Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Tweede deel

Part 10

Chapter 104,034 wordsPublic domain

Hij bragt de eerste twee dagen in droefheid door met zijne familie, welke met hem treurde, en klaagde over de onregtvaardige gestrengheid van den kalif. Toen de derde dag aanbrak, bereidde de vizier zich voor om kloekmoedig te sterven, gelijk het een' staatsdienaar betaamt, die zich niets te verwijten heeft. Hij deed den kadi met zijne getuigen komen, en maakte zijn testament, dat zij in zijne tegenwoordigheid onderteekenden. Daarna omhelsde hij zijne vrouw en kinderen, en nam afscheid van hen. Allen smolten weg in tranen. Nooit zag men aandoenlijker schouwspel. Eindelijk kwam er een geregtsdienaar van het paleis, die hem zeide, dat de kalif ongeduldig werd om iets van hem of van den zwarten slaaf, dien hij hem bevolen had op te zoeken, te vernemen. „Ik heb last,” vervolgde hij, „u onmiddelijk voor den troon van zijne majesteit te brengen.” De bedroefde vizier maakte zich gereed om den geregtsdienaar te volgen; maar op het oogenblik van heengaan, bragt men hem zijne jongste dochter, een kind van tusschen de vijf en zes jaar. De vrouwen, met hare verzorging belast, gaven de kleine aan haren vader over, opdat hij haar voor het laatst zou omhelzen.

Daar de vizier voor dit kind eene bijzondere genegenheid had, verzocht hij den bode des kalifs hem een oogenblik tijd te geven. Nu nam hij het kind op den arm en kuste het bij herhaling. Terwijl hij het meisje dus omhelsde, bemerkte hij, dat zij eene dikte voor hare borst had. „Mijne lieve kleine,” vraagde hij, „wat hebt gij daar in uwen boezem?” „Beste vader,” antwoordde het kind, „dat is een appel, waarop de naam van den kalif is uitgesneden. Rihan, onze slaaf, heeft hem mij voor twee sequinen verkocht.”

Op de woorden van appel en slaaf, gaf de vizier een' kreet van verbazing en vreugde, en de hand in den boezem van zijn dochtertje stekende, haalde hij den appel te voorschijn. Hij liet den slaaf, die niet ver van daar was, roepen, en zoodra deze voor hem verscheen, zeide hij: „Schelm, waar hebt gij dien appel gestolen?” „Heer!” antwoordde de slaaf, „ik zweer u, dat ik hem niet ontvreemd heb, noch bij u, noch uit den tuin van den Beheerscher der geloovigen. Vóór eenige dagen over straat gaande, trof ik daar drie spelende kinderen aan; een van hen had dezen appel in de hand. Ik ontrukte ze hem en nam ze mede. Het kind liep mij na, en vertelde mij, dat de appel niet van hem, maar van zijne zieke moeder was, en dat zijn vader eene lange reis had gedaan, om haar te bevredigen, en drie appels had medegebragt, waarvan deze er een was, dien hij had weggenomen, zonder dat zijne moeder het wist. Hoe hij ook daarom smeekte, ik gaf hem den appel niet terug. Te huis komende sneed ik den naam van den kalif op den appel, en verkocht hem aan uwe kleine dochter voor twee sequinen. Meer kan ik er u niet van zeggen.”

Giafar nam den slaaf, wiens guitenstreek oorzaak was geweest van den dood eener onschuldige vrouw, en ook hem bijna het leven had gekost, met zich, en toen hij voor den kalif kwam, gaf hij aan dien vorst een naauwkeurig verslag van hetgeen de slaaf hem gezegd had en van het toeval, waardoor hij met zijne misdaad bekend was geworden. Na het aanhooren dezer mededeeling, zeide de verwonderde kalif tot den vizier, dat deze slaaf, die tot eene zoo treurige dwaling aanleiding had gegeven, ook eene voorbeeldige straf verdiende. „Ik kan dat niet ontkennen, Sire!” antwoordde de vizier, „maar zijn misdrijf is eenigzins te verschoonen. Ik ken eene nog veel vreemdere geschiedenis van een' vizier te Caïro, Noureddin Ali genaamd, en van Bedreddin Hassan van Balsora. Daar uwe majesteit vermaak schept in het aanhooren van dergelijke geschiedenissen, zoo ben ik bereid ze u te verhalen, op voorwaarde dat indien gij ze wonderlijker vindt dan deze, gij mijn' slaaf genade zult verleenen.” „Dat neem ik aan,” hernam de kalif, die thans in eene goede luim was, „maar gij neemt eene zware taak op u, en ik geloof niet, dat gij uw' slaaf zult kunnen redden; want de geschiedenis van de drie appels is al hoogst zonderling.”

Giafar nam nu het woord op en ving zijn verhaal aan als volgt

GESCHIEDENIS VAN NOUREDDIN ALI EN VAN BEDREDDIN HASSAN.

„Beheerscher der geloovigen! Er was eertijds in Egypte een sultan, regtvaardig, weldadig, goedertieren en minzaam jegens zijne onderdanen. Zijne dapperheid maakte hem gevreesd bij zijne naburen, zoodat zij zijn rijk met rust lieten. De vizier van dezen sultan was een man van veelomvattende kennis, wijs, voorzigtig, en bedreven in de fraaije letteren en in alle wetenschappen. Deze minister had twee zonen, die de voetstappen van hun' vader drukten; de oudste heette Schemseddin Mohammed en de jongste Noureddin Ali. De laatste vooral bezat groote verdiensten. Toen de vizier hun vader overleden was, deed de sultan hen bij zich ontbieden, en na hen met den tabbaard van gewoon vizier bekleed te hebben, zeide hij: „Ik neem innig deel in het verlies, dat gij geleden hebt; ook mij heeft dit zeer getroffen, en daar het mij bekend is, dat gij te zamen woont en in volmaakte eendragt leeft, zoo verhef ik u beiden tot de zelfde waardigheid. Gaat, en volgt de deugden van uw' vader na.”

De twee nieuwe viziers bedankten den sultan voor zijne gunst, en keerden naar hunne woning terug, om zorg te dragen voor de begrafenis van hun' vader, die met groote plegtigheid plaats had. Zij betreurden hem eene geheele maand, en na verloop van dien tijd verschenen zij voor de eerste maal in den raad van den sultan, dien zij nu in het vervolg geregeld bijwoonden. Telkens als de sultan op de jagt ging, vergezelde hem beurtelings een der broeders.

Op zekeren dag dat de oudste van de jagt terugkwam, en zij te zamen hun avondmaal gebruikt hadden, zeide hij tot den jongsten: „Broeder, daar schiet mij een zonderling denkbeeld te binnen. Wij zijn beiden nog ongehuwd, en leven in de beste verstandhouding; laat ons nu op den zelfden dag trouwen met twee zusters, die wij uit eene familie zullen kiezen, zoo als dit het best met ons belang zal overeenkomen. Wat zegt gij hiervan?” „Ik zeg, broeder!” antwoordde Noureddin Ali, „dat dit zeer goed strookt met onze innige vriendschap. Gij zoudt geen beter denkbeeld kunnen hebben; en, wat mij betreft, ik ben bereid alles te doen, wat u behagen kan.” „Maar wij zijn er nog niet,” hernam Schemseddin, „mijne gedachten gaan veel verder. Veronderstel dat uwe vrouw een' zoon, en de mijne eene dochter krijgt, dan zullen wij ze te zamen laten huwen, zoodra zij daartoe de jaren bereikt hebben.” „O!” riep Noureddin Ali, „dit gedeelte van uw plan is waarlijk zeer schoon. Dit huwelijk zal de kroon zetten op onze eensgezindheid en ik geef van ganscher harte mijne toestemming. Maar, broeder!” voegde hij er bij, „zoo dit huwelijk mogt plaats hebben, zoudt gij dan verlangen, dat mijn zoon eene huwelijksgift aan uwe dochter gaf?” „Wel zeker,” hernam de oudste, „en ik ben overtuigd, dat gij er niets tegen zult hebben om, behalve de gewone bepalingen van het huwelijkscontrakt, ook te doen vaststellen, dat aan mijne dochter zullen toekomen minstens drie duizend sequinen, drie schoone landgoederen en drie slaven.” „Daar kan ik niet in toestemmen,” zeide de jongste, „zijn wij niet broeders en ambtgenooten, bekleed met de zelfde waardigheid? Bovendien, weten wij beiden niet wat regt is? Het mannelijke geslacht bezit immers grootere voorregten dan het vrouwelijke, en zoudt ge dus niet verpligt zijn, uwe dochter eene groote huwelijksgift te geven? Maar, naar ik zie, zijt gij de man, om uwe rekening te maken ten koste van anderen.”

Hoewel Noureddin Ali dit lagchende zeide, was zijn broeder echter niet gestemd het voor scherts te houden, en gevoelde er zich door beleedigd. „Ongeluk kome over uw' zoon,” riep hij driftig, „daar gij hem mijne dochter durft voortrekken. Ik verwonderde mij reeds, dat gij de stoutheid had, hem met haar gelijk te stellen. Gij moet uw verstand verloren hebben, daar gij u met mij op ééne lijn durft plaatsen, door te zeggen, dat wij ambtgenooten zijn. Weet, vermetele! dat ik nu mijne dochter niet aan uw' zoon zou willen geven, al gaaft gij hem meer schatten mede, dan in uw bezit zijn.”—Deze belagchelijke twist tusschen de twee broeders over het huwelijk van hunne kinderen, die nog niet geboren waren, had echter zeer ernstige gevolgen. Schemseddin Mohammed werd zoo driftig, dat hij tot bedreigingen overging. „Indien ik morgen den sultan niet vergezellen moest,” zeide hij, „zou ik u naar verdienste straffen; maar bij mijne terugkomst zal ik u leeren of het den jongeren broeder past zoo onbeschaamd tegen den ouderen te spreken.” Met deze woorden ging hij naar zijn slaapvertrek, en zijn broeder begaf zich naar het zijne.

Schemseddin Mohammed stond den anderen morgen vroeg op, en begaf zich naar het paleis. Kort daarop vertrok hij met den sultan, die den weg naar de pyramiden insloeg. Wat Noureddin Ali betreft, hij had den nacht zeer onrustig doorgebragt. Allerlei denkbeelden woelden hem door het hoofd. Hij zag de onmogelijkheid in om langer met een' broeder te leven, die hem zoo uit de hoogte behandelde, daar zij toch gelijk in rang waren, en hij besloot, tot voorkoming van verderen twist, hem uit den weg te gaan. Hij liet een' goeden ezel optuigen, voorzag zich van geld en edelgesteenten, alsmede van eenige levensmiddelen, zeide zijnen bedienden, dat hij binnen twee of drie dagen dacht terug te komen, en vertrok.

Buiten Caïro gekomen, sloeg hij den weg in naar de woestijn van Arabië. Maar zijn ezel bezweek weldra, en nu zag hij zich genoodzaakt zijne reis te voet voort te zetten. Bij geluk kwam hem echter een ruiter achter op, die naar Balsora ging, en deze nam hem achter op zijn' drommedaris. Toen zij na een' langen en snellen rid te Balsora kwamen, steeg Noureddin Ali af, en bedankte den ruiter voor de hem bewezen dient. Terwijl hij door de stad wandelde en naar eene geschikte herberg rond zag, ontmoette hem een heer niet een talrijk gevolg. Hij bemerkte, dat men dien man groote eer bewees, en stil bleef staan, tot hij voorbij was. Noureddin Ali deed als de anderen. Het was de groot-vizier van den sultan van Balsora, die door de stad ging, en zich aan de inwoners vertoonde, om door zijne tegenwoordigheid orde en vrede te bewaren.

De vizier liet zijne oogen op Noureddin vallen, en vond zijn voorkomen zoo gunstig, dat dit hem belangstelling inboezemde. Hij reed digt voorbij hem heen, en ziende, dat hij in reisgewaad was, hield hij zijn paard in, om hem te vragen wie hij was en van waar hij kwam. „Heer!” antwoordde Noureddin Ali: „Ik kom uit Egypte, ben te Caïro geboren, en heb mijn vaderland verlaten, omdat een mijner bloedverwanten mij zwaar beleedigd heeft. Zulks doet mij zoo zeer leed, dat ik besloten heb liever de gansche wereld te doorreizen, dan immer te Caïro terug te komen.” De groot-vizier, een achtenswaardig grijsaard, hernam hierop goedhartig: „Mijn zoon, neem u wel in acht, uw voornemen ten uitvoer te brengen. Er is veel ellende in de wereld, en aan het reizen zijn groote moeijelijkheden verbonden, die gij nog niet genoeg kent. Kom, volg mij liever; misschien ben ik in staat u het leed, dat u uit uw vaderland heeft verdreven, te doen vergeten.”

Noureddin Ali volgde den groot-vizier van Balsora. Deze, een groot menschenkenner, ontdekte weldra de goede hoedanigheden van Noureddin, en vatte zooveel genegenheid voor hem op, dat hij hem, na verloop van eenigen tijd, onder vier oogen bij zich riep, en tot hem zeide: „Mijn zoon! ik ben, zoo als gij ziet, reeds zeer hoog in jaren, zoodat mijn leven waarschijnlijk nog van korten duur zal zijn. De hemel heeft mij eene eenige dochter geschonken, die niet minder schoon is, dan gij welgemaakt zijt, en die thans huwbaar is. Vele voorname hovelingen hebben mij voor hunne zonen om hare hand gevraagd, maar ik heb niet kunnen besluiten hun aanzoek toe te staan. Wat u betreft, gij zijt mij lief, ik stel u boven al die anderen, en ik oordeel, dat gij mijne dochter waardig zijt. Ik ben bereid u tot mijn' schoonzoon aan te nemen. Is dit naar uw genoegen, zoo zal ik aan den sultan, mijn meester, verklaren, dat ik u tot zoon heb gekozen, en ik zal hem smeeken, mij te vergunnen, dat gij mijn opvolger moogt zijn als groot-vizier in het rijk van Balsora. En daar ik in mijn' hoogen ouderdom behoefte aan rust heb, zoo zal ik u niet slechts over al mijne goederen stellen, maar u tevens het bestuur der staatszaken, zoo veel ik mag, opdragen.”

Naauwelijks had de groot-vizier van Balsora deze woorden vol goedheid en edelmoedigheid gesproken, of Noureddin Ali wierp zich aan zijne voeten, en betuigde hem zijne erkentelijkheid voor het geluk, dat hij hem toedacht. De groot-vizier riep nu de voornaamste dienaren van zijn huis, en beval hun, dat de groote zaal feestelijk versierd, en een' kostbaren maaltijd aangerigt moest worden. Vervolgens liet hij de voornaamste hovelingen en ingezetenen bij zich noodigen. Toen nu allen bijeen waren, nam hij het woord op, en sprak, zich van eene onwaarheid bedienende om degenen, die naar de hand van zijne dochter gestaan hadden, niet voor het hoofd te stooten: „Ik ben zeer blijde, mijne heeren! u thans eene zaak te kunnen mededeelen, welke ik tot hiertoe geheim heb gehouden. Ik bezit een broeder te Caïro, die groot-vizier is aan het hof van den sultan van Egypte, gelijk ik de eer geniet dit van onzen grootmagtigen heer en meester te zijn. Deze broeder heeft slechts een' eenigen zoon, dien hij aan het hof van Egypte niet wilde uithuwelijken, maar hier heen gezonden heeft, om de echtgenoot mijner dochter te worden, ten einde alzoo den band des bloeds, die ons vereenigt, nog naauwer toe te halen. Deze zoon, dien ik voor mijn' neef erkend heb, en dien ik tot mijn schoonzoon wil maken, is deze jongeling, welke ik u bij dezen voorstel. Ik vlei mij, dat gij mij de eer zult aandoen op zijne bruiloft tegenwoordig te zijn, welke ik besloten had heden te vieren.” Geen der gasten kon het hem euvel duiden, dat hij de voorkeur gaf aan zijn neef, boven al de goede partijen, die hem voor zijne dochter aangeboden waren, en zij antwoordden daarom, dat hij groot gelijk had; terwijl zij met genoegen als getuigen bij de trouwplechtigheid tegenwoordig wilden zijn. Zij eindigden met den wensch, dat Allah hem nog een lang leven mogt geven, om vele jaren getuige van dezen gelukkigen echt te kunnen zijn.

Nadat zij aldus hunne goedkeuring hadden gegeven aan het voorgenomen huwelijk, ging men terstond aan tafel. Toen de confituren bij het dessert werden opgedragen, nam ieder, volgens het aldaar bestaande gebruik, daarvan zooveel als hij kon medenemen, en te gelijk trad de kadi binnen met het huwelijks-kontrakt in de hand. De voornaamste gasten onderteekenden het, waarna het gezelschap uit een ging.

Toen allen vertrokken waren, gelastte de groot-vizier, dat men Noureddin Ali naar het bad zou geleiden. Nadat de bedienden hem gewasschen en gewreven hadden, steeg hij uit het bad, trok een zeer prachtig daar gereed liggend gewaad aan, liet zich met welriekende wateren besprengen, en keerde in dezen staat naar den groot-vizier zijn' schoonvader terug. Deze was verrukt over zijn mannelijk schoon voorkomen, deed hem naast zich plaats nemen, en zeide: „Mijn zoon, gij hebt mij bekend gemaakt met den rang, dien gij aan het hof van Egypte bekleeddet, gij hebt mij ook gezegd, dat gij twist hebt gehad met uw' broeder, en dat gij om die reden uw vaderland hebt verlaten, maar ik verzoek u mij uw volle vertrouwen te schenken, door mij het onderwerp, waarover die twist ontstaan is, mede te deelen. Nu wij in zulk eene naauwe betrekking tot elkander staan, moet gij niets voor mij verbergen.”

Noureddin Ali verhaalde hem nu den twist met zijn' broeder tot in de kleinste bijzonderheden. De groot-vizier kon dit verhaal niet aanhooren zonder in lagchen uit te barsten. „Dit is nu,” zeide hij, „de vreemdste zaak, waarvan ik ooit gehoord heb. Hoe is het mogelijk, mijn zoon, dat uw twist over een ingebeeld huwelijk zoo hoog kon loopen? Het doet mij leed, dat gij over zulk eene nietigheid met uw' broeder in onmin zijt. Hij heeft evenwel ongelijk, dat hij uwe scherts als ernst heeft opgenomen; en ik moet den hemel dankbaar zijn, omdat ik aan die oneenigheid een' schoonzoon te danken heb. Maar,” vervolgde de grijsaard met een' glimlach, „ik mag u niet langer ophouden; de nacht is reeds ver gevorderd, en het wordt tijd zich ter ruste te begeven. Ga, mijne dochter uwe gade, wacht u. Morgen zal ik u aan den sultan voorstellen. Ik vlei mij, dat hij u op zulk eene wijze zal ontvangen, dat wij beiden reden kunnen hebben daarover voldaan te zijn.” Noureddin Ali verliet zijn' schoonvader, en begaf zich naar het vertrek van zijne vrouw.

Keeren wij nu tot zijn' broeder terug.

Eene maand nadat Noureddin Ali Caïro had verlaten, met voornemen er nimmer terug te komen, kwam Schemseddin Mohammed te huis. De sultan had zich zoo zeer door zijn' jagtlust laten vervoeren, dat hij gedurende al dien tijd afwezig was gebleven. Schemseddin ging terstond naar de vertrekken van zijn' broeder. Hij was zeer verwonderd te vernemen, dat deze op den zelfden dag, dat hij met den sultan ter jagt was gegaan, op een' ezel vertrokken was, voorgevende een reisje van twee of drie dagen te gaan maken, terwijl men hem sedert dien tijd nog niet had weder gezien. Schemseddin Mohammed werd door dit berigt zeer ontroerd, daar hij begreep, dat de harde woorden, die hij zijn' broeder had toegevoegd, de eenige oorzaak van zijne verwijdering konden zijn. Hij zond onmiddelijk een' koerier, die over Damaskus naar Aleppo ging; maar Noureddin was toen reeds te Balsora. De koerier kwam dan ook terug met het berigt, dat hij niets van den vlugteling had kunnen vernemen, en er bleef aan Schemseddin Mohammed niets anders over dan zijn' broeder elders te zoeken.

Inmiddels begon hem het eenzame leven spoedig te vervelen, en hij besloot eene vrouw te nemen. Hij huwde met de dochter van een der voornaamste en magtigste ingezetenen van Caïro, op den zelfden dag, dat zijn broeder te Balsora de dochter van den groot-vizier trouwde. Na verloop van negen maanden beviel de vrouw van Schemseddin Mohammed te Caïro van eene dochter.

Op den zelfden dag kreeg de echtgenoot van Noureddin Ali te Balsora een zoon, die den naam ontving van Bedreddin Hassan. De groot-vizier van Balsora toonde zijne blijdschap door het uitdeelen van aalmoezen, en door het houden van openbare vermakelijkheden, ter eere van zijn' kleinzoon. Om aan zijn schoonzoon een blijk te geven van zijne tevredenheid, ging hij naar het paleis en verzocht den sultan, om Noureddin Ali tot vizier te benoemen, opdat hij nog vóór zijn' dood de vreugde mogt smaken, zijn' schoonzoon zijne plaats te zien bekleeden.

De sultan, die in Noureddin Ali, toen hij hem bij gelegenheid van zijn huwelijk was voorgesteld, groot behagen had gevonden, en sedert niets dan goeds van hem had hooren spreken, stond zijn' vizier met veel welwillendheid de verlangde gunst toe, en deed hem in zijne tegenwoordigheid den groot-viziers-tabbaard omhangen. De vreugde van den grijzen staatsdienaar, toen hij den volgenden morgen zijn' schoonzoon, in zijne plaats, in den raad des sultans zag voorzitten, was onbeschrijfelijk. Noureddin Ali kweet zich zoo goed, als of hij zijn leven lang het viziers-ambt bekleed had, hetgeen de verwondering opwekte van den sultan en van allen, die niet wisten, dat hij te Caïro reeds als vizier werkzaam was geweest. Hij verscheen nu in den raad, zoo vaak de gebreken des ouderdoms zijn' schoonvader weêrhielden er te komen. Deze goede grijsaard stierf in het vierde jaar na het huwelijk van zijne dochter, met den troost haar onder de bescherming van een' man achter te laten, die in staat was den luister van zijne familie op te houden. Noureddin Ali bewees hem de laatste eer, met al die liefde en dankbaarheid, welke hij hem verschuldigd was.

Zoodra Bedreddin Hassan zijn zevende jaar had bereikt, gaf zijn vader hem een' voortreffelijken leermeester, die begon met hem overeenkomstig zijne hooge geboorte op te voeden. Hij vond in dit kind een' vluggen en vatbaren geest, in staat om van het onderwijs voordeel te trekken.

Binnen twee jaren kon Bedreddin Hassan niet alleen goed lezen, maar, zoo goed was zijn geheugen, den geheelen koran reeds van buiten. Noureddin Ali, zijn vader, gaf hem nu nog andere leermeesters, die zijn' geest met allerlei kundigheden trachtten te verrijken, en op zijn twaalfde jaar had hij zulke vorderingen gemaakt, dat hij toen hun onderwijs niet meer behoefde. Zijne gelaatstrekken droegen de bewondering weg van allen, die hem zagen, zoodat hij niet alleen in geestelijke, maar ook in ligchamelijke gaven boven allen uitmuntte.

Daar zijn vader het voornemen had, hem eenmaal zijne plaats te doen vervullen, onderrigtte hij hem in de moeijelijkste staatszaken en verzuimde, in één woord, niets, wat strekken kon om het geluk van zijn' eenigen en geliefden zoon te bevorderen. Reeds begon hij de vruchten van zijn' arbeid te plukken, toen hij door eene zeer ernstige ongesteldheid werd aangetast, en zijn einde voelde naderen. Hij vleide zich dan ook met geene ijdele hoop, maar bereidde zich voor om als een opregt muzelman te sterven. In deze voor hem kostbare oogenblikken, vergat hij zijn' beminden Bedreddin niet. Hij liet hem bij zich roepen, en zeide: „Mijn zoon, gij ziet aan mij, dat dit leven vergankelijk is; slechts dat, waarin ik weldra zal overgaan, duurt eeuwig. Het is noodig, dat gij er reeds van nu af aan op bedacht zijt, u in den zelfden toestand te verplaatsen, waarin ik mij thans bevind, leg er u op toe dien overgang zonder droefheid te kunnen doen, vervul uwe pligten als muzelman en als braaf mensch, en uw geweten zal u niets verwijten. Wat uwe godsdienst aangaat, gij zijt daarin genoegzaam onderwezen, door hetgeen gij van uwe meesters geleerd, en door hetgeen gij daarover gelezen hebt. Wat den braven mensch betreft, daaromtrent zal ik u eenige lessen geven, die u nuttig kunnen zijn. Doch daar het noodig is zich zelven te kennen, en gij die kennis niet kunt bezitten, zonder te weten wie ik ben, zoo zal ik u zulks vooraf mededeelen.

Ik ben,” vervolgde Noureddin Ali, „geboren in Egypte; mijn vader, uw grootvader, was eerste staatsdienaar bij den sultan van dat rijk. Ook ik heb de eer gehad, te gelijk met mijn' anderen broeder, vizier van den zelfden sultan te zijn. Zoo ver ik weet is uw oom, die Schemseddin Mohammed heet, nog in leven. Ik was verpligt mij van hem te verwijderen, en kwam in dit land, waar ik den post heb gekregen, dien ik tot dus verre bekleedde. Maar gij zult al deze zaken breedvoerig kunnen vinden in mijn dagboek.” Toen haalde Noureddin Ali eene rol papier uit zijne borst, en gaf ze Bedreddin Hassan. „Neem dit,” zeide hij, „gij kunt het op uw gemak lezen; en onder meer andere dingen, zult gij er den dag van mijn huwelijk en dien van uwe geboorte in vinden aangeteekend. Dit te weten kan u waarschijnlijk later noodig zijn, daarom zal het u aansporen dit geschrift met zorg te bewaren.” Bedreddin Hassan bedroefd over den toestand, waarin hij zijn' vader zag, en getroffen door zijne woorden, ontving het geschrift met tranen in de oogen, en beloofde er zich nimmer van te zullen ontdoen. Toen werd Noureddin Ali door eene flaauwte overvallen, welke voor zijn leven deed vreezen. Hij kwam echter weder bij, en nogmaals het woord opnemende, zeide hij: „Mijn zoon, de eerste stelregel, dien gij in het oog moet houden, is: u niet te veel op anderen te verlaten. Het beste middel om in vrede te leven is, met zich zelven raad te nemen, en zich niet ligtvaardig uit te laten. Zonder dit zult gij nimmer een goed staatsman worden.

De tweede is: tegen niemand geweld te plegen; want doet gij dit wel, zoo zal een ieder tegen u opstaan, en gij behoort de wereld te beschouwen als een schuldeischer, aan wien gij gematigdheid, mededoogen en verdraagzaamheid schuldig zijt.