Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Eerste deel

Part 8

Chapter 84,005 wordsPublic domain

Wij gingen daarna te bed, en weldra stond zij, in de meening dat ik sliep, met zoo weinig omzigtigheid op, dat zij hardop zeide: „Slaap, en mogt gij nimmer meer ontwaken!” Zij kleedde zich spoedig aan en verliet de kamer.—Onmiddelijk volgde ik haar voorbeeld, ik nam mijne sabel, en volgde haar van zoo nabij, dat ik hare voetstappen konde hooren. Zij ging door onderscheidene deuren, die zich openden op eenige tooverwoorden, welke zij uitsprak. De laatste kwam uit in den tuin, dien zij binnentrad. Ik wachtte een oogenblik bij deze deur, ten einde haar eerst over eene opene plek te laten gaan, en volgde haar intusschen met mijne oogen. Ik zag haar een boschje binnengaan, waarvan de paden door zeer dik hekwerk waren afgesloten. Ik begaf mij langs eenen anderen weg daarheen, en mij achter het latwerk van eene vrij lange laan verbergende, zag ik haar met een' man wandelen.

Ik luisterde aandachtig naar hun gesprek, en zie hier wat ik hoorde: „Ik verdien,” zeide de koningin tot haren minnaar, „uw verwijt niet aangaande mijnen ijver! gij kent de reden, die mij in mijne werkzaamheden hindert. Maar, indien de blijken mijner liefde, die ik u tot nu toe gegeven heb, niet voldoende zijn om u van mijne opregte genegenheid te overtuigen, dan zal ik u nog grootere bewijzen daarvan geven; gij hebt slechts te gebieden, gij kent mijne magt. Ik zal, als gij het verlangt, vóór den opgang der zon deze groote stad en dit schoone paleis in puinhoopen, bevolkt met wolven, raven en uilen, veranderen. Wilt gij, dat ik al de steenen dezer hecht gebouwde muren naar gindsche zijde van den Kaukasus, buiten de grenzen der bewoonde wereld, vervoer? Spreek slechts, en dit geheele oord verandert van aanzien.”

Toen de koningin deze woorden voleindigd had, waren zij te zamen aan het einde der laan gekomen, en gingen mij voorbij ten einde een ander pad in te slaan. Ik had mijne sabel getrokken, en daar haar minnaar aan mijnen kant was, gaf ik hem een' slag in den nek, zoodat hij ter aarde stortte. Ik meende hem gedood te hebben, en ging dus haastig weg ten einde onbekend te blijven aan de koningin, die ik wilde sparen omdat zij mijne bloedverwante was.

Hoewel de toegebragte wonde doodelijk was, zoo behield zij haren minnaar toch nog door hare toovermiddelen in het leven. Toen ik den tuin doorging om in mijn paleis terug te keeren, hoorde ik de koningin hevige kreten slaken, en daaruit hare bovenmatige smart opmakende, was ik verheugd, dat ik haar had laten leven.

In mijn vertrek teruggekomen, legde ik mij weder te bed, en tevreden dat ik mijn beleediger gestraft had, sliep ik in. 's Morgens ontwakende, vond ik de koningin naast mij, maar zonder te onderzoeken of zij wakker was of sliep, stond ik met alle mogelijke stilte op, en kleedde mij aan. Vervolgens woonde ik de raadsvergadering bij, en vond bij mijne terugkomst de koningin in diepen rouw, met loshangende haren. „Sire,” zeide zij, „drie bedroevende tijdingen heb ik heden morgen ontvangen, ziehier de reden van mijne smart waarvan gij slechts de zwakke uiterlijke kenteekenen ziet.” „Welke zijn die tijdingen, mevrouw?” vraagde ik. „Mijne moeder is gestorven; mijn vader is in een' veldslag gesneuveld en mijn broeder is in een' afgrond gevallen,” hernam zij.

Ik nam er genoegen in, dat zij deze redenen als de oorzaak harer droefheid voorwendde, en maakte er uit op, dat zij mij niet als de moordenaar van haren minnaar herkend had. „Mevrouw,” zeide ik, „het zij verre van mij uwe smart te laken, integendeel betuig ik u mijne opregte deelneming in uw ongeluk. Ik zou zeer verwonderd geweest zijn, wanneer gij ongevoelig waart over dit groote verlies. Stort vrij uwe tranen, zij zijn het zekere bewijs van uw gevoelig hart. Ik hoop intusschen dat de tijd uwe smarten zal lenigen.”

Zij sloot zich vervolgens in haar vertrek op, en bragt een geheel jaar met weenen en in droefheid door. Daarna vraagde zij mij de toestemming, om nabij mijn paleis, op de plaats waar eens haar graf zoude zijn, eene woning te mogen bouwen, in welke zij dan tot aan haren dood wilde vertoeven. Ik keurde dit goed, en een prachtig kasteel met een koepeldak, dat gij van hier kunt zien, verrees. Zij noemde het, 't Tranenpaleis.

Toen het voltooid was, bragt zij er haren minnaar, dien zij nog den zelfden nacht, waarin ik hem gewond had, naar eene, volgens haar oordeel, geschikte plaats had doen vervoeren. Zij had hem zoo lang in het leven behouden door geneesmiddelen, die zij zelve had toebereid en ging er mede voort, toen hij in het Tranenpaleis was, ze hem iederen dag zelve te brengen.

Intusschen slaagde zij er toch niet in, om den ongelukkige geheel en al te genezen. Niet alleen, dat hij niet loopen of staan kon, maar zelfs zijn spreekvermogen had hij verloren, en slechts zijne blikken verrieden, dat er nog leven in hem was. Ofschoon de koningin slechts het genoegen en de troost had, van hem te kunnen zien en alles te kunnen zeggen, wat hare dwaze liefde haar ingaf, zoo liet zij toch niet na, hem iederen dag twee vrij lange bezoeken te brengen. Ik was van dit alles naauwkeurig onderrigt, doch hield mij als of ik er niets van wist.

Eens ging ik uit nieuwsgierigheid naar het Tranenpaleis, ten einde de verrigtingen der koningin aldaar gade te slaan. Ik verborg mij op eene plaats, waar zij mij niet zien kon, en hoorde haar de volgende woorden spreken: „Ik ben diep bedroefd over uwen toestand, niet minder dan gij gevoel ik uw smartelijk lijden, maar geliefde, ik spreek altijd tot u, en gij antwoordt mij nooit. Tot wanneer nog zult gij uw stilzwijgen bewaren? Ik vraag slechts één enkel woord. Helaas! de gelukkigste oogenblikken mijns levens zijn die, welke ik hier bij u doorbreng. Ik kan niet leven zonder u, en het genoegen van u te zien ruilde ik niet voor alle koningrijken der aarde.”

Op het hooren van dit gesprek, dikwerf door hare tranen en zuchten afgebroken, verloor ik mijn geduld. Ik kwam uit mijn' schuilhoek te voorschijn, en zeide tot haar: „Mevrouw gij hebt lang genoeg geweend, het wordt tijd dat gij een einde maakt aan eene droefheid, die u beiden onteert, gij vergeet u zelven en uwe verpligtingen jegens mij.” „Sire,” gaf zij ten antwoord, „wanneer gij nog eenige liefde of genegenheid voor mij gevoelt, zoo bid ik u, laat mij begaan. Sta toe, dat ik mij overgeef aan mijn hevig verdriet; de tijd kan het niet verminderen.”

Zoodra ik zag, dat mijne woorden, in plaats van haar tot inkeer te brengen, slechts hare gevoeligheid opwekten, vertrok ik. Zij ging voort met alle dagen haren minnaar te bezoeken; en gaf zich nog twee geheele jaren aan wanhoop over.

Toen ging ik voor de tweede maal naar het Tranenpaleis, op den tijd dat zij er was. Ik verborg mij weder en hoorde haar tot haren minnaar zeggen: „Sedert drie jaren is er nu geen woord over uwe lippen gekomen, en beantwoordt gij niet aan de liefdeblijken, die ik u geef door mijne woorden en mijne zuchten; is dit uit ongevoeligheid of uit verachting? O graf! zoudt gij de liefde uitgedoofd hebben, die hij eertijds voor mij gevoelde? Zoudt gij de oogen gesloten hebben, die mij vroeger zulke teedere blikken toewierpen, en die mijne grootste vreugde waren? Neen, neen, dat kan ik niet gelooven. Zeg liever door welk wonder, gij de bezitter zijt geworden van de zeldzaamste schat, die ooit bestond?”

Gij begrijpt Heer, hoe verontwaardigd ik over deze woorden was, want die geliefde, die aangebeden sterveling, hij was niet zooals gij hem u voorstelt; neen, het was een zwarte Indiër, een inboorling van dit gewest. Mijne verbittering over dit gesprek, was dan ook zoo groot, dat ik mij onverhoeds vertoonde, en hetzelfde graf aanroepende, uitriep: O graf, verslind dit monster der natuur, of liever neem tot u en minnaar en minnares!

Naauwelijks had ik deze woorden voleindigd, of de koningin, die naast de zwarte gezeten was, stond op en werd bleek van woede. „O! wreedaard,” zeide zij tot mij, „gij zijt de oorzaak mijner smarten. Meen niet, dat uwe handelwijze mij onbekend is, ik heb langen tijd slechts geveinsd. Uwe barbaarsche hand heeft mijnen minnaar in dezen beklagenswaardigen toestand gebragt; en gij zijt wreed genoeg om mij, wanhopige, nog te komen beleedigen.” „Ja, dat ben ik,” hernam ik vertoornd, „ik zelf heb dit monster naar verdienste gestraft; met u had ik op de zelfde wijze moeten handelen, reeds te lang maakt gij misbruik van mijne goedheid.” Dit zeggende, trok ik mijne sabel, en hief mijne hand op om haar te straffen. Zij zag evenwel mijne handelingen bedaard aan en zeide spottende: „Matig uwe woede.” Ter zelfder tijd prevelde zij eenige woorden, die ik niet verstond; en voegde mij vervolgens toe: „Door de kracht van mijn tooverformulier gelast ik u onmiddelijk half mensch, half marmer te worden.” Dadelijk werd ik, zoo als gij mij nu ziet, een levende onder de dooden, en eene doode onder de levenden.

Nadat de wreede toovenares, den naam van koningin onwaardig, mij aldus veranderd, en door een ander toovermiddel naar de zaal overgebragt had, verwoestte zij mijne hoofdstad, die zeer bloeijend en sterk bevolkt was. Zij vernietigde de huizen, pleinen en markten, en schiep in plaats daarvan den vijver en de verlatene landstreek, die gij gezien hebt. De visschen in den vijver zijn de inwoners der stad, die vier verschillende godsdiensten beleden: de witte zijn Muzelmannen, de roode Perzen of Zonaanbidders, de blaauwe Christenen en de gele Joden, de vier heuvelen zijn de vier eilanden, waaraan het koningrijk zijn' naam ontleende. Ik vernam dit alles van de toovenares, die, tot overmaat van ramp, zelve deze gevolgen harer gramschap aan mij kwam mededeelen. Maar dit is nog niet alles; het is haar niet genoeg mijn rijk verwoest en mijn ligchaam veranderd te hebben, neen, iederen dag komt zij hier, om mij honderd geeselslagen op mijne naakte schouders te geven, zoodat ik geheel en al bebloed ben. Wanneer deze strafoefening afgeloopen is, bedekt zij mij eerst met een ruw kleed van geitenhaar en hangt vervolgens daarover dit zijden kleed, niet om mij eene eer aan te doen, maar om mij te bespotten.”

Thans kon de jonge koning der Zwarte Eilanden zijne tranen niet langer weêrhouden, en de sultan was zoo ter neergeslagen, dat hij geene woorden kon vinden om hem te troosten. Spoedig daarop sloeg de jeugdige vorst zijne blikken ten hemel, en riep uit: „Magtige Schepper van al wat bestaat, ik onderwerp mij aan de besluiten van uwe Voorzienigheid, ik lijd geduldig mijne smarten, dewijl dit uw wil is; maar ik hoop dat uwe Oneindige Goedheid mij er voor zal beloonen.”

De sultan, bewogen door dit zoo vreemde verhaal, en begeerig om den ongelukkigen vorst te wreken, zeide tot hem: „Zeg mij waar die trouwelooze toovenares zich ophoudt, en waar zich haren minnaar bevindt, die reeds vóór zijnen dood begraven is.” „Heer,” antwoordde hij, „de minnaar is, zoo als ik u reeds gezegd heb, in het Tranenpaleis in een koepelvormig graf, en dat paleis heeft ter zijde van de poort gemeenschap met dit kasteel. Wat de toovenares aangaat, kan ik u niet juist zeggen, waar zij haar verblijf houdt; maar iederen dag bij het opgaan der zon, gaat zij haren minnaar bezoeken, na vooraf de bloedige strafoefening op mij te hebben gehouden, waarvan ik u gesproken heb, en waartegen ik mij niet verzetten kan. Zij brengt haren geliefde den drank, waarmede zij hem tot nu toe in het leven gehouden heeft, terwijl zij niet ophoudt met over zijn stilzwijgen te klagen.”

„Vorst, met wien men niet genoeg medelijden kan hebben,” hernam de sultan, „niemand kan meer met uwen toestand begaan zijn, dan ik. Nooit heeft iemand zulke zonderlinge lotgevallen gehad, en zij, die uwe geschiedenis te boek stellen, zullen de voldoening hebben de wonderlijkste zaken te kunnen beschrijven, die nooit zijn voorgevallen. Slechts één ding ontbreekt er nog aan: het is de wraak, die over u genomen moet worden, en tot welker voldoening ik alles, wat in mijn vermogen is, in het werk zal stellen.”

Terwijl de sultan met den jongen vorst over dit onderwerp sprak en hem medegedeeld had, wie hij was en waarom hij dit kasteel bezocht had, was hem inderdaad een middel in de gedachte gekomen, hoe hij wraak kon nemen, waarvan hij hem deelgenoot maakte. Zij overlegden zamen welke maatregelen er genomen moesten worden, om dit ontwerp te doen gelukken, welks uitvoering op den volgenden dag bepaald werd. Daar de avond inmiddels reeds ver gevorderd was, nam de sultan eenige rust. Wat de jeugdige vorst betreft, hij bragt den nacht, als naar gewoonte, in eene voortdurende slapeloosheid door (want sedert hij betooverd was had hij niet kunnen slapen), doch nu gesterkt door de flaauwe hoop weldra van zijn lijden verlost te zullen worden.

Den volgenden morgen stond de sultan op zoodra de dag aanbrak. Dadelijk met de uitvoering van zijn voornemen beginnende, verborg hij in een' hoek zijn opperkleed, dat hem hinderlijk zou kunnen zijn, en ging naar het Tranenpaleis. Hij vond het door eene ontelbare menigte flambouwen van wit was verlicht, en bespeurde een' heerlijken geur, die uit een aantal wierookvaten van het fijnste goud opsteeg; deze wierookvaten waren bovendien buitengewoon kunstig en fraai bewerkt en in de schoonste orde gerangschikt. Zoodra hij de legerstede ontdekte, waarop de zwarte uitgestrekt lag, trok hij zijne sabel, benam den ellendeling, zonder eenigen tegenstand, het leven, en sleepte vervolgens het ontzielde ligchaam naar de binnenplaats van het kasteel, waar hij het in een' put wierp. Vervolgens ging hij zelf in het bed van den zwarte liggen en legde zijne sabel bij zich onder de dekens, om aldus zijn plan geheel te kunnen volvoeren.

De toovenares kwam al spoedig opdagen. Zij begaf zich eerst naar de kamer waar de koning der Zwarte Eilanden, haar echtgenoot, zich bevond, ontblootte zijnen rug en gaf hem weder op de schouders met een' lederen riem honderd geeselslagen, op eene zoo barbaarsche en wreede wijze, dat er geen voorbeeld van was. Te vergeefs vervulde de ongelukkige vorst het paleis met zijne jammerkreten, te vergeefs bad hij haar, medelijden met hem te hebben; de onmeêdoogende vorstin hield niet op, vóór zij hem de honderd slagen gegeven had. „Gij hebt geen medelijden met mijnen minnaar gevoeld,” zeide zij tot hem, „verwacht dus ook geen medelijden van mij.”—Nadat zij hem dus honderd geeselslagen gegeven had, hing zij hem het ruwe haren kleed en daarover den zijden met goudstof doorweven mantel weder om de leden, en begaf zich toen volgens hare gewoonte naar het Tranenpaleis. Toen zij er binnengetreden was, begon zij hevig te weenen en te weeklagen, en deed de lucht van hare klaagtoonen weêrgalmen. Zich vervolgens naar het bed, waarop zij meende dat haar minnaar lag, begevende, riep zij uit: „Welk eene wreedheid, om aldus de grootste genoegens eener liefde, zoo teeder, zoo hartstogtelijk als de mijne, te verwoesten! O gij, die mij verwijt dat ik onmenschelijk wreed ben, wanneer ik u de gevolgen mijner gramschap doe ondervinden, wreede vorst, overtreft uwe barbaarschheid niet verre de mijne? O, ellendeling! hebt gij niet, toen gij naar het leven stond van hem, dien ik aanbid, mij het mijne benomen? Helaas!” voegde zij er bij, het woord tot den sultan rigtende, meenende dat zij tot den zwarte sprak, „mijn licht, mijn leven, zult gij steeds blijven zwijgen? Hebt gij besloten mij te laten sterven zonder mij den troost te schenken, mij ten minste nog éénmaal te zeggen, dat gij mij bemint? Mijne ziel, mijn alles, spreek nog eens een enkel woord tot mij, ik smeek het u.” De sultan veinsde alsof hij uit eenen diepen slaap ontwaakte, en de stem van den zwarte nabootsende, antwoordde hij de koningin op een' ernstigen toon: „Bij den Almagtigen God is alleen kracht en magt.” De tooveres, die op geen antwoord had durven rekenen, gaf op het hooren zijner stem een' kreet van blijdschap. „Mijn dierbare meester,” riep zij uit, „bedrieg ik mij niet, is het werkelijk waar, dat ik u hoor en dat gij tot mij spreekt?” „Ongelukkige,” hernam de sultan, „zijt gij wel waard dat ik u antwoord?” „En waardoor,” zeide de koningin, „heb ik dit verwijt verdiend?” „De jammerkreten,” hernam hij, „het geween en het gekerm van uwen echtgenoot, dien gij iederen dag zoo onverdiend en zoo wreed kastijdt, houden mij dag en nacht uit den slaap. Ik zou reeds sedert lang genezen zijn, en de stem terug ontvangen hebben, wanneer gij hem van zijne betoovering verlost hadt; ziedaar de oorzaak der stilzwijgendheid waarover gij zoo vreeselijk klaagt.” „Welnu!” antwoordde de tooveres, „om u te bevredigen ben ik bereid alles te doen, wat gij mij gebiedt; wilt gij dat ik hem zijne vroegere gedaante teruggeve?” „Ja,” zeide de sultan, „haast u hem weder in vrijheid te stellen, opdat zijn weeklagen mij niet meer hindere.”

De tooveres verliet oogenblikkelijk het Tranenpaleis, zij nam een' kop met water, boog zich daarover heen, en sprak eenige woorden, die het water deden koken alsof het op 't vuur stond. Zij ging vervolgens naar de zaal, waarin zich de jonge koning haar gemaal bevond; besprenkelde hem met dit water en sprak daarbij de woorden: „Indien de Schepper van het Heelal u in uwen tegenwoordigen staat geschapen heeft, of indien Hij vertoornd op u is, zoo verander niet; maar indien gij slechts in dezen toestand zijt door de kracht mijner betoovering zoo herneem uwe natuurlijke gedaante, en wordt gelijk gij vroeger waart.” Nauwelijks had zij deze woorden gesproken, of de vorst gevoelde zich weder in zijnen voormaligen toestand. Hij stond met eene blijdschap, die niet te beschrijven is, naar goedvinden op, en dankte God voor zijne herstelling. De tooveres sprak daarop verder tot hem: „Ga, verwijder u uit dit kasteel, en zoo gij hier immer terugkomt, zal zulks u het leven kosten.”

De jeugdige koning, voor de noodzakelijkheid bukkende, verwijderde zich van de tooveres zonder een enkel woord te spreken, en begaf zich naar eene afgelegen plaats, waar hij met ongeduld op het verder welgelukken der onderneming van den sultan wachtte.

Middelerwijl keerde de tooveres naar het Tranenpaleis terug. Aldaar gekomen en steeds in den waan verkeerende, dat zij tot den zwarte sprak, zeide zij: „Dierbare geliefde, ik heb gedaan wat gij mij bevolen hebt; niets belet u thans van uwe legerstede op te staan, en mij daardoor een genoegen te schenken, dat ik zoo lang heb moeten ontberen.”

De sultan evenwel ging voort de stem van den zwarte na te bootsen, en antwoordde haar op een' norschen toon: „Hetgeen gij gedaan hebt, is niet voldoende om mij te herstellen; gij hebt slechts een gedeelte der kwaal weggenomen, doch zij moet met wortel en tak worden uitgeroeid.” „Mijn lieve zwarte,” hernam zij, „wat meent gij met wortel en tak?” „Ongelukkige,” antwoordde de sultan, „begrijpt gij niet dat ik die stad met hare inwoners en de vier eilanden, welke gij door uwe betooveringen allen verwoest hebt, bedoel? Iederen nacht ten twaalf ure steken die visschen in den vijver de koppen boven water, en roepen wraak over mij en over u. Dat is de eigentlijke oorzaak, waardoor ik niet herstellen kan. Breng zoo spoedig mogelijk alles in zijnen vroegeren toestand terug, en wanneer gij dan terugkomt, zal ik u de hand geven en zult gij mij helpen om op te staan.”

De tooveres riep, bij het hooren dezer hoopvolle woorden, in groote blijdschap uit: „Mijn leven, mijn alles, gij zult uwe gezondheid zeer spoedig geheel terug hebben; want ik zal onmiddelijk doen wat gij mij beveelt.” Zij vertrok dadelijk, en toen zij bij den vijver gekomen was, nam zij eenige droppelen van het betooverde water, besprengde daarmede de oppervlakte van de waterkom, en sprak een onttooverings-formulier over de visschen en den vijver uit. Oogenblikkelijk herrees de vroegere stad, de visschen werden mannen, vrouwen of kinderen, Mahomedanen, Christenen, Perzen of Joden, vrijen of slaven, ieder herkreeg zijne natuurlijke gedaante. De huizen en winkels hadden hunne vroegere bewoners, die alles in denzelfden toestand en in dezelfde orde wedervonden, als het was vóór de betoovering. Het talrijke gevolg van den sultan, dat zich op het grootste plein der stad gelegerd zag, was niet weinig verwonderd zich in één oogenblik te midden eener fraaie groote en digt bevolkte stad te bevinden.

Zoodra de tooveres deze wonderbare verandering had te weeg gebragt, spoedde zij zich naar het Tranenpaleis terug, om de vrucht harer gehoorzaamheid te plukken. „Mijn dierbare heer,” zeide zij binnentredende, „ik kom mij met u over het herstel uwer gezondheid verheugen; ik heb alles gedaan wat gij mij bevolen hebt: sta dus op en geef mij de hand.” „Kom bij mij,” zeide de sultan steeds met de stem van den zwarte. Zij naderde hem. „Kom toch, kom nog digter bij mij,” vervolgde hij. Zij voldeed aan zijn verzoek. Eensklaps sprong nu de sultan op, vatte haar zoo onverwachts bij den arm, dat zij geen tijd had van hare verbazing te bekomen en, met één slag van zijne sabel, scheidde hij haar ligchaam in twee deelen, die het eene regts, het andere links ter neder vielen. Dit verrigt hebbende, liet hij het lijk op de plek zelve liggen, verliet het Tranenpaleis, en ging den jeugdigen vorst der Zwarte Eilanden, die hem met ongeduld verbeidde, opzoeken. „Vorst,” zeide hij, hem omhelzende, „verblijd u, gij hebt niets meer te vreezen, uwe wreede vijandin leeft niet meer.”

De jonge vorst dankte den sultan op eene wijze zoo innig, zoo hartelijk, dat daaruit bleek hoe gevoelig zijn hart was voor de schoone pligt der erkentelijkheid. Hij besefte ten volle de gewigtige en groote dienst, hem door den sultan bewezen; en wenschte hem uit de volheid des harten een lang leven toe en alle mogelijke voorspoed en zegeningen. „Gij kunt van nu af aan,” zeide hem de sultan, „rustig in uwe hoofdstad wonen; tenzij dat gij in de mijne, die zoo digt bij is, wenscht te komen, ik zal er u met opene armen ontvangen, en gij zult er niet minder geëerd en geacht worden dan in uwe eigene stad.” „Magtig monarch, aan wien ik alles verpligt ben,” antwoordde de koning, „meent gij dan zoo digt bij uwe hoofdstad te zijn?” „Ja,” hernam de sultan, „ik meen zulks, de afstand bedraagt slechts vier of vijf uren.” „Er is één jaar reizens noodig om van hier in uw rijk te komen,” hernam de jonge vorst. „Ik kan best begrijpen, dat gij in den korten tijd, welken gij opgeeft, uit uwe hoofdstad hier zijt gekomen, maar zulks werd veroorzaakt omdat de mijne toen betooverd was, maar sedert dat dit niet meer het geval is, zijn de zaken geheel veranderd. Dat zal mij evenwel niet beletten u te volgen, al ware het tot aan de uiterste einden der aarde. Gij zijt mijn redder, en om u mijn gansche leven blijken mijner dankbaarheid te kunnen geven, wensch ik u te vergezellen, en verlaat ik zonder leedwezen mijn koningrijk.” De sultan was ten hoogste verwonderd te vernemen, dat hij zich zoo ver van zijne staten verwijderd bevond, en begreep niet hoe zulks mogelijk kon zijn. Maar de koning der Zwarte Eilanden gaf hem zulke overtuigende bewijzen van de waarheid zijner woorden, dat hij er ten laatste niet langer aan kon twijfelen. „Het doet er ook niets toe,” hernam toen de sultan, „de moeite der terugreis naar mijn rijk weegt lang niet op tegen het genoegen, dat ik gesmaakt heb, door u eene dienst te bewijzen, en in uwen persoon een' zoon te hebben verkregen; want, omdat gij mij de eer wilt aandoen mij te vergezellen, en omdat ik geene kinderen heb, beschouw ik u als zoodanig. Ik benoem u van dezen stond af aan tot mijnen erfgenaam en opvolger.”

Het gesprek tusschen den sultan en den koning der Zwarte Eilanden eindigde met betuigingen der innigste vriendschap, waarna de jeugdige vorst zich onledig hield met het maken der toebereidselen voor zijn vertrek. Na drie weken was de koning gereed, tot groot leedwezen van het geheele hof en van al zijne onderdanen, die uit zijne handen een zijner naaste bloedverwanten tot koning ontvingen.