Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Tweede deel

Part 11

Chapter 113,855 wordsPublic domain

De derde is: zoo men u beleedigt, niet te antwoorden. Men is buiten gevaar, zegt het spreekwoord, wanneer men weet te zwijgen. En het is vooral in die omstandigheid, dat gij moet weten u zelven te beheerschen, en dit in beoefening te brengen; want als het eene woord het andere volgt, zal er twist ontstaan en de vijandschap meestal groot worden. Te regt zegt daarom een van onze dichters, dat de stilzwijgendheid het sieraad en de beschermster van ons leven is, en dat men, sprekende, niet gelijk moet zijn aan een' stortvloed, die in zijn vaart alles medevoert en beschadigt. Nooit heeft het iemand berouwd gezwegen te hebben, maar het veel spreken heeft menigeen in leed gebragt.

De vierde is: geen wijn te drinken, want dit is de bron van vele ondeugden.

De vijfde is: uwe goederen wel te bewaren. Indien gij ze niet verkwist, zoo zullen zij u dienen, om voor gebrek bewaard te blijven. Men moet echter niet gierig zijn, noch te veel naar rijkdom trachten, want de gierigaard is een onnut schepsel voor zijne naasten, en die naar rijkdom haakt, komt in vele verzoekingen. Hebt gij nogtans geld, en gij besteedt dit op eene verstandige wijze, zoo zult gij u vele vrienden maken; maar zoo gij integendeel groote schatten hebt, en daarvan een slecht gebruik maakt, zal een ieder zich van u verwijderen.”

Om kort te gaan, Noureddin Ali liet niet na, zijn' zoon goede lessen te geven tot aan zijn' laatsten ademtogt. Na zijn' dood werd hij met groote pracht ter aarde besteld.

Bedreddin Hassan van Balsora (aldus genoemd, omdat hij in die stad geboren was) was zeer bedroefd over den dood van zijn' vader. In plaats van ééne maand, zoo als het gebruikelijk was, beweende hij hem twee maanden lang, en bragt dien tijd in afzondering door, zonder zelfs zijne opwachting bij den sultan te maken. Deze vorst was over zijne nalatigheid zeer vergramd, en beschouwde zulks als een blijk van minachting voor zijn' persoon en zijn hof. Hij liet in zijn' toorn den groot-vizier, die hij na den dood van Noureddin Ali had aangesteld, ontbieden, en beval hem zich naar het huis van den overledene te begeven, al zijne bezittingen in beslag te nemen, en Bedreddin Hassan voor hem te brengen.

De nieuwe groot-vizier begaf zich terstond op weg, om zijn' last te volbrengen, gevolgd door een groot aantal wachters en geregtsdienaars van het paleis. Een der slaven van Bedreddin Hassan, die zich onder de menigte bevond, en het oogmerk des viziers vernomen had, liep vooruit om zijn' meester van het hem dreigende gevaar te verwittigen. Hij vond hem op het balkon van zijne woning zitten, zoo diep bedroefd, alsof zijn vader pas gestorven was. Geheel buiten adem, wierp hij zich aan zijne voeten, en na den zoom van zijn kleed gekust te hebben, zeide hij: „Heer, red u, red u!” „Wat is er te doen?” vraagde Bedreddin, het hoofd opheffende. „Heer,” antwoordde de slaaf, „er is geen tijd te verliezen; de sultan is tegen u in vreeselijken toorn ontstoken, en men komt om al uwe goederen in beslag te nemen, en zich van uw' persoon te verzekeren.”

Deze woorden van den getrouwen slaaf deden Bedreddin Hassan ontstellen.

„Maar,” hernam hij, „heb ik den tijd niet om naar mijne kamer te gaan, en eenige edelgesteenten en geld mede te nemen!” „Neen heer!” antwoordde de slaaf, „de groot-vizier zal in een oogenblik hier zijn. Vertrek dadelijk en red u, of het is te laat.” Bedreddin Hassan rigtte zich van zijne sofa op, en sloeg zijn kleed over het hoofd om zijn gelaat te verbergen, en nam met overhaasting de vlugt, zonder te weten waar heen, om het hem dreigende gevaar te ontgaan. De eerste gedachte, welke hem inviel, was de naastbij gelegen stad te bereiken. Hij liep zonder ophouden door tot aan de openbare begraafplaats, en daar de nacht ophanden was, besloot hij dien bij de graftombe van zijn vader door te brengen, een prachtig monument in den vorm van een' koepel, dat Noureddin Ali nog bij zijn leven had doen stichten. Derwaarts gaande, ontmoette Hassan een' rijken jood, die bankier en tevens koopman was. De jood, die in de omstreken zaken gedaan had, keerde naar de stad terug. Hij herkende Bedreddin op het eerste gezigt, bleef staan en groette hem met den diepsten eerbied. „Heer!” sprak hij vervolgens, „mag ik de vrijheid nemen u te vragen, waar gij in dit late uur alleen heen gaat? Uwe gelaatstrekken zijn geheel ontstemd; is er iets, dat u hindert?” „Ja,” antwoordde Bedreddin, „mijn vader is mij in den slaap verschenen. Zijn gelaat was vreeselijk om aan te zien, en hij wierp een' toornigen blik op mij. Ik werd van schrik wakker en ijlde hier heen om mijn gebed op zijn graf te doen.” „Laat u die droom niet verontrusten, Heer!” zeide de jood, „uw vader had u bij zijn leven lief als zijne oogappels. Het is door de geheele stad bekend, dat gij een' zwaren rouw over hem hebt gedragen; hoe zou hij dan na zijn' dood toornig op u kunnen zijn? Het is mij een groote eer, dat gij den jood Izaäk veroorlooft, gemeenzaam met u te spreken; mag ik u nog een woord zeggen?” Bedreddin Hassan gaf een toestemmend teeken. „Wijlen de groot-vizier uw vader en mijn heer, zaliger gedachtenis, heeft, dat weet ik, vele rijk geladen schepen in zee, die u thans toebehooren; ik smeek u mij de voorkeur boven alle andere kooplieden te geven. Ik ben in staat de lading van al uwe schepen tegen kontant geld te koopen; en om een begin te maken, moest gij mij de lading van het eerste uwer schepen, dat de haven binnenkomt, voor duizend sequinen afstaan. Ik heb ze hier in eene beurs bij mij, en ben bereid ze u vooruit te betalen.” Dit zeggende, haalde hij onder zijn kleed eene groote beurs te voorschijn, met zijn cachet verzegeld, en vertoonde die aan Bedreddin Hassan.

In den toestand, waarin deze zich bevond, verjaagd uit zijne geboorteplaats, beroofd van alles, wat hij op de wereld had, beschouwde hij dezen voorslag van den jood als eene gunst des hemels. Hij nam dien dus met blijdschap aan. „Heer!” zeide nu de jood, „wij verstaan elkander immers goed, gij geeft mij voor duizend sequinen de lading van het eerste uwer schepen, dat deze haven zal binnenloopen?” „Ja, ik verkoop u die voor duizend sequinen,” antwoordde Bedreddin Hassan, „en hiermede is de zaak afgedaan.” De jood stelde hem nu onmiddelijk de beurs met duizend sequinen ter hand, en bood aan die voor te tellen. Bedreddin bespaarde hem die moeite, zeggende, dat hij hem wel vertrouwde. „Als dat zoo is,” hernam de jood, „zoo heb de goedheid, heer ('t is maar bij leven of sterven), mij van den door ons gesloten koop een schriftelijk bewijs te geven.” Dit zeggende, nam hij uit den inktkoker, die aan zijn' gordel hing, eene pen, benevens een strookje papier uit zijn zakboekje, bood hem dit schrijfgereedschap aan, en leende zijn' rug tot lessenaar. Bedreddin Hassan schreef nu deze woorden.

_„Dit geschrift dient tot bewijs, dat Bedreddin Hassan van Balsora verkocht heeft aan den jood Izaäk, voor eene som van duizend sequinen, die hij verklaart ontvangen te hebben, de lading van het eerste zijner schepen, dat in deze haven zal binnenkomen._

_Bedreddin Hassan van Balsora.”_

De jood, dit bewijs in zijn zakboekje gelegd hebbende, nam afscheid en vervolgde, verblijd over een' zoo voordeeligen handel zijn' weg. Terwijl Izaäk naar de stad ging, begaf Bedreddin Hassan zich naar het graf van zijn' vader Noureddin Ali. Hier wierp hij zich met zijn aangezigt ter aarde, en met de oogen vol tranen, klaagde hij over zijn ongelukkig lot. „Helaas!” zuchtte hij, „ongelukkige Bedreddin, wat zal er van u worden? Waar zult gij eene veilige schuilplaats vinden tegen de vervolgingen van een' magtigen, maar onregtvaardigen vorst? Was het niet genoeg, getroffen te worden door het verlies van een' geliefden vader? Moet ook de fortuin mij den rug toekeeren en mijne smart vergrooten?” Lang bleef hij in deze houding; doch eindelijk rigtte hij zich op, en met het hoofd tegen de graftombe leunende, ging hij voort met klagen en zuchten, tot dat de slaap magtiger werd dan zijne droefheid. Hij legde zich op de zerk neder, strekte zich uit en sliep in.

Naauwelijks genoot hij het zoete van den slaap, toen een geest, die zijn verblijf bij dag op het kerkhof hield, en den nacht gebruikte om de wereld door te trekken, den jongeling gewaar werd bij de graftombe van Noureddin Ali. Hij naderde, en daar Bedreddin op zijn' rug lag te slapen, werd hij getroffen door de schoonheid van zijn gelaat. „Ziedaar,” sprak de geest bij zich zelven, „in waarheid een engel uit het paradijs, door Allah op aarde gezonden, om de wereld door zijne schoonheid in verbazing te brengen.” Met deze gedachte bezield, ving hij zijn' nachtelijken togt aan, en verhief zich hoog in de lucht, waar het toeval hem eene toovergodin deed ontmoeten. Beiden groetten elkander, en op de vraag van de toovergodin of hij ook iets nieuws wist, zeide hij: „Indien gij mij wilt volgen naar het kerkhof, waarop ik mijn verblijf houd, zoo zal ik u een natuurwonder laten zien, waarover gij u zult verbazen.” De godin stemde toe, en in een oogenblik bevonden zij zich op de aarde en bij de graftombe. „Welnu,” sprak de geest, haar op den slapenden Bedreddin Hassan wijzende, „hebt gij ooit een schooner en welgemaakter jongeling gezien dan deze?”

De toovergodin beschouwde Bedreddin met alle aandacht, en zich daarop tot den geest wendende, gaf zij ten antwoord: „Ik moet u toestemmen, dat hij zeer welgemaakt is; maar ik heb voor eenige oogenblikken te Caïro iemand gezien, die in nog hoogere mate onze bewondering verdient. Hebt gij lust mij aan te hooren, zoo zal ik er u meer van zeggen?” „Gij zult mij daarmede verpligten,” antwoordde de geest. „Weet dan,” vervolgde de toovergodin, „dat de sultan van Egypte een' groot-vizier heeft, Schemseddin Mohammed genaamd. Deze vizier heeft eene achttienjarige dochter, voorzeker de schoonste en bekoorlijkste maagd uit geheel Egypteland. De sultan, met de uitstekende schoonheid van dit jonge meisje bekend geworden, deed haar vader den groot-vizier vóór eenige dagen ontbieden, en zeide tot hem: „Ik ben onderrigt, dat gij eene huwbare dochter hebt, en ik wensch haar te huwen; gij zult mij zulks immers wel toestaan?” De vizier, op een dusdanig voorstel niet bedacht, geraakte eenigzins in verwarring, maar hij liet zich niet verblinden door eene verbindtenis, die de meeste hovelingen voor eene groote eer zouden hebben gerekend. „Sire!” antwoordde hij, „ik ben de eer niet waardig, die uwe majesteit mij wil aandoen, en ik smeek haar zeer onderdanig, mij van die gunst te verschoonen. Gij weet, sire, dat ik een' broeder had, genaamd Noureddin Ali, die te gelijk met mij uw vizier was. Wij kregen te zamen verschil, hetgeen ten gevolge had, dat hij eensklaps verdween, zonder dat ik iets van hem kon te weten komen; eerst vóór vier dagen heb ik vernomen, dat hij te Balsora als vizier van den sultan aldaar overleden is. Hij heeft echter een' zoon nagelaten, en daar wij ons vroeger verbonden hebben, onze kinderen te zamen te laten trouwen (in de veronderstelling, dat wij die zouden krijgen), zoo ben ik overtuigd, dat hij gestorven is met de gedachte aan dat huwelijk. Daarom zou ik ook gaarne mijne belofte willen nakomen, en ik bezweer uwe majesteit mij zulks te veroorloven. Er zijn aan dit hof vele andere hovelingen, die volwassen dochters hebben, en die gij met uwe verbindtenis kunt vereeren.” De sultan van Egypte was over deze afwijzing en over de vrijmoedigheid van Schemseddin Mohammed zeer gevoelig, en zich niet kunnende inhouden, zeide hij in toorn tot hem: „Vergeldt gij op deze wijze de goedheid van uw' heer, die zich wil vernederen om u tot schoonvader aan te nemen? Reken er op, dat ik mij genoegdoening zal weten te verschaffen voor de voorkeur, welke gij aan een ander boven mij, uw' heer, uw' meester en uw' weldoener, durft geven. Ik zweer u, dat uwe dochter geen ander tot man zal hebben, dan de geringste en de mismaaktste van mijne slaven.” Na deze woorden, zond hij den vizier toornig weg. Deze keerde geheel verslagen en diep bedroefd naar zijne woning terug.

Heden,” vervolgde de toovergodin, „heeft de sultan een' zijner stalknechten bij zich doen komen, van voren en van achteren gebogcheld, en zoo leelijk om er van te schrikken, en tot deze gezegd: „Ik heb eene vrouw voor u.” Daarop heeft hij zijn' vizier ontboden, en dezen gedwongen toe te stemmen in het huwelijk van zijne schoone dochter met den gedrogtelijken slaaf; hij heeft het kontrakt in zijne tegenwoordigheid doen opmaken en door getuigen laten onderteekenen. De toebereidselen tot dezen bespottelijken echt zijn reeds gemaakt, en op dit oogenblik bevinden zich al de slaven der Egyptische hovelingen, elk met een' fakkel in de hand, aan de deur van het badhuis. Zij wachten daar, tot dat de gebogchelde stalknecht uit het bad komt, om hem in statigen optogt naar zijne echtgenoot te brengen, die reeds geheel gekleed en gekapt is. Toen ik Caïro verliet, maakten de genoodigde hofdames zich gereed de jonge vrouw, in vollen bruidstooi, naar de zaal te geleiden, waar zij den gebogchelde ontvangen moet.”

Toen de toovergodin zweeg, zeide de geest tot haar: „Wat gij ook moogt zeggen, zuster, ik kan niet gelooven, dat de schoonheid van die jonge dame, die van dezen jongeling te boven gaat.” „Ik wil hierover niet met u twisten,” hernam de nimf, „maar u gaarne bekennen, dat hij ten volle waardig is, te trouwen met de schoone, welke voor dien bogchel bestemd is. Het komt mij voor, dat wij eene goede daad zouden verrigten, als wij ons verzetten tegen dezen onregtvaardigen dwang van den sultan, en dezen jongman de plaats van dien mismaakten slaaf deden innemen.” „Gij hebt gelijk,” hernam de geest, „en ik zeg u dank voor het gelukkige denkbeeld, dat gij geopperd hebt. Ik stem er in toe; laat ons de wraak van den sultan verijdelen, een' bedroefden vader troosten, en zijne dochter zoo gelukkig maken, als zij nu meent beklagenswaardig te zijn. Ik zal alle pogingen in het werk stellen om dit plan te doen gelukken, in de overtuiging, dat gij mij behulpzaam zult zijn. Ik belast mij om den jongeling, zonder dat hij ontwaakt, naar Caïro over te brengen, en het blijft aan uwe zorg aanbevolen, om, als wij ons doel zullen bereikt hebben, hem naar elders te vervoeren.”

Zoodra de toovergodin en de geest het aldus eens waren, nam de geest Bedreddin zachtjes in zijne armen op, voerde hem met eene onbegrijpelijke snelheid door de lucht, en legde hem neder voor de deur van eene herberg in de onmiddelijke nabijheid van het bad, dat de gebogchelde gereed was te verlaten met den slavenstoet, die op hem stond te wachten.

Toen Bedreddin Hassan ontwaakte, wreef hij zich de oogen en, rond ziende, was hij ten hoogste verbaasd, zich in eene hem onbekende stad te bevinden. Hij wilde zich tot een' der omstanders wenden om te vragen, waar hij was, doch de geest zijn oogmerk gissende, tikte hem op den schouder zeide dat hij geen woord moest spreken, en gaf hem een' fakkel in de hand. „Ga,” zeide hij, „meng u onder de slaven, die gij voor de deur van dat badhuis ziet, en begeef u met hen in eene groote zaal, waar men bruiloft houdt. De jong getrouwde man is een gebogchelde, zoodat gij hem ligtelijk kunt kennen. Plaats u aan zijne regterzijde, en open de beurs met sequinen, welke gij op uwe borst draagt, om den inhoud er van gedurende den optogt onder de muzijkanten, dansers en danseressen uit te strooijen. Als gij in de zaal zult zijn, verzuim dan niet het zelfde te doen onder de slavinnen, welke de bruid omgeven, zoo dikwijls zij in uwe nabijheid komen. Wees daarbij niet karig met uwe sequinen, maar strooit ze met volle handen. Volg naauwkeurig, wat ik u gezegd hebt; draag zorg uwe tegenwoordigheid van geest te bewaren; verwonder u over niets; vreest niets en verlaat er u op, dat deze zaak door eene hoogere magt in uw belang bestuurd wordt, en alzoo noodwendig een goed einde moet hebben.”

De jonge Bedreddin, dus door den geest onderrigt omtrent hetgeen hij te doen had, ging naar de deur van het badhuis, stak zijn' fakkel bij dien van een' der slaven aan, mengde zich onder hen, even als of hij aan eenig heer uit Caïro toebehoorde, stelde zich met hen in beweging, en voegde zich bij den gebogchelde, die, uit het bad komende, een paard besteeg uit de stallen van den sultan. Voorop gingen de muzijkanten, de dansers en de danseressen, en Bedreddin Hassan deed nu en dan een' greep in zijne beurs, en strooide zijne sequinen met milde hand uit. Hij deed dit met zooveel bevalligheid en op zulk eene verpligtende wijze, dat allen, die ze opraapten, de oogen op den strooijer vestigden, en hem zoo welgemaakt en schoon vonden, dat zij hunne blikken niet meer van hem konden afwenden.

Eindelijk bereikte men de woning van den vizier Schemseddin Mohammed, die zeker niet vermoedde, dat zijn neef zich zoo digt in zijne nabijheid bevond. De portiers, daar geplaatst om alle wanorde te voorkomen, weigerden de slaven, die de fakkels droegen, binnen te laten. Zij wezen zelfs Bedreddin Hassan af, maar de muzijkanten, voor wie de toegang openstond, bleven staan, en verklaarden niet te zullen binnen gaan, tenzij men ook Hassan toeliet. „Hij behoort niet tot het getal der slaven,” zeiden zij, „gij behoeft hem slechts aan te zien, om daarvan overtuigd te worden. Hij is buiten twijfel een jeugdig vreemdeling, die zich uit nieuwsgierigheid bij ons heeft gevoegd, ten einde ooggetuige te zijn van deze huwelijks-plegtigheden.” Dit zeggende, namen zij hem in hun midden en drongen door zonder zich om den tegenstand der deurwachters te bekommeren. Zij namen hem den fakkel af, gaven dien aan den eersten slaaf den beste, en bragten hem vervolgens in de zaal, waar zij hem plaats deden nemen naast den gebogchelde, die zich op een' prachtigen troon nederzette, bij de dochter van den vizier.

De bruid was in hare kostbaarste kleederen gedost, maar op haar schoon gelaat lag een waas van neêrslagtigheid, of liever eene doodelijke droefheid verspreid, waarvan de reden niet moeijelijk te gissen was, indien men slechts een' blik wierp op het gedrogt, dat aan hare zijde zat, en hare liefde zoo weinig waardig was. De troon van deze zoo slecht bij elkander passende echtgenooten was midden op eene groote sofa. De vrouwen van de emirs, van de viziers en van de kamerheeren des sultans zaten een weinig lager aan beide zijden, ieder naar haren rang, en allen rijk en smaakvol gekleed, zoodat hare schoonheid op het voordeeligst uitkwam, en men deze vrouwenschaar niet genoeg kon aanzien. Elk der dames hield eene brandende waskaars in de hand.

Toen Bedreddin Hassan binnentrad, wierpen de dames een' blik op hem; zijne vorstelijke houding en zijn schoon gelaat boeiden haar zoozeer, dat zij de oogen niet van hem konden afhouden. Zoodra hij gezeten was, bleef niet eene enkele terug, om hare plaats te verlaten en den schoonen jongeling te naderen, ten einde hem van meer nabij te zien, en de meeste der Caïrosche dames droegen, naar hare plaatsen terugkeerende, eene teedere genegenheid in haar hart mede.

Het groote verschil tusschen Bedreddin Hassan en den gebogchelden stalknecht liep zoo zeer in het oog, dat dit eene algemeene ontevredenheid bij het gezelschap te weegbragt. „Aan dezen schoonen jongeling,” riepen de dames, „en niet aan dien leelijken gebogchelde, moest men onze bruid geven.” Het bleef daar niet bij, sommigen gingen zoo ver zich in berispingen uit te laten tegen den sultan, omdat hij zijne magt aldus misbruikte, door het schoone met het mismaakte te vereenigen. Zij beschimpten den gebogchelde openlijk, en deden hem tot groot vermaak van het gezelschap zijne bedaardheid verliezen. Het gelach en gekuch, dat nu ontstond, bragt zelfs voor een oogenblik de muzijk tot zwijgen.

Eindelijk begonnen de muzijkanten weder te spelen, en de vrouwen die de bruid gekleed hadden, voegden zich bij haar, om haar te verkleeden, hetgeen op de maat der instrumenten tot honderdmalen toe plaats had.

Telkens als de jonggehuwde van kleed had verwisseld, stond zij op en ging, gevolgd door hare vrouwen, den gebogchelde voorbij, zonder hem met een' blik te verwaardigen, terwijl zij staan bleef voor Bedreddin Hassan, om zich aan hem in haren nieuwen tooi te vertoonen. De gebogchelde meende razend te worden, en wierp haar nijdige blikken toe, die hem nog afschuwelijker maakten. Dit had echter geen ander gevolg, dan dat het gezelschap begon te lagchen. Inmiddels verzuimde Bedreddin Hassan niet den raad van den geest te volgen, door zijne sequinen met milde hand uit te strooijen onder de vrouwen, welke hare meesteres vergezelden. Hij vergat ook de muzijkanten en de dansers niet, maar wierp hun nu en dan een handvol sequinen toe. Het was vermakelijk om te zien, hoe deze lieden elkander verdrongen, om de goudstukken op te rapen. Zij betuigden hem bij herhaling hunnen dank, en gaven hem door teekens hunnen wensch te verstaan, dat de jonggehuwde voor hem, en niet voor den gebogchelde, bestemd mogt zijn. De vrouwen zeiden hem het zelfde, zonder er zich om te bekommeren, of dit gehoord werd door den gebogchelden stalknecht, wien zij menigen trek speelden, tot groot vermaak der aanschouwers.

Toen de plegtigheid van het verwisselen der kleederen zoo dikwijls had plaats gehad als gebruikelijk was, hielden de muzijkanten op met spelen en verlieten de zaal, aan Bedreddin een teeken gevende, dat hij hen niet volgen, maar blijven moest. De dames stonden mede op, en verwijderden zich met allen die niet tot de huisgenooten behoorden. De bruid trad in een zijvertrek, gevolgd door hare vrouwen, die haar moesten ontkleeden. In de zaal bleven alleen de gebogchelde stalknecht, Bedreddin Hassan en eenige bedienden. De gebogchelde, hevig gebeten op Bedreddin, die hem den ganschen avond gehinderd had, zag hem van ter zijde aan, en vraagde op barschen toon: „En gij, waar wacht gij op? Waarom vertrekt gij niet, gelijk alle anderen? Pak u weg!” Daar Bedreddin geen voorwendsel kon vinden om te blijven, zag hij zich in verlegenheid gebragt en verwijderde zich. Naauwelijks echter bevond hij zich buiten de zaal, of de geest en de toovergodin vertoonden zich en hielden hem tegen. „Waar wilt gij heen?” vraagde de geest, „blijf gerust. De bogchel heeft de zaal voor een oogenblik verlaten, keer terug, en begeef u naar de kamer der bruid. Zoodra gij met haar alleen zijt, zeg' haar dan stout weg, dat gij haar man zijt; dat de sultan geen ander voornemen heeft gehad, dan zich ten koste van den gebogchelde te vermaken, en dat gij om dezen gewaanden echtgenoot te vreden te stellen, hem in zijn' stal een' goeden schotel room hebt laten toebereiden. Voeg er bij wat u voor den geest zal komen om haar te overtuigen. Bij uw gunstig voorkomen zal u dit niet moeijelijk vallen, en zij zal zich verheugen op eene zoo aangename wijze bedrogen te zijn. Wij zullen inmiddels zorg dragen, dat de bogchel niet terugkomt en u hindert.”