Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Eerste deel
Part 9
Eindelijk begaven dan de sultan en de jonge vorst zich op weg, gevolgd door honderd kameelen, beladen met onmetelijke rijkdommen uit de schatkamers van den jeugdigen koning, en vergezeld van vijftig ruiters, allen schoone jongelingen, schitterend gekleed en op de prachtigste paarden gezeten. Hunne reis was voorspoedig, en toen de sultan, die koeriers vooruit had gezonden om zijnen onderdanen kennis te geven van de vertraging zijner terugkomst en van de redenen, welke dit veroorzaakt hadden, de hoofdstad zijns rijke naderde, kwamen de groot-officieren, die hij er achtergelaten had, hem te gemoet met de verklaring dat zijne lange afwezigheid geene enkele moeijelijkheid in het rijksbestuur veroorzaakt had. Ook zijne onderdanen gingen hem in menigte te gemoet, en ontvingen hem met groot gejuich en met de blijken der hartelijkste vreugde en eerbied.
Den dag na zijne aankomst liet de sultan al zijne hovelingen bij zich komen, en gaf hun een uitvoerig verslag der oorzaken, welke, tegen zijne verwachting, zijne afwezendheid zoo lang hadden doen duren. Hij verklaarde hun vervolgens zijn besluit tot aanneming van den koning der Zwarte Eilanden als zijn zoon en opvolger, daar deze een magtig koningrijk verlaten had om hem te vergezellen en met hem zamen te leven. Om hen voor hunne getrouwheid te beloonen, gaf hij bovendien een ieder naar zijnen rang groote en rijke geschenken.
Wat den visscher betreft, daar deze de eerste oorzaak was der bevrijding van den jongen vorst, werd hij door den sultan met weldaden overladen, en met zijn huisgezin, hun leven lang, hoogst gelukkig gemaakt.
GESCHIEDENIS VAN DE DRIE CALENDERS[1], KONINGS-ZONEN EN VAN DE VIJF DAMES VAN BAGDAD.
[1] Calender is een Turksche of Perzische monnik. De vertaler.
Onder de regering van den kalif Haroun-al-Raschid was er te Bagdad, alwaar hij zijn verblijf hield, een sjouwer, die in weêrwil van zijn zwaar en moeitevol bedrijf altijd even opgeruimd en geestig was. Eens op een' morgen, dat hij als naar gewoonte met zijne opene mand bij zich op een der pleinen van de stad stond te wachten, tot dat iemand zijne diensten zou inroepen, kwam eene jonge dame van eene fraaije gestalte, het gelaat met eenen grooten prachtigen sluijer bedekt, bij hem, en zeide hem op vriendelijken toon: „Drager, neem uwe mand op en volg mij.” De sjouwer, ingenomen door de innemende wijze waarop deze weinige woorden werden uitgesproken, zette de mand op het hoofd en volgde de dame, zeggende: „O dag van zegen! o dag van gelukkige ontmoeting!”
De dame hield eerst voor eene geslotene deur stil, en klopte aan. Een Christen, door zijn' langen witten baard van een eerbiedwaardig aanzien, opende de deur. Zij gaf hem eenig geld in de hand zonder een enkel woord te spreken, maar de Christen, die wist wat dit beteekende, trad weder in huis, en kwam kort daarop met eene groote kruik vol heerlijken wijn terug. „Neem deze kruik,” zeide de dame tot den sjouwer, „en zet haar in uwe mand.” Dit gedaan zijnde, beval zij hem met haar te gaan, en ging verder, op den voet gevolgd door den sjouwer, die steeds herhaalde: „O dag van heil! o dag van vreugde en van aangename verrassing!”
De dame hield bij den winkel van een' fruit- en bloemenverkooper stil, waar zij allerlei soorten van appelen, abrikozen, perziken, peren, meloenen, citroenen, oranjeappelen, mirt, basilikum, leliën, jasmijn en ettelijke andere welriekende bloemen en planten uitzocht. Zij beval den sjouwer dat alles in zijne mand te leggen en haar verder te volgen. Voorbij de uitstalling van een' vleeschhouwer komende, liet zij zich vijf en twintig ponden van het beste vleesch dat hij had afwegen, hetwelk de drager, op haar verzoek, ook in zijne mand pakte.
In een' anderen winkel kocht zij kappers, dragon, kleine komkommers en andere soortgelijke groenten en kruiden, allen in azijn ingelegd; bij een vierde voorzag zij zich van pimpernoten, okkernoten, hazelnoten, amandelen en vele andere diergelijke vruchten; bij een vijfde kocht zij allerhande soorten van amandeldeeg. Toen de lastdrager al deze waren in zijne mand moest bergen, zoodat die vrij vol begon te worden, zeide hij tot de dame: „Goede Dame, het doet mij leed dat gij mij niet vooraf gezegd hebt, dat gij zooveel voorraad zoudt inkoopen, want dan had ik een paard of nog liever een kameel genomen, en er dien mede belast. Wanneer gij nog meer koopt, zal ik het alles niet kunnen dragen.” De dame beschouwde dit als eene aardigheid van den sjouwer, lachte er om, en beval hem op nieuw met haar te gaan.
Zij trad vervolgens nog bij een drogist binnen, waar zij zich van allerhande soorten van reukwateren, kruidnagels, muskaatnoten, peper, gember, een groot stuk bleekroode amber en van zeer vele andere Indische specerijen voorzag; zoodat de mand van den drager geheel en al vol was geworden. Zij zeide hem toen haar verder te volgen, tot dat zij bij een prachtig en groot huis kwamen, waarvan de gevel met fraaije kolommen versierd, en de groote ingangsdeur van ivoor was. Hier hielden zij stil en de dame klopte zachtjes aan.
Terwijl zij op het openen der deur stonden te wachten, maakte de sjouwer bij zich zelven duizenderlei opmerkingen. Het verwonderde hem, dat eene dame, zooals deze, die hij voor zich zag, de betrekking van proviantmeesteres vervulde, want hij veronderstelde met regt, dat zij geene slavin zou zijn, haar voorkomen kwam hem te edel voor, dan dat zij niet eene vrije, ja zelfs eene persoon uit de hoogere standen zoude zijn. Hij zou haar wel gaarne inlichtingen aangaande haren stand gevraagd hebben, maar op het oogenblik dat hij het zou wagen daarover tot haar te spreken, werd de deur geopend door eene andere dame, die hem zóó schoon voorkwam, dat hij er als betooverd door was, en de mand met al wat er in was bijna had laten vallen, zoo zeer bragt deze verschijning hem buiten zich zelven. Hij had nooit eene schoonheid gezien, welke zelfs van verre haalde bij die, welke hij thans voor zich zag.
De dame, met welke hij gekomen was, bespeurde de verwarring, die in zijne ziel plaats had, en begreep zeer goed de oorzaak daarvan. Deze ontdekking vermaakte haar, en het zien der linksche houding van den drager was voor haar eene zoo groote bron van genoegen, dat zij daardoor vergat, dat de voordeur open stond. „Kom toch binnen, mijne zuster,” zeide de schoone portierster, „waar wacht gij naar? Ziet gij niet dat deze arme man zoo zwaar beladen is, dat hij het bijna niet langer volhouden kan!”
Toen zij daarop met den lastdrager naar binnen was gegaan, sloot de dame, die de deur geopend had, haar weder, en alle drie kwamen, na een fraai voorhuis te zijn doorgegaan, op eene zeer groote binnenplaats, welke door eene opene galerij was omringd. Deze galerij verschafte den toegang tot verschillende vertrekken gelijkvloers, allen uitermate prachtig ingerigt. Achter op deze binnenplaats stond eene rijk versierde sofa, met een' troonhemel van barnsteen in het midden, die gedragen werd door vier ebbenhouten kolommen, en ingelegd was met diamanten en paarlen met eene buitengewone grootte en dikte. De sofa was bekleed met rood satijn, dat met Indisch gouden borduurwerk van eene hoogst kostbare bewerking was opgelegd. In het midden der binnenplaats bevond zich een ruim bekken, met wit marmeren rand, en gevuld met een water zoo helder als kristal, dat er uit den muil van een' bronzen leeuw inviel.
De sjouwer, hoe zwaar beladen hij ook was, moest evenwel de pracht en weelde alsmede de sierlijke netheid van dit gansche huis bewonderen; maar wat vooral zijne oogen boeide was eene derde dame, die hem nog schooner toescheen dan de tweede, en die op de sofa onder den troonhemel aan het einde van de binnenplaats gezeten was. Zoodra zij de twee eerste dames zag, stond zij op en ging deze te gemoet.
Hij oordeelde, naar den eerbied, welke de beide anderen aan deze derde dame bewezen, dat zij de hoofdpersoon was, waarin hij zich niet vergiste. Deze dame heette Zobeïde; die welke de deur geopend had werd Safie genoemd, en Amine was de naam van haar welke den voorraad ingekocht had.
Toen Zobeïde bij de twee andere dames gekomen was, zeide zij: „Zusters, ziet gij niet dat deze goede man bijna onder zijnen last bezwijkt? Waar wacht gij naar om er hem van te bevrijden!” Daarop namen Safie en Amine, de eene de mand van voren, de andere van achteren aan, Zobeïde hielp ook een handje, en met haar drieën zetten zij haar op den grond. Zij pakten alles uit, en toen de mand geheel ledig was, kreeg de vrolijke Amine geld en betaalde met milde hand den drager zijn loon.
De lastdrager, zeer tevreden met het geld dat men hem gegeven had, behoorde nu zijne mand weder op te nemen en zich te verwijderen; maar hiertoe kon hij maar niet besluiten. Hij gevoelde zich als aan den grond genageld door het genoegen van drie zulke buitengewone schoonheden te zien, die hem allen even bekoorlijk toeschenen, want Amine had zich ook van haren sluijer ontdaan, en hij vond haar nu niet minder schoon dan de anderen. Hij kon maar niet begrijpen, dat hij geen man in dit huis bespeurde, te meer daar het grootste gedeelte van den voorraad, dien hij gedragen had, zooals de gedroogde vruchten, de verschillende soorten van gebak en konfituren eigentlijk alleen voor zulke personen geschikt waren, die wenschten te drinken en vrolijk te zijn.
Zobeïde meende eerst dat de drager met zijn vertrek draalde om wat uit te rusten; maar ziende dat hij steeds bleef vertoeven, zeide zij tot hem: „Waar wacht gij naar, zijt gij met uw loon niet tevreden? Zuster,” voegde zij er bij, zich tot Amine wendende, „geef hem nog iets, opdat hij vergenoegd van hier ga.” „Schoone dame,” antwoordde de sjouwer, „dat is het niet wat mij hier doet blijven, ik ben voor mijne moeite overvloedig beloond geworden. Ik zie wel, dat ik onbeleefd handel, door hier langer te blijven dan noodig is, maar ik hoop dat gij zoo goed zult zijn mij dit te vergeven. Mijne bevreemding, dat ik bij de drie dames van eene zoo buitengewone schoonheid geen man zie, is er de oorzaak van. Een gezelschap van vrouwen zonder mannen is dunkt mij al even vervelend als een gezelschap van mannen zonder vrouwen.” Hierbij voegde hij nog menigerlei aardigheid, ten einde daardoor te trachten zijne beweringen meer ingang te doen vinden. Hij vergat bovendien niet het te Bagdad bekende spreekwoord aan te halen; dat men niet genoegelijk aan tafel zit, wanneer men niet met zijn vieren is, en hij eindigde met de bemerking, dat dewijl zij met haar drieën waren, zij noodzakelijk een vierde persoon behoefden.
De dames lachten om de redeneringen van den lastdrager. Daarop zeide hem Zobeïde op ernstigen toon: „Vriend, gij drijft uwe vrijpostigheid wat al te ver; maar, alhoewel gij niet verdient dat ik u eenige ophelderingen geef, wil ik u toch wel mededeelen, dat wij drie zusters zijn, die zoo stil leven dat niemand ons kent. Wij stellen er zeer groot belang in dit niet aan onderscheiden personen bekend te maken, en een kundig schrijver dien wij gelezen hebben, zegt: Bewaar uw geheim zelve en deel het aan niemand mede; die het bekend maakt is er geen meester meer van. Wanneer uw eigen tong uw geheim niet kan bewaren, hoe zou dan de tong van hem aan wien gij het hebt toevertrouwd, het kunnen verzwijgen.”
„Dames,” hernam de sjouwer, „het was alleen op uw uiterlijk, dat ik onmiddelijk heb verondersteld, dat gij personen waart van zeldzame verdienste; en ik bespeur dat ik mij niet vergist heb. Ofschoon de fortuin mij niet genoeg middelen heeft geschonken, om mij boven mijnen tegenwoordigen staat te verheffen, heb ik evenwel steeds getracht mijnen geest zooveel mogelijk te beschaven, door het lezen van wetenschappelijke en geschiedkundige boeken, en ik verzoek u vriendelijk mij te veroorloven u te zeggen, dat ik ook van een beroemd schrijver eenen anderen stelregel heb gelezen, dien ik altijd met groot genoegen heb betracht: Wij moeten, zegt hij, onze geheimen alleen voor diegenen verbergen, welke algemeen als onbedacht en praatachtig bekend zijn, en alzoo van ons vertrouwen misbruik zouden maken; maar wij zien er volstrekt geen bezwaar in het aan wijze en verstandige lieden mede te deelen, omdat wij overtuigd zijn dat die het weten te bewaren.” „Bij mij,” voegde hij er bij, „is een geheim even zeker bewaard, alsof het in eene kast lag, welker deur gesloten en daarvan de sleutel verloren was.”
Zobeïde bespeurde dat de drager niet van vlugge geestvermogens ontbloot was; en meende dat hij lust had om deelgenoot van den feestelijken maaltijd te zijn, dien zij zouden houden, antwoordde zij hem glimlagchende: „Gij weet dat wij ons zelven zullen onthalen; maar gij weet evenzeer dat wij aanzienlijke kosten hebben gemaakt, en het zou niet billijk zijn dat gij er deelgenoot van waart, zonder er uw aandeel toe bij te dragen.” De schoone Safie ondersteunde de gezegden harer zuster. „Mijn vriend,” zeide zij tot den drager, „hebt gij nooit het algemeen bekende spreekwoord gehoord: Indien gij iets medebrengt, zult gij iets met ons zijn, indien gij niets medebrengt, ga dan met niets heen?”
In weerwil zijner redeneerkunde, zou de drager waarschijnlijk verpligt zijn geweest met schaamte te vertrekken, indien Amine niet ernstig zijne partij had gekozen. „Waarde zusters,” zeide zij, tot Zobeïde en Safie, „ik verzoek u te willen toestaan dat hij bij ons blijft; ik behoef u niet te zeggen, dat hij ons vermaken zal, gij ziet dat hij daartoe geschikt is. Ik verzeker u, dat ik zonder zijnen goeden wil, zijne vlugheid en volharding om mij op den voet te volgen, niet in staat zou geweest zijn in zoo korten tijd zoovele inkoopen te doen. Wanneer ik u bovendien al de aangenaamheden verhaalde, die hij mij onderweg gezegd heeft, zoudt gij niet verwonderd zijn dat ik hem aldus in bescherming neem.”
Op deze woorden van Amine viel de drager, opgetogen van blijdschap, op zijne knieën aan hare voeten ter aarde, en weder opstaande, zeide hij tot haar: „Beminnelijke Dame, door u is op dezen dag mijn geluk begonnen; gij zet er de kroon op door eene zoo edelmoedige handelwijze, ik kan u niet zeggen hoe dankbaar en hoe erkentelijke ik u ben. Bovendien, Dames,” voegde hij er bij, zich tot de drie zusters gezamentlijk wendende, „meen niet dat ik, daar gij mij eene zoo groote eer bewijst, er misbruik van zal maken, of dat ik mij zelven zal beschouwen als iemand die ze verdient; neen, ik zal mij ten allen tijde als de onderdanigste uwer slaven beschouwen.” Toen hij deze woorden gezegd had, wilde hij het ontvangen geld teruggeven, maar de ernstige Zobeïde beval hem het te behouden. „Hetgeen eenmaal door onze handen is gegeven,” zeide zij, „aan diegenen welke ons diensten bewezen hebben, keert niet tot ons terug, en wanneer wij er in toestemmen dat gij bij ons blijft, waarschuw ik u dat het niet alleen is op voorwaarde dat gij het u door ons toevertrouwde geheim heilig bewaart, maar eischen wij bovendien dat gij de regels der welvoegelijkheid stiptelijk in acht neemt.” Terwijl zij dit den drager plegtig deed beloven, had de bekoorlijke Amine haar opperkleed voor een meer huisselijk gewaad verwisseld, ten einde zich gemakkelijker te kunnen bewegen. Zij dekte de tafel, zette verschillende soorten van spijzen op, en plaatste op eene schenktafel flesschen wijn en gouden bekers. Vervolgens zetten zich de dames aan tafel, en lieten den drager nevens haar plaats nemen. Deze was onuitsprekelijk gelukkig zich met drie personen van zoo buitengewone schoonheid aan tafel te bevinden.
Na een weinig gegeten te hebben, nam Amine, die digt bij de schenktafel zat, eene flesch en een' beker, schonk in en dronk het eerst, volgens het gebruik der Arabieren. Daarop schonk zij hare zusters in, die de eene na de andere den beker ledigden. Eindelijk kwam de beurt aan den drager, die, terwijl hij de bokaal aannam, de hand van Amine kuste. Vóór te drinken zong hij een lied, welks inhoud daarop nederkwam dat, even als de wind de geur van welriekende plaatsen met zich medevoert, zoo ook de wijn, dien hij ging drinken, een' heerlijkeren geur en smaak dan gewoonlijk ontving, door de hand die ze hem overreikte. Dit lied was aan de dames hoogst welgevallig, en ook zij zongen op hare beurt. Het gezelschap was verder gedurende den ganschen maaltijd in eene zeer vrolijke stemming, het feest duurde langen tijd en ging van alles, wat het aangenaam kon maken, vergezeld.
De tijd vloog spoedig voorbij, en toen de avond begon te naderen, zeide Safie uit naam harer zusters tot den drager; „Sta op en ga heen, het is tijd om te vertrekken.” De drager intusschen, die maar niet kon besluiten om haar te verlaten, antwoordde: „Ach! Dames, waar wilt gij dat ik henen ga in den staat waarin ik mij bevind? Door u te zien en door den wijn ben ik buiten mij zelven geraakt, ik zal den weg naar mijn huis niet kunnen vinden. Sta mij toe dezen nacht hier te blijven, ik zal dien doorbrengen in welk vertrek gij maar bevelen zult; maar ik heb dien tijd wel noodig om weder in dezelfde gemoedstemming te geraken, waarin ik was toen ik bij u kwam, en dan nog geloof ik dat ik het beste gedeelte van mijn eigen ik, hier zal achterlaten.”
Amine trok voor de tweede maal partij voor den drager. „Zusters,” zeide zij, „hij heeft gelijk, ik ben hem dankbaar voor het verzoek dat hij ons deed. Hij heeft ons veel genoegen verschaft, en indien gij naar mijn' wensch wilt handelen, en mij zoo liefhebt, als ik vastelijk geloof dat het geval is, zullen wij hem hier laten blijven om den avond met ons door te brengen.” „Zuster,” antwoordde Zobeïde, „wij kunnen uwe bede niet weigeren. Drager,” vervolgde zij, zich tot dezen wendende, „wij zullen nogmaals dit uw verzoek toestaan; maar onder eene nieuwe voorwaarde. Wat wij ook in uwe tegenwoordigheid zullen doen, hetzij met betrekking tot ons zelve, hetzij tot iets anders, wacht u wel er zelfs den mond over te openen, of ons naar de reden te vragen; want, wanneer gij ons vragen doet over zaken, welke u niet aangaan, zoudt gij dingen kunnen vernemen die u niet aangenaam zouden zijn. Pas dus op, en wees gewaarschuwd niet nieuwsgierig de redenen onzer handelingen te willen navorschen en doorgronden.”
„Dame,” hernam de drager, „ik beloof u, deze voorwaarde zoo naauwgezet te zullen nakomen, dat gij geene aanleiding zult hebben, om mij een verwijt te doen van dit uw gebod overtreden te hebben, en nog minder, mij voor mijne onbescheidenheid te straffen. Van daag zal mijne tong onbewegelijk zijn en mijne oogen zullen zijn als een spiegel, die niets bewaart van alles wat zich in hem vertoont.” „Om u te doen zien,” hernam Zobeïde op een' hoogst ernstigen toon, „dat hetgeen wij van u eischen geene nieuwe instelling onder ons is, zoo sta op en lees wat van binnen boven onze voordeur geschreven is.”
De drager begaf zich derwaarts, en las deze woorden, die er in groote gouden letters geschreven stonden: „Die over zaken spreekt, welke hem niet aangaan, verneemt wat hem niet aangenaam is.” Hij kwam daarop bij de drie zusters terug, en zeide tot haar: „Dames, ik zweer u dat geen woord over mijne lippen zal komen betrekkelijk eenige zaak, die mij niet aangaat en waarin gij belang zoudt kunnen hebben.”
Deze overeenkomst getroffen zijnde, bragt Amine het avondmaal op, en toen zij de zaal schitterend verlicht had door het aansteken van een zeer groot aantal kaarsen van aloëhout en bleek rooden amber vervaardigd, die een' heerlijken geur door het geheele vertrek verspreidden, zette zij zich met hare zusters en den drager aan tafel. Zij begonnen op nieuw te eten, te drinken, te zingen en verzen op te zeggen. De dames schepten er vermaak in den drager te bedwelmen, onder voorwendsel van hem op hare gezondheid te laten drinken. Allerlei aardigheden en kwinkslagen kruidden de gesprekken, en allen waren in de best mogelijke en vrolijkste stemming, toen zij aan de deur hoorden kloppen. Zoodra de dames dit hoorden, stonden zij alle drie te gelijker tijd op, om te gaan openen, maar Safie, aan wie dit in het bijzonder scheen opgedragen, was het eerst bij de deur; terwijl de twee anderen bleven afwachten van haar te vernemen, wie zoo laat nog haar iets kon te zeggen hebben. Safie kwam spoedig terug. „Zusters,” zeide zij, „daar doet zich eene goede gelegenheid op, van een groot gedeelte van den avond hoogst aangenaam door te brengen, en indien gij van het zelfde gevoelen zijt als ik, moeten wij de gelegenheid niet ongebruikt voorbij laten gaan. Er staan voor onze deur drie calenders, ten einde naar hunne kleeding te oordeelen; en, wat u ongetwijfeld ten hoogste zal verwonderen, alle drie zijn aan het regter oog blind, hebben kaalgeschoren hoofden, en baard noch wenkbraauwen. Zij zeggen dat zij zoo juist te Bagdad zijn aangekomen, waar zij nog nooit geweest zijn, en daar zij niet weten, waar met den avond onder dak te zullen komen, hebben zij bij toeval aan onze deur geklopt, ons dringend verzoekende, hen om der wille Gods in huis te willen nemen. De plek waar wij hen zullen brengen is hen vrij onverschillig; en wanneer zij maar een dak boven hunne hoofden hebben, zouden zij zelfs met een verblijf in den stal tevreden zijn. Zij zijn jong en overigens nog al welgemaakt, en schijnen ook vlug en geestig te zijn; maar ik kan zonder lagchen niet denken aan hun zot en geheel gelijkvormig voorkomen.” Toen Safie zoo ver met haar berigt gekomen was, kon zij niet meer, maar begon zoo hartelijk te lagchen, dat de beide andere dames en de drager moesten medelagchen. „Waarde zusters,” sprak zij eindelijk verder, „vindt gij het ook goed, dat wij hen laten binnenkomen? Het is toch zeker, dat wij met menschen, gelijk ik u zoo juist beschreven heb, den dag nog genoegelijker zullen eindigen, dan wij dien begonnen hebben. Zij zullen ons wel goed vermaken en niet tot last zijn, daar zij ons alleen voor dezen nacht een toevlugtsoord vragen, en het hunne bedoeling is om zoodra de dag aanbreekt weder te vertrekken.”
Zobeïde en Amine vonden er groote zwarigheid in, het verzoek van Safie in te willigen. Safie kende de oorzaak hiervan zeer goed; maar zij betoonde een zoo groot verlangen om haren wensch vervuld te zien, dat hare zusters het haar ten laatste niet langer konden weigeren. „Ga,” zeide Zobeïde tot haar, „laat ze dan binnenkomen; maar vergeet niet hun duidelijk te kennen te geven, om niet te spreken over hetgeen wat hen niet aangaat, en hen te laten lezen wat boven de deur geschreven staat.” Op deze woorden ging Safie dadelijk met blijdschap de deur openen, en kwam weinige oogenblikken daarna terug, door de drie calenders vergezeld.
De drie calenders maakten binnenkomende eene diepe buiging voor de dames, die opgestaan waren om hen te ontvangen, en die hen op een' hoogst beleefden toon welkom heetten. Zij betuigden dat het haar zeer aangenaam was, in de gelegenheid te zijn hun eene dienst te bewijzen, en er toe te kunnen bijdragen dat zij eenigermate van de vermoeijenissen der reis konden uitrusten. Vervolgens noodigden zij hen uit naast haar plaats te nemen. De pracht, die in de kamer heerschte en de beleefdheid der dames deed den calenders een hoog denkbeeld van hunne schoone gastvrouwen opvatten. Voor zij zich nederzetten, sloegen zij bij toeval de oogen op den drager, en ziende dat hij bijna eveneens gekleed was als andere calenders, met wie zij in verschil waren over verschillende punten van een' gestrengen levenswandel, en die zich de baard en de wenkbraauwen niet afschoren, nam een hunner het woord, en zeide: „Ziedaar waarschijnlijk een onzer zich tegen onze gebruiken verzettende Arabische broeders.”
De drager, half sluimerende en het hoofd verhit door den wijn dien hij gedronken had, gevoelde zich door deze woorden beleedigd, en zonder van zijne plaats op te staan, antwoordde hij den calenders, hun gebiedend aanziende: „Gaat zitten en bemoei u met uw eigen zaken. Hebt gij niet gelezen, wat boven de deur geschreven staat? Meen niet, dat gij iedereen tot uwe wijze van leven zult overhalen. Handel gij liever gelijk wij doen.”