Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Tweede deel
Part 1
+----------------------------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, | | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te | | moderniseren. | | | | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het | | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Voetnoten zijn | | verplaatst naar het eind van de alinea met de verwijzing. | | | | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als | | _cursief_. Uitgespatieerde tekst is weergegeven als | | ~uitgespatieerd~; vette tekst als #vet#. | | | | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn | | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden: met/zonder | | accent, met/zonder koppelteken, met/zonder extra spatie). | | | | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de | | aangebrachte correcties. | | | | De illustraties zijn beschikbaar bij de html-versie van dit | | e-boek op https://www.gutenberg.org/ | | | | Van „Duizend en één Nacht” zijn ook 3 andere delen als e-boek | | beschikbaar via Project Gutenberg: | | #45874, Eerste deel: https://www.gutenberg.org/ebooks/45874 | | #45876, Derde deel: https://www.gutenberg.org/ebooks/45876 | | #45877, Vierde deel: https://www.gutenberg.org/ebooks/45877 | | | +----------------------------------------------------------------+
DUIZEND EN ÉÉN NACHT.
Duizend en één Nacht.
ARABISCHE VERTELLINGEN.
NAAR DE BESTE BRONNEN VOOR ONZEN TIJD BEWERKT.
_TWEEDE DEEL._
AMSTERDAM, Gebrs. KOSTER. 1882.
GESCHIEDENIS VAN DE VIJF DAMES VAN BAGDAD.
GESCHIEDENIS VAN ZOBEÏDE.
„Beheerscher der geloovigen,” ving Zobeïde aan, „de geschiedenis, welke ik uwe Majesteit heb te verhalen, is eene der zonderlingste, waarvan men ooit gehoord heeft. De twee zwarte honden en ik, wij zijn drie zusters van de zelfde ouders, en ik zal u mededeelen, door welk vreemd toeval zij in honden veranderd zijn.
De twee dames die bij mij wonen, en die gij hier bij mij ziet, zijn ook mijne zusters van (den zelfden) vader, maar van eene andere moeder. Zij, die den boezem vol lidteekens heeft, draagt den naam van Amine, de andere heet Safie, en ik Zobeïde.
Na den dood van onzen vader werd zijne nalatenschap onder ons verdeeld, en toen mijne beide half-zusters haar aandeel ontvangen hadden, scheidden zij van ons, en gingen afzonderlijk wonen met hare moeder. Mijne eigene zusters en ik bleven bij onze moeder inwonen tot aan haren dood; zij liet ieder onzer duizend sequinen na.
Korten tijd daarna traden mijne beide oudste zusters, want ik ben de jongste, in den echt, volgden hare mannen, en lieten mij alleen achter. Niet lang na haar huwelijk, maakte de man van mijne oudste zuster al zijne goederen tot geld, en vertrok met zijne vrouw naar Afrika. Hier verkwistte hij spoedig, door goede sier te maken en door een losbandig leven te leiden, zijn eigen geld en dat wat mijne zuster mede ten huwelijk had gebragt. Toen hij zich tot de diepste armoede gebragt zag, zocht hij naar een voorwendsel om haar te kunnen verstooten, en joeg haar weg.
Na eene lange reis, waarop zij met bijna ongeloofelijke rampen had te worstelen, kwam zij in Bagdad terug, en zocht bij mij hare toevlugt in eenen toestand zoo medelijdenswaardig, dat het hardste gemoed er door zou zijn bewogen geworden. Ik ontving haar met al de toegenegenheid, welke zij van eene zuster kon verwachten, en vraagde haar, door welke omstandigheden zij in zulk een' ongelukkigen toestand was gebragt. Zij begon daarop bitter te schreijen, en maakte mij bekend met het slechte gedrag van haren man, en met de onwaardige wijze waarop hij met haar had gehandeld. Ik was zoo getroffen over haar ongeluk, dat ik niet kon nalaten met haar te weenen. Vervolgens deed ik haar in het bad gaan, gaf haar eenige van mijn eigene kleederen en zeide: „Lieve zuster! gij zijt ouder dan ik en ik beschouw u als mijne moeder. In uwe afwezigheid, heeft de hemel de weinige goederen, die mij ten deel waren gevallen, vermeerderd, en het aankweeken van zijdewormen, heeft mij goede winsten opgeleverd. Verlaat er u op dat ik niets heb, wat niet tevens het uwe is, en waarover gij niet even als ik kunt beschikken.”
Wij woonden te zamen en leefden gedurende vele maanden in de volmaaktste eensgezindheid. Dikwijls spraken wij over onze derde zuster, en het bevreemdde en verontrustte ons, dat wij niets van haar vernamen. Op zekeren dag echter stond zij eensklaps voor mij, en dit in een' even ellendigen toestand, als waarin ik mijne oudere zuster had teruggevonden. Haar man had haar op eene gelijke wijze behandeld en eindelijk weggejaagd. Ik nam haar met liefde in mijne woning op.
Op zekeren tijd kwamen mijne zusters bij mij, en er zich op beroepende, dat zij vreesden mij tot last te zijn, zeiden zij, plan te hebben om te hertrouwen. Ik gaf haar te kennen dat, indien zij geene andere reden hadden, dan vrees van mij tot last te zijn, zij gerust bij mij konden blijven, daar mijn vermogen en mijne verdiensten toereikend waren, om ons alle drie, overeenkomstig onzen stand, te onderhouden. „Maar,” voegde ik er bij, „ik vrees veeleer; dat gij werkelijk lust hebt te hertrouwen. Indien dit zoo is, moet ik bekennen, dat het mij zeer verwondert. Hoe toch kunt gij, na hetgeen gij in uw eerste huwelijk hebt ondervonden, naar een tweede haken. Het is u immers gebleken, hoe bezwaarlijk het is een' man te vinden, die onze liefde in alle opzigten waardig is. Gelooft mij, het zal beter voor u en ook voor mij zijn, indien wij te zamen blijven wonen, en voortgaan elkander het leven zoo aangenaam te maken, als mogelijk is.”
Alles wat ik mogt inbrengen, bleef echter zonder uitwerking. Zij hadden besloten te hertrouwen en volvoerden haar voornemen. Maar na verloop van slechts eenige maanden kwamen zij terug, en vraagden mij duizendmaal verschooning, omdat zij mijnen raad niet hadden gevolgd. „Gij zijt onze jongste zuster,” zeiden zij, „maar gij zijt verstandiger dan wij. Indien gij de goedheid wilt hebben, ons andermaal in uwe woning te ontvangen, zoo beschouw ons als uwe slavinnen, en wij zullen ons in het vervolg wel wachten, wijzer te willen zijn dan gij, en ons eigen dwaas hoofd te volgen.” „Lieve zusters,” zeide ik, „onze laatste scheiding heeft aan mijne genegenheid voor u niets veranderd; gij zijt mij welkom, en wat ik bezit, beschouwt dat ook als het uwe.” Ik omhelsde haar, en wij bleven weder te zamen wonen.
Gedurende een jaar leefden wij in volkomene eendragt; door de gunst des hemels nam mijn klein kapitaal zoo zeer toe, dat ik mij in staat zag gesteld, een handel van meer omvang te ondernemen. Tot dat einde begaf ik mij met mijne zusters naar Balsora, waar ik een tot de reis geheel uitgerust schip voor zeer matigen prijs aankocht, en met de goederen, welke ik uit Bagdad ontbood, bevrachtte. Wij gingen met een' gunstigen wind onder zeil, en weldra kwamen wij door de golf van Perzië in de ruime zee. Hier zetten wij koers naar Indië, en na twintig dagen zeilens zagen wij land. Het was een zeer hooge berg, aan wiens voet wij eene stad bemerkten, die ons zeer groot en aanzienlijk toescheen. Daar er eene frissche koelte woei, liepen wij nog vóór den avond de haven binnen, waar wij het anker lieten vallen.
Ik had niet zoo lang geduld, tot mijne zusters zich gereed gemaakt hadden, om mij te vergezellen. Ik liet mij aan wal zetten en ging regt op de stadspoort aan. Hier vond ik eene talrijke wacht van soldaten, van welke sommige zaten en andere stonden, en die alle met knuppels gewapend waren. Het voorkomen dezer lieden was zoo afschuwelijk, dat ik er van schrikte. Daar ik evenwel spoedig bemerkte dat zij zich niet bewogen, en zelfs de oogen niet verdraaiden, herstelde ik mij, trad nader bij, en ontdekte dat zij versteend waren.
Ik ging de stad binnen en verscheidene straten door, doch de menschen die ik zag waren, even als de schildwachten aan de poort, levenloos en versteend. In den bazar vond ik bijna alle winkels gesloten, en in de weinige, die hierop eene uitzondering maakten, waren de zich daarin bevindende kooplieden en winkelbedienden ook in steenen beelden veranderd. Ik zag nu naar de schoorsteenen, maar geen enkel rookwolkje steeg daaruit op, hetgeen mij tot de overtuiging bragt, dat de geheele bevolking dezer stad, zoo wel binnen als buiten de huizen, door eene voor mij onverklaarbare oorzaak, in één oogenblik des tijds, te midden van hare bezigheden in steen was veranderd.
Door nieuwsgierigheid gedreven, kwam ik eindelijk op een groot plein in het midden der stad. Hier zag ik eene groote en hooge poort, waarvan de deuren, die met gouden platen belegd waren, openstonden. Boven de poort hing eene gouden lamp en voor den ingang van het portaal bevond zich een zijden voorhangsel, dat mij belette naar binnen te zien. De prachtige geheel uit wit marmer opgetrokken voorgevel van dit trotsche gebouw, liet mij evenwel geen' twijfel over, of ik bevond mij voor het paleis van den regerenden vorst. Ik ligtte het voorhangsel op; de lijfwachten des konings, die zich in het voorhof bevonden, en zich in verschillende standen aan mijn verwonderd oog vertoonden, stonden zaten of lagen als steenen beelden, en konden mij dus den toegang naar het binnenste van het paleis niet beletten. Eerst kwam ik in een ruim voorhof; hier bevonden zich eene groote menigte hofdienaren van welke de een scheen te komen, de andere te gaan, zonder dat echter een hunner zich van zijne plaats bewoog, daar ook zij versteend waren. Ik ging over een tweede en derde binnenhof, maar overal heerschte de stilte van het graf en eene doodschheid, welke mij deed huiveren.
Het vierde binnenhof overgegaan zijnde, bevond ik mij tegenover een zeer schoon gebouw, waarvan de vensters van massief gouden traliën voorzien waren. Dit scheen mij toe het verblijf van de koningin te zijn. Ik trad het gebouw binnen, en het eerste wat ik zag was de zwarte wacht, vóór de vertrekken van de vorstin. Zij belette mij niet mijn onderzoek te vervolgen, en ik kwam nu in eene zeer prachtige zaal. Hier lag op eene sofa eene dame van uitstekende schoonheid, maar ook in steen veranderd. De gouden kroon, welke zij op het hoofd had, en het snoer parels, grooter dan hazelnoten, om haren hals overtuigden mij dat dit de koningin was.
Mijne oogen konden zich niet verzadigen aan al den rijkdom en al de pracht van dit vertrek. Het tapijt, de kussens en de sofa waren met goud gestikt, en dit met zooveel kunst, dat ik nooit iets dergelijks gezien had.
Van het vertrek der koningin kwam ik in eene andere zaal, welke de vorige nog ver in pracht overtrof. Ik zag daar eene verhevenheid van massief goud met smaragden ingelegd, waarop een praalbed van de rijkste stof, overdekt met eene sprei van de fijnste zijden en met paarlen geborduurd. Doch hetgeen mijne verbazing in nog hoogere mate opwekte was, een fel licht, gelijk dat der zon op hare middag-hoogte, hetwelk mij van het rustbed in de oogen flonkerde. Nieuwsgierig naar de oorzaak van dit wonderlijke licht, klom ik de trappen op, die naar die verhevenheid geleidden, en voorover buigende, zag ik op een voetbankje een' diamant liggen, zoo groot als het ei van een' struisvogel, en met zoo veel kunst geslepen, dat de bekwaamste juwelier dit werk als onverbeterlijk had moeten prijzen. Toen ik den steen in mijne hand nam en tegen het daglicht hield, schitterde hij zoo, dat ik er als door verblind, en het licht van twee aan het hoofdeneinde van het rustbed brandende flambouwen er door verduisterd werd. Deze laatste bijzonderheid echter deed mij de opmerking maken, dat zich in dit paleis, hoe vele versteenden ik daar ook had aangetroffen, toch nog een levend wezen moest bevinden, daar ik niet kon gelooven dat deze flambouwen door eigen kracht ontstoken waren.
Toen nu de hoop bij mij verlevendigd werd dat ik eindelijk in deze eenzaamheid een mensch zou aantreffen, zette ik mijn onderzoek met vernieuwden ijver voort. Ik kwam nog in verscheidene vertrekken, het eene al prachtiger dan het andere, maar wat ik ook zocht, een levend wezen ontmoette ik nergens. Intusschen spoedde de dag ten einde, en ofschoon ik door mijne nieuwsgierigheid mij zelve, mijn schip en mijne zusters had vergeten, begon ik thans toch te begrijpen dat het hoog tijd werd, om naar boord terug te keeren. Ik wilde nu langs denzelfden weg heengaan, maar daar het reeds donker werd, verdwaalde ik in dien doolhof van vertrekken, en het was reeds geheel duister, toen ik weder te regt kwam in de zaal, waar zich het praalbed, de diamant en de brandende flambouwen bevonden.
Ik bevond mij in groote verlegenheid; van twee kwaden echter het kleinste kiezende, besloot ik den nacht in deze zaal door te brengen, en den volgenden morgen naar mijn schip terug te keeren. Ik legde mij op het praalbed neder, doch de doodsche stilte die mij omgaf, verontrustte mij, zoodat ik den slaap niet kon vatten.
Het zal omstreeks middernacht geweest zijn, toen ik tot mijne verbazing, en ik moet er bijvoegen tot mijne vreugde eene menschelijke stem hoorde, die overluid in den koran las. Het moest dus iemand van mijn geloof zijn, wat mij nog meer verblijdde. Ik stond dadelijk op, nam eene der flambouwen, en ging op het geluid af door eene lange rij van vertrekken, tot dat ik aan een kabinet kwam, waaruit de stem scheen te komen. Ik doofde mijne flambouw uit, en mijn oog voor het sleutelgat houdende, bespeurde ik dat het een bidvertrek was. Ik zag er, even als in onze moskeën, eene nis, welke aanwees, naar welken kant de bidder zich moest wenden, om het gelaat naar Mekka gekeerd te hebben, waar zich het graf van den grooten profeet bevindt. Ook ontdekte ik eenige aan de zoldering hangende lampen, en twee op kandelaars brandende waskaarsen.
Maar wat mij de grootste belangstelling inboezemde, was een jongeling van een zeer innemend uiterlijk, die op een tapijt nedergehurkt in den koran las, welken hij op een' lessenaar voor zich had liggen. Ten hoogste verbaasd in eene stad, waarvan de geheele bevolking versteend was, dezen jongeling in leven te zien, twijfelde ik niet, of met hem moest een groot wonder hebben plaats gehad.
Daar de deur van het bidvertrek niet geheel gesloten was, opende ik die zonder gedruisch te maken, plaatste mij tegenover de nis, en sprak met luider stem het volgende gebed uit: „Geloofd zij Allah! die ons met eene gelukkige zeereis heeft begunstigd! Dat het hem behage, ons ook op de terugreis te beschermen, en ons behouden in het vaderland terug te brengen! Hoor mij, Heer, en laat mijn gebed bij u verhooring vinden.”
De jongeling dus eensklaps gestoord, en zeker hier niemand verwachtende, zag mij met eenige verbazing aan. „Mijne goede dame!” zeide hij, „heb de beleefdheid mij te zeggen, wie gij zijt, en wat u heeft bewogen in deze verwoeste stad te komen. Tot dank daarvoor ben ik bereid u te zeggen, wie ik ben, wat met mij is gebeurd, hoe de inwoners van deze stad in den toestand zijn gebragt waarin gij ze gevonden hebt, en waarom juist ik alleen in deze algemeene ramp ben gespaard gebleven.”
Ik verhaalde nu den jongeling in weinige woorden, wat mij tot mijne zeereis had bewogen, en hoe ik, na eenen togt van twintig dagen, met mijn schip in de haven was aangekomen. Eindelijk gaf ik hem mijne verbazing te kennen over hetgeen ik in deze stad had gezien, en herinnerde hem aan zijne belofte om dit raadsel voor mij op te lossen.
„Lieve Dame,” sprak nu den jongeling, „heb een oogenblik geduld.” Dit zeggende, rolde hij den koran op, borg ze in eenen kostbaren koker en plaatste dezen in de nis. Deze oogenblikken nam ik waar, om hem met aandacht te beschouwen, en hij kwam mij zoo schoon en zoo bevallig voor, dat in mij een gevoel opkwam, waaraan ik tot dusverre vreemd was gebleven. Hij deed mij naast zich plaats nemen, en ik was mij zelven zoo weinig meester dat ik, vóór hij nog begon te spreken, mij niet kon weêrhouden tot hem te zeggen, en wel met een' blik die hem de teedere gevoelens moest doen kennen, welke hij mij reeds op het eerste gezigt had ingeboezemd: „Beminnenswaardig jongeling! geliefde van mijn hart! niemand kan met meer ongeduld dan ik de opheldering afwachten van zoo vele wonderlijke zaken, die mij zijn voorgekomen, van het oogenblik af, dat ik mijne voeten in deze stad heb gezet, tot nu toe. Spreek dus, ik bid er u om, en zeg mij door welk wonder gij alleen in leven zijt van de vele duizenden, die zulk een' vreeselijken dood gestorven zijn.”
[Illustratie: Geschiedenis van Zobeïde.
Dl. II, pag. 13.]
„Mejufvrouw!” zeide de jongeling, „door het gebed, dat gij in mijne tegenwoordigheid tot Allah hebt opgezonden, is het mij gebleken, dat gij den waren God kent. Gij zult van zijne goedheid en almagt een merkwaardig voorbeeld vernemen. Laat mij u vooraf zeggen dat deze stad de hoofdplaats is van een magtig koningrijk, waarover mijn vader den scepter zwaaide. Deze vorst, zijn geheele hof, de inwoners van deze stad en al zijne onderdanen waren toovenaars, aanbidders van het vuur en van Nardoun, den ouden koning der reuzen, opstandelingen tegen Allah.
Hoewel uit afgodische ouders geboren, is mij echter het geluk te beurt gevallen, dat ik in mijne kindschheid werd toevertrouwd aan eene gouvernante, welke het ware geloof was toegedaan, en den koran uit het hoofd kon opzeggen en verklaren. „Prins!” zeide zij dikwijls tot mij, „er is maar één ware God; wacht u dus de afgoden te dienen en te aanbidden.” Zij leerde mij het Arabisch lezen, en het boek dat zij mij gaf, om mij in die taal te oefenen, was de koran. Zoodra ik er vatbaar voor was, beijverde zij zich mij dit voortreffelijk boek uit te leggen, hetgeen echter buiten weten van mijn' vader of iemand anders plaats had. Eindelijk werd zij mij door den dood ontrukt, doch ik had reeds zoo veel nut van haar onderwijs getrokken, dat ik van de waarheid van het Mahomedaansche geloof ten volle overtuigd was. Na haren dood ben ik daarbij gebleven, en had een' grooten afkeer van den afgod Nardoun en van de aanbidding van het vuur.
Na drie jaar en eenig maanden geleden,” vervolgde de jonge prins, „had er hier eene zeer zonderlinge en opmerkenswaardige gebeurtenis plaats. Boven in de lucht liet zich eene stem hooren als van eene bazuin, die door het geheele land vernomen werd en welke sprak: „Inwoners verlaat de dienst van Nardoun en van het vuur. Aanbidt den eenigen God, die den hemel en de aarde heeft geschapen en al wat daar in is.”
Drie achtereenvolgende jaren liet zich deze stem hooren, maar niemand gaf er gehoor aan of bekeerde zich van de dienst der afgoden. Ja, sommigen dreven er den spot mede, tot dat op den laatsten dag van het derde jaar, des morgens tusschen drie en vier uren, alle inwoners in één' oogwenk in steenen werden veranderd, en in de zelfde houding bleven, waarin zij op dat tijdstip gingen, lagen of stonden. Den koning mijn' vader trof hetzelfde lot; hij werd in een' zwarten steen veranderd, zoo als hij nog in een der vertrekken van dit paleis te zien is. Ook mijne moeder de koningin deelde in het gods-oordeel. Ik ben de eenigste, die door de barmhartigheid van Allah van deze algemeene en verschrikkelijke straf gespaard bleef. Van dat oogenblik af heb ik Hem met verdubbelden ijver gediend, en ik ben overtuigd, mijne schoone dame, dat Hij het is, die u hier heen heeft gezonden om mij te troosten. Ik dank Hem daarvoor met geheel mijn hart, want ik wil u wel bekennen, dat deze eenzaamheid voor mij zeer onaangenaam is.”
Door dit verhaal, en vooral door zijne laatste woorden had de jongeling mijn hart geheel en al gewonnen. „Prins!”, zeide ik tot hem, „wij mogen er niet aan twijfelen, of het is de Voorzienigheid welke mij in deze haven heeft gevoerd, ten einde u in de gelegenheid te stellen dit rampzalige oord te verlaten. Het schip, waarmede ik mij hier bevind en dat mijn eigendom is, zal u het bewijs leveren, dat ik in mijne woonplaats Bagdad in eenig aanzien ben; ook heb ik daar nog vrij aanzienlijke bezittingen achtergelaten. Ik bied u een' verblijf ten mijnent aan, tot dat de magtige Beheerscher der geloovigen, de plaats-bekleeder van den grooten Profeet, in wien ook gij gelooft, u, naar uwe verdiensten beloond en eene andere plaats aangewezen zal hebben. Deze beroemde vorst heeft zijn verblijf te Bagdad, en zoodra uwe aankomst in zijne hoofdstad te zijner kennis zal zijn gekomen, zal hij er op bedacht zijn u regt te laten wedervaren, en u in zijne gunst te doen deelen. Het is niet mogelijk, dat gij langer in eene stad blijft, waar elk voorwerp dat gij aanschouwt voor u ondragelijk moet zijn. Mijn schip is tot uwe dienst, en gij kunt er over beschikken naar uw welgevallen.” De prins nam mijn aanbod met vreugde aan, en wij bragten het overige van den nacht door met alles te bespreken, wat op onze inscheping betrekking had.
Zoodra het dag werd, verlieten wij het paleis en gingen naar de haven en naar mijn schip. Ik vond mijne zusters en den kapitein in groote ongerustheid over mijne voor hen onverklaarbare afwezigheid. Ik stelde den prins aan mijne zusters voor, en deelde haar mede, wat mij had belet den vorigen avond weder aan boord te komen.
De matrozen bragten verscheidene dagen door met het ontschepen van de koopmans-goederen, welke ik aan boord had, en het inladen van het kostbaarste, wat het paleis aan edelgesteenten, goud en zilver bevatte. De meubelen en vele andere dingen van groote waarde moesten wij, bij gebrek aan scheepsruimte, achterlaten. Om al de kostbaarheden, die wij zagen, naar Bagdad over te brengen, ware wel eene geheele vloot noodig geweest. Nadat wij het schip bevracht hadden met eene lading, zoo rijk als wij slechts konden wenschen, werden de watervaten gevuld, en namen wij vele van de beste levensmiddelen mede, zonder daaraan juist behoefte te hebben, want de voorraad waarvan ik mij te Balsora had voorzien, was meer dan voldoende voor onze terugreis. Toen alles gereed was gaf ik den kapitein last het anker te doen opwinden, en daar de wind gunstig was gingen wij nog dien zelfden dag onder zeil.
Gedurende de eerste dagen van onze terugreis leefden wij, de prins, mijne zusters en ik, in de beste eendragt, en wij bragten den tijd zeer genoegelijk door. Maar, helaas, dit duurde niet lang. Mijne zusters konden de verstandhouding, die tusschen mij en den jongen prins bestond, niet zonder jaloerschheid aanzien. Zij vraagden mij op een' hatelijken toon, wat wij bij onze aankomst te Bagdad met dien prins uit de versteende stad zouden aanvangen. Ik bemerkte zeer wel, dat zij met deze vraag geen ander doel hadden, dan om mijne gevoelens uit te vorschen. Daarom nam ik den schijn aan de zaak als scherts te willen behandelen, en gaf haar ten antwoord, dat ik hem tot mijnen man zoude nemen. Mij daarop tot den prins wendende, zeide ik: „Prins! ik bid u daarin toe te stemmen. Mijn plan is, zoodra wij te Bagdad zullen zijn, u mijne persoon aan te bieden, ten einde uwe zeer nederige slavin te zijn, bereid om u te dienen, en u te erkennen als Heer en meester van mijn' wil en mijne wenschen.”