Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Tweede deel

Part 12

Chapter 123,698 wordsPublic domain

Terwijl de geest Bedreddin Hassan aldus aanmoedigde en hem onderrigtte, wat hij doen moest, had de bogchel werkelijk de zaal verlaten. De geest ging naar de plaats, waar heen hij zich begeven had, vertoonde zich aan hem in de gedaante van eene groote zwarte kat, en begon op eene verschrikkelijke wijze te maauwen. De gebogchelde stalknecht, de kat willende verjagen, schreeuwde en klapte in de handen, doch in plaats van de wijk te nemen, stelde zij zich op hare achterpooten, en zag hem met vlammende oogen aan. Zij begon nog sterker te maauwen, en maakte zich allengskens zoo groot als een ezelsveulen. Op dit gezigt wilde de bogchel om hulp roepen, maar de schrik had hem zoo zeer bevangen, dat hij met open mond bleef staan, zonder een enkel woord te kunnen uitbrengen. Ten einde hem geen' tijd te geven om tot zich zelven te komen, veranderde de geest zich terstond in een' buffel van vervaarlijke grootte, en riep hem met brullende stem toe: „Leelijke bogchel!” Op deze woorden viel de verschrikte stalknecht op den grond, bedekte zich het hoofd met zijn kleed, ten einde het vreeselijke beest niet voor oogen te hebben, en antwoordde bevende: „Opperste vorst der buffels, wat begeert gij van mij?” „Wee u!” herhaalde de geest, „gij hebt de vermetelheid gehad met mijne minnares te trouwen!” „Ach, mijn beste heer!” sprak de bogchel, „ik smeek u mij te willen vergeven. Indien ik misdadig ben, dan ben ik dit onwetend, want ik wist waarlijk niet, dat deze jonge dame een' buffel tot minnaar had. Beveel wat u zal behagen, ik beloof u eene onderdanige gehoorzaamheid.” „Bij hel en duivel!” riep de geest op brullenden toon', „indien gij van hier gaat of uw' mond opent, vóór dat de zon zal zijn opgegaan, of slechts een' kik geeft, zoo zal ik u den kop verpletteren. Eerst als de zon op is, veroorloof ik u dit huis te verlaten; maar doe het dan haastig en zonder achter u te zien. Zoo gij de stoutheid hebt er immer weder een' voet in te zetten, zoo zijt gij een man des doods.” Na deze woorden, nam de geest eene menschelijke gedaante aan, greep den bogchel bij de beenen, zette hem op het hoofd tegen den muur en vervolgde: „Indien gij u beweegt, vóór dat de zon is opgegaan, gelijk ik u reeds gezegd heb, zoo zal ik u andermaal bij de beenen nemen, en u tegen dezen muur den kop verpletteren.”

Doch laat ons thans tot Bedreddin Hassan terugkeeren. Aangemoedigd door den geest en door de tegenwoordigheid van de toovergodin, was hij naar de zaal teruggekeerd en onopgemerkt de bruidskamer binnen geslopen, waar hij zich nederzette, in afwachting, hoe het zou afloopen. Na eenigen tijd kwam de bruid, begeleid door eene oude vrouw, die bij de deur staan bleef, en haar binnen liet, waarna zij de deur sloot, en vertrok.

De jonge echtgenoot was ten hoogste verrast, in plaats van den bogchel, Bedreddin Hassan aan te treffen die zich met de grootste bevalligheid aan haar voorstelde. „Hoe nu, lieve gast!” zeide zij, „gij hier en dat op dit uur? Gij moet wel een groot vriend van mijn' man zijn.” „Neen, mevrouw!” antwoordde Bedreddin, „ik behoor tot een' geheel anderen stand, en heb met dien gebogchelden stalknecht geene verkeering.” „Maar,” hernam zij, „weet gij wel, dat gij kwaad van mijn' echtgenoot spreekt.” „Hij, uw echtgenoot, mevrouw!” hernam Hassan, „kondet gij waarlijk zoo lang in dat denkbeeld verkeeren? Dwaal dan niet langer; zoo vele volmaaktheden zijn niet bestemd om aan den verachtelijksten van alle mannen te worden opgeofferd. Zie in mij den gelukkigen sterveling, mevrouw! voor wien die bewaard zijn. De sultan heeft slechts zijn' vizier, uw' geachten vader, eene poets willen spelen, en hij heeft mij verkozen tot uw' wezentlijken echtgenoot. Gij hebt kunnen opmerken, hoe de dames, de muzijkanten, de dansers, uwe vrouwen en al uwe huisgenooten zich met deze komedie vermaakt hebben. Wij hebben den ongelukkigen bogchel weggezonden, die op dit oogenblik in zijnen stal aan een' schotel met room zit te smullen, waarmede hij zich troosten mag; want gij kunt er staat op maken, dat hij u nimmer weder onder de oogen zal komen.”

Na deze woorden veranderde het gelaat van de dochter des viziers. Bleek en ontdaan, meer dood dan levend, was zij de bruidskamer binnengekomen; maar thans verspreidde zich over haar aanminnig gelaat een blos van vreugde, die haar zoo schoon maakte, dat Bedreddin geheel verrukking werd. „Ik verwachtte zulk eene aangename verrassing niet,” zeide zij op liefelijken toon, „integendeel ik dacht het overige van mijn leven ongelukkig te zijn. Mijn geluk is echter thans zoo veel te grooter, daar ik in u een' man zal bezitten, die mijne genegenheid ten volle waardig is.” Dit gezegd hebbende, begaven zich beide ter rust.

Toen de jonge echtgenooten waren ingeslapen, zeide de geest tot de toovergodin, welke hij weder had opgezocht, dat het thans tijd werd de taak zij zoo goed aangevangen en bestuurd hadden, te voleinden. „Zorgen wij nu,” ging hij voort, „dat de dag ons niet verrasse. Vervul thans uwe taak en vervoer den jongen man, zonder hem wakker te maken.”

De nimf begaf zich in de kamer der gelieven, die beide in diepe rust waren, nam Bedreddin Hassan op, en vloog, vergezeld door den geest, met verwonderlijke snelheid naar Syrië tot voor de poort van Damaskus. Zij kwamen er aan juist, toen de mahomedaansche priester het volk opriep tot het morgengebed. De toovergodin legde Bedreddin bij de poort zachtjes op den grond neder, en verwijderde zich met den geest.

Kort daarop werd de poort geopend, en de menschen, die hierop in grooten getale wachtten, ten einde naar het veld te gaan, waren zeer verwonderd, Bedreddin Hassan aldaar te zien liggen in zijn nachtgewaad. De een zeide: „Hij heeft zeker zijn bed met zoo veel haast moeten verlaten, dat hem de tijd ontbroken heeft om zich te kleeden.” „Zie,” sprak een ander, „waartoe een mensch komen kan, als hij te diep in het glas heeft gekeken; ik wil wedden, dat hij dronken is geweest; naar buiten gegaan zijnde, heeft hij de deur niet terug kunnen vinden, is als een nachtwandelaar voortgescharreld en hier voor de poort in slaap gevallen. De koele nachtlucht zal hem wel goed gedaan en nuchteren gemaakt hebben; stoot hem eens aan!” Anderen spraken er weder anders over; ieder had wat te zeggen, maar niemand wist het regte. Juist ontblootte de wind zijne borst, die witter was dan sneeuw. Alle omstanders waren zoo verbaasd over deze bijzondere blankheid van vel, dat zij een' kreet van verwondering slaakten, die den jongman deed ontwaken. Deze was niet minder verwonderd, dat hij zich bevond bij de poort van eene hem onbekende stad, en omringd werd door eene menigte, die hem met nieuwsgierige blikken aanstaarde. „Mijne goede lieden,” zeide hij, „hebt de goedheid mij te zeggen, waar ik ben, en wat gij van mij wilt hebben?” Een uit hen nam het woord en antwoordde: „Jongeling! toen de poort geopend werd, en wij ons naar buiten spoedden, vonden wij u in dezen toestand. Hierover waren wij zoo verwonderd, dat wij zijn blijven staan om naar u te zien. Hebt gij hier den nacht doorgebragt? En weet gij wel dat gij aan eene der poorten van Damaskus zijt?” „Aan eene der poorten van Damaskus!” herhaalde Bedreddin. „Gij drijft den spot met mij. Toen ik mij dezen nacht ter rust begaf, was ik te Caïro.” „Het is jammer,” zeiden eenige der omstanders op een' medelijdenden toon, „dat een zoo welgemaakt jongeling zijn verstand heeft verloren.” En zij vervolgden hun' weg.

„Mijn zoon,” sprak nu een goedhartige grijsaard, „gij bedenkt niet, wat gij zegt, daar gij heden morgen te Damaskus zijt, hoe kunt gij dan gisteren avond te Caïro geweest zijn, dat meer dan zestig dagreizen van hier ligt. Dat is immers onmogelijk?” „En evenwel is het waarheid,” bragt Bedreddin in, „even waar, als dat ik gisteren den ganschen dag te Balsora heb doorgebragt.” Naauwelijks had hij dit gezegd, of allen, die nog waren blijven staan, borsten uit in schaterend gelach; terwijl sommigen riepen: „Het is een gek, het is een gek! Wat luisteren wij langer naar hem.” Eenigen echter beklaagden hem om zijne jeugd, en een man uit de menigte vooruit tredende, zeide tot hem: „Mijn zoon, gij moet niet bij uw verstand zijn, want gij weet niet wat gij zegt; is het mogelijk dat iemand gedurende den dag te Balsora, des nachts te Caïro, en des morgens te Damaskus zijn kan? Gij zijt zeker nog niet goed wakker; neem uwe zinnen eens bijeen.” „Wat ik u gezegd heb,” hernam Bedreddin Hassan, „is even waar, als dat ik gisteren avond in de stad Caïro met de dochter van den groot-vizier getrouwd ben.” Allen, die vroeger gelagchen hadden, schaterden het nu uit. „Gij zult dat alles gedroomd hebben, mijn zoon!” hernam de zelfde geduldige man, die hem reeds had toegesproken, „en nu staan die beelden u nog levendig voor den geest.” „Ik weet heel goed, wat ik zeg,” hernam Bedreddin, „maar zegt gij mij dan, hoe het mogelijk is, dat ik in den droom naar Caïro ben gegaan, waar men mijne echtgenoot, telkens in een nieuw kleed gedost, tot zevenmalen aan mij heeft voorgesteld; en hoe ik eindelijk een' afschuwelijken bogchel gezien heb, dien men haar tot man wilde geven, en hoe niet hij, maar ik bij de bruid ben toegelaten. Verklaar mij ook, wat er van mijn kleed, van mijn' tulband en van de beurs met sequinen is geworden, die ik te Caïro had.”

Hoewel Bedreddin aldus bij herhaling verzekerde, dat al deze zaken werkelijk zoo waren, dreven echter allen, die hem aanhoorden, er den spot mede en lachten hem uit. Dit bragt hem zoo in de war, dat hij eindelijk zelf niet meer wist, wat hij gelooven moest, van al hetgeen hem was overkomen. Na eenigen tijd stond hij op, en ging de stad in, gevolgd door de menigte, onder het geschreeuw van: „Een gek, een gek!” Op dit geroep zag men hier een hoofd uit het venster steken, daar eene deur open gaan, en anderen zich aansluiten bij degenen, die Bedreddin omgaven, en even luid riepen: „Een gek, een gek!” zonder dat zij eens wisten, wat er van de zaak was. Aldus voortgaande, kwam hij voorbij de woning van een' pasteibakker, die juist zijn' winkel opende. Hij nam een spoedig besluit en trad binnen, ten einde zich aan de schreeuwende volksmenigte te onttrekken.

De pasteibakker was vroeger aanvoerder geweest van een troep stroopende Arabieren, die er hun werk van maakten, om de karavanen uit te plunderen, en ofschoon deze rooverhoofdman, sedert hij zich te Damaskus had gevestigd, een bedaard leven leidde, en aan niemand reden tot klagen gaf, was hij echter bij allen, die hem kenden, gevreesd. Het gevolg hiervan was, dat een enkele donkere blik, dien hij op de volksmenigte wierp, voldoende was, om die uit een te doen gaan. De pasteibakker ziende, dat het volk zich verwijderde, deed den jongman, die in zulk eene zonderlinge kleeding eene toevlugt bij hem had gezocht, onderscheidene vragen; onder anderen, wie hij was, en hoe hij in zulk een' vreemden toestand te Damaskus kwam. Bedreddin Hassan verborg voor hem noch zijne geboorte, noch den dood van zijn' vader, den groot-vizier. Hierop verhaalde hij hem, waarom hij Balsora had verlaten, en hoe hij, na den vorigen nacht op de graftombe van zijn' vader in slaap te zijn geraakt, zich bij zijn ontwaken te Caïro had bevonden, alwaar hij eene zeer schoone jonge dame gehuwd had, en eindelijk, hoe groot zijne verbazing was, toen hij zich naar Damaskus verplaatst zag, zonder den sleutel van al deze wonderlijke gebeurtenissen te kunnen vinden.

„Uwe geschiedenis is inderdaad zeer wonderlijk,” zeide de pasteibakker, „doch indien gij mijn' raad wilt volgen, zoo spreek tegen niemand van alles, wat gij mij thans hebt medegedeeld. Wacht geduldig af, tot dat het den Hemel behagen zal, deze raadsels op te lossen en uwe rampen te doen ophouden. Even als op regen, zonneschijn volgt, zoo komen ook na treurige, vrolijke dagen. Gij kunt niet beter doen, dan bij mij te blijven, tot dat die gelukkiger tijd voor u zal zijn aangebroken; en daar ik geene kinderen heb, en uw voorkomen mij behaagt, zoo ben ik bereid u, indien gij er in toestemt, tot zoon aan te nemen. Dan kunt gij vrij door de stad gaan, zonder dat gij voor beleedigingen van het volk behoeft te vreezen; want men heeft ontzag voor mij.”

Ofschoon nu deze aanneming tot kind van een' pasteibakker juist geene eer was voor den zoon van een' groot-vizier, besloot echter Bedreddin dit voorstel niet af te slaan. Hij oordeelde te regt, dat hij in den ongelukkigen toestand, waarin hij verkeerde, niet te kiesch op het punt van eer moest zijn. De pasteibakker liet hem behoorlijk kleeden, nam getuigen mede, en legde voor den kadi de verklaring af, dat hij Bedreddin Hassan tot zoon aannam. De jonge man bleef nu bij zijn' aangenomen vader inwonen onder den eenvoudigen naam van Hassan, en leerde het pasteibakken.

Terwijl dit te Damaskus voorviel, ontwaakte de dochter van Schemseddin Mohammed, en Bedreddin aan hare zijde missende, meende zij, dat hij was opgestaan, zonder haren slaap te willen storen, en dat hij wel spoedig zou terugkomen. Zij wachtte nog op zijne terugkomst, toen haar vader, de vizier Schemseddin Mohammed, verontwaardigd, over de beleediging, welke hij geloofde van den sultan van Egypte ondergaan te hebben, aan de deur van hare kamer tikte, met voornemen om haar treurig lot met haar te beweenen. Hij riep zijne dochter bij haren naam, en zij, zijne stem herkennende, haastte zich om op te staan en hem open te doen. Zij kuste haren vader de hand, en ontving hem met een zoo blij gelaat, dat de vizier, die verwachtte haar in tranen te zullen vinden, daarover ten hoogste verbaasd werd. „Ongelukkige!” riep hij toornig uit, „verschijnt gij aldus voor mij? Kunt gij, na het vreeselijke offer, dat gij hebt moeten brengen, mij zulk een blij gelaat toonen?”

Toen de jonge vrouw zag, dat haar vader haar de vreugde verweet, waarvan zij blijken gaf, zeide zij: „Lieve vader, bespaar mij, bid ik u, zulke onverdiende verwijten. Ik ben niet met den gebogchelden stalknecht, dien ik tot in den afgrond verwensch, ik ben niet met dat afschuwelijke monster gehuwd. Men heeft hem zoo beschimpt en in verlegenheid gebragt, dat hij gedwongen werd zich in zijn' stal te gaan verbergen, en dat hij plaats heeft moeten maken voor een' schoonen jongeling, die mijn ware echtgenoot is.” „Welk een fabeltje vertelt gij mij daar,” viel Schemseddin Mohammed toornig in, „hoe, de bogchel zou niet uw man zijn?” „Neen, vader,” antwoordde zij, „ik heb niemand anders tot man, dan den jongeling met zijne schoone oogen en groote gitzwarte wenkbraauwen, van wien ik u gesproken heb.” Op deze woorden verloor de vizier het geduld, en voer in toorn tegen zijne dochter uit: „Onwaardige! wilt gij mij het verstand doen verliezen met uwe laffe sprookjes?” „Gij zijt het, vader,” hernam zij, „die mij zinneloos zoudt maken door uwe ongeloovigheid.” „Het is dus niet waar,” hernam de vizier, „dat de bogchel....”

„Ach! laten wij den bogchel daar,” viel zij met drift in, „verwenscht zij dat wezen! Zal ik dan altoos van dien bogchel hooren spreken? Ik herhaal u nogmaals, vader, niet hij, maar de lieve man, van wien ik u zoo even sprak, en die niet verre van hier kan zijn, is mijn man geworden.” Schemseddin Mohammed, nu niet meer wetende, wat hij er van denken moest, verliet het vertrek van zijne dochter, om dien lieven man met zijne schoone oogen en gitzwarte wenkbraauwen, indien hij niet in haren droom, maar in wezentlijkheid bestond, te gaan opzoeken; doch in plaats van hem te ontmoeten, vond hij, tot zijne niet geringe verbazing, den bogchel, die met het hoofd omlaag en de beenen omhoog tegen den muur stond, in de zelfde houding, waarin de geest hem geplaatst had. „Wat moet dit beteekenen?” vraagde hij, „wie heeft u in dezen toestand geplaatst?” De gebogchelde, den vizier herkennende, gaf hem ten antwoord: „Ach! gij zijt het dan, die mij wildet doen trouwen met de minnares van een' buffel, het liefje van een' kwaadaardigen geest? Ik zal zoo dwaas niet zijn, en gij zult mij niet beet hebben.”

Toen Schemseddin Mohammed den gebogchelde op dergelijke wijze hoorde spreken, dacht hij, dat deze raaskalde, en zeide tot hem: „Keer je om, en ga op je beenen staan, slaaf!” „Ik zal er mij wel voor wachten,” hernam de gebogchelde stalknecht van den sultan, „eerst moet de zon zijn opgegaan. Toen ik gisteren avond hier heen ging, stond er plotseling eene zwarte kat voor mij, op zijne achterpooten, en met oogen, die als kolen vuur glommen. Ik wilde haar wegjagen, maar ja wel, zij bleef, en maakte zich van lieverlede zoo groot als een buffel. Ik heb nog niet vergeten, wat deze tot mij gezegd heeft. Daarom, ga aan uwe bezigheden, en laat mij hier.” In plaats van hieraan te voldoen, nam de vizier hem bij de beenen, en zette hem met een' snellen draai op zijne voeten. Terstond nam nu de bogchel een loopje en ijlde het huis uit zonder achterom te zien, juist zoo als de geest hem had bevolen. Hij liep naar het paleis en liet zich bij den sultan van Egypte aandienen, aan wien hij, tot groot vermaak van dien vorst, zuchtende zijn beklag deed over de behandeling, welke hij van den geest had ondergaan.

Schemseddin Mohammed nog meer in het onzekere gebragt, over hetgeen er gebeurd was, keerde naar het vertrek van zijne dochter terug. „Welnu, bedrogene dochter!” zeide hij, „kunt gij mij geene nadere inlichting geven omtrent een voorval, dat mij verbaast en in verwarring brengt?” „Heer,” antwoordde zij, „ik kan u niets anders mededeelen, dan hetgeen ik reeds de eer heb gehad, u te zeggen. Maar zie hier de kleeding van mijn' echtgenoot, welke hij op dezen stoel heeft achtergelaten. Misschien kan zij u de opheldering geven, waarnaar gij verlangt.” Dit zeggende bood zij haren vader den tulband van Bedreddin aan. De vizier bezag hem naauwkeurig. „Ik zou hem,” zeide hij, „voor een' viziers-tulband houden, indien hij niet naar de mode van Moussoul was.” Bemerkende, dat er iets tusschen de stof en de voering zat, vraagde hij eene schaar, en de voering losgetornd hebbende, vond hij een toegevouwen papier. Dit was het geschrift, dat Noureddin Ali op zijn sterfbed aan zijn' zoon Bedreddin had gegeven, die het, om het te zekerder te bewaren, in zijn' tulband verborgen had. Toen Schemseddin Mohammed het papier geopend had, herkende hij terstond het schrift van zijn' broeder Noureddin Ali, en las dit opschrift:

_„Voor mijn' zoon Bedreddin Hassan.”_

Vóór dat hij over deze zaak kon nadenken, stelde zijne dochter hem tevens de beurs ter hand, welke zij onder het kleed van haren man gevonden had. Hij opende ook deze; die nog vol sequinen was, want hoe mild Bedreddin Hassan ook was geweest, de geest en de toovergodin hadden gezorgd, dat de beurs altoos gevuld was gebleven. Schemseddin las op een briefje, dat aan de beurs gespeld was:

_„Duizend sequinen toebehoorende aan den jood Izaäk.”_

En daar onder, hetgeen door den jood was geschreven, alvorens hij van Bedreddin Hassan scheidde:

_„Terhandgesteld aan Bedreddin Hassan, voor de aan mij verkochte lading van het eerste zijner schepen, dat de haven zal binnenloopen, en welke schepen vroeger het eigendom waren van zijn' vader Noureddin Ali, zaliger gedachtenis.”_

Toen de vizier deze woorden gelezen had, gaf hij een' gil en viel in onmagt. Zoodra hij door de hulp van zijne dochter en van hare vrouwen, welke zij geroepen had, weder bij zijne kennis kwam, zeide hij tot haar: „Lieve dochter! verontrust u niet, over hetgeen mij is overkomen. Als ik u zal gezegd hebben, wat daartoe aanleiding gaf, zult gij mij naauwelijks kunnen gelooven. Verneem dan, dat dit geschrift mij het bewijs geeft, dat uw' echtgenoot de eenige zoon van mijn' jongeren en thans overleden broeder Noureddin Ali is. De duizend sequinen, die in deze beurs zijn, herinneren mij een' twist, dien ik met dezen broeder gehad heb; zij zijn ongetwijfeld bestemd tot een huwelijksgift, die hij u doet toekomen. Allah zij geloofd!” Vervolgens sloeg hij de oogen op het schrift van zijn' broeder, kuste dit herhaalde malen en bevochtigde het met zijne tranen. „Ach!” riep hij uit, „mogt ik even als dit geschrift van zijne hand, dat mij zoo veel vreugde schenkt, ook dien lieven broeder zelven voor mij hebben, om mij met hem te kunnen verzoenen.”

Hij las nu het geschrevene geheel door, en vond daarin de dagteekeningen van de aankomst zijns broeders te Balsora, van diens huwelijk en van de geboorte van Bedreddin Hassan. Het waren de zelfde dagen van zijn huwelijk en van de geboorte zijner dochter te Caïro. Hij overwoog daarbij, dat zijn neef werkelijk, zoo als hij eens met zijn' broeder gedweept had, zijn schoonzoon was, en gaf zich geheel aan de vreugde over. Hij nam het geschrift en het opschrift van de beurs, en begaf zich daarmede naar den sultan. De vorst was zoo verrast over deze onvoorziene gebeurtenis, dat hij zijn' vizier weder in genade aannam, en zijne geschiedenis in geschrift liet brengen, opdat zij voor de nakomelingschap bewaard mogte blijven.

Intusschen kon Schemseddin Mohammed zich de zonderlinge verdwijning van zijn' neef en schoonzoon niet begrijpen, en na hem gedurende zeven dagen te vergeefs terug te hebben verwacht, deed hij door geheel Caïro naar hem zoeken. Maar hoeveel moeite hij zich gaf, hij kon niets van hem vernemen. Dit baarde den vizier eene groote ongerustheid; wat reden kon Bedreddin hebben, zijne schoone jonge vrouw dus te verlaten; was het vrees voor den sultan, die hem naar elders de wijk had doen nemen? Hij wist het niet, en moest de oplossing van dit raadsel aan de toekomst overlaten.

In de onzekerheid, wat in het vervolg zou kunnen plaats hebben, achtte de vizier het noodig, het voorgevallene op te teekenen, tot zelfs de staat van zijne huishouding, de wijze waarop de zaal en de bruidskamer van zijne dochter gemeubeld waren, en alles wat verder op dit zonderlinge huwelijk betrekking had. Ook maakte hij van den tulband, de beurs en de verdere kleedingstukken van Bedreddin een pakje en sloot dit zorgvuldig weg.