Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Tweede deel
Part 14
Geheel verzadigd, verlieten Agib en de zwarte den winkel van hunnen gullen en vriendelijken gastheer, en spoedden zich voort; want, terwijl zij praatten, aten en dronken, was de tijd voorbij gevlogen, zoodat het meer dan tijd voor hen was, om naar het kamp terug te keeren. Daar Agib naar zijne moeder wilde gaan, opdat zij gerust mogt wezen, dat hij in welstand uit de stad was teruggekeerd, rigtten zij zich, toen zij het kamp van Schemseddin Mohammed bereikt hadden, het allereerst naar de tent der vrouwen. De grootmoeder van Agib was ten hoogste verblijd, dat zij hem terug zag, en hem met tranen in de oogen omhelzende, zeide zij: „O mijn zoon! hoe groot zou mijn geluk wezen, indien ik ook uw' vader Bedreddin Hassan zoo aan mijne borst mogt drukken!” Daar de tijd voor den avondmaaltijd aangebroken was, zette men zich aan tafel, en Agib moest naast zijne grootmoeder zitten, die hem een groot stuk roomtaart op zijn bord legde. Ook den zwarte bood zij van haar gebak aan; maar beide waren nog zoo verzadigd, dat zij niets meer gebruiken konden. Agib brak een klein stukje af van hetgeen hem voorgezet was, en schoof toen het overige weg, even als of hij er geen smaak in vond. Schaban (dus heette de slaaf) handelde even zoo.
De weduwe van Noureddin Ali zag met weêrzin hoe weinig smaak haar kleinzoon in hare taart vond. „Hoe, mijn zoon!” zeide zij, „versmaadt gij aldus het door mij zelve toebereide gebak? Hoe kan dat mogelijk zijn, daar ik u verzeker, dat niemand, behalve ik en uw' vader Bedreddin Hassan, aan wien ik mijn geheim heb medegedeeld, in staat is zulke lekkere roomtaarten te maken.” „O! lieve grootmoeder!” riep Agib onbedachtzaam, „veroorloof mij u te zeggen, dat, indien gij geene lekkerder roomtaarten kunt maken dan deze, er hier in de stad een pasteibakker woont, die u in deze kunst overtreft. Wij hebben er zoo even eene bij hem gegeten, die onverbeterlijk was.”
Op deze woorden zag de weduwe van Noureddin Ali den zwarte donker aan. „Wat is dat, Schaban!” sprak zij toornig, „heeft men u het toezigt over mijn' kleinzoon opgedragen, om met hem bij een' pasteibakker te gaan eten, gelijk dit de burgerlieden doen?” „Mevrouw!” antwoordde de slaaf, „wij hebben wel een' banketbakker ontmoet, en een kort onderhoud met hem gehad, maar dit is geheel iets anders dan bij hem in te gaan en daar te eten.” „Gij vergist u,” viel Agib in, „wij zijn wel degelijk in zijn' winkel geweest, en hebben heerlijk van zijne roomtaart gegeten; mij dunkt, zij smaakt mij nog goed!” Zonder een woord meer te zeggen, stond nu de weduwe van Noureddin Ali van tafel op, en begaf zich naar de tent van Schemseddin Mohammed, aan wien zij in niet zeer zachte woorden het wangedrag van den slaaf mededeelde.
Schemseddin Mohammed, opvliegend van karakter, stond dadelijk op, liep naar de tent van zijne schoonzuster, en een' toornigen blik op den slaaf werpende, zeide hij: „Gij ellendeling! Maakt gij op deze wijze misbruik van het in u gestelde vertrouwen!” Schaban, hoewel hij het getuigenis van Agib tegen zich had, bleef echter de daad loochenen. Maar het kind hield het tegendeel staande. „Grootvader!” zeide hij tot Schemseddin Mohammed, „ik verzeker u, dat wij er beide zoo goed gegeten hebben, dat wij het avondmaal wel kunnen missen. De pasteibakker heeft ons daarenboven op eene groote kom sorbet onthaald.” „Hoort gij dit wel, onbeschaamde slaaf,” riep de vizier, „zult gij nu nog ontkennen, dat gij met mijn' kleinzoon bij den pasteibakker gegeten hebt?” Schaban hield vol en zwoer, dat het niet waar was. „Gij zijt een hardnekkige leugenaar,” zeide nu de vizier, „ik geloof mijn' kleinzoon meer dan u. Niettemin, indien gij deze roomtaart die hier op tafel staat, in mijne tegenwoordigheid opeet, zoo zal ik overtuigd zijn, dat gij mij de waarheid gezegd hebt.”
Schaban, hoewel meer dan verzadigd, onderwierp zich aan deze proef; hij nam een stuk van de roomtaart, maar moest het weder uit zijn' mond nemen, daar het hem onmogelijk was het te eten. Hij loog echter al voort, zeggende, dat hij den vorigen dag wat veel had gegeten en daardoor ongesteld was. De vizier, vergramd over deze aaneenschakeling van onwaarheden (want hij hield zich overtuigd van de schuld des slaafs), deed hem nu op den grond werpen en stokslagen geven. Bij deze gevoelige kastijding kon men de zwarte een kwartier uur ver hooren schreeuwen. Zij perste hem dan ook de bekentenis der waarheid af. „Genade, genade!” riep hij uit, „het is waar, dat wij bij een' pasteibakker eene roomtaart gegeten hebben, en dat deze honderdmaal lekkerder was dan die, welke hier op tafel staat.” De weduwe van Noureddin Ali meende, dat Schaban de taart van den pasteibakker alleen daarom boven de hare stelde, om haar te kwellen. Zij besloot er zich van te overtuigen, en zeide tot hem: „Ik kan niet gelooven, dat de roomtaartjes van dien pasteibakker beter zouden zijn dan de mijnen. Ik wil weten, wat daarvan is. Gij weet zijne woning; ga terstond derwaarts, en haal mij eene roomtaart.” Dit zeggende, liet zij den slaaf geld geven, en hij vertrok om zijne boodschap te verrigten. „Nu zal dat wijf, dat mij een pak slagen bezorgd heeft, beschaamd worden,” mompelde Schaban in zich zelven, en den winkel van Bedreddin binnentredende, groette hij hem, en zeide: „Goede vriend, hier is geld. Eene onzer dames wil gaarne uwe roomtaarten proeven, omdat zij niet kan gelooven, dat gij ze zoo lekker kunt bakken; geef er mij dus eene, en gij zult uwe vermaardheid daarin bevestigen.” Bedreddin had juist nog warme en versche, en zocht er de beste uit. „Neem deze,” zeide hij tot den slaaf, „ik sta er voor in, dat zij overheerlijk is, en dat niemand ter wereld ze dus kan maken, dan ik en mijne moeder, die misschien nog in leven is.” Schaban haastte zich met zijne roomtaart naar het kamp, en bood ze glimlagchende de weduwe van Noureddin Ali aan, als ware hij zeker ditmaal in het gelijk gesteld te zullen werden. De weduwe brak nu een stukje van de taart af, doch naauwelijks had zij dit in den mond gestoken en geproefd, of zij gaf een' gil en viel in onmagt.
Schemseddin Mohammed, hierbij tegenwoordig, was zeer verbaasd over deze uitwerking: hij haastte zich echter zijne schoonzuster ter hulp te snellen, en besprenkelde haar gelaat met water. Zoodra de weduwe van Noureddin Ali weder tot zich zelve kwam, riep zij in vervoering uit: „Geloofd zij Allah! niemand kan deze taart gemaakt hebben, dan mijn zoon, mijn lieve zoon Bedreddin Hassan van Balsora.”
Deze uitroep van zijne schoonzuster baarde den vizier Schemseddin Mohammed eene groote vreugde; maar weldra bedenkende, hoe onwaarschijnlijk het was, dat Bedreddin Hassan en de pasteibakker, die deze taart had gebakken, een en de zelfde persoon was, zeide hij tot haar: „Zuster, hoe komt gij toch op die gedachte? Kan er op de wereld geen pasteibakker zijn, die even goede roomtaarten kan maken, als uw zoon?” „Ik ontken niet,” antwoordde zij, „dat er misschien pasteibakkers zullen zijn, die dat kunnen; doch daar ik ze op eene bijzondere wijze maak, en dit geheim aan niemand dan aan mijn' zoon bekend is, zoo ben ik ook ten volle overtuigd, dat hij en niemand anders deze taart gemaakt heeft. Verheugen wij ons, broeder!” vervolgde zij in hare blijdschap, „wij hebben eindelijk gevonden, wien wij zoo lang vergeefs zochten.” „Zuster,” hernam de vizier, „wat ik u verzoeken mag, matig deze blijdschap; wij zullen weldra weten wat wij daarvan moeten gelooven. Wij behoeven den pasteibakker slechts hier te laten komen. Is hij dan Bedreddin Hassan, zoo zult gij en mijne dochter hem spoedig herkennen. Maar het is noodig, dat gij beide u verborgen houdt en hem ziet, zonder door hem ontwaard te worden; want ik wil niet, dat deze herkenning te Damaskus plaats hebbe. Mijn plan is, zulks uit te stellen tot onze terugkomst te Caïro, waar ik mij voorstel u allen eene even verrassende als aangename ontmoeting te verschaffen.”
Dit gezegd hebbende, liet Schemseddin Mohammed de vrouwen in hare tent, en begaf zich naar de zijne. Hier ontbood hij vijftig mannen van zijn gevolg, en beval hun het volgende: „Neem ieder een' knuppel en volg Schaban, die u in deze stad hij een' pasteibakker brengen zal. In diens winkel moet gij alles aan stukken slaan en verbrijzelen. Wil de pasteibakker weten, om welke reden en op wiens bevel gij dit doet, zoo vraagt hem slechts, of hij niet de roomtaart heeft gebakken, welke kort te voren door Schaban bij hem is gehaald. Beantwoordt hij zulks toestemmend, zoo moet gij u van zijn' persoon meester maken, en hem goed gekneveld bij mij brengen. Neemt u echter in acht, hem niet het minste leed te doen. Gaat en verliest geen' tijd.”
Het bevel van den vizier werd trouw nagekomen. Zijne bedienden, met stokken gewapend en geleid door den zwarten slaaf, begaven zich met spoed naar de woning van Bedreddin Hassan, drongen den winkel binnen en begonnen alles aan stukken te slaan, wat hun voorkwam: schotels, ketels, bakpannen, konfituurpotten, vazen enz., zoodat er in zijn' winkel, als het ware, eene overstrooming plaats had van sorbet, room en konfituren. Bedreddin Hassan, de weerlooze getuige van dezen moedwil, was ten hoogste verbaasd en ontsteld. „Goede lieden,” sprak hij op smeekenden toon, „waarom handelt gij dus met mijn goed? Wat heb ik gedaan?” „Hebt gij niet de roomtaart gemaakt, die gij aan dezen zwarte hebt verkocht?” zeiden zij. „Ja, ik zelf heb die gemaakt en gebakken,” gaf hij ten antwoord, „wat heeft men er op te zeggen? Ik daag iedereen uit, wie het ook zijn moge, eene betere te maken.” In plaats van hierop te antwoorden, gingen zij voort alles stuk te slaan, zelfs de oven bleef niet gespaard.
Inmiddels kwamen de buren op het gerucht toeloopen. Zij waren niet weinig verwonderd, dat een vijftigtal met stokken gewapende vreemdelingen zulk eene verwoesting aanrigtten en vraagden naar de oorzaak van deze gewelddadigheid. Bedreddin wendde zich nogmaals tot de plunderaars: „Zegt mij, wat ik u bidden mag,” sprak hij, „welke misdaad heb ik bedreven, dat gij hier dus huishoudt en alles vernielt, wat ik bezit?” „Hebt gij niet,” antwoordden zij, „de roomtaart gemaakt, welke gij aan dezen slaaf verkocht hebt?” „Ja,” hernam hij, „die man ben ik, en ik houd staande, dat de taart goed was, en ik de onregtvaardige behandeling, welke gij mij aandoet, niet verdien.” Zonder hem langer aan te hooren, maakten zij zich nu van zijn' persoon meester, rukten het linnen van zijn' tulband af, bonden hem daarmede de handen op den rug, sleurden hem uit zijn' winkel, en voerden hem in hun midden weg.
De bijeengestroomde menigte, medelijden met Bedreddin hebbende, trok nu echter zijne partij en trachtte hem te ontzetten. Doch op dien oogenblik verscheen de wacht van den gouverneur der stad, dreef het volk uiteen, en bevorderde op die wijze de uitvoering van Bedreddin. De reden hiervan was, dat Schemseddin Mohammed zich naar den gouverneur van Damaskus had begeven, en hem zijne volmagt van den sultan van Egypte vertoond had. De gouverneur, die in naam van den Egyptischen sultan het gebied over geheel Syrië voerde, aarzelde geen ogenblik aan het bevel van zijn' heer te voldoen, en zoo werd Bedreddin, niettegenstaande zijne klagten en zijn geschreeuw, door de lieden van Schemseddin Mohammed weggevoerd en naar diens tent gebragt. Hier liet men hem onder goede bewaking, tot dat de vizier van zijn bezoek bij den gouverneur van Damaskus zou terugkomen.
Zoodra Schemseddin in zijn kamp terugkwam, vraagde hij naar den pasteibakker. Tot antwoord bragt men den gevangene voor hem. „Heer!” sprak Bedreddin met tranen in de oogen, „ik bid u, mij te zeggen, waarin ik u beleedigd heb?” „Ha, ongelukkige!” antwoordde de vizier, „zijt gij het niet, die de roomtaart gemaakt hebt, welke men bij u gehaald heeft?” „Die man ben ik,” zeide Bedreddin, „maar welke misdaad steekt daarin?” „Ik zal u naar verdiensten doen straffen,” hernam Schemseddin Mohammed, „gij hebt het leven verbeurd, omdat gij zulk eene slechte roomtaart gebakken en verkocht hebt.” „Bij Allah!” riep Bedreddin, „wat moet ik hooren? Is het dan eene zoo groote misdaad eene slechte taart te bakken, indien gij ze dan toch voor slecht wilt houden?” „Ja,” antwoordde de vizier, „en gij hebt van mij niets anders dan den dood te wachten.” Onder dit gesprek beschouwden de vrouwen, die in een aangrenzend gedeelte van de tent verborgen waren, Bedreddin met aandacht, en hoewel zij hem in zoo vele jaren niet gezien hadden, herkenden zij hem echter dadelijk. Hare vreugde was zoo groot, dat zij in zwijm vielen. Toen zij weder tot zich zelve gekomen waren, wilden zij Bedreddin omhelzen, doch de belofte, welke zij aan den vizier gedaan hadden, van zich niet te vertoonen, weerhield haar, aan dit verlangen toe te geven.
Daar Schemseddin besloten had nog dien zelfden nacht te vertrekken, deed hij de tenten opbreken en de wagens in gereedheid brengen. Bedreddin werd in een' grooten reiskoffer, waarin men eenige luchtgaten gemaakt had, gesloten, en op den rug van een' kameel geladen. Zoodra dit alles gereed was, begaf men zich op weg en reisde het overige van den nacht en den volgenden dag zonder ophouden door. Eerst den daarop volgenden avond liet de vizier halt houden. Bedreddin Hassan werd nu uit zijne enge gevangenis bevrijd, ten einde eenig voedsel te gebruiken, waarbij men echter zorg droeg, hem buiten het gezigt van zijne moeder en van zijne vrouw te houden. Zoodra men weder op weg ging, werd hij op nieuw in zijn' koffer gesloten. Op deze wijze handelde men met hem gedurende de twintig dagen, dat de reis duurde.
Toen men Caïro naderde, liet de vizier Schemseddin Mohammed zijne tenten in den omtrek der stad opslaan, en Bedreddin andermaal voor zich brengen. Daarop een' timmerman ontboden hebbende, zeide hij tot dezen, in tegenwoordigheid van den ongelukkigen gevangene: „Ga, haal hout, en rigt mij eene galg op!” „Wel, Heer!” sprak Bedreddin bevende, „wat denkt gij met die galg uit te rigten?” „U er aan op te hangen,” antwoordde de vizier, „en u zoo de gansche stad te laten ronddragen, terwijl men voor u uit zal roepen: „Zie hier, hoe men handelen moet met een' onwaardigen pasteibakker, die roomtaarten maakt zonder er peper in te doen.”” „Groote hemel!” riep thans Bedreddin Hassan, op een' zoo koddig jammerenden toon, dat Schemseddin Mohammed moeite had ernstig te blijven, „omdat ik geene peper in eene roomtaart gedaan heb, zal men mij zulk een' wreeden en schandelijken dood doen ondergaan!”
Bedreddin Hassan hield niet op met klagen. „Helaas!” vervolgde hij, „hoe is het mogelijk, dat men in mijne woning alles vernielt en stuk slaat, mij als gevangene in een' koffer opsluit, en mij nu aan de galg wil hangen, alleen, omdat ik geene peper in eene roomtaart gedaan heb? Regtvaardige hemel! Wie heeft ooit zoo iets gehoord! Zijn dat daden van Muzelmannen, van lieden, die zich op vroomheid en geregtigheid beroemen?” Bij deze woorden borst hij in tranen uit, tot hij weder zijn kermen liet hooren. „Neen, nooit werd iemand zoo gestreng en zoo onregtvaardig behandeld! Kan het mogelijk zijn, dat men een' mensch het leven beneemt, omdat hij geene peper in eene roomtaart heeft gedaan? Verwenscht mogen dan alle roomtaarten zijn, en verwenscht het uur, waarin ik geboren werd! Mogt het den hemel behagen, dat ik op dit oogenblik stierve!”
De troostelooze Bedreddin hield niet op met jammeren; en toen men de galg bragt, en er hem aan vast wilde maken, schreeuwde hij het uit. „O Allah!” kreet hij, „kunt gij toelaten, dat ik dus schandelijk en smartelijk zal sterven? En voor welke misdaad? Het is niet om diefstal of doodslag, of om het verloochenen van mijn geloof; het is om niets anders dan, omdat ik in eene roomtaart geene peper gedaan heb!”
Daar het inmiddels donker was geworden, liet Schemseddin Mohammed zijn schoonzoon Bedreddin weder in den koffer sluiten, en riep hem toe: „Blijf daar tot morgen; die dag zal echter niet ten einde zijn, of gij zult de doodstraf ondergaan hebben.” Terstond daarna gaf de vizier last om op te breken en het was reeds geheel donker, toen hij te paard gezeten, aan het hoofd van zijn gevolg, Caïro binnentrok met den kameel, die den koffer droeg, waarin zijn neef zich bevond. Op dit late uur waren er bijna geene menschen op straat, zoodat Schemseddin Mohammed zijne woning bereikte, zonder dat er eenigen toeloop van volk plaats had. Zoodra hij zich ten zijnent bevond, werd de koffer afgeladen en op eene door den vizier aangewezen plaats gebragt, met streng verbod hem zonder zijn bevel te openen.
Terwijl nu zijn gevolg de kameelen ontlaadde, nam de vizier de moeder van Bedreddin Hassan en zijne dochter alleen, en zeide tot haar: „Allah zij geloofd, mijne dochter, dat Hij ons zoo ongedacht uw' neef en man heeft doen wedervinden. Gij zult u waarschijnlijk nog kunnen herinneren, hoe uwe slaapkamer er uitzag, toen gij er den eersten huwelijksnacht doorbragt; ga en laat alles weder in de zelfde orde brengen als zulks toen geweest is. Mogt gij dit soms niet goed meer weten, zoo behoeft gij mij slechts te vragen, want ik heb alles opgeteekend. Ik zal voor al het overige zorg dragen.” Parel van Schoonheid deed met blijdschap, wat haar vader bevolen had, en terwijl zij hiermede bezig was, droeg de vizier zorg de groote zaal juist zoo te laten inrigten, als toen zich Bedreddin Hassan daar bevond met den gebogchelden stalknecht van den sultan van Egypte. Van het geschrift, waarop hij zijne aanteekeningen had, las hij zijnen dienstboden voor, hoe en waar zij elk meubelstuk moesten plaatsen. De troon en ontstoken waskaarsen werden hierbij niet vergeten, en toen de zaal het zelfde feestelijk aanzien verkregen had, als voor tien jaren, begaf Schemseddin Mohammed zich naar de kamer van zijne dochter. Ook daar alles gereed vindende, legde hij de kleederen en de beurs met sequinen van Bedreddin weder op den stoel vóór het bed. Hierop zeide hij tot Parel van Schoonheid: „Ontkleed u, dochter, en leg u te bed. Wanneer Bedreddin zal binnenkomen, moet gij u beklagen over zijn lang uitblijven en zeggen, dat gij bij uw ontwaken zeer verwonderd waart, hem niet aan uwe zijde te vinden. Dring er op aan, dat hij zich weder bij u nederlegge, en morgen ochtend zult gij uwe schoonmoeder en mij genoegen doen, door ons mede te deelen, wat er dezen nacht tusschen u beiden is verhandeld.” Dit gezegd hebbende, verliet de vizier de kamer zijner dochter, om haar verder ongestoord te laten.
Naar de zaal gaande, deed Schemseddin Mohammed al de dienstboden vertrekken, slechts twee of drie uitgezonderd. Aan deze droeg hij den last op, Bedreddin uit zijn' koffer te halen, van zijne bovenkleederen te ontdoen, en hem zoo in de zaal te brengen, waar zij hem alleen moesten laten, en de deur achter zich sluiten.
Bedreddin Hassan, hoezeer ook van droefheid overstelpt, was zoo vast ingesluimerd, dat de dienstboden van den vizier hem uit den koffer konden nemen en ontkleeden, zonder dat hij daardoor ontwaakte. Toen namen zij hem op, en bragten hem zoo gezwind naar de zaal, dat hij, door deze beweging uit zijn' slaap gewekt, den tijd niet had tot bezinning te komen. Alleen in de zaal zijnde, liet hij, hoewel half verblind door het licht der waskaarsen, zijne oogen overal rond gaan; alles wat hij hier zag, herinnerde hem aan zijn' eersten huwelijksnacht. Hij zag met niet geringe verwondering, dat hij zich in de zelfde zaal bevond, waar hij den gebogchelden stalknecht had aangetroffen. Maar hoe zeer klom zijne verbazing, toen hij, de zaal rondgaande, de deur van een aangrenzend vertrek, dat hem even zeer bekend voorkwam, half open zag staan, en naar binnen glurende, bij het aldaar brandende licht, op den stoel voor een prachtig ledekant, zijne kleederen zag liggen, juist zoo als hij deze in zijn' huwelijksnacht had afgelegd. „Goede hemel!” sprak hij in zich zelven, „droom of waak ik?”
Nadat Parel van Schoonheid zich eenige oogenblikken met zijne verlegenheid vermaakt had, opende zij eensklaps de gordijnen van het ledekant, en stak haar hoofd er buiten. „Beste man!” sprak zij op teederen toon, „wat doet gij daar bij de deur? Kom weder te bed! Gij moet reeds een' geruimen tijd afwezig zijn geweest. Toen ik zoo straks ontwaakte, was ik zeer verwonderd u niet bij mij te vinden.” Bedreddin wist niet meer hoe hij het had. Was het tooverij of een blijde droom; dit kon hij zich niet verklaren! Bedrogen hem zijn gehoor en gezigt niet, dan kwam die liefelijke stem uit den schoonen mond van de zelfde beminnelijke vrouw, bij wie hij zich herinnerde een zoo korten maar aangenamen tijd te hebben doorgebragt. Hij trad de kamer binnen, maar zijne gedachten waren zoo vervuld met alles, wat hem was overkomen, dat hij maar niet begrijpen kon, hoe zoo iets in een' enkelen nacht kon gebeuren. In plaats dus van zich te bed te begeven, liep hij naar den stoel, waarop zijne kleederen lagen, en bezag die het een na het ander. „Bij Allah!” riep hij eindelijk uit, „ziedaar zaken, waarvan ik niets begrijpen kan; mijn verstand staat er bij stil!” Zijne echtgenoot vermaakte zich met zijne verlegenheid. „Maar, lieve Bedreddin!” sprak zij, „waarmede houdt gij u toch bezig? Moet ik u nogmaals verzoeken, u weder ter ruste te begeven!” Nu naderde hij Parel van Schoonheid en zeide: „Zeg mij toch in 's hemels naam, is het reeds lang geleden, dat ik bij u was?” „Dit is eene zonderlinge vraag,” antwoordde zij, „is er wel een uur verloopen, sedert gij van mijne zijde zijt weggegaan? Gij moet zeer veel in het hoofd hebben, dat gij zoo verward van gedachten zijt.” „Het is waar,” hernam Bedreddin, „dat het hoofd mij omloopt; ik herinner mij, wel is waar, bij u te zijn geweest; maar het heugt mij ook, dat ik sedert tien jaren te Damaskus heb gewoond. Indien ik nu dezen nacht werkelijk bij u was, hoe kan ik dan zoo vele jaren van u gescheiden zijn geweest? Dat zijn twee zaken, die niet te zamen kunnen gaan; zeg mij dus, bid ik u, wat ik hiervan moet denken. Is mijn huwelijk met u slechts een spel van mijne verbeelding, of is mijne afwezigheid een droom?” „Gij hebt,” hernam Parel van Schoonheid, „zeker gedroomd, dat gij te Damaskus waart.” „In dat geval,” riep Bedreddin Hassan schaterend lagchend uit, „is niets wonderlijker, en ik ben verzekerd, dat die droom u zeer vermakelijk zal toeschijnen. Verbeeld u, dat ik mij, zoo als gij mij thans ziet, voor de poort van Damaskus bevond; dat ik de stad binnen ging onder de bespotting eener volksmenigte, welke mij volgde en allerlei smaad aandeed; dat ik de wijk nam bij een pasteibakker, die mij, na mij tot zoon te hebben aangenomen, zijn bedrijf leerde, en mij bij zijn overlijden al zijne goederen naliet; dat ik hem in zijn beroep opvolgde, en daarmede veel naam maakte, zoodat mijne roomtaarten door de geheele stad Damaskus vermaard waren. In één woord, er zijn mij nog eene menigte zaken overkomen, te veel om u te verhalen; het eenigste, wat ik u nog te zeggen heb, is, dat ik zeer wijs heb gedaan met wakker te worden, daar men mij zonder dit weldra aan de galg zou hebben vastgemaakt.” „En waarom dat?” vroeg Parel van Schoonheid, de verwonderde spelende. „Gij moet u dan wel aan eene vreeselijke misdaad schuldig hebben gemaakt?” „Volstrekt niet,” hernam Bedreddin, „het was om de bespottelijkste zaak der wereld. Mijne geheele misdaad bestond daarin, dat ik eene roomtaart had verkocht, waarin ik geene peper had gedaan.” Parel van Schoonheid lag in haar bed te schudden van lagchen. „Dan, dan,” stotterde zij tusschen het lagchen door, „moet ik toestemmen, dat men u eene groote onregtvaardigheid aandeed.”