Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Tweede deel

Part 16

Chapter 162,212 wordsPublic domain

+----------------------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: | | | | Bron (B:) -- Correctie (C:) | | | | B: even als ik kunt beschikken. | | C: even als ik kunt beschikken.” | | B: voegde ik er bij „ik vrees veeleer; | | C: voegde ik er bij, „ik vrees veeleer; | | B: als het uwe.” „Ik omhelsde haar, | | C: als het uwe.” Ik omhelsde haar, | | B: het andere, waar wat ik ik zocht, een | | C: het andere, maar wat ik ook zocht, een | | B: oog voor het sleutelgaat houdende, | | C: oog voor het sleutelgat houdende, | | B: De jongeling dus eenklaps gestoord, en | | C: De jongeling dus eensklaps gestoord, en | | B: verbazing aan. „Mijne geede dame!” | | C: verbazing aan. „Mijne goede dame!” | | B: mij u vooraf zegen dat deze stad | | C: mij u vooraf zeggen dat deze stad | | B: geschapen en al wat daar in is” | | C: geschapen en al wat daar in is.” | | B: onze inscheping betreking had. | | C: onze inscheping betrekking had. | | B: gebrek aan scheeps ruimte, achterlaten. | | C: gebrek aan scheepsruimte, achterlaten. | | B: toon waarop hij sprak, genoegzaan | | C: toon waarop hij sprak, genoegzaam | | B: het mij bovolen heeft, is magtiger | | C: het mij bevolen heeft, is magtiger | | B: dan ergens anders. Ik liet mij geleiden, | | C: dan ergens anders.” Ik liet mij geleiden, | | B: en aan de hoogste galg hangen. | | C: en aan de hoogste galg hangen.” | | B: ook nog iets hebt te bevelen. | | C: ook nog iets hebt te bevelen.” | | B: welke zij verbeurd hadden. | | C: welke zij verbeurd hadden.” | | B: bewoner van dit paleis zijn? Om zijne | | C: bewoner van dit paleis zijn?” Om zijne | | B: gezin te verdienen. terwijl deze gelukkige | | C: gezin te verdienen, terwijl deze gelukkige | | B: deze wanhopige gedachten, verdiept, toen | | C: deze wanhopige gedachten verdiept, toen | | B: zulk een aanzieniijk gezelschap en de | | C: zulk een aanzienlijk gezelschap en de | | B: neër, en zeide op een' toon, | | C: neêr, en zeide op een' toon, | | B: mijne heeren! vervolgde hij, zich thans | | C: mijne heeren!” vervolgde hij, zich thans | | B: zult waarschijnlijk slecbts bij gerucht | | C: zult waarschijnlijk slechts bij gerucht | | B: een getrouw verslag van geven Ik durf | | C: een getrouw verslag van geven. Ik durf | | B: oor te hebben verleend | | C: oor te hebben verleend.” | | B: Ik had van mijne familie | | C: „Ik had van mijne familie | | B: hoe dwaas het was, den kostbaren | | C: hoe dwaas het was den kostbaren | | B: had, antwoordde hij, „bij mij aan boord | | C: had,” antwoordde hij, „bij mij aan boord | | B: kapitein, „ik luister wat hebt gij te | | C: kapitein, „ik luister, wat hebt gij te | | B: leven uit mijn geheugen te verbannen. | | C: leven uit mijn geheugen te verbannen.” | | B: het woord en zich tot zijn gezeldschap | | C: het woord en zich tot zijn gezelschap | | B: koos ik de wijsste partij; ik onderwierp | | C: koos ik de wijste partij; ik onderwierp | | B: arenden te verschrikken—Zoodra zij hen hadden | | C: arenden te verschrikken.—Zoodra zij hen hadden | | B: eigendom wilde ontrooven „Mijn goede vriend!” | | C: eigendom wilde ontrooven. „Mijn goede vriend!” | | B: schatten leidde ik een vrolijk leven. | | C: schatten leidde ik een vrolijk leven.” | | B: echter, „vervolgde Sindbad,” werd | | C: echter,” vervolgde Sindbad, „werd | | B: het dek stonden, en vervolgde; „Zie | | C: het dek stonden, en vervolgde: „Zie | | B: waarvan ik spreek: gij zoudt mij eene | | C: waarvan ik spreek; gij zoudt mij eene | | B: dood had gehouden. Allah zij geprezen,” | | C: dood had gehouden. „Allah zij geprezen,” | | B: winst terug. | | C: winst terug.” | | B: lange reis, te Balsora binnen Van | | C: lange reis, te Balsora binnen. Van | | B: zonderlinge lotgevallen voort | | C: zonderlinge lotgevallen voort. | | B: De genoegens, die ik na mijne derde | | C: „De genoegens, die ik na mijne derde | | B: zij ons naar hunne woningen, | | C: zij ons naar hunne woningen. | | B: maar als inboorling van het eiland, | | C: maar als inboorling van het eiland. | | B: toestondt,” „Sire,” antwoordde ik, | | C: toestondt.” „Sire,” antwoordde ik, | | B: „Maar, Sire-” hervatte ik „veroorloof mij | | C: „Maar, Sire,” hervatte ik, „veroorloof mij | | B: tussshen de zee en de stad. | | C: tusschen de zee en de stad. | | B: Allah te danken voor de genade. | | C: Allah te danken voor de genade, | | B: met hen en maakte goede sier. | | C: met hen en maakte goede sier.” | | B: aan land durven zetten. | | C: aan land durven zetten.” | | B: uw leven in gevaar brengen. Hij gaf | | C: uw leven in gevaar brengen.” Hij gaf | | B: betalen. Ik bedankte hem voor zijn' | | C: betalen.” Ik bedankte hem voor zijn' | | B: naar een eiland; waar de peper in | | C: naar een eiland, waar de peper in | | B: in een genoegelijk leven te vergeten. | | C: in een genoegelijk leven te vergeten.” | | B: geleden, kon besluiten. nieuwe gevaren | | C: geleden, kon besluiten nieuwe gevaren | | B: maken en te sterven. Deze woorden van | | C: maken en te sterven.” Deze woorden van | | B: dagen lang zagen wij elkander | | C: dagen lang zaten wij elkander | | B: gewond zou he ben. Van mijn' voorraad | | C: gewond zou hebben. Van mijn' voorraad | | B: naam tot mij: Dit is „eene hoogst | | C: naam tot mij: „Dit is eene hoogst | | B: daarbij was te vergelijkeu. | | C: daarbij was te vergelijken. | | B: mogt gaan.” Hij belastte een' zijner | | C: mogt gaan. Hij belastte een' zijner | | B: dezen brief den kalif Haroun-al-Rachid | | C: dezen brief den kalif Haroun-al-Raschid | | B: van mijne vriendschap” Ik nam het geschenk | | C: van mijne vriendschap.” Ik nam het geschenk | | B: Haroun-al-Rachid._ | | C: Haroun-al-Raschid._ | | B: sterven! | | C: sterven!” | | B: een rijk geschenk vertrekken. | | C: een rijk geschenk vertrekken.” | | B: Na mijne zesde reis kwam het | | C: „Na mijne zesde reis kwam het | | B: naar hem toe. „De kalif, zeide hij, | | C: naar hem toe. „De kalif,” zeide hij, | | B: Abdala Haroun-al Rachid, dien God tot | | C: Abdala Haroun-al-Raschid, dien God tot | | B: heeft u voor hunne voede | | C: heeft u voor hunne woede | | B: gelastte Haroun-al-Rachid den groot-vizier | | C: gelastte Haroun-al-Raschid den groot-vizier | | B: zijn paleis moest bevinden „Vizier!” zeide | | C: zijn paleis moest bevinden. „Vizier!” zeide | | B: grijsaard zag: zeide hij. „Die man is zeker | | C: grijsaard zag, zeide hij: „Die man is zeker | | B: dat met touwen omwonden was Nadat | | C: dat met touwen omwonden was. Nadat | | B: zal doen ophangen. „Beheerscher der geloovigen,” | | C: zal doen ophangen.” „Beheerscher der geloovigen,” | | B: leven op zulk eene wijze redden! | | C: leven op zulk eene wijze redden!” | | B: onzerzoek naar den misdadiger te doen | | C: onderzoek naar den misdadiger te doen | | B: een bode des kaliefs bij den | | C: een bode des kalifs bij den | | B: voor den kalief verscheen was diens | | C: voor den kalif verscheen was diens | | B: woningen werden gehaald, riep, op bevel | | C: woningen werden gehaald, riep op bevel | | B: Oppermagtige vizier, hoofd der emirs | | C: „Oppermagtige vizier, hoofd der emirs | | B: hof, toevlugt der armen? | | C: hof, toevlugt der armen! | | B: legde ze bij zich neer Inmiddels was | | C: legde ze bij zich neer. Inmiddels was | | B: waar gij dien appel hebt gekregen,” | | C: waar gij dien appel hebt gekregen.” | | B: rooden draad toenaaide, Eindelijk sloot ik | | C: rooden draad toenaaide. Eindelijk sloot ik | | B: mij niet terruggeven. Ik volgde hem | | C: mij niet teruggeven. Ik volgde hem | | B: vader,” antwoorde het kind, „dat | | C: vader,” antwoordde het kind, „dat | | B: bedreigingen overging. Indien ik morgen den | | C: bedreigingen overging. „Indien ik morgen den | | B: vergezellen moest, zeide hij, zou ik u | | C: vergezellen moest,” zeide hij, „zou ik u | | B: Schemseddin-Mohammed stond den | | C: Schemseddin Mohammed stond den | | B: dat hij groot ge ijk had; terwijl | | C: dat hij groot gelijk had; terwijl | | B: waarna het gezeldschap uit een ging. | | C: waarna het gezelschap uit een ging. | | B: kleinste bijzonderheden De groot-vizier | | C: kleinste bijzonderheden. De groot-vizier | | B: „Dit is nu,” zeide hij, de vreemdste | | C: „Dit is nu,” zeide hij, „de vreemdste | | B: van Bedreddin-Hassan. De groot-vizier van | | C: van Bedreddin Hassan. De groot-vizier van | | B: schoonzoon zijne plaats te zien bekleeden | | C: schoonzoon zijne plaats te zien bekleeden. | | B: muselman te sterven. In deze voor hem | | C: muzelman te sterven. In deze voor hem | | B: uwe pligten als muselman en | | C: uwe pligten als muzelman en | | B: vervolgde Noureddin Ali, geboren in Egypte; | | C: vervolgde Noureddin Ali, „geboren in Egypte; | | B: geboorte in vinden aangeteekend.” Dit te | | C: geboorte in vinden aangeteekend. Dit te | | B: zal er twist onstaan en de vijandschap | | C: zal er twist ontstaan en de vijandschap | | B: den dood van Noureddin-Ali had aangesteld, | | C: den dood van Noureddin Ali had aangesteld, | | B: dat in deze haven zal binnenkomen.”_ | | C: dat in deze haven zal binnenkomen._ | | B: _Bedreddin Hassan van Balsora,”_ | | C: _Bedreddin Hassan van Balsora.”_ | | B: toovergodin, dat de sultan van | | C: toovergodin, „dat de sultan van | | B: geringste en de mismaakste van mijne | | C: geringste en de mismaaktste van mijne | | B: „Heden,” vervolgde de toovergodin, | | C: Heden,” vervolgde de toovergodin, | | B: dit oogenklik bevinden zich al de | | C: dit oogenblik bevinden zich al de | | B: en gaf hem een', fakkel | | C: en gaf hem een' fakkel | | B: stallen van den sultan Voorop gingen de | | C: stallen van den sultan. Voorop gingen de | | B: de fakkels droegen, binnen te laten Zij | | C: de fakkels droegen, binnen te laten. Zij | | B: passende echgenooten was midden op eene | | C: passende echtgenooten was midden op eene | | B: rapen Zij betuigden hem bij herhaling | | C: rapen. Zij betuigden hem bij herhaling | | B: ik dit ontwetend, want ik wist waarlijk | | C: ik dit onwetend, want ik wist waarlijk | | B: „Hij, uw echtgenoot, mevrouw¡” hernam Hassan, | | C: „Hij, uw echtgenoot, mevrouw!” hernam Hassan, | | B: komen” | | C: komen.” | | B: om zich te kleeden. „Zie,” sprak een | | C: om zich te kleeden.” „Zie,” sprak een | | B: hier voor de poort in slaap gevallen | | C: hier voor de poort in slaap gevallen. | | B: immers onmogelijk?” En evenwel is het | | C: immers onmogelijk?” „En evenwel is het | | B: Bedreddin Hassan, is even waar, als | | C: Bedreddin Hassan, „is even waar, als | | B: geest.” Ik weet heel goed, wat ik zeg.” | | C: geest.” „Ik weet heel goed, wat ik zeg,” | | B: vinden.” | | C: vinden. | | B: kustte haren vader de hand, | | C: kuste haren vader de hand, | | B: riep hij toornig uit, verschijnt | | C: riep hij toornig uit, „verschijnt | | B: geworden. Schemseddin Mohammed, nu | | C: geworden.” Schemseddin Mohammed, nu | | B: geplaatst?’, De gebogchelde, den vizier | | C: geplaatst?” De gebogchelde, den vizier | | B: huwelijk betrekking had Ook maakte hij van | | C: huwelijk betrekking had. Ook maakte hij van | | B: vol dwaze inbeelding Hij verlangde, dat | | C: vol dwaze inbeelding. Hij verlangde, dat | | B: had zich tegen zijne dwingelaudij | | C: had zich tegen zijne dwingelandij | | B: hem te slaan. In één woord hij | | C: hem te slaan. In één woord, hij | | B: niet met ons medespelen.” | | C: niet met ons medespelen.”” | | B: voorzetten. | | C: voortzetten. | | B: opnemende, zeide hij; „Ik ben bezig met | | C: opnemende, zeide hij: „Ik ben bezig met | | B: wijd en zijd bij mij halen. Bij deze | | C: wijd en zijd bij mij halen.” Bij deze | | B: bloed overdekt werd. Gij hebt slechts uw | | C: bloed overdekt werd. „Gij hebt slechts uw | | B: op wereld eene menigte menschen | | C: op de wereld eene menigte menschen | | B: overtrok, door Mesopotamie, naar Balsora. | | C: overtrok, door Mesopotamië, naar Balsora. | | B: de naam van zijn, broeder met gouden | | C: de naam van zijn broeder met gouden | | B: schoot vol, en hij kustte dien | | C: schoot vol, en hij kuste dien | | B: geschikst zou voorkomen, om den | | C: geschiktst zou voorkomen, om den | | B: de paleispoort, die het digst | | C: de paleispoort, die het digtst | | B: bezagen zij de oude moskée der | | C: bezagen zij de oude moskee der | | B: het kamp terug te keeren.. Daar | | C: het kamp terug te keeren. Daar | | B: het niet waar was. Gij zijt een hardnekkige | | C: het niet waar was. „Gij zijt een hardnekkige | | B: waarheid gezegd hebt. | | C: waarheid gezegd hebt.” | | B: riep hij uit, het is waar, dat | | C: riep hij uit, „het is waar, dat | | B: er de beste uit.” Neem deze,” zeide | | C: er de beste uit. „Neem deze,” zeide | | B: een' gil en viel in onmagt | | C: een' gil en viel in onmagt. | | B: Bedreddin Hassan van Balsora” | | C: Bedreddin Hassan van Balsora.” | | B: zoon?” Ik ontken niet,” antwoordde | | C: zoon?” „Ik ontken niet,” antwoordde | | B: te doen. „Gaat en verliest geen' | | C: te doen. Gaat en verliest geen' | | B: „Ha, ongelukkige!” „antwoordde de vizier, | | C: „Ha, ongelukkige!” antwoordde de vizier, | | B: verdiensten doen straffen” hernam Schemseddin | | C: verdiensten doen straffen,” hernam Schemseddin | | B: en verkocht heb.” „Bij Allah!” | | C: en verkocht hebt.” „Bij Allah!” | | B: rug van een' kaneel geladen. Zoodra | | C: rug van een' kameel geladen. Zoodra | | B: u uit zal roepen. „Zie hier, hoe | | C: u uit zal roepen: „Zie hier, hoe | | B: te doen.” „Groote hemel!” | | C: te doen.”” „Groote hemel!” | | B: beroemen? Bij deze woorden borst | | C: beroemen?” Bij deze woorden borst | | B: wilde maken, schreeuwde hij het uit | | C: wilde maken, schreeuwde hij het uit. | | B: zijnen diensboden voor, hoe en | | C: zijnen dienstboden voor, hoe en | | B: zijn.” „Het is waar,” hernam | | C: zijt.” „Het is waar,” hernam | | B: wat ik hiervan moet denken Is | | C: wat ik hiervan moet denken. Is | | B: | | C: (Inhoudsopgave ingevoegd) | | | +----------------------------------------------------------+

End of Project Gutenberg's Duizend en één Nacht, Tweede deel, by Anonymous