Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Tweede deel

Part 2

Chapter 24,167 wordsPublic domain

„Mejufvrouw!” antwoordde de prins, „ik weet niet of dat uwe meening is, maar wat mij aangaat, ik verklaar u in vollen ernst, hier in bijzijn van uwe zusters, dat ik uw aanbod met geheel mijn hart aanneem, evenwel wil ik u niet als slavin beschouwen, maar wel als gebiedster, wier minste wenschen ik mij steeds zal gelukkig achten te kunnen vervullen.” Bij dit antwoord van den prins, dat, naar den toon waarop hij sprak, genoegzaam bleek ernstig gemeend te zijn, verbleekten mijne zusters, en van dat oogenblik af kon ik aan alles bemerken, dat ik hare genegenheid had verloren, en zij mij geen goed hart toedroegen. Wij waren reeds in de golf van Perzië, en bij den gunstigen wind dien wij hadden hoopte ik, dat wij den volgenden dag de haven van Balsora zouden bereiken. Maar in dienzelfden nacht, terwijl ik in een gerusten slaap lag, grepen mijne zusters mij onverhoeds aan, en wierpen mij over boord. Met den prins handelden zij op dezelfde verraderlijke wijze; hij zonk dadelijk naar de diepte en verdronk. Ik wist mij eenigen tijd boven water te houden, en bij geluk of liever als door een wonder voelde ik eensklaps grond onder mijne voeten. Ik liep op goed geluk voort; het water, dat mij eerst tot aan den hals stond, nam langzamerhand in diepte af, en reikte mij weldra nog slechts tot aan de knieën. Spoedig bevond ik mij nu op het drooge, en toen de dag aanbrak en ik de voorwerpen kon onderscheiden, bemerkte ik, dat ik op een klein onbewoond eiland was. Nadat ik mijne kleederen in de zon gedroogd had, wandelde ik dieper landwaarts in. Al voortgaande, vond ik verscheidene soorten van vruchten en eindelijk ook eene bron van zoet water, hetgeen mij hoop gaf, mijn leven zoo lang te zullen kunnen rekken, totdat ik door den een' of anderen visscher, die dit eiland aandeed, om zich van versch water of van vruchten te voorzien, uit mijne ballingschap verlost werd.

Vermoeid van het omdolen, zette ik mij in de nabijheid van de bron onder het lommer van een' boom neder. Eensklaps zag ik nu eene gevleugelde slang van verbazende dikte en lengte op mij afkomen. De slang scheen echter geen kwaad tegen mij in den zin te hebben, maar wrong en kronkelde zich in allerlei bogten, hetgeen mij deed denken, dat zij door het een of ander ongemak gekweld werd. Ik rigtte mij op, en nu bespeurde ik, dat deze slang bij den staart werd vastgehouden door eene andere, nog veel grooter, die haar trachtte te verslinden. Dit maakte mijn mededoogen gaande, en in plaats van te vlugten, had ik de tegenwoordigheid van geest en den moed, een' grooten steen, dien ik in mijne nabijheid zag, op te rapen en met alle kracht naar de grootste slang te werpen. Ik trof haar juist aan den kop, die geheel verpletterd werd. Toen de andere slang bespeurde, dat zij van hare vijandin bevrijd was, spreidde zij dadelijk de vleugels uit en vloog weg. Ik zag haar eenigen tijd in de lucht na, als een voor mij vreemd verschijnsel, doch toen ik haar uit het gezigt had verloren, zette ik mij weder in de schaduw van den boom neder, en de vermoeijenis deed mij weldra inslapen.

Bij mijn ontwaken zag ik tot mijne groote verwondering eene zwarte vrouw voor mij, welke twee zwarte honden bij zich had, die even als brakken met een' ketting aan elkander waren gebonden. De vrouw had niets afschrikwekkends in haar wezen, maar hare oogen, die zij op mij gevestigd hield, flonkerden als sterren bij helder weder. Ik ging overeind zitten, en vraagde haar wie zij was en wat zij van mij verlangde? „Ik ben,” antwoordde zij, „de slang, welke gij niet lang geleden van hare wreedste vijandin hebt verlost. Ik meende de dienst, welke gij mij hebt bewezen, niet beter te kunnen erkennen, dan op de wijze, zoo als ik dit gedaan heb. Het trouweloos verraad van uwe zusters was mij bekend, en ik besloot u deswege wraak te verschaffen. Zoodra ik mij door uwe hulp in vrijheid bevond, nam ik eene menigte mijner gezellinnen mede, die even als ik toovergodinnen zijn. Gezamentlijk hebben wij de lading van uw schip naar Bagdad in uwe magazijnen overgebragt, zonder dat er iets aan ontbreekt, en daarna deden wij het schip vergaan. Deze twee zwarte honden zijn uwe zusters, aan welke ik die gedaante heb gegeven. De straf is echter niet voldoende, en het is mijne begeerte, dat gij er mede zult handelen, zoo als ik u zeggen zal.”

Bij deze laatste woorden, sloeg de toovergodin den regter arm om mijne middel, en de beide honden onder den linker nemende, verhief zij zich in de lucht, en bragt ons in een oogwenk naar Bagdad in mijne woning over. En werkelijk vond ik in mijne magazijnen al de kostbaarheden terug, waarmede mijn schip bevracht was geweest. Vóór dat zij van mij scheidde, gaf de toovergodin de twee honden aan mij over, met de woorden: „Ik wil en ik beveel u, in naam van hem, die de zee beroert en bruischen doet als een' borrelenden tooverpot, dat gij iederen nacht aan elke van uwe zusters honderd zweepslagen zult geven, om haar te straffen voor de misdaad, welke zij aan u en aan den jongen prins hebben begaan, die dit met den dood heeft moeten bekoopen. Schiet gij hierin te kort,” vervolgde de toovergodin op dreigenden toon, „scheldt gij haar slechts een' enkelen slag kwijt, zoo zult gij even als zij in eenen hond worden veranderd, en ik zelve zou u aan die straf niet kunnen onttrekken, want hij, die het mij bevolen heeft, is magtiger dan ik.”

Er bleef mij alzoo niets anders over dan haar bevel te volgen, want al had ik mij ook voor mijne zusters willen opofferen, zij zouden daarbij geene baat gevonden hebben. Doch gij zijt getuige geweest, Sire! van die strafoefening, en ook hoe ik met mijne zusters geweend heb, omdat ik gedwongen ben, haar dus te mishandelen, niettegenstaande mijn hart er onder bloedt, en ik haar reeds lang heb vergeven. Uwe majesteit kan dus zelve oordeelen, of ik niet meer te beklagen ben dan te verachten. Is er echter nog iets, dat mij betreft, Sire! en dat gij moogt wenschen te weten, mijne zuster Amine zal er u in het verhaal van hare lotgevallen de opheldering van geven.”

* * * * *

Toen de kalif Zobeïde met bewondering had aangehoord, liet hij de bevallige Amine door zijn' groot-vizier verzoeken, hem nu op hare beurt bekend te maken met de oorzaak van die vele en diepe likteekenen, welke hij bij haar, tot zijne groote verbazing, had opgemerkt.

GESCHIEDENIS VAN AMINE.

„Beheerscher der geloovigen!” zoo ving zij haar verhaal aan, „ten einde uwe majesteit niet te vervelen, door in herhaling te vervallen omtrent zaken, welke u reeds bekend zijn uit de geschiedenis van mijne zuster, zal ik u alleen zeggen, dat mijne moeder, voor zich zelve een afzonderlijk huis betrokken hebbende, waarin zij haren weduwenstaat wilde doorbrengen, mij uithuwelijkte aan een' der rijkste kooplieden van deze stad, terwijl zij mij als bruidschat mijn vaderlijk erfdeel uitkeerde.

Ik was naauwelijks een jaar gehuwd, toen ik weduwe werd en in het volle bezit kwam der nalatenschap van mijn' man, welke zeer aanzienlijk was en meer dan negentig duizend sequinen beliep. Alleen de rente van dit kapitaal was voor mij voldoende, om op een' goeden voet te leven. Zoodra de eerste zes maanden van mijn' rouw voorbij waren, liet ik mij tien verschillende kleederdragten maken, zoo prachtig, dat elk kleed mij op duizend sequinen te staan kwam, en na verloop van een jaar begon ik die te dragen.

Op zekeren dag, dat ik geen gezelschap had, en mij met eenige huisselijke zaken onledig hield, kwam men mij zeggen, dat er eene dame was, die mij verlangde te spreken. Ik gaf last haar binnen te laten. Het was eene reeds hoog bejaarde vrouw. Zij groette mij door met het hoofd ter aarde te buigen, en op hare knieën liggende, sprak zij mij met deze woorden aan: „Mevrouw, ik bid u, mij de vrijheid te vergeven, die ik neem door u lastig te vallen. Het vertrouwen, dat ik in uwe edelmoedigheid stel, is alleen in staat, mij zoo stoutmoedig te maken. Ik moet u dan zeggen, mijne hooggeëerde dame, dat ik eene kleindochter heb, eene wees, welke heden in het huwelijk zal treden. Wij zijn hier echter vreemdelingen, en hebben in deze stad volstrekt geene kennissen. Dit brengt ons in groote verlegenheid, want wij wenschen aan de aanzienlijke familie, waarmede wij ons verbinden zullen, te doen gevoelen, dat ook wij hier geene onbekenden zijn en eenige achting genieten. Het is daarom, mijne edelmoedige dame, dat wij ons ten hoogste aan u verpligt zouden rekenen, indien gij goed kondet vinden ons op de bruiloft met uwe hooggeachte tegenwoordigheid te vereeren. Gij zoudt ons daardoor hoogst gelukkig maken, omdat de familie, met welke wij ons zullen verbinden, niet anders dan goede gedachten van ons zal kunnen hebben, zoodra zij zien zal, dat eene dame van uwen rang, het niet beneden hare waardigheid heeft geacht, ons hare tegenwoordigheid te schenken. Maar helaas! indien gij onze nederige bede afslaat, welk eene teleurstelling zal dit voor ons zijn! Wij zouden dan niet weten, tot wie anders ons te wenden.”

Deze toespraak, welke de goede dame deed vergezeld gaan van hare tranen, bewoog mij om medelijden met haar te hebben. „Mijne goede moeder,” zeide ik, „ik wil u het genoegen wel aandoen, waarom gij mij verzoekt; zeg mij slechts, waar ik moet wezen; ik verlang niet meer tijd, dan noodig is, om mij daarvoor te kleeden.” De oude dame was door dit antwoord van vreugde opgetogen, en kuste mijne voeten, eer ik dit kon beletten. „Mijne edelmoedige dame,” hernam zij, zich weder oprigtende, „Allah zal u de goedheid vergelden, welke gij voor uwe dienstmaagd hebt, en uw hart verblijden, gelijk gij het onze verblijdt. Het is echter niet noodig, dat gij u de moeite geeft naar onze woning te zoeken, of dat gij u overhaast; het is voldoende, dat gij tegen den avond gereed zijt, wanneer ik zelve u zal komen afhalen. Ontvang de betuigingen van mijnen eerbied, Mevrouw,” voegde zij er bij, „ik hoop u weldra weder te zien.”

Zoodra zij mij had verlaten, nam ik uit mijne garderobe dat kleed, hetwelk ik meende, dat mij het bevalligst stond, benevens een kostbaar parelsnoer, braceletten, ringen en oorhangers die van diamanten fonkelden. Het was, als of ik een voorgevoel had van hetgeen mij te wachten stond.

Reeds begon het avond te worden, toen de oude dame zich liet aanmelden. De vreugde stond op haar gelaat te lezen. Zij kuste mij de hand en zeide: „Lieve dame, de bloedverwanten van mijn' aanstaanden schoonzoon zijn reeds allen in mijne woning bijeengekomen; zij behooren tot de aanzienlijksten van deze stad, en het zal hun voorzeker eene groote vreugde zijn, u in hun midden te zien. Mag ik thans de eer hebben u ten mijnent te geleiden?”

Wij begaven ons zonder verwijl op weg; zij ging vooruit en ik volgde haar met een groot aantal mijner slavinnen, welke allen sierlijk uitgedost waren. Wij hielden stil in eene breede straat, voor een sierlijk gebouw met eene dubbele poort, door eene groote lantaarn verlicht, bij wier licht het mij niet moeijelijk viel, het met gouden letters boven de poort geplaatste opschrift te lezen: „_Hier is het verblijf van eeuwigdurende vreugde en van vermaak._” De oude dame klopte aan en oogenblikkelijk werden de vleugeldeuren geopend. Men bragt mij over het binnenhof naar het hoofdgebouw en geleidde mij in eene prachtige zaal, waar ik werd ontvangen door eene jonge dame van onvergelijkelijke schoonheid. Zij kwam naar mij toe, omhelsde mij en deed mij naast zich plaats nemen op eene sofa, onder een' troonhemel van kostbaar hout en met gouden platen en kostbare edelgesteenten ingelegd. „Mevrouw!” sprak zij op een' innemenden toon, „men heeft u verzocht hier te komen, om eene bruiloft bij te wonen, maar ik hoop, dat die bruiloft van anderen aard zal zijn, dan gij u dit hebt voorgesteld. Ik heb een' broeder, van wien ik zonder overdrijving durf zeggen, dat hij de schoonste en welgemaaktste van alle mannen is. Hij is zoo opgetogen door den lof van uwe schoonheid, dat zijn lot in uwe handen is, en dat hij zeer ongelukkig zal zijn, zoo gij geen medelijden met hem hebt. De rang, dien gij in de wereld bekleedt, is hem bekend, en ik kan u verzekeren, dat de zijne daarbij niet behoeft achter te staan. Indien mijne bede, mevrouw, iets op u vermag, zoo voeg ik die bij de zijnen, en ik smeek u het aanbod van zijn hart en van zijne hand, dat hij u door mij laat doen, niet af te wijzen.”

Sedert den dood van mijn' man, had ik nog aan geen tweede huwelijk gedacht, maar ik had de kracht niet aan eene zoo schoone en beminnelijke jonge dame iets te weigeren. Zoodra had ik niet door een veel beteekenend zwijgen en door het rood, dat mijne wangen kleurde, mijne toestemming gegeven, of zij klapte in de handen en uit een zijvertrek trad een jongeling te voorschijn van zulk een belangwekkend voorkomen en van eene zoo mannelijke schoonheid, dat ik er door getroffen werd. Hij zette zich bij mij neder, en in het gesprek, dat wij voerden, liet hij zooveel geest en kennis doorstralen, dat ik de overtuiging bekwam, dat zijne zuster, zijne verdiensten prijzende, nog verre beneden de waarheid was gebleven.

Toen de jonge dame zag, dat wij over elkander tevreden waren, klapte zij andermaal in de handen en een kadi[1] trad binnen. Deze stelde zonder verwijl ons huwelijks-contract op, teekende het, en liet het ook teekenen door de vier getuigen, die hij tot dat einde had medegebragt. De eenige zaak, welke mijn nieuwe echtgenoot van mij begeerde, was dat ik nimmer met een' anderen man zou spreken, en mijn gelaat alleen voor hem ontsluijeren. Hij zwoer mij, dat ik, onder die voorwaarden, alle reden zou hebben over hem tevreden te zijn. Op deze wijze werd ons huwelijk gesloten en voltrokken, zoodat ik de voornaamste persoon werd op eene bruiloft, waarop ik alleen als genoodigde dacht te verschijnen.

[1] Een _kadi_ is een Turksche regter of regtsgeleerde.

Eene maand na ons huwelijk verzocht ik aan mijn' man verlof om te mogen uitgaan, ten einde op de bazar eenige inkoopen te doen. Hij stond mij dit toe, en tot gezelschap, nam ik de oude dame mede, van wien ik reeds gesproken heb, en die tot ons huis behoorde, benevens twee van mijne slavinnen.

Toen wij op de bazar kwamen, zeide de oude dame tot mij: „Mijne goede meesteres, daar gij naar eene zijden stof zoekt van groote zeldzaamheid, zal het 't best zijn, dat ik u breng bij een' jongen koopman, dien ik ken. Zijn magazijn is zeer ruim voorzien van de rijkste stoffen. Gij zult bij hem, zonder dat gij u de moeite behoeft te geven van den eenen winkel in den anderen te gaan, zeer zeker vinden, wat gij zoekt, beter dan ergens anders.” Ik liet mij geleiden, en wij traden den winkel binnen van een' jongen koopman, die er vrij wel uitzag. Ik zette mij neder, en liet hem door de oude dame zeggen, dat hij mij eenige stukken zijde, van de allerfijnste en kostbaarste die hij in zijnen winkel had, zou laten zien. De oude wilde, dat ik zelve hem deze vraag zou doen, maar ik weigerde dit, en zeide tot haar, dat eene der voorwaarden van mijn huwelijk was, dat ik met geen' man, behalve met mijn' echtgenoot, zou spreken, en dat ik mij daaraan ook getrouw wilde houden.

De koopman liet mij verscheidene stukken zijde zien, en toen mijne keus bepaald was, liet ik hem naar den prijs vragen. Hij gaf aan de oude vrouw ten antwoord: „Uwe meesteres heeft een' goeden smaak; dit is de schoonste en kostbaarste stof, die ik in mijn magazijn heb; ik wil ze haar noch voor zilver, noch voor goud verkoopen; maar ik zal haar het stuk ten geschenke geven, indien zij mij wil toestaan haar een' kus op de wang te geven.” Ik beval aan de oude vrouw hem te zeggen, dat hij wel vermetel was, om mij zulk een voorstel te doen. In plaats echter van te gehoorzamen, hield zij mij voor oogen, dat, hetgeen de koopman vraagde juist geene zaak van aanbelang was; dat niet van mij werd gevorderd om tot hem te spreken, maar dat ik niets te doen had dan hem mijne wang aan te bieden, en dat een zoen spoedig gegeven, en even spoedig weder vergeten is. Mijne begeerte om de stof, die ik voor geen geld kon bekomen, in mijn bezit te hebben, was zoo sterk, dat ik onnoozel genoeg was mij te laten overhalen. De oude dame en de beide slavinnen plaatsten zich voor mij, opdat geen nieuwsgierig oog mij van de straat zou kunnen bespieden. Ik schoof mijnen sluijer op zijde, doch in plaats van mij te kussen, beet de koopman mij in de wang, dat zij bloedde.

De smart en nog meer de schrik deden mij in zwijm vallen. Men droeg mij naar buiten, en de koopman, van de verwarring gebruik makende, sloot zijn' winkel en ontvlugtte. Toen ik weder tot bewustzijn kwam, voelde ik dat mijne wang geheel bebloed was. De oude dame en mijne slavinnen hadden inmiddels zorg gedragen, om mijn gelaat met mijn' sluijer te bedekken, opdat de menschen, die ons omringden, in den waan zouden blijven, dat ik slechts eene flaauwte had gekregen.

De oude vrouw was geheel ter neêrgeslagen over een voorval, waartoe zij door haren onvoorzigtigen raad aanleiding had gegeven. Zij trachtte mij echter, zoo veel in haar vermogen was, gerust te stellen omtrent de gevolgen van mijne dwaze toegeefelijkheid. „Mijne goede meesteres!” sprak zij met tranen in de oogen, „ik moet u duizendmalen om vergiffenis vragen, daar ik oorzaak ben van dit ongeluk. Ik heb u bij dezen koopman gebragt, omdat het een landgenoot van mij is, en nooit zou ik hem in staat hebben geacht tot eene zoo boosaardige handelwijze, waarvan ik te vergeefs de reden tracht te gissen. Maar geef u niet te zeer aan uwe droefheid over; haasten wij ons om naar huis te gaan, ik ben in het bezit van een kostbaren balsem, die de kracht heeft uwe wond in drie dagen tijds zoo volkomen te genezen, dat er niet het minste lidteeken van zal achterblijven.”

Mijne flaauwte had mij zoo verzwakt, dat ik naauwelijks kon gaan. Ondersteund door mijne slavinnen, bereikte ik echter mijne woning; doch naauwelijks bevond ik mij op mijne kamer, toen mij eene nieuwe bezwijming overviel. De oude dame verzuimde inmiddels niet, eene pleister met hare wonderzalf op mijne wang te leggen; ik kwam weder tot mij zelven, en begaf mij terstond te bed. Het was reeds nacht, toen mijn man bij mij kwam. Zoodra hij bemerkte, dat mijn hoofd met een' doek was omwonden, vraagde hij met belangstelling wat mij scheelde. Ik gaf voor hoofdpijn te hebben, en vleide mij dat het daarbij zou blijven. Maar ik had mij vergist. Mijn echtgenoot nam eene waskaars van eene der candelabers, en toen hij bijlichtte, bespeurde hij de wonde aan mijne wang, of liever de daarop liggende pleister. „Van waar deze wonde?” vraagde hij. Hoewel ik niet zeer schuldig was, kon ik echter niet besluiten voor de waarheid uit te komen; het gebeurde aan een' echtgenoot te belijden, dat scheen mij met de welvoegelijkheid te strijden. Ik vertelde hem, dat ik naar de bazar gaande, waartoe hij mij verlof had gegeven, op weg een drager had ontmoet, die eene zware vracht hout op het hoofd droeg, en zoo digt langs mij heen ging, dat een vooruitstekende tak mij het gelaat had opengekrabt, doch dat het weinig te beduiden had.

Mijn echtgenoot ontstak daarover in hevigen toorn. „Die daad,” zeide hij, „zal niet ongestraft blijven. Zoodra de dag zal zijn aangebroken, zal ik den officier van politie bevel geven, dat hij al die onbeschofte dragers van de straat doe opvatten en aan de hoogste galg hangen.” Daar ik vreesde de oorzaak te zullen zijn van den dood van zoo vele onschuldige menschen, antwoordde ik hem: „Mijn geliefde man, het zou mij zeer bedroeven, indien gij zulk eene groote onregtvaardigheid begingt, ik bid u, doe dit niet. Ik zou het mij nimmer kunnen vergeven, indien ik daartoe aanleiding had gegeven!” „Zeg mij dan in opregtheid,” hernam hij, „wat ik van uwe wonde moet denken.”

Ik antwoordde hem, dat ik die wond had gekregen door den ezel van een' bezemverkooper. De man, op zijn' ezel gezeten, was mij, zoo gaf ik voor, achter op komen rijden, en daar hij het hoofd omgewend had, kon hij mij niet zien, waardoor hij verzuimde zijn: „Plaats! berg u!” te roepen. De ezel was mij nu zoo ruw tegen het lijf geloopen, dat ik gevallen was, en mijne wang aan eene glasscherf, die op de straat lag, gekwetst had. „Als dat zoo is,” zeide nu mijn man, „dan zal de zon niet aan den hemel verrijzen of de groot-vizier Giafar zal van deze onbeschoftheid kennis dragen, en al deze bezemverkoopers doen dooden.” „Bij Allah,” viel ik hem in de rede, „ik bezweer u, het dezen ongelukkigen niet toe te rekenen, zij zijn onschuldig.” „Hoe, Mevrouw!” antwoordde hij, „wat zal ik ten laatste moeten gelooven? Spreek, ik wil volstrekt de waarheid uit uwen mond hooren.”—„Beste man,” hernam ik, „ik kreeg eene duizeling en ben gevallen; ziedaar de geheele zaak.”

Dit laatste gezegde deed mijn' echtgenoot het geduld verliezen. „Ha!” riep hij, „reeds te lang heb ik uwe leugens aangehoord!” Dit zeggende, klapte hij in de handen en drie zwarte slaven traden binnen. „Neem deze dame van haar bed,” beval hij, „en leg haar in het midden van dit vertrek op den grond.” De slaven volvoerden zijn bevel, en terwijl de een mij bij het hoofd, de andere bij de voeten hield, beval hij aan den derden slaaf een zwaard te halen. Toen de slaaf daarmede terugkwam, riep mijn echtgenoot: „Sla toe, scheid haar ligchaam in twee stukken en werp die in de Tigris tot spijs voor de visschen! Zoo straf ik de trouweloosheid van haar, aan wien ik mijne liefde heb geschonken.”

Toen mijn man zag, dat de slaaf geen haast maakte, om aan dit wreede bevel te gehoorzamen, herhaalde hij het, zeggende: „Sla toe dan! wat weêrhoud u, waarop wacht gij?” „Mevrouw!” zeide toen de slaaf tot mij, „gij hebt nog slechts een oogenblik te leven; bezin u wel of gij, vóór dat de dood u treft, ook nog iets hebt te bevelen.”

Ik vraagde verlof om een woord te mogen spreken. Dit werd mij toegestaan. Daarop mijn hoofd opheffende, en mijn echtgenoot teeder aanziende, barstte ik in tranen uit en klaagde: „Helaas! tot welk een' toestand ben ik gebragt! Zal ik dan in de schoonste dagen van mijn nog jeugdig leven moeten sterven!” Ik wilde voortgaan, maar mijne tranen en mijne zuchten beletten mij verder het spreken. Niets van dit alles kon mijn' echtgenoot bewegen. Integendeel, hij deed mij de hevigste verwijten, die ik niet noodig acht voor uwe majesteit te herhalen. Ik nam nu mijne toevlugt tot smeekingen en gebeden, maar hij wilde er niet naar hooren, en beval den slaaf zijn' pligt te doen.

Op dat ogenblik stormde de oude dame de kamer binnen, wierp zich aan de voeten van mijn' echtgenoot, wiens voedster zij geweest was, en beproefde zijn' toorn te doen bedaren. „Mijn zoon!” zeide zij, „aan mijne borsten hebt gij gezogen, met mijne melk heb ik u gevoed, en ik heb u in uwe jeugd verzorgd als eene teedere moeder; ik vraag daarvoor van u geen ander loon dan dat gij aan deze ongelukkige vergiffenis schenkt. Bedenk, dat volgens de wet van onzen grooten Profeet, de doodslager niet onschuldig geacht zal worden; dat hij, die doodt, zelf gedood zal worden, en dat gij gevaar loopt uw goeden naam en de achting van alle weldenkende menschen te verliezen. Wat zal men zeggen van een' toorn, die zich alleen door bloed laat stillen!” Deze woorden, die zij door hare tranen deed vergezeld gaan, en haar smeekende op hem gerigte blik, maakten op mijn' echtgenoot een' diepen indruk. „Welaan,” zeide hij tot zijne voedster, „om uwentwil schenk ik haar het leven. Maar ik wil, dat zij haar leven lang teekenen zal dragen, die haar aan haar misdrijf zullen herinneren.”

Op deze woorden bragt een der slaven mij met eene rotting zoo vele en zulke harde slagen in mijne zijde en op mijn' boezem toe, dat vel en vleesch er werden afgescheurd, en ik door pijn en bloedverlies geheel buiten kennis geraakte. In dien toestand liet hij mij door zijne slaven opnemen en naar een afgelegen huis vervoeren. De oude dame, welke verlof had gekregen om mij te verplegen, droeg inmiddels de grootste zorg voor mij. Vier maanden moest ik het bed houden. Eindelijk herstelde ik, maar de likteekens, welke uwe majesteit in den vorigen nacht mijns ondanks gezien heeft, heb ik altijd behouden.