Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Tweede deel

Part 15

Chapter 151,034 wordsPublic domain

„O! gij weet nog niet alles,” hernam Bedreddin, „om die verwenschte roomtaart, waarin men mij verweet geene peper te hebben gedaan, heeft men alles wat in mijn' winkel was stuk geslagen en vergruisd; men heeft mij met touwen gebonden, en in een' koffer opgesloten, waarin ik zoo eng zat, dat ik mij verbeeld, het nog aan mijne ineengedrongen leden te kunnen voelen. Ten laatste deed men een' timmerman komen, en men gelastte hem, in mijne tegenwoordigheid, eene galg, op te rigten, om er mij aan op te hangen. Doch Allah zij geloofd, dat dit alles slechts het werk van een' droom is!” „Wel is dat gelukkig,” zeide Parel van Schoonheid, met een zoo beminnelijk lachje, dat Bedreddin voor het oogenblik al zijn doorgestaan of, gelijk hij thans dacht, gedroomd lijden scheen vergeten te hebben, en slechts aan zijn tegenwoordig geluk dacht. Nogtans bragt hij den nacht niet zeer rustig door; hij ontwaakte van tijd tot tijd, en vroeg telkens zich zelven af, of hij droomde of waakte. Hij mistrouwde zijn tegenwoordig geluk, deed nu en dan de gordijnen open, en liet zijne oogen door de kamer rondgaan. „Ik kan mij niet bedriegen,” mompelde hij, „het is wel de zelfde kamer, waarin ik, in plaats van den gebogchelde, ben binnen getreden, en het is de voor hem bestemde schoone, die aan mijne zijde slaapt.” Maar alles stond hem zoo verward voor den geest, dat zelfs de dag, die nu aanbrak, zijne ongerustheid niet geheel kon wegnemen, toen zijn oom, de vizier Schemseddin Mohammed, aan de deur tikte en onmiddelijk daarop binnen trad, om zijne kinderen een' goeden morgen te wenschen.

Bedreddin Hassan was ten hoogste verwonderd, zoo plotseling den zelfden man voor zich te zien, dien hij zoo wel kende, doch die hem nu niet met het gelaat en de stem van een' gestrengen regter toesprak, maar hem vriendelijk groette. „Ha!” riep hij uit, „gij zijt het dan, die mij zoo onwaardig behandeld, en tot een' dood veroordeeld hebt, die mij nog gruwen doet, om eene roomtaart, waarin ik geene peper had gedaan?” De vizier begon te lagchen, en om hem uit den droom te helpen, verhaalde hij hem, hoe hij door tusschenkomst van een' geest (want de mededeeling van den gebogchelde had hem het geheele voorval doen raden) daar gebragt was, en, in plaats van den gebogchelden stalknecht des sultans, zijne dochter getrouwd had. Hij verzweeg ook niet, hoe hij hem, door het handschrift van Noureddin Ali, had leeren kennen als de zoon zijns broeders, en dat hij vervolgens van Caïro naar Balsora was gereisd om berigt omtrent hem in te winnen. „En nu, beminde neef!” vervolgde hij, hem teeder omhelzende, „moet ik u nog vergiffenis vragen voor alles, wat ik u heb doen lijden, nadat ik u te Damaskus herkend had. Ik wilde u hier brengen, alvorens u met uw geluk bekend te maken, hetwelk gij op te hooger prijs zult stellen, naarmate het u moeite heeft gekost het te verkrijgen. Troost u over al uw lijden en de uitgestane angst, door de blijdschap, welke gij zult smaken, dat gij u terug ziet gegeven aan allen, die u op aarde lief en dierbaar moeten zijn. Terwijl gij u kleedt, zal ik uwe moeder, die van ongeduld brandt om u te omhelzen, gaan waarschuwen; en ik zal u uw' zoon brengen, dien Agib, welken gij te Damaskus gezien hebt, en voor wien gij zulk eene sterke genegenheid hebt gevoeld, zonder den band des bloeds te kennen, die tusschen u en hem bestaat.”

Het is met geene woorden uit te drukken, hoe groot de vreugde van Bedreddin was, toen hij zijne moeder en zijn' zoon Agib zag. Deze drie personen hielden niet op elkander te omhelzen en de teederste blijken van genegenheid te geven, want de stem des bloeds sprak luide in hunne blijde harten. De moeder van Bedreddin had de treffendste zaken mede te deelen; zij sprak hem over de droefheid, welke zijne lange afwezigheid haar veroorzaakt, en van de tranen, die zij om hem gestort had. In plaats van, zoo als te Damaskus, de liefkozingen zijns vaders af te wijzen, ontving de jeugdige Agib die thans met vreugde, en bewees ze hem wederkeerig. Bedreddin Hassan gevoelde zich, na een tienjarig leven vol zorgen en kommer, thans des te gelukkiger, en verdeelde zijne liefde tusschen de drie personen, die hem zoo dierbaar waren: zijne moeder, zijne vrouw Parel van Schoonheid, en zijn' zoon Agib. Voor zijn' oom Schemseddin Mohammed koesterde hij de meeste achting; maar mogt hij hem de verregaande kwellingen, hem gedurende de reis van Damaskus naar Caïro aangedaan, vergeven, nooit werd hij zoo vertrouwelijk met hem, als men anders van een' neef en schoonzoon zou mogen verwachten.

Inmiddels had de vizier zich naar het paleis van den sultan begeven, om hem den gelukkigen uitslag zijner reis mede te deelen. De sultan was zoo ingenomen met het verhaal van deze wondervolle geschiedenis, dat hij die deed opschrijven en bij de archieven van zijn koningrijk liet bewaren. Zoodra Schemseddin Mohammed in zijne woning terugkwam, zette hij zich met zijne familie aan den feestelijk toebereiden disch, die met de keur van de fijnste spijzen overladen was, en zijn geheele huis bragt dien dag in vreugde door.”

* * * * *

Nadat de groot-vizier Giafar de geschiedenis van Bedreddin Hassan aldus ten einde had gebragt, zeide hij tot den kalif Haroun-al-Raschid: „Beheerscher der geloovigen, ziedaar hetgeen ik uwe majesteit te verhalen had.” De kalif vond deze gebeurtenissen zoo wonderbaar, dat hij aan zijn' vizier de vergiffenis voor zijn' slaaf Rihan zonder aarzelen toestond. Ook het lot van den jongen man trok deze vorst zich aan. Om hem te troosten, dat hij zich zelven op zulk eene ongelukkige wijze van eene vrouw beroofd had, welke hij teeder beminde, deed hij hem huwen met eene van zijne slavinnen, overlaadde hem met goederen, en bleef hem genegen tot aan zijn' dood.

INHOUD.

#TWEEDE DEEL.#

~Geschiedenis van de Vijf Dames van Bagdad~ Geschiedenis van Zobeïde 1 Geschiedenis van Amine 15

~Geschiedenis van Sindbad den Zeeman~ 30 Eerste Reis van Sindbad den Zeeman 34 Tweede „ „ „ „ „ 43 Derde „ „ „ „ „ 52 Vierde „ „ „ „ „ 64 Vijfde „ „ „ „ „ 77 Zesde „ „ „ „ „ 84 Zevende „ „ „ „ „ 95

~De drie Appelen~ 103 Geschiedenis van de Vermoorde Dame 109 Geschiedenis v. Noureddin Ali en v. Bedreddin Hassan 116