Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Eerste deel

Part 6

Chapter 63,902 wordsPublic domain

Deze koning nu had een groot-vizier, gierig, afgunstig en van nature tot allerlei boosheden in staat. Hij zag niet zonder nijd, dat een vreemdeling, wiens schitterende talenten hem meer en meer in de schaduw stelden, zulke rijke geschenken ontving en bij den vorst zoo hoog in gunst stond. Daarom besloot hij Douban bij den koning gehaat te maken. Met dit doel ging hij tot den vorst en zeide, dat hij hem een' raad van het allerhoogste gewigt te geven had. „En die raad is?” vroeg de vorst. „Sire,” sprak de vizier, „het is voor een' groot monarch zeer gevaarlijk vertrouwen te stellen in iemand, wiens trouw niet beproefd is. Terwijl uwe Majesteit den geneesheer Douban met uwe hooge gunst en weldaden overlaadt, bedenkt gij niet, Sire, dat deze besteed worden aan een' verrader, die zich slechts aan dit hof heeft ingedrongen om u te dooden.” „Hoe weet gij, hetgeen gij mij daar durft zeggen?” vraagde de koning. „Bedenk wel dat gij tegen mij spreekt, en met eene beschuldiging voor den dag komt, waaraan ik niet ligt geloof zal slaan!” „Sire,” antwoordde de vizier, „ik ben zeer goed onderrigt omtrent de zaak, die ik de eer heb, uwe Majesteit voor te dragen. Berust daarom niet in een zoo gevaarlijk vertrouwen. Is uwe Majesteit blind voor het gevaar dat zij loopt, het is mijn pligt, haar de oogen te openen, en ik moet het herhalen, de arts Douban is met geen ander oogmerk uit Griekenland aan dit hof gekomen, dan om het snoode ontwerp, waarvan ik u gesproken heb, ten uitvoer te brengen.” „Neen, neen, vizier,” viel de koning in, „ik ben verzekerd, dat deze man, dien gij van trouweloosheid en verraad aanklaagt, de deugdzaamste en beste der menschen is; niemand ter wereld is mij liever dan hij. Gij zelf weet, door welk middel of beter door welk wonder hij mij van mijne melaatschheid genezen heeft. Indien hij mij naar 't leven stond, waartoe zou hij mij gered hebben? Hij had mij slechts aan mij zelven over te laten in den toestand waarin ik mij bij zijne komst bevond, en zijn doel zou reeds lang bereikt zijn. Blaas mij dus niet langer onregtvaardige vermoedens in. In plaats van daaraan gehoor te geven, zal ik van heden af aan dien grooten man, zijn leven lang, eene maandelijksche uitkeering schenken van duizend sequinen. Wanneer ik al mijne schatten met hem deelde, ja, hem de helft van mijn rijk gaf, ik zou daarmede niet naar waarde kunnen vergelden, hetgeen hij aan mij gedaan heeft. Ik zie wel wat er aan scheelt, gij zijt afgunstig op zijne deugd; maar geloof niet dat gij er ooit in slagen zult mij tegen dien man in te nemen; te wel herinner ik mij, hetgeen zeker vizier tot den koning Sindbad zeide, om hem te weêrhouden dat hij den prins zijn' zoon zou dooden.”

„Sire,” hernam de vizier, „ik smeek uwe Majesteit mij de stoutmoedigheid te vergeven, wanneer ik u verzoek, mij wel te willen mededeelen, wat de vizier van den koning Sindbad tegen dezen zijnen heer zeide, om hem terug te houden den prins zijnen zoon ter dood te brengen?” De koning had de inschikkelijkheid om aan dit verzoek te voldoen. „De vizier van den koning Sindbad,” antwoordde hij, „na aan zijnen vorst te hebben doen opmerken, dat hij moest vreezen alleen op beschuldiging van eene schoonmoeder tot eene daad over te gaan, waarover hij welligt later groot berouw zou gevoelen, vertelde hem deze geschiedenis.”

GESCHIEDENIS VAN DEN MAN EN DEN PAPEGAAI.

Een jaloersche man had eene zeer schoone vrouw, en beminde haar zoo hartstogtelijk, dat hij haar bijna nimmer uit het oog verloor. Eens dat hij voor dringende zaken op reis moest, begaf hij zich vooraf naar een' vogelverkooper, die er alle soorten van vreemde vogels op nahield, en kocht van dezen een' papegaai, die niet alleen zeer goed kon praten, maar daarbij de zonderlinge gave bezat, alles wat in zijne tegenwoordigheid voorviel te kunnen navertellen. Hij bragt hem in eene fraaie kooi te huis, en verzocht zijne vrouw deze in hare kamer te plaatsen, en gedurende zijne afwezigheid goede zorg voor den vogel te dragen, waarna hij op reis ging.

Bij zijne terugkomst verzuimde hij niet den papegaai te ondervragen, naar hetgeen gedurende zijne afwezigheid had plaats gehad, en de vogel deelde hem zaken mede, waaruit hij reden meende te hebben, om zijne vrouw harde verwijten te doen. Zij dacht, dat eene van hare slavinnen haar verraden had, doch deze bezwoeren allen hare onschuld, zoodat zij eindelijk op de gedachte kwam, of ook de papegaai de verrader kon zijn. Met dit denkbeeld bezield, was de vrouw bedacht op een middel om de kwade vermoedens van haren man weg te nemen, en zich tevens op den papegaai te wreken. Zij had hiertoe spoedig gelegenheid, want toen haar man kort daarna weder voor één' dag en nacht op reis was, gaf zij eene harer slavinnen bevel gedurende dien nacht met een' handmolen onder de kooi van den papegaai te draaijen, aan eene andere om met een' gieter water op de kooi te storten, even als of het zwaar regende, terwijl eene derde in last kreeg met eenen spiegel, waar tegen zij een kaarslicht liet schijnen, voor de oogen van den papegaai heen en weer te zwaaijen. De slavinnen waren met dit werk den ganschen nacht bezig, en kweten er zich met behendigheid van.

Toen de man den volgenden morgen terug kwam, haastte hij zich den papegaai te ondervragen, over hetgeen ditmaal ten zijnent was voorgevallen. „Mijn goede meester,” antwoordde de vogel, „de bliksem, de donder, de wind en de regen hebben mij dezen ganschen nacht zoo geplaagd, dat ik u bijna niet kan zeggen, hoe ik er onder geleden heb.” De man, die wel wist, dat het dien nacht noch gedonderd, noch geregend had, was overtuigd dat de papegaai hem maar wat voorjokte, en leidde daaruit af, dat hij hem ook den vorigen keer geene waarheid gezegd had. Hij werd hierover zoo toornig, dat hij den vogel uit zijne kooi rukte en dood ter aarde wierp. Later echter vernam hij van zijne buren, dat de papegaai hem over het gedrag zijner vrouw, gedurende zijne afwezigheid, goed had ingelicht, zoodat hij groot berouw kreeg het onschuldige dier gedood te hebben.

VERVOLG VAN DE GESCHIEDENIS VAN DEN GRIEKSCHEN KONING EN DEN GENEESHEER DOUBAN.

Toen de Grieksche koning,” vervolgde de visscher tot den geest, „de geschiedenis van den man en den papegaai geëindigd had, maakte hij daaruit deze toepassing: „En gij vizier, door een' onbillijken naijver tegen den medicijnmeester Douban, die u nooit eenig leed heeft gedaan, ingenomen, wilt dat ik hem zal doen ombrengen. Maar ik zal er mij wel voor in acht nemen, uit vreeze dat ik er spoedig berouw van mogt hebben, even als de man die den papegaai doodde.” Het was voor den boosaardigen vizier van te veel belang, Douban ten val te brengen om het hierbij te laten berusten. „Sire,” bragt hij in, „de dood van den papegaai had weinig te beduiden, en ik kan mij niet voorstellen, dat zijn meester er lang over zal hebben getreurd. Maar waarom zou de vrees om misschien een' onschuldige te treffen, u weêrhouden den geneesheer te laten dooden. Is de beschuldiging u naar het leven te staan, die tegen hem wordt ingebragt, niet reeds voldoende om u het regt te geven, hem het zijne te doen verliezen? Wanneer het de veiligheid van een' groot koning geldt, moet reeds de minste verdenking tot handelen leiden. Het is veiliger en beter een onschuldige op te offeren, dan welligt den schuldige te sparen. Maar, Sire, het geldt hier geene onzekere zaak, de arts Douban wil u vermoorden. Het is geene afgunst, welke mij tegen hem bezielt, het is alleen het belang dat ik in het behoud van uwe Majesteit stel, het is alleen mijne getrouwheid, die mij dringt, u, Sire, een' raad te geven, die voor uwe veiligheid van het allerhoogste gewigt is. Is die raad slecht, dan verdien ik op dezelfde wijze gestraft te worden als zeker vizier vroeger gestraft werd.” „En wat had die vizier misdreven,” vroeg de Grieksche koning, „dat hem strafwaardig maakte?” „Ik zal het u mededeelen, Sire,” antwoordde de vizier, „heb de goedheid mij aan te hooren.”

GESCHIEDENIS VAN DEN GESTRAFTEN VIZIER.

Er leefde eertijds een koning, die een' zoon had, welke een hartstogtelijk liefhebber van de jagt was. De koning, zijn vader, vergunde hem gaarne dit vorstelijk vermaak, doch hij gaf aan zijn' grootvizier last, hem steeds te vergezellen en nimmer uit het oog te verliezen. Op zekeren dag, dat de jagers een groot en schoon hert hadden opgedreven, zette de prins, niet anders denkende of de vizier zou hem op den voet volgen, het hert na. Zich door zijne drift latende vervoeren, bevond hij zich weldra op grooten afstand van het jagtgezelschap en geheel alleen te midden van eene hem onbekende wildernis. Hij wilde nu op zijnen weg terug keeren, om zich weder bij den vizier te voegen, die verzuimd had hem te volgen, maar bemerkte weldra dat hij verdwaald was. Terwijl hij nu, in het onzekere waarheen hij zijne rigting zou nemen, dan dit, dan weder een ander pad opreed, ontmoette hij, op eene plaats waar de weg een' driesprong vormde, eene dame, schoon van aangezigt, doch bitter schreijende. De jonge prins hield de teugels van zijn paard in, en vroeg aan de dame wie zij was, wat zij alleen in dit eenzame oord zocht, en of hij haar ook welligt van dienst kon zijn? „Zie in mij,” antwoordde zij, „de dochter van eenen Indischen koning. Terwijl ik in het open veld een' rid te paard maakte, overviel mij de slaap, en viel ik uit den zadel. Mijn paard is doorgegaan, en ik weet niet wat daarvan geworden is.” De prins had medelijden met de prinses, en deed het voorstel haar achter zich te nemen, hetgeen zij met vreugde aannam. Toen zij nu voorbij een' ouden bouwval kwamen, verzocht zij een oogenblik te mogen afstijgen. De prins sprong van zijn paard en bood haar de hand. Maar hoe groot was zijne verbazing toen hij de dame, die zich in den bouwval begeven had, nu overluid hoorde zeggen: „Verblijd u, kinderen, ik breng u ditmaal een' schoonen jongeling mede, die welgevoed en vet is;” waarop andere stemmen antwoordden: „Mama, waar is hij? opdat wij hem dadelijk kunnen opeten, want wij hebben grooten eetlust.”

De prins had niet noodig meer te hooren, om het gevaar te beseffen, waarin hij zich bevond. Hij bemerkte thans dat de dame, welke zich voor de dochter van een' Indischen koning had uitgegeven, de vrouw was van een' wildeman, welke vrouwen in de eenzaamste en meest woeste oorden haar verblijf houden; en zich van duizenderlei listen bedienen om de eenzame of verdwaalde reizigers ten harent te lokken, en ze als een lekker brokje verslinden. Hevig verschrikt, wierp de prins zich in den zadel. Op dit oogenblik verscheen de gewaande prinses, en ziende dat haren aanslag dreigde te mislukken, riep zij den prins toe: „Vrees niet, waar wilt gij heen gaan?” „Ik ben verdwaald,” antwoordde hij, „en ik zoek den regten weg.” „Indien gij verdwaald zijt,” zeide zij, „beveel u dan Gode aan, die u uit de verlegenheid, waarin gij u bevindt, kan redden.” De jeugdige prins, die zeer goed begreep, dat de gewaande prinses niet opregt met hem sprak, en steeds vreesde in hare handen te zullen vallen, hief de oogen ten hemel, en riep uit: „Almagtig God en Heer, zie in genade op mij neder, en verlos mij van deze vijandin.” Na dit gebed trad de vrouw van den wildenman den bouwval weder binnen, terwijl de prins zich in groote haast verwijderde. Gelukkig vond hij den regten weg weder, en kwam gezond en wel bij den koning zijn' vader terug, wien hij in alle bijzonderheden het gevaar, dat hij door de schuld van den groot-vizier geloopen had, mededeelde. De koning, hierdoor tegen dezen minister in hevigen toom ontstoken, liet hem oogenblikkelijk dooden.

VERVOLG DER GESCHIEDENIS VAN DEN GRIEKSCHEN KONING EN DEN GENEESHEER DOUBAN.

„Sire,” vervolgde de vizier van den Griekschen Koning, „om op den geneesheer Douban terug te komen, indien gij niet voorzigtig zijt, zal u het vertrouwen, dat gij in hem stelt, hoogst noodlottig worden. Ik weet uit eene goede bron, dat hij een spion is, door uwe vijanden omgekocht, om uwe Majesteit van het leven te berooven. Hij heeft u genezen, zegt gij, niet waar! maar wie verzekert u zulks! Waarschijnlijk heeft hij u slechts in schijn, en niet geheel afdoende hersteld. Wie weet of zijn geneesmiddel met der tijd niet eene hoogst schadelijke uitwerking zal hebben.”

De koning van Griekenland, die noch een vlug begrip, noch een groot verstand bezat, had te weinig doorzigt om de slechte bedoelingen van zijnen vizier te doorgronden, en te weinig vastheid van karakter, om in zijn eerst genomen besluit te blijven volharden. De woorden van den vizier schokten hem. „Vizier,” zeide hij, „gij hebt gelijk; misschien is hij alleen gekomen om mij om het leven te brengen, zelfs de reuk van een zijner geneesmiddelen zou mij den dood kunnen veroorzaken. Wij moeten zien hoe wij in dezen het verstandigst handelen.”

Toen de vizier zag, dat de koning geheel in de meening verkeerde zoo als hij die wenschte, zeide hij tot hem: „Sire, het zekerste en beste middel, om uwe rust te verzekeren en uw leven in veiligheid te stellen, is de geneesheer Douban onmiddelijk te laten halen, en hem dadelijk bij zijne komst te doen onthoofden.” „Inderdaad,” hernam de koning, „ik geloof, dat ik daardoor zijn vreeselijk voornemen moet verijdelen.” Dit gezegd hebbende, riep hij een zijner officieren en beval hem den geneesheer te gaan halen. Deze, niet wetende wat de koning hem te zeggen had, begaf zich in haast naar het koninklijk paleis. „Weet gij wel,” vroeg de koning, hem ziende, „waarom ik u hier heb laten roepen?” „Neen, Sire,” antwoordde Douban, „en ik bid uwe Majesteit zich te verwaardigen mij daarvan te onderrigten.” „Ik heb u laten komen,” hernam de koning, „om mij van u te bevrijden door u het leven te benemen.”

Het is niet mogelijk de verbazing van den geneesheer uit te drukken, toen hij aldus zijn doodvonnis hoorde uitspreken. „Sire,” zeide hij, „welke reden kan uwe Majesteit hebben, om mij te doen sterven? Welke misdaad heb ik bedreven?” „Ik heb uit eene goede bron vernomen,” hernam de koning, „dat gij een spion zijt; en dat gij slechts aan mijn hof verschenen zijt, om mij naar het leven te staan; maar om u te voorkomen, wil ik u het uwe benemen. Sla toe,” voegde hij den beul, die tegenwoordig was, toe, „en verlos mij van een' verrader, die zich hier alleen heeft ingedrongen om mij te vermoorden.”

Op dit wreede bevel begreep de geneesheer zeer goed, dat de eerbewijzingen en de weldaden, welke hij ontvangen had, hem vijanden hadden verwekt, en dat zij den zwakken koning door hunne lasteringen tot zijnen dood hadden doen besluiten. Het berouwde hem, den vorst van zijne melaatschheid te hebben genezen; maar dit berouw kwam te laat. „Is het op dusdanige wijze,” zeide hij tot hem, „dat gij de u bewezen weldaad beloont?” Maar de koning luisterde niet naar hem, en beval ten tweeden male aan den beul om den doodelijken slag toe te brengen. De geneesheer zocht hulp in bidden en smeeken. „Helaas! Sire,” riep hij uit, „spaar mijn leven, en God zal het uwe verlengen, doe mij niet sterven, uit vrees dat God ook niet op dezelfde wijze jegens u handele.””

* * * * *

De visscher hield hier in zijn verhaal op, en rigtte het woord tot den geest. „Welnu! geest,” zeide hij tot hem, „gij ziet, dat hetgeen toen tusschen den Griekschen koning en den geneesheer Douban voorviel geheel overeenkomt met wat zoo even tusschen ons is voorgevallen.

* * * * *

De Grieksche koning, in plaats van op de ootmoedige smeekingen van den geneesheer acht te slaan, hernam met hardheid: „Neen, neen, het is volstrekt noodzakelijk dat ik u doe sterven. Gij zoudt mij nog op eene behendiger wijze het leven kunnen benemen, dan waarop gij mij genezen hebt.” De geneesheer berstte in tranen los, en beklaagde zich bitter, dat de dienst, die hij den koning bewezen had, zoo slecht werd beloond. Hij bereidde er zich inmiddels op voor, om zijn vreesselijk lot te ondergaan. De beul deed hem den blinddoek voor de oogen, bond hem de handen, en sloeg de hand aan de sabel, om die uit de scheede te trekken.

De hovelingen, die hierbij tegenwoordig waren, met het lot van den ongelukkigen Douban begaan, baden den koning hem genade te verleenen; verzekerende dat hij onschuldig was, waarvoor zij borg wilden blijven. Maar de vorst was onverbiddelijk, en sprak hen op eene wijze toe, dat zij geen woord meer durfden uitbrengen.

De geneesheer, geknield, geblinddoekt, en ieder oogenblik den slag afwachtende die zijn leven zou doen eindigen, wendde zich nog éénmaal tot den koning, zeggende: „Sire, daar uwe Majesteit mijn doodvonnis toch niet wil herroepen, bid ik haar mij ten minste de genade te verleenen, dat ik mij nog eerst naar mijne woning begeve, om de noodige beschikkingen voor mijne begrafenis te maken, mijn huisgezin een laatst vaarwel te zeggen, aalmoezen uit te deelen, en mijne boeken aan personen te maken, welke genoeg kunde bezitten, om er een goed gebruik van te maken. Ik bezit onder anderen een boek, dat ik uwe Majesteit wensch te schenken, omdat het een hoogst kostbaar werk is, wel waardig om zorgvuldig in uwe schatkamer geborgen te worden.” „En waarom is dat boek zoo kostbaar als gij zegt?” hernam de koning. „Sire,” antwoordde de geneesheer, „dit werk bevat een groot aantal hoogst merkwaardige zaken, waarvan de voornaamste is, dat, wanneer men mij het hoofd zal hebben afgeslagen, en uwe Majesteit zich dan de moeite wil geven, het boek tot aan het zesde blad te openen en te lezen hetgeen op den derden regel van dat blad aan de linkerhand staat, mijn hoofd al de vragen zal beantwoorden, welke uwe Majesteit tot hetzelve zal willen rigten.” De koning, zeer nieuwsgierig om eene zoo wonderlijke zaak te zien, stelde de teregtstelling tot den volgenden dag uit, en zond Douban onder eene zorgvuldige bewaking naar huis.

De geneesheer stelde inmiddels orde op zijne zaken, en daar het gerucht zich verspreid had, dat er een ongehoord wonder na zijnen dood zoude plaats hebben, begaven zich de vizier, de emirs, de officieren der lijfwacht, in een woord het geheele hof, den volgenden dag naar de audientiezaal om er getuige van te zijn.

De geneesheer Douban verscheen weldra, hij naderde tot aan den voet van den koninklijken troon met een dik boek in de hand. Vervolgens liet hij zich een bekken brengen, waarop hij den doek uitspreide, die om het boek was gewonden, en het den koning aanbiedende, zeide hij: „Sire, neem dit boek en beveel dat mijn hoofd, zoodra het gevallen zal zijn, in het bekken op den doek, waarmede het boek omwonden is, worde nedergezet. Zoodra het daarop geplaatst zal zijn, zal het ophouden met bloeden; open alsdan het boek, en mijn hoofd zal uwe vragen beantwoorden. Maar Sire,” voegde hij er bij, „veroorloof mij, uwe Majesteit nog eenmaal om de genade te smeeken. Laat u in Gods naam verbidden; ik betuig u plegtig dat ik onschuldig ben.” „Uwe gebeden,” hernam de koning, „kunnen mij niet van besluit doen veranderen. Al ware het ook maar om uw hoofd na uwen dood te hooren spreken, wil ik dat gij sterft.” Dit zeggende nam hij het boek uit de handen van den geneesheer, en beval den beul zijn pligt te doen.

Het hoofd werd zoo behendig van den romp gescheiden, dat het in het bekken viel; en naauwelijks was het op den doek geplaatst of het hield op met bloeden. Tot groote verbazing van den koning en van alle toeschouwers, opende het toen de oogen, en sprak: „Sire, uwe Majesteit gelieve het boek te openen.” De koning opende het, doch daar het eerste blad als aan het tweede vastgeplakt zat, bragt hij, om het gemakkelijker om te slaan, den vinger aan den mond om dien nat te maken. Dit deed hij tot aan het zesde blad, en daarop niets geschreven vindende, zeide hij tot het hoofd: „Doctor, er staat hier niets geschreven.” „Sla nog eenige bladen om,” hernam het hoofd. De koning ging daarop voort met het omslaan der bladen, steeds den vinger aan den mond brengende tot dat het vergift, waarmede ieder blad was doortrokken, zijne werking begon te doen. De vorst gevoelde eensklaps eene vreemde gewaarwording, zijne oogen werden beneveld, en in hevige stuiptrekkingen zakte hij aan den voet van zijn' troon in een.

Toen de geneesheer Douban, of liever zijn hoofd zag, dat het vergift zijne uitwerking had gedaan, en dat den koning nog slechts weinige oogenblikken levens overschoten, riep het uit: „Tyran, ziedaar op welke wijze de vorsten gestraft worden, die van hunne magt misbruik maken, en het bloed van onschuldigen vergieten. God straft vroeg of laat hunne ongeregtigheid en hunne wreedheid.” Naauwelijks had het hoofd deze woorden gesproken, of de koning viel dood ter neder, en ook het hoofd verloor het weinige leven dat nog aan hetzelve was bijgebleven.””

* * * * *

„Sire,” vervolgde Scheherazade, „aldus was het einde van den Griekschen koning en den geneesheer Douban, ik wil thans de geschiedenis van den visscher en den geest gaan vervolgen.

VERVOLG DER GESCHIEDENIS VAN DEN VISSCHER EN DEN GEEST.

Zoodra de visscher de geschiedenis van den Griekschen koning en den geneesheer Douban geeindigd had, maakte hij daarop de volgende toepassing voor den geest, dien hij steeds in de vaas opgesloten hield.

„Indien de Grieksche koning,” zeide hij, „den arts in het leven had gelaten, zou God hem ook het zijne hebben doen behouden; maar hij hoorde niet naar zijne ootmoedigste smeekingen, en God heeft hem daarvoor gestraft. Zoo is het ook met u, o geest! indien ik u had kunnen vermurwen en de genade waarom ik u bad van u had kunnen verwerven, zou ik thans medelijden hebben met den toestand waarin gij u bevindt; maar dewijl gij, in weêrwil der zoo groote verpligting, welke gij jegens mij hadt, omdat ik u in vrijheid had gesteld, toch in uw voornemen om mij te dooden zijt blijven volharden, moet ik op mijne beurt onverbiddelijk zijn. Ik zal, door u in deze vaas opgesloten te laten en u weder in zee te werpen, u tot aan het einde der eeuwen van het gebruik des levens berooven; ziedaar de wraak, die ik mij voorneem op u te nemen.”

„Visscher, mijn waarde vriend,” antwoordde de geest, „ik bezweer u eene niet zoo wreede wraak op mij te nemen. Bedenk, dat alle wraak hoogst liefdeloos is, en dat het integendeel zeer prijsselijk is, kwaad met goed te vergelden; behandel mij niet gelijk Imma weleer Ateca behandelde.” „En wat deed Imma met Ateca?” hernam de visscher. „Ja!” antwoordde de geest, „indien gij die geschiedenis wenscht te hooren, open dan vooraf deze vaas; meent gij dat ik zoo, in uwe gevangenis opgesloten, lust heb u geschiedenissen te vertellen? Ik zal er u zoo velen verhalen als gij maar wilt, wanneer gij mij eerst weder uit deze vaas bevrijd hebt.” „Neen,” zeide de visscher; „ik zal u niet verlossen, gij praat te vergeefs, ik zal u in het diepste der zee werpen.” „O visscher,” riep de geest daarop uit, „ik beloof u, u volstrekt geen kwaad te zullen doen, integendeel wil ik u een middel aan de hand geven om verbazend rijk te worden.”