Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Eerste deel

Part 7

Chapter 73,933 wordsPublic domain

De hoop, om uit zijne armoede verlost te worden, deed den visscher van gedachte veranderen. „Ik zou uw verzoek wel willen inwilligen,” zeide hij, „indien ik op uw woord staat kon maken; zweer mij bij den grooten naam van den almagtigen God, dat gij ter goeder trouw zult nakomen wat gij belooft, dan zal ik de vaas weder openen. Ik vertrouw, dat gij niet zoo goddeloos zult zijn eenen zoo vreeselijken eed te schenden.” De geest lag den eed af en de visscher deed daarop dadelijk het deksel van de vaas. Onmiddelijk steeg er damp uit op, en de geest hernam langzamerhand zijne vorige gedaante. Het eerste wat hij vervolgens deed, was de vaas met den voet in zee te stooten. Deze handelwijze deed den visscher schrikken. „Geest,” zeide hij, „wat beteekent dit? Wilt gij den eed, dien gij zoo juist gezworen hebt, schenden? en moet ik tot u zeggen wat de geneesheer Douban tot den Griekschen koning zeide:” „Laat mij leven, en God zal uwe dagen verlengen!” De vrees van den visscher deed den geest lagchen, die hem antwoordde: „Neen visscher, stel u gerust; ik heb de vaas tot mijn vermaak in het water geworpen, om te zien of gij er ook door ontsteld zoudt worden, om u te overtuigen, dat ik mijn woord gestand wil doen, neem uwe netten op en volg mij.” Deze woorden gezegd hebbende, ging hij heen, den visscher vooruit, die, met zijne netten beladen, hem met eenig wantrouwen volgde. Zij kwamen langs de stad, en klommen boven op eenen hoogen berg, waarna zij in eene uitgestrekte vlakte nederdaalden en bij eenen tusschen vier heuvelen gelegen vijver kwamen.

Toen zij aan den kant van den vijver gekomen waren, zeide de geest tot den visscher: „Werp uwe netten uit en vang visch.” De visscher twijfelde er niet aan eene groote menigte te zullen vangen, want hij zag den vijver van visschen wemelen; maar wat hem in het bijzonder verwonderde was, dat hij er zag die van vier verschillende kleuren waren: witte, roode, blaauwe en gele. Hij wierp zijne netten in het water, en ving er van ieder dezer kleuren één. Daar hij nimmer zulke visschen gezien had, kon hij niet ophouden ze te bewonderen, en oordeelende, dat hij er eene vrij aanzienlijke som voor zou kunnen krijgen, was hij over deze vangst uitermate verblijd. „Neem deze visschen meê,” zeide hem de geest, „en breng ze aan uwen sultan; hij zal er u meer geld voor geven, dan gij uw gansch leven gehad hebt. Gij kunt elken dag in dezen vijver komen visschen, maar ik waarschuw u, uwe netten iederen dag slechts éénmaal uit te werpen, anders zal er u een groot ongeluk van overkomen; pas dus op. Dit is de raad dien ik u geef: indien gij hem naauwkeurig opvolgt, zult gij er u wel bij bevinden.” Dit gezegd hebbende, stampte hij met den voet op de aarde, die zich opende en onmiddelijk weder sloot, nadat de geest in haren schoot verdwenen was.

De visscher, die besloten had, om de raadgevingen van den geest stiptelijk op te volgen, wachtte zich wel zijne netten voor den tweeden keer uit te werpen. Zeer tevreden met zijne vangst, sloeg hij den weg naar de stad weder in, over de vreemde gebeurtenis nadenkende, welke hem bejegend was. Hij ging regelregt naar het paleis van den sultan, om dezen zijne visschen aan te bieden. De sultan was ten hoogste verwonderd op het zien dezer vier visschen, hij nam ze den een na den ander op, en na ze langen tijd beschouwd te hebben, zeide hij aan zijnen groot-vizier: „Neem deze visschen en breng ze aan de bekwame hofmeesteres, mij door den koning van Griekenland gezonden, ik veronderstel dat zij wel even lekker als schoon zullen zijn.” De vizier bragt ze zelf naar de keukenmeesteres, en gaf ze haar eigenhandig over: „Ziedaar,” zeide hij tot haar, „vier visschen die men aan den sultan gebragt heeft, hij beveelt u, ze voor hem toe te bereiden.” Na aldus aan het hem gegeven bevel te hebben voldaan, keerde hij naar den sultan zijnen meester terug, die hem toen den last opdroeg, den visscher vier honderd goudstukken uit zijne schatkamer ter hand te stellen, wat hij terstond naauwkeurig deed. De visscher, die nimmer in eens eene zoo belangrijke som bezeten had, kon zich van zijn geluk bijna geen begrip vormen, het was hem alsof hij droomde. Maar hij ondervond weldra, dat het geen droom was, toen hij het geld ging gebruiken om in de behoeften van zijn huisgezin te voorzien.

De keukenmeesteres geraakte middelerwijl in de grootste verlegenheid. Zoodra zij de visschen, welke de vizier haar gegeven had, schoon gemaakt had, zette zij ze in eene pan met olie op het vuur, om ze te bakken. Toen zij dacht, dat ze aan de eene zijde gaar genoeg zouden zijn, keerde zij ze om. Maar, o ongehoord wonder! naauwelijks waren de visschen omgekeerd, of de muur der keuken spleet van een en eene dame van eene verwonderlijke schoonheid en een bevallig uiterlijk trad door de nieuwe opening de keuken binnen. Zij was in een gebloemd satijnen kleed van Egyptische snede gehuld, droeg groote oorbellen en een halssnoer van schitterende parelen, gouden met robijnen bezette armbanden, en had een myrten stokje in de hand. Tot groote verwondering van de hofmeesteres, die van verbazing sprakeloos en als aan den grond vastgenageld stond, trad de dame op de braadpan toe, en raakte een der visschen met haar stokje aan: „Visch, visch,” sprak zij, „bewijst gij wel den verschuldigden eerbied?” De visch niet antwoordende, herhaalde zij de zelfde vraag, waarop de vier visschen allen te gelijk de koppen ophieven, en haar duidelijk antwoordden: „Ja, ja, als gij telt, tellen wij ook; als gij uwe schulden betaalt, betalen wij de onzen; als gij vlugt, overwinnen wij en zijn wij tevreden.” Zoodra zij deze woorden gesproken hadden, smeet de jonge dame de pan omver, en keerde in de opening van de muur terug, welke zich achter haar sloot als of er nimmer eenige opening of scheur geweest ware.

Toen de over al deze wonderen verbaasde keukenmeesteres van haren schrik eenigzins bekomen was, nam zij de visschen, die op de gloeiende kolen gevallen waren, weder op; maar zij waren zoo zwart als steenkool geworden, en konde den sultan onmogelijk zóó voorgezet worden. Zij gevoelde er zeer groot leedwezen over, en begon bitter te weenen: „Helaas!” zeide zij, „wat moet er van mij worden? Ik ben verzekerd, dat wanneer ik aan den sultan vertel wat ik gezien heb, hij mij toch niet zal gelooven; wat zal hij vreesselijk vertoornd op mij zijn!”

Terwijl zij dus bekommerd was, trad de grootvizier binnen en vraagde haar of de visschen gereed waren. Zij verhaalde hem al wat er voorgevallen was, en gelijk men kan begrijpen, verwonderde hem dit verhaal in de hoogste mate; maar, zonder er iets van aan den sultan te zeggen, verzon hij eene uitvlugt, welke den sultan tevreden stelde. Intusschen liet de vizier den visscher onmiddelijk halen, en toen deze gekomen was, zeide hij tot hem: „Visscher, breng mij vier andere visschen, in alles gelijk aan die, welke gij reeds geleverd hebt, want er is een ongeluk meê voorgevallen, dat oorzaak is, dat men ze den sultan niet heeft kunnen voorzetten.” De visscher verhaalde hem niet, waarvoor de geest hem gewaarschuwd had; maar om zich te ontslaan van het verzoek, de visschen nog dien dag te leveren, verontschuldigde hij zich door den verren afstand waar ze gevangen werden, doch beloofde ze den volgenden morgen te zullen brengen.

De visscher begaf zich werkelijk den volgenden nacht naar den vijver. Hij wierp zijne netten uit, en vond er, toen hij ze weder optrok, vier visschen in, die gelijk de vorigen ieder van eene verschillende kleur waren. Hij keerde oogenblikkelijk terug en bragt ze binnen den bepaalden tijd aan den groot-vizier. Deze minister ging er zelf weder meê naar de keuken, waar hij, toen hij zich met de keukenmeesteres alleen bevond, de deur toegrendelde. De keukenmeesteres maakte de visschen in zijne tegenwoordigheid dadelijk schoon, en zette ze toen op het vuur, gelijk zij den vorigen dag met de vier anderen gedaan had. Toen zij aan de eene zijde gaar waren, en zij ze omgekeerd had, opende zich wederom de muur der keuken, dezelfde dame verscheen met haar stokje in de hand, naderde de braadpan, raakte een der visschen aan, rigtte dezelfde woorden tot hen, en allen gaven zij, de koppen opligtende, haar het zelfde antwoord. De jonge dame smeet daarop met haar stokje de braadpan nogmaals omver en verdween in den muur op de zelfde plek, waar zij er uit gekomen was. Toen de groot-vizier dit een en ander zelf gezien en gehoord had, zeide hij! „dit is te vreemd en te wonderbaar om er voor den sultan een geheim van te maken; ik zal hem van dit wonder kennis geven.” Hij ging hem dan ook terstond opzoeken, en deelde hem de gebeurtenis in zijn geheel naauwkeurig mede.

Toen de sultan dit vernomen had, betoonde hij er de grootste verwondering over, en stond er op, zelf het wonder bij te wonen. Hiertoe moest de visscher bij hem komen. „Vriend,” zeide hij tot hem, „kunt gij mij nog vier zulke visschen brengen?” De visscher gaf hierop een bevestigend antwoord, mits men hem drie dagen tijd gaf, om zijne belofte te vervullen. Toen de sultan hem dezen tijd toegestaan had, ging hij ten derden male naar den vijver, en was weder even gelukkig als vroeger. Hij bragt de vier visschen onmiddelijk bij den sultan, die er zeer verheugd over was, te meer daar hij niet verwacht had ze reeds zoo spoedig te zullen ontvangen; hij gaf den visscher weder vier honderd geldstukken.

Zoodra de sultan de visschen in zijn bezit had, liet hij ze in zijn vertrek brengen met al het noodige om ze te doen braden. Vervolgens sloot hij zich met den groot-vizier in zijne kamer op, waarna deze laatste de visschen toebereidde en in eene pan op het vuur zette. Toen ze aan de eene zijde gaar waren, keerde hij ze om; dan, onmiddelijk opende zich de muur, doch in plaats van de jonge dame, trad een zwarte uit de opening te voorschijn. Hij was als slaaf gekleed, van reusachtigen ligchaamsbouw, en had een' grooten groenen stok in zijne hand. Hij ging naar de pan, en met zijnen stok een der visschen aanrakende, sprak hij met eene bulderende stem: „Visch, visch, bewijst gij wel den verschuldigden eerbied?”

Op deze vraag hieven de visschen hunne koppen op, en antwoordden: „Ja, ja, wij bewijzen ze; als gij telt, tellen wij ook; als gij uwe schulden betaalt, betalen wij de onzen; als gij vlugt, overwinnen wij en zijn wij tevreden.”

Naauwelijks hadden zij deze woorden uitgesproken of de zwarte wierp de pan omver, midden in het vertrek, en veranderde de visschen in steenkolen. Daarna keerde hij trotsch in de opening terug, die zich onmiddelijk achter hem weder sloot, zoodat er niets meer van te zien was. „Wat ik thans gezien heb,” sprak de sultan tot den groot-vizier, „veroorzaakt mij de grootste onrust. Aan deze visschen is zeker iets geheimzinnigs en bijzonders verbonden, dat ik opgehelderd wil hebben.” Hij deed dadelijk den visscher voor zich verschijnen, en zeide tot hem: „Uwe visschen verontrusten mij zeer, waar hebt gij ze gevangen?” „Sire,” was zijn antwoord, „ik heb ze uit eenen vijver, die aan gene zijde van gindschen berg tusschen vier heuvelen gelegen is.” „Kent gij dien vijver, groot-vizier?” vraagde de sultan. „Neen Sire,” hernam deze, „ik heb hem nooit hooren noemen, niettegenstaande ik zestig jaren lang in dien omtrek jaag.” De sultan aan den visscher naar den afstand van den vijver tot aan het paleis vragende, vernam van dezen, dat het slechts drie uren gaans waren. Daar er dus, vóór het vallen van den avond, nog tijd genoeg was om den vijver te bezoeken, deed de sultan zijn gevolg te paard stijgen, terwijl de visscher hen tot gids diende.

Zij beklommen den berg en bemerkten, bij het afdalen, tot hunne groote verwondering, eene uitgebreide vlakte, die tot nog toe aan niemand hunner bekend was geweest. Vervolgens bereikten zij den vijver, die werkelijk tusschen vier heuvels gelegen was, gelijk de visscher dit verhaald had. Het water was zoo helder en doorschijnend, dat zij er duidelijk eene menigte visschen in bespeurden, gelijk aan die, welke de visscher aan het paleis gebragt had.

De sultan hield stil aan den kant des vijvers; en na eenigen tijd de visschen bewonderd te hebben, vraagde hij aan zijne hovelingen, hoe het mogelijk was, dat zij dezen vijver, die toch zoo digt bij de stad was, nooit gezien hadden? Zij antwoordden, dat zij er nooit iets van gehoord hadden. „Omdat gij allen met dit antwoord instemt, en ik, niet minder dan gij, over deze zaak verwonderd ben,” sprak de sultan, „zoo heb ik besloten, niet naar mijn paleis terug te keeren, vóór dat ik weet, hoe het komt, dat deze vijver zich nu hier bevindt, en dat er slechts visschen van vier verschillende kleuren in zijn.” Vervolgens gaf hij bevel, onmiddelijk een kamp bij den vijver op te slaan.

Na het ondergaan der zon, riep de sultan den groot-vizier afzonderlijk bij zich in zijne tent, en zeide tot hem: „Deze vijver alhier, de zwarte, die ons in mijn paleis is verschenen, en de visschen, die wij hebben hooren spreken, wekken mijne nieuwsgierigheid zoo zeer op, dat ik mijne begeerte om ze te bevredigen niet langer kan weêrstaan. Tot het bereiken van dit doel, heb ik een middel uitgedacht, waarbij ik mij evenwel alleen buiten het kamp moet begeven. Ik beveel u dus, om mijne afwezigheid geheim te houden. Blijf in mijne tent en wanneer morgen ochtend mijne emirs en hovelingen zich hier vertokken, zeg hun dan, dat ik, ten gevolge van eene ligte ongesteldheid, verlang alleen te zijn. Dit herhaalt gij iederen morgen tot aan mijne terugkomst.”

De groot-vizier deed zijn best, om den sultan van dit voornemen af te brengen. Hij stelde hem het gevaar voor oogen, waaraan hij zich blootstelde, maar te vergeefs was al zijne welsprekendheid; de sultan volhardde in zijn voornemen, en maakte zich tot de uitvoering er van gereed. Hij koos zich een ligte kleeding uit, ten einde meer gemak in het loopen te hebben, hij voorzag zich van eene sabel, en toen alles in zijn kamp in diepen slaap gedompeld was, vertrok hij onvergezeld.

Hij ging zonder groote moeite over een' der heuvels, en liep vervolgens door tot aan zonsopgang. Toen ontdekte hij in de verte een groot gebouw, waarover hij zeer verheugd was, dewijl hij aldaar de oplossing van het raadsel hoopte te vinden. Toen hij er digt bij was, bemerkte hij, dat het een schoon paleis, of liever een zeer sterk kasteel was, gebouwd van schoon gepolijst zwart marmer, gedekt met geslepen staal en glad gelijk een spiegel. Verblijd dat hij niet lang had behoeven te zoeken, alvorens iets te vinden dat zijn onderzoek waardig was, hield hij stil bij den voorgevel van het kasteel, en beschouwde dezen met groote aandacht. Vervolgens ging hij naar de poort met eene dubbele deur, waarvan de eene helft geopend was. Ofschoon de ingang geheel vrij was, zoo meende hij toch eerst te moeten aankloppen. Hij liet den klopper vrij zacht vallen, maar niemand ziende komen, dacht hij, dat men het niet gehoord had, en klopte voor de tweede maal harder; niemand verscheen. Hij herhaalde zijn kloppen nogmaals, doch zonder gevolg. Dit verwonderde hem uitermate, daar hij niet kon denken, dat een zoo goed onderhouden gebouw onbewoond zoude zijn. „Intusschen,” zeide hij bij zich zelven, „indien er niemand is, heb ik niets te vreezen, en is er iemand, welnu, dan heb ik wapens om mij te verdedigen.”

De sultan trad dus het voorportaal binnen, uitroepende: „Is hier niemand, om een' vreemdeling te ontvangen, die behoefte heeft aan verfrissching en lafenis?” Hij herhaalde deze vraag twee of drie malen, maar niettegenstaande hij zeer luide riep, ontving hij toch geen antwoord. Dit stilzwijgen vermeerderde zijne verbazing. Hij betrad vervolgens eene ruime binnenplaats, en zag naar alle zijden rond of hij niet iemand ontdekken kon. Dan, geen levend wezen deed zich aan zijne oogen op, hij ging dus verder en kwam in groote zalen, waarin zijden vloerkleeden lagen, waar de sofa's en zitbanken met in Mekka vervaardigd tapisseriewerk bekleed, en waar de gordijnen van kostbare Indische stoffen, met goud en zilver doorweven waren.

Hij trad vervolgens een wonderlijk vertrek binnen, in het midden waarvan zich eene groote waterkom bevond; op iederen hoek versierd met een' gouden leeuw. Het water vloeide uit den muil van ieder der vier leeuwen, en deze waterdroppels die waren als diamanten en paarlen, vormden een schoon geheel met de fontein, welke zich in het midden van het bekken bevond, en die haar water tot bijna tegen de op Arabische wijze beschilderde zoldering opwierp.

Het kasteel was aan drie zijden omgeven door schoone tuinen, voorzien van watervallen, bloem- en heesterperken, kleine boschjes en duizend andere verfraaijingen. Bovendien werd het aangename dezer bekoorlijke plek nog verhoogd door eene menigte vogels, die de lucht met hun welluidend gezang vervulden, en die hier gevangen werden gehouden door een net, dat over het paleis en de toppen der boomen was uitgespreid.

De sultan wandelde langen tijd door vertrekken en zalen, waarvan de eene hem al kostbaarder toescheen dan de andere. Toen hij moede was, zette hij zich neder in eene opene kamer, dat het uitzigt in den tuin had, en daar, verrukt over al het prachtige dat hij gezien had en nog rondom zich zag, begon hij over zijne verschillende ontmoetingen na te denken, toen eensklaps klaag- en jammertoonen tot zijne ooren doordrongen. Hij luisterde aandachtig toe, en onderscheidde duidelijk deze droevige woorden: „O, Fortuin, gij, die mij slechts korten tijd geluk hebt geschonken, en mij toen tot den rampzaligsten aller menschen hebt gemaakt, o, staak uwe vervolging, en maak, door een spoedigen dood, een einde aan mijne ellende! Helaas! hoe is het mogelijk, dat ik, na zooveel lijden, nog leef?”

De sultan, door deze weeklagten bewogen, stond op, om zich naar die zijde van het vertrek te begeven, van waar zij kwamen. Toen hij de deur van eene groote zaal bereikt had, ligtte hij de gordijn op, en zag een schoon welgemaakt jongeling, zeer rijk gekleed, en gezeten op eenen, een weinig boven den grond verheven troon. De droefheid sprak uit al zijne gelaatstrekken. De sultan ging tot hem en groette. De jongeling, zonder van zijnen zetel op te staan, boog zich zeer diep voor den sultan, en zeide tot hem: „Heer, ik acht het mijn pligt, dat ik voor u opsta en u de vereischte beleefdheid bewijze, maar duid het mij niet ten kwade, eene bijzondere reden verhindert mij daarin.”

„Heer,” antwoordde de sultan, „ik zeg u mijnen dank voor uwe hoogachting, en welke uwe verontschuldiging omtrent uwe zittende houding ook moge zijn, ik zal dit niet euvel opnemen. Ik betuig u mijne deelneming in uw lijden, en bied u mijne hulp aan. Gave God, dat het van mij afhing, om u verligting van smart te geven; ik zou er mijn uiterste best toe doen. Ik vlei mij met de hoop, dat gij mij uwe geschiedenis wel zult willen verhalen; maar wees zoo goed en zeg mij vooraf, welke vijver het is, die zich hier in de nabijheid bevindt, waarin men visschen van vier verschillende kleuren ziet; wat dit kasteel is; waarom gij er u in bevindt, en hoe het komt dat gij alleen zijt?” In plaats van op deze vragen te antwoorden, begon de jongeling bitter te weenen. „Wat is de Fortuin toch veranderlijk!” riep hij uit, „zij schept er behagen in om diegenen weder te verlagen, welke zij eerst verhoogd heeft. Waar leeft de mensch, die een' voortdurenden voorspoed geniet, en wiens levensdagen altijd helder en gelukkig zijn?”

De sultan, getroffen over zijnen treurigen toestand, vraagde hem dringend naar de oorzaak dier groote droefenis. „Helaas! Heer,” hernam de jongeling „weet gij dan een middel om mijne smarten te lenigen, en mijne tranen op te droogen?” Te gelijker tijd ligtte hij zijn opperkleed op, en deed aan den sultan zien, dat hij slechts mensch was tot aan de middel, en dat de andere helft van zijn ligchaam uit zwart marmer bestond.

De sultan was ten hoogste verwonderd over den jammervollen toestand van den jongeling. „Wat gij mij daareven deed zien,” riep hij, „verhoogt mijne nieuwsgierigheid nog meer; ik brand van ongeduld om uwe geschiedenis te vernemen, die ongetwijfeld hoogst wonderlijk moet zijn, en ik ben overtuigd, dat zij in verband staat met den vijver en zijne bewoners. Verhaal ze mij dus; gij zult er waarschijnlijk verligting door vinden, daar het voor ongelukkigen toch altijd troostvol is, wanneer zij iemand hunne rampen kunnen mededeelen.” „Ik wil het u niet weigeren,” hernam de ongelukkige, „ofschoon ik daardoor mijne smarten slechts vernieuw: maar bereid er u op voor om gebeurtenissen te vernemen, zoo wonderbaar als uwe verbeelding ze zich slechts kan voorstellen.”

GESCHIEDENIS VAN DEN KONING DER ZWARTE EILANDEN.

„Weet, Heer,” ging hij voort, „dat mijn vader Mahmoud koning van dezen staat was. Het is het koningrijk der Zwarte Eilanden, dat zijnen naam ontleent aan de vier heuvels, waarvan gij mij gesproken hebt. Deze heuvels waren vroeger eilanden, en de stad waar mijn vader zijn verblijf hield stond op de plaats, waar zich thans de vijver bevindt, dien gij gezien hebt. De oorzaak dezer veranderingen zult gij uit mijne geschiedenis vernemen.

De koning, mijn vader, stierf op zeventigjarigen leeftijd. Ik had naauwelijks den troon beklommen of ik trad in het huwelijk met een mijner nichten. Zij gaf mij tallooze blijken harer liefde, en van mijnen kant betoonde ik ook zooveel teedere genegenheid voor haar, dat er niets aan ons huwelijksgeluk ontbrak. Dit duurde zoo vijf jaren, toen ik bemerkte dat het hart der koningin had opgehouden voor mij te kloppen.

Eens, dat zij na den middag in het bad was, gevoelde ik lust tot slapen, en ging op eene sofa liggen. Twee van hare vrouwen, die in mijne kamer waren, zetten zich bij mij neder, de eene aan het hoofd, de andere aan het voeteneinde, ieder met een' waaijer in de hand, zoowel om mij te verfrisschen, als om de vliegen, die mij zouden kunnen verontrusten, te verjagen. Zij waanden dat ik sliep, en spraken zeer zacht, doch ik hield slechts mijne oogen gesloten, en verloor geen woord van hun gesprek.

De eene dezer vrouwen zeide tot de andere: „Heeft de koningin niet groot ongelijk, om eenen vorst, zoo beminnelijk als de onze, niet lief te hebben?” „Zeker,” zeide de andere, „ik begrijp niet waarom zij elken nacht uitgaat, en hem alleen laat. Hoe komt het dat hij er niets van bemerkt?” „O,” hernam de eerste; „dat komt door dat zij iederen avond zeker vocht in zijnen avonddrank mengt, waardoor hij in eenen diepen slaap gedompeld wordt; alsdan heeft zij den tijd om te gaan waarheen zij wil, en bij het aanbreken van den dag bij hem terug te komen. Vervolgens wekt zij hem door een fleschje met zeker reukwater onder zijn' neus te houden.”

Oordeel, Heer, over mijne verbazing en mijne gewaarwordingen, toen ik dit hoorde. Evenwel bezat ik zelfbeheersching genoeg, om mij niet te verraden; ik hield mij als of ik juist ontwaakte en niets gehoord had.

De koningin keerde uit het bad terug; wij gebruikten ons avondeten, en vóór dat wij gingen slapen, bood zij mij zelve mijnen avonddrank aan. In plaats van den beker evenwel leêg te drinken, wierp ik den inhoud behendig buiten het venster, zoodat zij niets bemerkte. Ik gaf haar vervolgens den beker terug, opdat zij er niet aan twijfelen zou, dat ik hem geledigd had.