Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Tweede deel
Part 13
Eenige maanden na haar huwelijk kreeg de dochter van den vizier een' zoon. Men gaf het kind eene min, en vrouwen en slavinnen om het op te passen. Zijn grootvader gaf hem den naam van Agib. Toen de jonge Agib zijn zevende jaar had bereikt, zond de vizier Schemseddin Mohammed hem, in plaats van een' huisonderwijzer te nemen, naar de school bij een' leermeester, die in een' zeer goeden naam stond. Twee slaven moesten hem dagelijks naar school brengen en terughalen. Agib was een levendige jongen; hij speelde gaarne met zijne schoolmakkers, en daar deze allen in rang beneden hem stonden, waren zij zeer voorkomend jegens hem. Zij regelden zich daarbij naar den leermeester, die bij het kleinzoontje van den vizier veel door de vingers zag, wat hij bij hen niet ongestraft liet. Deze blinde toegevendheid, welke zoowel de meester als de scholieren voor hem hadden, was voor Agib hoogst nadeelig; hij werd daardoor hoogmoedig en vol dwaze inbeelding. Hij verlangde, dat zijne makkers alles van hem moesten verdragen, zonder dat hij van hen iets wilde verduren. Hij speelde bij elke gelegenheid den baas, en zoo een zijner schoolkameraden den moed had zich tegen zijne dwingelandij te verzetten, dan wierp Agib hem allerlei beleedigingen naar het hoofd, ja, somtijds ontzag hij zich niet, hem te slaan. In één woord, hij werd zoo onverdragelijk voor zijne medescholieren, dat zij zich gezamentlijk over hem bij den leermeester beklaagden. Deze vermaande hen in den beginne, om geduld met hem te hebben; maar toen hij zag, dat Agib daardoor in het kwade gestijfd werd, en toen ook hij eindelijk het geduld begon te verliezen, zeide hij tot zijne leerlingen: „Kinderen! ik zie wel, dat Agib een onverbeterlijke en moedwillige knaap is. Ik wil u daarom een middel aan de hand geven, waardoor gij hem zoo beschamen zult, dat hij u daarna niet meer zal plagen; ik denk zelfs niet, dat hij weder school zal komen. Als hij morgen komt, en gij te zamen zult spelen, vormt dan een' kring om hem, en een uit u moet hardop zeggen: „Wij willen gaan spelen, jongens, maar onder beding, dat allen, die wenschen mede te doen, den naam van hunne ouders moeten opgeven. Die dit niet doen, mogen niet met ons medespelen.””
Zoodra zij den volgenden morgen allen bijeen waren, omringden zij Agib, en een van hen het woord opvattende, riep: „Laat ons gaan spelen, jongens! maar onder beding, dat hij die den naam van zijne ouders niet weet te noemen, niet mag medespelen.” „Goed zoo!” riepen allen en ook Agib zelf. De knaap, die het voorstel gedaan had, ging nu den kring rond en deed den eenen na den anderen de genoemde vraag. Allen voldeden hieraan, uitgenomen Agib, die ten antwoord gaf: Ik heet Agib, mijne moeder wordt genoemd, Parel van Schoonheid, en mijn vader, Schemseddin Mohammed, vizier van den sultan. De scholieren barstten in een schaterend gelach uit, en riepen: „Neen, neen, het is uw grootvader, en gij moogt niet met ons spelen. Wij willen zelfs niet met u omgaan!” Dit zeggende, verwijderden zij zich, bespotten hem, en gingen voort onder elkander te lagchen. Agib werd zoo beschaamd over hunne spotternijen, dat hij in tranen uitbarstte.
De leermeester, die alles afgeluisterd en aangehoord had, ging nu naar den schreijenden knaap en zeide tot hem: „Agib, weet gij dan nog niet, dat de vizier Schemseddin Mohammed uw vader niet is? Hij is uw grootvader, de vader van uwe moeder, Parel van Schoonheid. De naam van uw' vader is ons even onbekend als u; wij weten alleen, dat de sultan uwe moeder heeft willen uithuwelijken aan een' gebogchelden stalknecht, maar dat een geest zijne plaats bij uwe moeder heeft ingenomen. Dit is ongelukkig voor u, en moet u leeren in het vervolg uwe schoolmakkers met minder trotschheid te behandelen.”
Agib, gevoelig voor de plagerijen van zijne makkers, en niet bevredigd door hetgeen de meester tot hem gezegd had, verliet norsch de school en liep weenende naar huis. Hij ging dadelijk naar de kamer zijner moeder, welke ontstelde, toen zij hem zoo droevig zag, en met aandrang naar de reden daarvan vraagde. Hij kon slechts met half afgebroken woorden en met tranen antwoorden, zoo overstelpt van droefheid was de knaap. Zijne moeder moest hare vraag verscheidene malen herhalen, eer hij zich in staat bevond, haar de beschamende reden van zijn schreijen mede te deelen. „En,” vervolgde hij met drift, „zeg mij dan nu toch, moeder, als ik u bidden mag, wie is mijn vader?” „Wel, kind,” antwoordde zij, „hoe kunt gij nu zoo vragen, dit is immers de vizier Schemseddin Mohammed, die zoo goed voor u is.” „Gij zegt mij de waarheid niet,” bragt Agib in, „dat is mijn vader niet, maar de uwe. Maar wie is mijn vader?” Deze vraag herinnerde de viziersdochter aan haren bruidsnacht, die door een' zoo langen weduwe-staat gevolgd was, en zij kon hare tranen niet bedwingen, bij de gedachte aan het grievende verlies van zulk een' beminnelijken echtgenoot als Bedreddin.
Terwijl moeder en zoon om het hardst weenden, trad Schemseddin Mohammed binnen, en wilde de reden van deze droefheid weten. Zijne dochter zeide hem, welke beleediging Agib op de school ondervonden had, en de vizier, hierover zeer getroffen, mengde zijne tranen met de hunne. Tevens begreep hij, dat men in het openbaar niet meer met lof van zijne dochter sprak. Dit denkbeeld alleen maakte den hooghartigen man wanhopig; hij ging onverwijld naar het paleis van den sultan, wierp zich aan zijne voeten, deelde hem het gebeurde mede, en verklaarde, dat het hem onverdragelijk was te moeten hooren, dat de geheele stad de echtgenoot van zijne dochter voor een geest hield. Hij smeekte hem uit dien hoofde zeer eerbiedig naar Balsora en omliggende landen te mogen reizen, om zijn' neef Bedreddin Hassan op te zoeken. De sultan nam deel in de smart van zijn vizier, billijkte die, stond hem het gevraagde verlof toe en liet hem gaan met den wensch, dat hij zijn doel mogt bereiken. Den volgenden dag zond de sultan hem een' open brief, waaraan hij zijn grootzegel gehecht had, en waarin hij de vorsten en overheden van de plaatsen, waar Bedreddin zich mogt ophouden, verzocht hem aan zijn' vizier uit te leveren.
Schemseddin Mohammed kon geene woorden genoeg vinden om den sultan voor zijne goedheid, naar waarde, dank te zeggen. Hij wierp zich andermaal voor de voeten van zijn' vorst neder, en de tranen, die in zijne oogen stonden, waren de getrouwe getuigen van zijne opregte dankbaarheid. Eindelijk nam hij afscheid van den sultan, na hem alle mogelijke heil te hebben toegewenscht.
Toen de vizier in zijne woning terugkwam, was hij op niets anders bedacht, dan om alles voor de reis gereed te maken. Hij wendde hierbij zoo veel spoed aan, dat hij reeds den vierden dag vertrok, vergezeld door zijne dochter Parel van Schoonheid en door zijn' kleinzoon Agib.
Schemseddin Mohammed sloeg den weg naar Damaskus in, en reisde negentien dagen door, zonder zich ergens op te houden; maar op den twintigsten dag eene schoone en grasrijke vlakte in de nabijheid van Damaskus bereikt hebbende, liet hij daar zijne tenten opslaan aan den kant eener rivier, welke midden door de stad liep, en wier oevers zeer vruchtbaar waren. De vizier gaf te kennen, dat hij in deze schoone landstreek twee dagen rust wilde houden, en dat hij eerst den derden dag de reis naar Balsora zoude voortzetten.
Inmiddels gaf hij aan zijn gevolg verlof, Damaskus te bezoeken. Bijna allen maakten hiervan gebruik; sommigen uit nieuwsgierigheid, anderen om er de waren, die zij uit Egypte hadden medegebragt, te verkoopen. Parel van Schoonheid verlangde, dat ook haar zoon Agib het genoegen mogt smaken, die vermaarde stad te bezigtigen, en beval zijn' gouverneur, een' zwarte, hem derwaarts te vergezellen en goed zorg te dragen, dat hem niets kwaads overkwam.
Agib, prachtig uitgedost, begaf zich op weg met den slaaf, die een' dikken rotting in de hand had. Zij waren naauwelijks binnen de stad gekomen, of Agib, die zeer schoon was, trok aller aandacht tot zich. Sommigen der bewoners verlieten hunne huizen om hem van meer nabij te zien, anderen staken het hoofd uit de vensters, en zij, die hem op straat ontmoetten, bleven niet alleen stilstaan, maar velen volgden hem, ten einde hem langer te kunnen gadeslaan. Om kort te gaan, iedereen bewonderde hem en noemde den vader en de moeder, die zulk een schoon kind bezaten, duizendmaal gelukkig. Het toeval bragt den slaaf en Agib voor den winkel van Bedreddin Hassan, en hier was de toeloop van volk zoo groot, dat zij genoodzaakt waren te blijven staan.
De pasteibakker, die Bedreddin Hassan tot zoon had aangenomen, was reeds voor eenige jaren overleden, en had hem zijn' winkel en al zijne goederen nagelaten. Bedreddin was dus thans eigenaar van den winkel, en hij kweet zich zoo goed van zijn beroep, dat hij door geheel Damaskus als pasteibakker beroemd was. Toen hij zoo veel volk voor zijne deur zag en bespeurde, dat aller oogen op den zwarten slaaf en Agib gerigt waren, nam hij hen naauwkeurig op, vooral Agib, bij wiens aanblik hij ontroerde.
Bedreddin Hassan werd echter niet zoo zeer getroffen door de verblindende schoonheid van dit kind, zoo als de volksmenigte, een teederder en onverklaarbaar gevoel greep hem aan; het was de stem des bloeds, die in zijn hart sprak, zonder dat hij zich daarvan reden kon geven. Op eene zoo onverklaarbare wijze aangetrokken, verliet hij zijne bezigheden, naderde Agib, en zeide op innemenden toon tot hem: „Schoone jongeling! Gij hebt mijn hart gewonnen; bewijs mij de gunst, in mijn' winkel te komen en iets van mijn gebak te proeven, opdat ik het genoegen smake, u op mijn gemak te aanschouwen.” Hij sprak deze woorden met zoo veel vaderlijke teederheid, dat de tranen hem in de oogen kwamen. De kleine Agib werd er door getroffen, en zich tot den slaaf wendende, zeide hij: „Die goede man spreekt op zulk een' innemenden toon, dat ik gaarne aan zijn verzoek zou voldoen. Laat ons bij hem binnen gaan, en zijn gebak proeven.” „Het zou wat moois zijn,” antwoordde de slaaf, „dat gij, de zoon van een' vizier, een' banketbakkers-winkel zoudt binnen gaan, om u te laten onthalen. Meen niet, dat ik zulks zal toestaan.” „Inderdaad, jongeling!” riep thans Bedreddin Hassan, „het is wel hard, dat men u iemand tot leidsman heeft gegeven, die u met zoo veel gestrengheid behandelt! En gij, goede vriend!” vervolgde hij, zich tot den slaaf wendende, „vergun dezen jongen heer mij de gunst te bewijzen, waarom ik hem verzocht heb; bedroef mij niet, door u daartegen te verzetten. Bewijs mij liever de eer, met hem binnen te komen; gij zult daardoor toonen, dat, al is uw vel zoo bruin als een kastanje, gij van binnen blank zijt. Weet gij wel, dat ik de kunst versta,” ging hij schertsende voort, „uwe zwarte huid blank te maken.” De slaaf begon te lagchen en vroeg Bedreddin, hoe hij dat zou aanleggen. „Dat zal ik u zeggen,” antwoordde hij, zeide vervolgens een vers op, tot lof van de zwarte slaven, er bijvoegende, dat door hunne waakzaamheid de eer werd gehandhaafd, zoowel van den sultan als van de vorsten en grooten des rijks, die anders gemakkelijk bedrogen konden worden. De slaaf was met dit lofdicht op zijn ras zeer ingenomen, en ging zonder langer het verzoek van Bedreddin te weerstreven, met Agib den winkel binnen.
Bedreddin Hassan was zeer verblijd, toen hij zijn' wensch vervuld zag, en zijn werk weder opnemende, zeide hij: „Ik ben bezig met roomtaartjes te maken; gij moet mij de gunst bewijzen er eenigen te proeven; ik ben zeker, dat gij ze voortreffelijk zult vinden, want mijne moeder, welke dit uitnemend verstond, heeft mij geleerd, die te bereiden, en men komt ze van wijd en zijd bij mij halen.” Bij deze woorden nam hij eene roomtaart, zoo warm uit den oven, strooide er suiker en granaat-korrels over en bood haar Agib aan, die ze overheerlijk vond. De zwarte slaaf, aan wien Bedreddin mede zijn deel gaf, was van het zelfde gevoelen.
Terwijl beide zaten te eten, sloeg Bedreddin Hassan zijn' jeugdigen gast met de grootste aandacht gade, en hem aanziende, kwam de gedachte bij hem op, dat hij misschien ook wel zulk een' zoon had bij de bekoorlijke gade, van welke hij op zulk een wreede wijze was gescheiden. Dit denkbeeld deed hem de tranen in de oogen komen. Hij was voornemens aan Agib eenige vragen te doen over de oorzaak van zijne reis naar Damaskus; maar het kind had den tijd niet zijne nieuwsgierigheid te bevredigen, daar de slaaf hem herinnerde, dat zij naar het kamp van zijn' grootvader moesten terugkeeren, en, zoodra zij gegeten hadden, stond hij op en vertrokken zij. Bedreddin Hassan vergenoegde zich met hen na te zien, hij sloot haastig zijn' winkel, en volgde hen van nabij.
Toen zij aan de poort der stad kwamen, had Bedreddin hen ingehaald. De slaaf hem ziende, zeide toornig: „Lastig mensch! wat verlangt gij van ons?” „Goede vriend,” antwoordde Bedreddin, „word niet boos. Ik herinnerde mij, dat ik buiten de stad eene boodschap te verrigten had, die ik thans wil doen.” Dit antwoord bevredigde echter den zwarte niet, en zich tot Agib wendende, zeide hij: „Dat hebt gij mij nu op den hals gehaald. Ik heb wel voorzien, dat mijne inschikkelijkheid mij berouwen zou. Gij wildet volstrekt den winkel van dien man binnen gaan, en ik ben dwaas genoeg geweest, u dit te veroorloven.” „Misschien,” zeide Agib, „heeft hij werkelijk iets buiten de stad te doen, en de wegen zijn immers voor ieder vrij!” Hierop gingen zij voort, zonder om te zien, tot dat zij in de nabijheid der tenten van den vizier kwamen, toen keerden zij zich om, ten einde te zien, of de pasteibakker hen nog altoos volgde. Agib bemerkende, dat hij naauwelijks twee schreden van hen verwijderd was, werd door ontroering beurtelings rood en bleek. Hij was beducht, dat zijn grootvader, de vizier, zou vernemen, dat hij bij een' banketbakker was ingegaan en daar gegeten had. Door deze vrees gedreven, raapte hij een' grooten steen op, die voor zijne voeten lag, en wierp dien den lastigen vervolger vlak voor het hoofd, zoodat diens gelaat met bloed overdekt werd. „Gij hebt slechts uw verdiend loon,” sprak de slaaf, „wat behoeft gij ons te volgen.” En Agib een' wenk gevende, liepen beide snel van daar, tot dat zij het kamp bereikt hadden. Bedreddin keerde naar de stad terug, en zocht het bloed, dat uit zijne wonde liep, met zijn voorschootje, dat hij in der haast had aangehouden, te stelpen. „Ik heb ongelijk gehad,” mompelde hij in zich zelven, „mijn huis te verlaten, om dit kind bang te maken, want hij zou mij zoo niet hebben behandeld, als niet de gedachte bij hem was opgekomen, dat ik iets kwaads in den zin had.” Te huis komende, liet hij zijne wonde verbinden, en troostte zich over dit ongeval, met de gedachte, dat zich op de wereld eene menigte menschen bevonden, die vrij wat ongelukkiger waren dan hij.
Terwijl Bedreddin Hassan alzoo zijn beroep van pasteibakker te Damaskus bleef uitoefenen, vertrok zijn oom Schemseddin Mohammed op den derden dag weder van daar, en reisde over Aleppo, waar hij den Euphraat overtrok, door Mesopotamië, naar Balsora. Terstond bij zijne aankomst liet hij bij den sultan gehoor verzoeken. Deze, onderrigt van den hoogen rang, dien Schemseddin Mohammed aan het hof van Egypte bekleedde, ontving hem zeer vriendelijk, en vraagde hem naar de oorzaak van zijne reis naar Balsora. „Sire!” antwoordde de vizier Schemseddin Mohammed, „ik ben hier gekomen, om onderzoek te doen naar het verblijf van den zoon mijns broeders Noureddin Ali, die de eer gehad heeft uwe majesteit te dienen.” „Reeds lang is Noureddin Ali overleden,” gaf de sultan ten antwoord. „Wat zijn' zoon betreft, al wat men er u van zeggen kan is, dat hij, omstreeks twee maanden na den dood zijns vaders, plotseling is verdwenen, en dat men hem sedert niet terug heeft gezien, hoeveel moeite ik mij ook heb gegeven, om hem te doen opsporen. Zijne moeder echter, welke de dochter is van een' mijner viziers, is nog in leven.” Schemseddin verzocht hem nu verlof haar te mogen zien, en haar, indien zij daar niet tegen had, mede naar Egypte te nemen. De sultan stemde hierin toe, en Schemseddin, niet tot den volgenden dag willende uitstellen, wat hij zoo vurig verlangde, liet zich de woning van zijne schoonzuster wijzen, en ging haar onmiddelijk een bezoek brengen, vergezeld door zijne dochter, Parel van Schoonheid, en door zijn' kleinzoon Agib.
De weduwe van Noureddin Ali woonde nog altijd in het huis, dat haar man tot zijn' dood betrokken had. Het was een zeer schoon gebouw, met marmeren kolommen versierd; maar Schemseddin Mohammed hield zich niet op, om het te bewonderen. Bij zijne komst zag hij bij de deur eene marmeren plaat, waarop de naam van zijn broeder met gouden letters te lezen stond. Zijn gemoed schoot vol, en hij kuste dien dierbaren naam. Hij liet zich vervolgens bij zijne schoonzuster aandienen. Eene slavin zeide hem, dat zij in den koepel was, die midden in den prachtigen tuin stond, en welke zij hem aanwees. Inderdaad, deze teedere moeder had de gewoonte een groot gedeelte van den dag in dezen koepel door te brengen, dien zij had doen bouwen tot grafmonument voor haren geliefden Bedreddin Hassan, welken zij, na zoo lang te vergeefs, op zijne terugkomst gewacht te hebben, als dood beweende. Ook thans zat zij het verlies van dien beminden zoon te betreuren, en Schemseddin Mohammed trof haar aan in eene diepe droefgeestigheid. Hij groette haar, en na haar verzocht te hebben, die tranen en zuchten te bedwingen, maakte hij zich bekend als haar schoonbroeder, en zeide haar ook de reden, die hem had bewogen Caïro te verlaten en naar Balsora te reizen. Hij deelde zijne schoonzuster mede, wat te Caïro in den bruidsnacht zijner dochter was voorgevallen, en hoe verwonderd hij geweest was, toen hij het handschrift zijns broeders in den tulband van diens zoon Bedreddin had gevonden; waarop hij haar zijn' kleinzoon Agib en zijne dochter, Parel van Schoonheid, voorstelde.
Toen de weduwe van Noureddin Ali vernam, dat de geliefde zoon, dien zij reeds zoo lang als dood betreurd had, nog wel in leven kon zijn, verspreidde zich een glans van hoop en van vreugde over haar gelaat. Zij stond op, breidde met moederlijke teederheid de armen naar Parel van Schoonheid uit, en kon niet ophouden Agib te omhelzen en te liefkozen, in wien zij de trekken van haren zoon Bedreddin Hassan herkende: „Mevrouw,” zeide nu Schemseddin Mohammed, „gij ziet, dat thans de tijd daar is, om uw rouwgewaad af te leggen, uwe tranen te droogen en om u gereed te maken ons naar Egypte te vergezellen. De sultan van Balsora heeft mij vrijheid gegeven, u met mij te nemen; en ik twijfel niet, of gij zult daarin toestemmen, zonder dat ik u juist stellig kan beloven, dat wij uw' zoon, mijn waarden neef, zullen wederzien. Mogt dit gebeuren, dan zullen onze lotgevallen waardig zijn beschreven te worden, en voor de nakomelingschap bewaard te blijven.”
De weduwe van Noureddin Ali hoorde dit voorstel met genoegen aan, en liet dadelijk alle toebereidselen tot haar vertrek maken. Intusschen verzocht Schemseddin Mohammed een tweede gehoor bij den sultan, om afscheid van hem te nemen. Deze vorst overlaadde hem met eerbewijzen, en gaf hem een kostbaar geschenk mede voor den sultan van Egypte. Daags daarop verliet de vizier Balsora, en nam andermaal zijn' weg over Damaskus.
Toen Schemseddin Mohammed in de nabijheid van Damaskus kwam, liet hij zijne tenten opslaan voor de poort, waarbij zij aankwamen, en besloot aldaar drie dagen te vertoeven, om zijn gevolg en zijne lastdieren te laten uitrusten, en tevens een en ander te koopen, wat hem het geschiktst zou voorkomen, om den sultan van Egypte, zijn' heer, aan te bieden.
Terwijl de vizier zich onledig hield met het uitzoeken der kostbaarste en zeldzaamste stoffen, welke de voornaamste kooplieden van Damaskus hem in zijn kamp kwamen voorleggen, verzocht Agib, den zwarten slaaf, zijn' leidsman, om met hem naar de stad te gaan, zeggende, dat hij de vorige keer toch lang niet alles had kunnen bezien, en dat hij ook gaarne iets zou willen vernemen van den pasteibakker, dien hij met een' steen gewond had, en waarvan hij altijd nog spijt had gehad. De slaaf stemde hierin toe, en ging met Agib naar de stad, toen deze van zijne moeder daartoe verlof had gekregen. Zij gingen door de paleispoort, die het digtst bij het kamp van den vizier Schemseddin Mohammed was, de stad in. Zij bezochten al de markten en bazars, waar de schoonste en rijkste stoffen waren uitgespreid; tevens bezagen zij de oude moskee der Ommiaden, juist toen de geloovigen tot het middaggebed werden opgeroepen en in menigte daarheen stroomden. Ten laatste kwamen zij ook voorbij den winkel van Bedreddin Hassan, die weder druk bezig was, met roomtaartjes te maken. „Gegroet,” zeide Agib, „bekijk mij eens en gij zult u herinneren, dat gij mij niet voor de eerste maal ziet.” Bij deze woorden sloeg Bedreddin de oogen op hem, en (o wonderlijke kracht van vaderlijk gevoel!) hij werd, toen hij hem herkende, even ontroerd als de vorige maal. Hij stond een' geruimen tijd, zonder een woord te kunnen uitbrengen. Eindelijk tot zich zelven gekomen, zeide hij: „Schoone jongeling! bewijs mij nogmaals de gunst met uw' leidsman in mijn' winkel te komen en van mijne roomtaartjes te proeven. Ik smeek u, mij te vergeven, dat ik u zoo lastig ben gevallen door u tot buiten de stad te volgen; ik was mij zelven geen meester, en wist niet, wat ik deed. Gij trekt mij evenzeer als de noordpool de magneet, zonder dat ik mij rekenschap kan geven van mijne genegenheid, of liever van een mij onbekend teeder gevoel.”
Agib, verwonderd over hetgeen de pasteibakker zeide, gaf ten antwoord: „Uwe vriendschaps-betuigingen zijn overdreven, en ik wil niet in uw huis komen, of gij moet u met een' eed verbinden, mij niet weder te zullen volgen. Indien gij mij dat belooft en als eerlijk man uw woord houdt, kom ik u morgen weder bezoeken, terwijl de vizier, mijn groot-vader, zich bezig houdt met inkoopen te doen voor een geschenk aan den sultan van Egypte.” „Mijn goede jongeheer!” hernam Bedreddin Hassan, „ik zal alles doen, wat gij mij zult bevelen.” Op deze verzekering van den pasteibakker traden Agib en de slaaf den winkel binnen.
Bedreddin haastte zich hun eene roomtaart voor te zetten, welke niet minder keurig was, dan die van vroeger. „Kom,” zeide Agib, „zet u naast mij, en eet met ons.” Bedreddin liet zich dit geen tweemaal zeggen, hij nam plaats naast Agib, en strekte de armen uit, om hem te omhelzen. „Zacht wat,” sprak de kleinzoon van den vizier, hem wegduwende, „gij wordt te gemeenzaam en uwe vriendschap is al te hartelijk. Wees blij, dat ik bij u kom, en gij mij moogt onthalen.” Bedreddin gehoorzaamde, en begon tot lof van Agib een lied te zingen, hetwelk hij zoo maar op het eigen oogenblik vervaardigde. Overigens at of dronk hij niet, maar hield zich uitsluitend bezig zijne gasten te bedienen. Toen zij met eten gedaan hadden, bood hij hun een bekken met water aan, om zich te wasschen, en een zeer fijn servet om de handen af te droogen. Hij kreeg vervolgens eene kan met sorbet, goot daarvan een gedeelte in eene fijne porceleinen kom, verkoelde dezen drank met ijs, en bood Agib de kom aan, zeggende: „Proef dezen drank eens, het is sorbet, zoo heerlijk als deze elders in de geheele stad niet te krijgen is.” Agib dronk met smaak, en gaf de kom aan den pasteibakker terug, die ze nu ook den slaaf aanbood. Goed voorgaan, doet goed volgen, zegt het spreekwoord; maar de zwarte liet het daar niet bij. Hij verbeterde het werk van zijn' jongen meester, en dronk met lange teugen, tot dat de laatste droppel uit de kom was verdwenen.