodin werd gegeven, altoos als een kostbaar voorwerp in een medaillon om haren hals had gedragen. Dit zeggende, nam zij het medaillon, dat zij aan een gouden kettingje op haren boezem had hangen, opende het en toonde het pakje. „Welnu,” sprak de kalif, „doe de toovergodin hier komen; gij zoudt haar op geen voegzamer tijdstip kunnen ontbieden, omdat ik het zoo begeer.”

Zobeïde verzocht dat men haar een komfoor met vuur zou brengen. In plaats van twee haartjes legde zij er het geheele pakje met haar op, dat terstond ontvlamde. Op het eigen oogenblik schudde het paleis op zijne grondvesten, en de toovergodin verscheen voor den kalif, onder de bekoorlijke gedaante van eene schoone en prachtig gekleede dame. „Beheerscher der geloovigen!” sprak zij, „zie mij gereed uwe bevelen te ontvangen. De dame, welke mij op uw bevel heeft ontboden, heeft mij eenmaal eene gewigtige dienst bewezen. Om haar daarvoor mijn' dank te betoonen, heb ik haar wraak verschaft over het verraad van hare zusters, door deze in honden te veranderen, doch als uwe majesteit het begeert, ben ik bereid haar hare vorige gestalte terug te geven.”

„Schoone nimf,” antwoordde de kalif, „gij zoudt mij geen grooter genoegen kunnen doen; bewijs haar die gunst. Daarna zal ik middelen bedenken om haar te troosten over de harde straf welke zij ondergaan hebben. Maar vooraf heb ik u nog een verzoek te doen, ten gunste van eene dame, hier tegenwoordig, welke door haar' man op eene barbaarsche wijze werd mishandeld. Daar gij vele zaken weet, die voor ons stervelingen verborgen zijn, zoo vertrouw ik, dat gij mij ook in deze zaak kunt helpen; verpligt mij alzoo door mij den naam te zeggen van den barbaar, die, niet tevreden haar dus mishandeld te hebben, haar nog beroofd heeft van al wat zij van haar' eersten man bezat. Het verwondert mij, dat zulk eene onregtvaardige en onmenschelijke daad, waardoor mijn gezag werd beleedigd, niet te mijner kennis is gekomen.”

[Illustratie: Geschiedenis van Sindbad den Zeeman.

Dl. II, pag. 33.]

„Om uwe majesteit genoegen te geven,” antwoordde de toovergodin, „zal ik de beide honden hare vorige gestalte hergeven. De dame, door u bedoeld, zal ik genezen van hare likteekens, zoodat daarvan niet het geringste spoor zal overblijven, en vervolgens zal ik u ook hem noemen, die haar dus heeft mishandeld.”

De kalif beval daarop de honden uit Zobeïde's woning te halen. Zijn bevel werd met den meesten spoed volbragt. De toovergodin vroeg nu eene kom met water, sprak daarover eene reeks onverstaanbare woorden uit, en vervolgens eenige droppelen van dit water nemende, wierp zij die op Amine en op de beide honden. Naauwelijks was dit geschied, of de laatsten veranderden in twee dames van uitstekende schoonheid, en de likteekens van Amine waren verdwenen.

Toen zeide de toovergodin tot den kalif: „Beheerscher der geloovigen, er blijft mij nog over u den onbekenden echtgenoot van deze dame te noemen. Hij bestaat u van zeer nabij want het is uw oudste zoon, de prins Amindar. Het gerucht van Amine's schoonheid deed den prins in liefde voor haar ontsteken; hij wist haar naar zijne woning te lokken, en heeft haar gehuwd. De mishandeling, welke hij haar heeft doen ondergaan, is eenigzins te verontschuldigen. Mevrouw zijne echtgenoot had zich te veel vrijheid veroorloofd, en de verontschuldigingen, die zij inbragt, droegen het kenmerk der onwaarheid, en moesten hem doen denken, dat zij zich aan eene veel grootere misdaad had schuldig gemaakt, dan inderdaad het geval was. Had zij hem hare fout beleden, de zaak zou zoo ver niet gekomen zijn, maar wie zich door een' leugen zoekt te redden, zal daarbij nimmer wel varen. Dit is alles, wat ik uwe majesteit te zeggen heb, om haar verlangen te bevredigen.” Na deze woorden groette zij den kalif en verdween.

Deze monarch, opgetogen van verwondering, en tevreden ever hetgeen door zijne tusschenkomst had plaats gehad, deed daden, waarvan de late nakomelingschap nog met lof zal spreken. Eerst liet hij den prins Amindar, zijn' zoon, ontbieden, en zeide hem, dat hij met zijn geheim huwelijk bekend was, terwijl hij hem te gelijk mededeelde, bij welke gelegenheid Amine de wond aan hare wang had bekomen, en dat alleen schaamte over hare onbezonnen daad haar had weêrhouden, hem dit te belijden en zijne vergiffenis af te smeeken.—De prins liet zijnen vader niet verder voortgaan, hij wachtte niet tot deze er van sprak, van haar weder in gunst aan te nemen, maar hij deed dit terstond uit eigen beweging. Vervolgens verklaarde de kalif, dat hij zijn hart en zijne hand aan Zobeïde schonk. Hare drie zusters bestemde hij voor de drie calenders, koningszonen, die dit geschenk met vreugde aannamen. Hij wees aan elk hunner een prachtig paleis in Bagdad tot woning aan, verhief hen tot de eerste waardigheden in zijn rijk en gaf hun zitting in zijnen raad. Zoo verwierf zich de beroemde kalif Haroun-al-Raschid duizend zegeningen, door zoo vele menschen gelukkig te maken, die met ongeloofelijke rampspoeden hadden te worstelen gehad.

GESCHIEDENIS VAN SINDBAD DEN ZEEMAN.

Onder de regering van denzelfden Haroun-al-Raschid, leefde er te Bagdad een arme drager, Hindbad genaamd. Op een' zeer heeten dag moest hij eene zware vracht dragen van het eene einde der stad naar het andere. Daar hij door den langen weg, dien hij reeds had afgelegd, zeer vermoeid was, zocht hij eene schaduwrijke plaats, legde zijne vracht af en ging daarop zitten, ten einde een weinig uit te rusten. Hij bevond zich tegenover een prachtig paleis, uit welks openstaande vensters hem eene fraaije muzijk tegenklonk! Werd hierdoor het gehoor van onzen drager gestreeld, zijn neus ging niet minder te gast aan den lekkeren reuk van gebak en gebraad, welke hem uit een der keukenvensters tegenkwam. „Hier geeft men een feest en leeft men zonder zorgen,” dacht onze arme drager, „wie zou toch de gelukkige bewoner van dit paleis zijn?” Om zijne nieuwsgierigheid te bevredigen trad hij naderbij, en vroeg aan een' der prachtig uitgedoschte lakkeijen, die hij aan de deur zag staan, den naam van zijn' heer. „Hoe,” zeide de lakkei, op een' toon van verwondering, „gij zijt een inwoner van Bagdad, en gij weet niet, dat dit de woning is van Sindbad den zeeman, van den beroemden reiziger, die alle zeeën en landen, welke door de zon worden beschenen, bezocht heeft!” Onze drager had van den onmetelijken rijkdom van dezen Sindbad dikwijls hooren spreken en benijdde een man, die in zijne oogen even zoo gelukkig moest zijn, als hij zelf te beklagen was. Met deze ontevreden gedachten bezield, blikte hij ten hemel, en sprak, luide over zijn lot morrende: „O Allah! Schepper en Bestierder der geloovigen, waartoe toch het onderscheid tusschen dezen Sindbad en mij? Ik moet dagelijks hard werken, hitte en koude verduren, om een schamel stukje brood voor mij en mijn gezin te verdienen, terwijl deze gelukkige zijne schatten in ledigheid verteert en een vrolijk en weelderig leven leidt. Wat heeft hij gedaan, dat Gij hem met zulk een gelukkig lot bedeelt? En wat heb ik misdreven, om zulk een hard leven te moeten leiden?” Bij deze laatste woorden stampte hij met den voet op den grond, en sloeg zich met de vuist voor het hoofd.

Nog was de drager in deze wanhopige gedachten verdiept, toen een der knechten uit het paleis hem naderde, hem bij den arm greep en zeide: „Haast u en volg mij. Mijnheer Sindbad, mijn meester, wil u spreken.”

Hindbad gevoelde zich bij deze toespraak niet zeer op zijn gemak. Hij werd bevreesd, dat men zijne voor den heer des huizes niet vleijende gezegden had gehoord, en dat Sindbad hem nu liet ontbieden, om hem daarover door te halen of te straffen. Hij verontschuldigde zich dus, dat hij zijne vracht niet onbewaakt op straat kon laten liggen, maar de lakkei zeide, dat men daarvoor zorg zou dragen, en drong zoo sterk bij hem aan, dat de drager, hoewel schoorvoetende, zich naar binnen liet geleiden.

De lakkei bragt hem in eene groote zaal, waar een aanzienlijk gezelschap aan tafel zat. Op die tafel stond eene keur der heerlijkste spijzen te dampen. Aan het boveneinde zat een nog krachtvol grijsaard van een ernstig en, door zijn' langen witten baard, achtbaar voorkomen. Achter zijn' prachtigen zetel stonden eene menigte bedienden, die allen zich beijverden om op zijne wenken te letten. Deze zoo gevierde persoon was Sindbad.

Het gezigt van zulk een aanzienlijk gezelschap en de pracht, die alom heerschte, bragten den armen drager zoo van zijn stuk, dat hij als een misdadiger stond te beven. Sindbad wenkte, dat hij naderbij zou komen, zette hem aan zijne regterhand, diende hem van het lekkerste dat op zijne tafel stond, en deed hem inschenken van den fijnen wijn, waarmede het buffet als overladen was.

Toen nu de drager goed gegeten en gedronken had, en ook de overige gasten verzadigd waren, nam de gastheer het woord, en zich tot Hindbad wendende, zeide hij, de zeden der Arabieren volgende, als zij zeer gemeenzaam met iemand spreken: „Broeder! mag ik uw' naam weten, en ook welk beroep gij uitoefent?” „Heer,” luidde het antwoord, „ik heet Hindbad en ben drager van beroep.” „Het verheugt mij u hier te zien,” hernam Sindbad, „en ik durf u de verzekering geven, dat gij ook mijnen gasten aangenaam zijt, maar ik wensch uit uw' eigen mond te vernemen, wat gij daar zoo even op straat gezegd hebt. Voor mijn raam staande, heb ik eenige woorden daarvan opgevangen, en daarom stel ik er belang in, hiervan meer te weten.”

Op deze vraag nam de verlegenheid van Hindbad toe; hij sloeg de oogen neêr, en zeide op een' toon, die zijne ontsteltenis verried: „Mijnheer, ik moet u ronduit bekennen, dat ik, in de misnoegde stemming, waarin ik mij bevond, eenige onwelvoegelijke woorden heb geuit, ik smeek u mij dit te vergeven.” „Stel u gerust, broeder,” hernam Sindbad, „vrees niet, dat ik daarover geraakt ben. Integendeel ik kan mij zeer goed in uw' toestand verplaatsen, en in plaats van u over uwe morrende taal eenig verwijt te doen, beklaag ik u veeleer! Mijne wensch is alleen u uit eene dwaling te helpen, waarin gij omtrent mij schijnt te verkeeren. Gij verbeeldt zeker, dat ik het aangename en rustige leven, dat ik thans mag leiden, zonder moeite of arbeid heb verkregen; hierin tast gij mis. Ik ben eerst zoo gelukkig geworden na eene reeks van jaren meer gewerkt en meer doorgestaan te hebben, dan gij of iemand anders zich kan verbeelden. Ja, mijne heeren!” vervolgde hij, zich thans tot het geheele gezelschap wendende, „ik kan u verzekeren, dat mijne werkzaamheden en rampen van zulk een' buitengewonen aard waren, dat zij in staat zouden zijn den begeerigsten den lust te ontnemen om de schatten, die zij in hun vaderland niet kunnen vinden, over zee en in verre gewesten te gaan zoeken. Gij zult waarschijnlijk slechts bij gerucht gehoord hebben van mijne zonderlinge lotgevallen en van de tallooze gevaren, die ik op mijne zeven zeereizen heb doorgestaan. Vermits zich daartoe thans de gelegenheid voordoet, wil ik er u een getrouw verslag van geven. Ik durf mij zelfs vleijen, dat gij geen berouw zult hebben, mij een aandachtig oor te hebben verleend.”

Daar Sindbad met het verhaal zijner geschiedenis hoofdzakelijk beoogde, den drager van zijne dwaling te overtuigen, gaf hij last, dat men zijn pak binnenshuis halen en bergen zou, ter plaatse waar Hindbad dit mogt verlangen. Toen ving hij aldus aan:

EERSTE REIS VAN SINDBAD DEN ZEEMAN.

„Ik had van mijne familie een aanzienlijk vermogen geërfd; doch in mijne jeugd bragt ik daarvan het grootste gedeelte op eene onbezonnen wijze door. Eindelijk echter kwam ik van mijne verblinding terug en begon in te zien, dat ook de grootste rijkdom niet onuitputtelijk is, en dat alzoo bij mijne verkwistende levenswijze mijn erfdeel weldra verteerd zou zijn. Ik overwoog ook, hoe dwaas het was den kostbaren tijd, die nimmer terugkeert, in ijdelheid en in een ongeregeld leven door te brengen, in plaats van die te besteden tot mijn eigen heil en tot nut van mijne medemenschen. Nog kwam het mij als een dreigend spookbeeld voor den geest, dat er geene grootere ellende op deze aarde is, dan arm te zijn in den dag des ouderdoms. Ik herinnerde mij daarbij de woorden van den wijzen Salomo, die ik van mijn' vader meermalen gehoord had: „Het is beter in het graf te zijn dan in armoede.”

Al deze overwegingen maakten een' diepen indruk op mij, en ik besloot het overschot van mijn erfdeel bijeen te verzamelen en daarmede mijn voordeel te doen. Ik liet al mijne kostbare meubelen in het openbaar aan de meestbiedenden verkoopen. Ik vereenigde mij met eenige kooplieden, die op zee handel dreven, en vraagde raad aan verstandige lieden, die met den handel goed bekend waren. Ik besteedde het weinige dat mij van mijn kapitaal overbleef, om er die waren voor in te koopen, waarop, volgens hun zeggen, eene goede winst te verwachten was. Ik liet die naar Balsora overbrengen, alwaar wij ons inscheepten op een groot schip, dat wij voor gezamentlijke rekening hadden aangekocht en uitgerust.

Wij gingen onder zeil en zetten koers naar Oost-Indië door den Perzischen zeeboezem, die ten Westen begrensd wordt door de kust van Gelukkig Arabië en ten Oosten door die van Perzië, wiens grootste breedte naar het algemeen gevoelen, slechts zeventig zeemijlen bedraagt. Van daar kwamen wij in de Indische zee, welken ten Westen wordt begrensd door de kusten van Abyssinië, en eene lengte heeft van vier duizend een honderd mijlen tot de eilanden van Vakvak.

Wij deden op onze reis verschillende eilanden aan, waar wij onze koopwaren met voordeel verkochten of tegen andere inruilden. Op zekeren dag werden wij door windstilte overvallen, zoodat het schip bijna niet verder kwam en de zeilen en winpels slap bij de masten hingen. Wij bevonden ons toen op de hoogte van een klein eiland, dat bijna met het water gelijk was, en zich aan ons door zijne groene kleur als eene in de zee drijvende weide vertoonde. De kapitein liet zeilen reven, en wij passagiers kregen verlof ons aan wal te begeven. Ik bevond mij onder hen, die dit eiland gingen bezoeken.

Wij hadden in onze sloep al het noodige voor een landelijk maal medegenomen, en legden een vuur aan van eene ledige teerton; de matrozen kookten onze spijs, wij maakten goede sier, en dronken op onze gelukkige landing. Eensklaps begon het eiland te schudden en wij voelden onderscheidene schokken als die van eene aardbeving.

Ook op het schip had men deze schudding van het eiland waargenomen, en men riep ons met den scheepsroeper toe, dat, indien wij niet allen wilden vergaan, wij ons moesten haasten aan boord te komen, daar, hetgeen wij voor een eiland hadden aangezien, niet anders was dan de bovenwater uitstekende rug van een' zeer grooten walvisch, die zich in de zon koesterde en zijn middagslaapje hield. De vlugsten van ons redden zich in de sloep, anderen sprongen in zee en trachten zich door zwemmen te redden. Wat mij betreft, ik bevond mij nog op het eiland, of liever op den walvisch, toen het monster naar de diepte ging, zoodat ik slechts tijd had om mij op een groot stuk hout te plaatsen, dat wij hadden medegebragt, om er het vuur mede aan te stoken. De lieden uit de sloep kwamen behouden aan boord, en eenige der rondzwemmenden werden opgevischt; terwijl andere in de diepte wegzonken en verdronken. Op mij, hoe luid ik ook riep, scheen men geen acht te slaan, en daar de wind inmiddels opstak, zag ik tot mijn' schrik, dat de kapitein, die mij zeker voor verloren hield, de zeilen liet hijschen en wegvoer, zoodat mij alle hoop benomen werd, om het schip te bereiken. Ik bleef dus alleen achter, overgelaten aan de willekeur der golven, welke mij dan hier dan herwaarts slingerden. Ik betwistte haar echter mijn leven gedurende dien ganschen dag en den daarop volgenden nacht. Met het aanbreken van den dag waren mijne krachten geheel uitgeput, en reeds zag ik den dood voor oogen, toen ik eensklaps door eene groote golf opgenomen en tegen een eiland geworpen werd.

Het strand was hoog en steil, doch de doodsangst gaf vleugelen aan mijne voeten, en met behulp van eenige vooruitstekende boomwortels, die tot mijn behoud daar bewaard schenen te zijn, bevond ik mij weldra op het drooge en meer dan honderd voet boven de oppervlakte der zee. Ik strekte mij op den met gras bedekten bodem uit, en bleef voor half dood liggen, tot dat de zon met hare koesterende stralen mij uit mijne sluimering wekte.

Hoewel ik mij zeer zwak gevoelde door de vermoeijenissen welke ik, op zee drijvende, had uitgestaan, stond ik echter, door den honger gekweld op, en sleepte mijn uitgeput ligchaam voort, om eenige kruiden of vruchten te zoeken. Ik had het geluk weldra te vinden wat ik zocht, en tevens ontdekte ik eene bron met zoet water, dat niet weinig tot mijne verkwikking toebragt. Zoodra mijne krachten eenigzins hersteld waren, ging ik het eiland dieper in, zonder te weten waarheen ik mijne schreden moest rigten. Eindelijk kwam ik in eene grasrijke vallei, en in de verte bespeurde ik een paard, dat liep te grazen. Ik werd op dit gezigt door vrees en hoop geslingerd, want ik was in het onzekere of ik mijn' dood te gemoet ging, door in de handen van wreede wilden te vallen, dan of ik op redding kon hopen. Intusschen ging ik steeds voort, en naderbij komende werd ik gewaar, dat het eene schoone merrie was, welke met een lang touw aan een' staak was vastgebonden. Terwijl ik het paard bezag, hoorde ik onder mij spreken. Niet lang daarna kwam er een man als voor mijne voeten uit den grond op, die mij vraagde, wat ik daar te doen had, en wie ik was. Daar hij in eene mij bekende taal sprak, stelde ik mij gerust, en deelde hem mijne lotgevallen mede. Hij stak mij de hand toe, en bragt mij in eene grot, waar zich verscheidene mannen bevonden, die niet minder verwonderd waren _mij_ daar te zien, dan _ik_ het was er hen aan te treffen.

Ik gebruikte een weinig van de spijzen, die zij mij voorzetten, en vraagde hun op mijne beurt met welk doel zij zich op deze plaats bevonden, die mij toescheen niet anders dan eene wildernis te zijn. Zij antwoordden mij, dat zij stalknechten waren van den koning Mihradhan, onder wiens heerschappij dit eiland stond. Dat zij elk jaar omtrent den zelfden tijd naar deze vlakte kwamen, ter verkrijging van paarden voor 's konings stal, hetwelk echter met veel moeite gepaard ging, door dat zich in de nabijheid een zeepaard bevond, die hunne paarden zocht te verslinden. Ook deelden zij mij nog mede, dat zij den volgenden morgen weder vertrokken en dat, ware ik slechts één dag later gekomen, het zeer slecht met mij zou zijn afgeloopen, daar de bewoonde zijde van het eiland zeer ver van hier was, en ik daar zonder gids nimmer zou zijn gekomen.