Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Eerste deel

Part 5

Chapter 53,710 wordsPublic domain

Daar deze tien jaren thans verstreken zijn, heb ik mij op weg begeven om de toovergodin te gaan vinden, en hier voorbij komende, ontmoette ik dezen koopman en dezen goeden grijsaard met de hinde. O! vorst der geesten, ziedaar mijne geschiedenis, vindt gij ze niet zeer wonderbaar?” „Dat stem ik toe,” antwoordde de geest, „en daarom zij den koopman het tweede derde deel kwijt gescholden van de misdaad, waaraan hij zich jegens mij heeft schuldig gemaakt?”

* * * * *

Dadelijk nam nu de derde grijsaard het woord, en deed aan den geest hetzelfde voorstel als de beide anderen hem gedaan hadden. De geest nam er genoegen mede en de grijsaard verhaalde zijne geschiedenis, door verscheidenheid en wonderlijke avonturen nog boeijender dan die der twee andere grijsaards. De geest was er dan ook geheel door bevredigd, en schonk den koopman het laatste derde deel zijner schuld kwijt. „Hij mag u alle drie wel bedanken,” vervolgde de geest, „dat gij hem door uwe geschiedenissen uit zijne gevaarlijken toestand gered hebt, zonder u zou hij thans niet meer onder de levenden zijn.” Bij het eindigen dezer woorden verdween de geest.

De koopman bleef niet in gebreke zijnen dank aan zijne bevrijders te betuigen. Zij namen vervolgens afscheid van elkander, en ieder hunner vervolgde zijnen weg. De koopman haastte zich naar zijne vrouw en kinderen terug te keeren, en bragt met hen zijne overige levensdagen in volkomen huisselijk geluk door.

GESCHIEDENIS VAN DEN VISSCHER.

In vroegeren tijd leefde er een visscher, die hoog bejaard en daarbij zoo arm was, dat hij groote moeite had aan zijne vrouw en drie kinderen, waaruit zijn huisgezin bestond, het noodige onderhoud te verschaffen. Hoewel hij eene gelofte gedaan had om, hetzij hij veel of weinig visch ving, zijne netten nimmer meer dan viermaal daags uit te werpen, ging hij toch elken morgen vóór zonsopgang op de vischvangst.

Op zekeren morgen, dat hij reeds bij maneschijn, dus voor het aanbreken van den dag, van huis ging, begaf hij zich naar een' inham der zee, waar hij zijne netten uitwierp. Toen hij ze weder ophaalde en naar het strand trok, voelde hij een' sterken tegenstand, hetgeen hem hoop gaf op eene goede vangst, waarover hij zich reeds vooruit verheugde. Doch die vreugde ging weldra in droefheid en bittere teleurstelling over, want in plaats van de verwachte visch vond hij, toen hij het net met inspanning van al zijne krachten opgetrokken had, daarin niets dan het geraamte van een ezel.

Nadat de visscher, zeer ter neêrgeslagen wegens deze slechte vangst, zijne netten, die door het ezelsgeraamte zeer beschadigd waren, weder hersteld had, wierp hij die voor de tweede maal uit. Weder ondervond hij bij het ophalen eenen hevigen tegenstand, als of het net vol groote visschen ware, maar wat hij dit maal optrok was eene met puin en slijk gevulde mand. „O Fortuin!” riep thans de arme visscher op klagenden toon, „wees niet op mij vergramd, en kwel geen ongelukkige, die u smeekt hem te sparen! Ik ben van huis gegaan om hier iets te zoeken tot onderhoud mijns levens, en wat gij mij vinden doet is voor mij de dood. Ik heb geen ander middel van bestaan, en hoezeer ik moeite noch arbeid ontzie, is het mij hoogst bezwaarlijk in de behoeften van mijn gezin te voorzien.” „Maar” vervolgde hij, „waarom mij aan u te beklagen, gij schept er vermaak in brave lieden te kwellen, en groote mannen in vergetelheid te laten, terwijl gij de slechten begunstigt en diegenen verheft, welke geene enkele deugd of goede hoedanigheid bezitten, waardoor zij zulks waardig zijn.”

Bij het eindigen dezer woorden smeet hij de mand vertoornd weg, wiesch zijne netten, reinigde ze van het slik, en wierp ze voor de derde maal uit. Ook nu haalde hij niets op dan steenen, schelpen en wier; zijne wanhoop was onbeschrijfelijk, hij was als zinneloos! Daar echter de dag begon aan te breken verzuimde hij als goed muzelman niet zijn gebed te doen, waaraan hij deze bede toevoegde: Heere! gij weet dat ik mijne netten niet meer dan viermaal daags uitwerp. Reeds heb ik ze driemaal uitgeworpen, zonder van mijnen arbeid eenige vrucht te genieten. Nog slechts ééne vraag blijft mij over; ik bid u laat ditmaal de zee even gunstig voor mij zijn, als gij ze voor Mozes gemaakt hebt.

Na dit gebed wierp de visscher zijne netten voor de vierde maal uit. Toen hij nu dacht dat er visch in was, trok hij ze niet zonder krachtsinspanning op. Hij vond er ook nu geen visch in, maar eene koperen vaas, die, naar haar gewigt te oordeelen, met iets zwaars gevuld moest zijn. Ook bemerkte hij, dat de vaas met eenen looden zegel, waarop eenige vreemde letters gegraveerd stonden, gesloten was. Deze vangst verblijdde hem. Ik zal, dacht hij, de vaas bij den koperslager brengen, en voor het geld, dat ik er van maak, eene maat koren koopen, opdat ik iets te eten hebbe voor mij en voor mijne huisgenoten.

Hij bekeek intusschen de vaas aan alle kanten, en schudde ze krachtig om te vernemen of hetgeen zij inhield ook geluid of klank gaf. Hij vernam niets, en deze omstandigheid, gevoegd bij die van het zegel, bragten hem op het denkbeeld, dat deze vaas misschien eene zaak van waarde kon inhouden. Hieromtrent zekerheid wenschende te hebben, nam hij zijn mes, en ligtte met eenige moeite het zegel op. Hij keerde de nu geopende vaas dadelijk het onderste boven, maar er viel niets uit, hetgeen hem ten hoogste verwonderde. Dezelve met aandacht beschouwende, bemerkte hij intusschen een' digten damp, die er uit opsteeg, en die hem vepligtte twee of drie passen achterwaarts te doen, om niet te stikken. Deze damp verhief zich tot de wolken, en breidde zich als een dikke mist over de zee en het strand uit, een schouwspel dat, gelijk men ligt kan denken, den visscher grootelijks verbaasde. Toen al de damp uit de vaas was opgestegen, vereenigde hij zich tot een vast ligchaam, waaruit zich een geest vormde langer dan de grootste reus, die ooit bestaan heeft. Op het gezigt van dit bovennatuurlijke monster, wilde de visscher de vlugt nemen, maar hij was zoo ontzet en door schrik getroffen, dat zijne voeten hem hunne dienst weigerden en hij als aan den grond vastgenageld staan bleef. „Salomo,” riep nu de uit zijne enge gevangenis ontslagen geest, met eene stem gelijk aan het rollen van den donder, „Salomo, groote profeet van God, vergiffenis, vergiffenis! Nimmer meer zal ik mij tegen uwen wil verzetten. Ik zal gehoorzaam zijn aan al uwe bevelen.”

Toen de visscher deze woorden van den geest hoorde, schiep hij moed en zeide: „Arme geest wat gij daar zegt is voor mij een raadsel. Het is reeds meer dan achttienhonderd jaar geleden, dat Salomo, de profeet van God, gestorven is, wat kunt gij dan met hem te doen gehad hebben? Verhaal mij uwe geschiedenis en waarom gij in deze vaas waart opgesloten?” Op deze toespraak, zag de geest den visscher met verachting aan, en graauwde hem toe: „Spreek met meer beleefdheid, wat vermeet gij u wel, mij dus gemeenzaam met den naam van „arme” aan te spreken?” „Welnu!” hernam de visscher, „vindt gij beter dat ik u een geluksvogel noem?”

„Ik zeg,” herhaalde de geest, „dat gij mij beleefder en met meer ontzag hebt toe te spreken, voor dat ik u doe sterven.” „Wel nu nog fraaijer!” riep de visscher, „om wat reden zoudt gij mij dooden? Ik heb u zoo even uit uwe gevangenis verlost, waar gij al vrij benaauwd en dus niet op uw gemak zult hebben gezeten: zijt gij dat misschien reeds vergeten, dan hebt gij een heel kort geheugen.”—„Neen, dat weet ik zeer goed,” sprak de geest, „maar het zal mij niet weêrhouden u te doen sterven; ik heb u daarbij slechts ééne gunst toe te staan.” „En wat zal dat zijn?” vroeg de visscher. „Dat ik het aan uwe keus laat,” antwoordde de geest, „op welke wijze gij wilt dat ik u doode.” „Die keus,” hernam de visscher, „bevalt mij niet, en moge een ander doen. Maar waarmede heb ik u beleedigd? Wilt gij de weldaad, die ik u bewezen heb, vergelden door mij het leven te benemen?” „Ik mag niet anders handelen,” hernam de geest, „en opdat gij daarvan overtuigd moogt worden, zoo hoor mijne geschiedenis.

Ik ben een dier weêrspannige geesten, die zich tegen den wil van God verzet hebben. Alle andere geesten erkennen den grooten Salomo voor Gods profeet, en onderwerpen zich aan hem: Wij, Sacar en ik, waren de eenigsten, die zich hiertoe niet wilden vernederen. Om zich over onze weêrspannigheid te wreken, belastte deze magtige koning zijnen eersten minister Assaf, zoon van Barakhia, mij gevangen te doen nemen. Deze last werd volvoerd. Assaf verzekerde zich van mijn persoon, en bragt mij tegen mijnen wil voor den troon van den koning zijn' meester. Salomo, de zoon van David, gelastte mij, om mijne verkeerde levenswijze te veranderen, zijne oppermagt te erkennen, en mij aan zijne bevelen te onderwerpen. Ik sloeg dit met trotschheid af en wilde liever zijnen toorn ondervinden, dan den eed van getrouwheid en onderwerping, dien hij van mij vorderde, afleggen. Om mij daarvoor te straffen sloot hij mij in deze koperen vaas, en om zich te beter van mij te verzekeren, zoo dat ik uit mijne gevangenis niet zou kunnen losbreken, drukte hij eigenhandig op het looden deksel van de vaas zijn zegel, waarop de naam van den almagtigen God gegraveerd was. Vervolgens stelde hij de vaas in handen van een der hem onderdanige geesten, met last deze in zee te werpen, welk bevel tot mijne groote spijt maar al te getrouw volbragt werd. Gedurende de eerste eeuw van mijne gevangenschap deed ik een' plegtigen eed, dat ik dengene, die mij binnen verloop van die honderd jaren uit mijne gevangenis mogt bevrijden, schatrijk zou maken. Maar die eeuw verliep, zonder dat iemand mij deze dienst bewees. In de tweede eeuw zwoer ik aan mijnen bevrijder al de onderaardsche schatten te zullen schenken, maar ik was niet gelukkiger. In het derde honderdtal jaren beloofde ik mijn' verlosser tot eenen magtigen monarch te zullen verheffen, hem ten alle tijde als zijn beschermgeest ter zijde te blijven, en hem elken dag drie wenschen toe te staan, van welken aard die ook mogten zijn; maar deze eeuw ging om gelijk de beide voorgaanden, zonder dat er eenige verandering in mijn treurig lot kwam. Eindelijk, verbitterd dat zich niemand over mij ontfermde en verwoed wegens mijne langdurige gevangenschap, zwoer ik dat, mogt in het vervolg iemand mij bevrijden, ik hem zonder mededoogen om het leven zou brengen en geen andere gunst toestaan, dan dat hij zou kunnen kiezen welken dood te sterven. Daarom, gij, die mij heden bevrijd hebt, kies welken dood gij van mijne hand wenscht te ontvangen. Maar haast u!”

Dit stond echter den visscher volstrekt niet aan. „Ik ben wel ongelukkig,” riep hij op klagenden toon, „dat ik juist hier mijne netten moest uitwerpen, om eene zoo groote dienst aan een' ondankbare te bewijzen! Ik bid u, wees regtvaardig en herroep uwen onredelijken eed. Wees mij genadig! God zal ook u genadig zijn, indien gij mij grootmoedig het leven schenkt, doch de moord op een' onschuldige gepleegd is een gruwel in zijne oogen.” „Neen, uw dood is onvermijdelijk,” sprak de geest, „kies alleen op welke wijze gij sterven wilt.”

De visscher, ziende dat de geest besloten had hem te dooden, werd zeer bedroefd, niet zoo zeer uit gehechtheid aan het leven, dan wel om zijne drie kinderen, die door zijnen dood in de diepste armoede en ellenden zouden worden gestort. Dit bewoog hem nogmaals te beproeven of hij den geest niet zou kunnen vermurwen. „Ach,” smeekte hij, „heb mededoogen, is het niet met mij, dan met mijne arme kinderen die, indien gij mij het leven beneemt, van honger en gebrek zullen moeten omkomen. Wees niet ondankbaar voor de dienst, die ik u bewezen heb.”—„Ik heb u reeds gezegd,” hernam de geest, „dat het juist die dienst is, welke mij in de verpligting brengt u te dooden.” „Het is toch vreemd,” hernam de visscher, „dat gij er zoo op staat het goede, dat u bewezen is, met kwaad te vergelden. Het spreekwoord zegt, dat wie aan een' onwaardige eene weldaad bewijst, slechts ondank heeft te wachten. Ik heb altoos gemeend dat die spreuk onwaar was, als strijdig met de wet der liefde en verderfelijk voor de maatschappij, doch thans ondervind ik, helaas! op eene vreeselijke wijze, dat zij maar al te waar is. En ....” „Geef u geene vergeefsche moeite,” viel de geest ongeduldig in, „alle die redeneringen kunnen u niet baten of mij van mijn voornemen afbrengen. Haast u! op welke wijze wilt gij sterven!”

De nood maakt dikwijls vindingrijk en deed ook nu den anders eenvoudigen visscher op eene list bedacht zijn. „Daar ik zie,” zeide hij tot den geest, „dat ik den dood niet kan ontgaan, zoo zal ik mij aan den goddelijken wil, zonder wiens toelating gij niets tegen mij zoudt vermogen, onderwerpen. Doch alvorens eenen dood te kiezen, zoo bezweer ik u bij den levenden God, wiens naam op het zegel van den profeet Salomo, de zone Davids, gegrift is, mij de waarheid te zeggen omtrent eene vraag, die ik u heb voor te stellen.”

Toen de geest zag, dat hem eene bezwering werd gedaan, dat hem tot een bepaald antwoord noodzaakte, ging hem eene rilling door de leden, en zich tot den visscher wendende, zeide hij: „Vraag wat gij wilt, doch haast u!” „Ik wensch te weten,” hernam de visscher, „of gij werkelijk in deze vaas waart opgesloten; durft gij dit bezweren bij den grooten naam die op het zegel is gegrift!” „Ja,” antwoorde de geest, „ik zweer u bij dien grooten naam, dat ik er in was en dat dit de waarachtige waarheid is.” „Kom, geen praatjes,” hernam de visscher, „ik kan u niet gelooven. Deze vaas is niet ruim genoeg om slechts een' van uwe voeten te kunnen bevatten, hoe is het dan mogelijk, dat uw geheele ligchaam daarin besloten is geweest!” „Ik zweer u nogthans,” sprak de geest, „dat ik er in was, zoo als gij mij hier voor u ziet. Gelooft gij mij niet, na den zwaren eed, dien ik gedaan heb!” „Neen inderdaad niet,” zeide de visscher, „en ik zal u niet gelooven, tenzij gij het mij met eigen oogen zien laat, zoodat ik daardoor overtuigd wordt.”

Nu ontbond zich het ligchaam van den geest, dat weder in damp veranderde, verspreidde zich als vroeger over de zee en het strand, trok daarop weder te zamen en verdween van lieverlede in de vaas, zoodat er eindelijk niets meer buiten bleef. Vervolgens liet zich uit de vaas eene stem aldus hooren: „Welnu, ongeloovige visscher, thans ben ik in de vaas, gelooft gij mij nu?”

De visscher, in plaats van te antwoorden, nam het loden deksel en sloot zonder talmen de vaas digt. „Geest!” riep hij nu op triomferenden toon, „thans is de beurt aan u, mij om genade te smeeken; kies, door welken dood gij wilt dat ik u doe sterven! Doch neen, het is beter, dat ik u weder in zee werp, ter plaatse waar ik er u uit opgehaald heb. Ik zal dan hier mijne hut opslaan en mijne woning vestigen, ten einde alle visschers, die te dezer plaatse hunne netten mogten willen uitwerpen, te waarschuwen, om zich wel in acht te nemen een' zoo slechten geest, die den zondigen eed heeft gedaan, zijn bevrijder te zullen dooden, niet weder op te visschen.”

Op deze honende taal spande de vertoornde geest al zijne krachten in om uit de vaas te komen maar te vergeefs, want het opschrift van Salomo op het zegel belette hem zulks. Zich geheel in de magt van den visscher ziende, besloot hij zijne gramschap te ontveinzen. „Visscher,” sprak hij op zachten toon, „neem u wel in acht aan uwe bedreiging gevolg te geven. Mijne handelwijze met u is slechts gekschering geweest, gij moet haar geenszins in ernst opnemen.” „O Geest!” antwoordde de visscher, „gij, die een oogenblik geleden de grootste waart, doch nu de kleinste van alle geesten zijt, maak er staat op, dat al die listige praatjes u niets zullen baten. Gij keert naar den bodem der zee terug. Indien gij daar zoo vele eeuwen hebt gewoond, als gij mij gezegd hebt, dan kunt gij er ook wel huisvesten tot aan den dag des oordeels. Ik heb u gesmeekt en bij den hemel bezworen, mij het leven niet te benemen, doch gij bleeft doof voor mijne gebeden; het is billijk, dat ik u thans met gelijke munt betaal.”

De geest spaarde inmiddels geene fraaije woorden en beloften om den visscher te vermurwen. „Open de vaas,” sprak hij, „geef mij de vrijheid terug, ik smeek er u om en beloof u, dat gij over mij tevreden zult zijn.” „Gij zijt slechts een trouwelooze,” hernam de visscher. „Ik zou verdienen het leven te verliezen, indien ik de onvoorzigtigheid beging, mij op u te verlaten. Gij zoudt dan gewis niet in gebreke blijven met mij op gelijke wijze te handelen, als zeker Grieksche koning met den geneesheer Douban handelde. Dit is eene geschiedenis, welke ik u vertellen zal, luister!

GESCHIEDENIS VAN DEN GRIEKSCHEN KONING EN DEN GENEESHEER DOUBAN.

In Zouman, eene landstreek in Perzië, regeerde een koning, wiens onderdanen van Griekschen oorsprong waren. Deze koning was in eene hooge mate melaatsch. Zijne geneesheeren, na al de hun bekende middelen tot zijne genezing te hebben aangewend, zonder dat de vorst daarbij eenige baat of verligting van smart vond, wisten niet meer wat hem voor te schrijven, toen er een zeer kundige arts, Douban genaamd, in zijne hofstad aankwam.

Deze arts had zijne groote kennis geput uit Grieksche, Perzische, Turksche, Arabische, Latijnsche, Syrische en Hebreeuwsche geneeskundige werken; bovendien was hij een groot wijsgeer, en zeer ervaren in de botanie, zoodat hij de kracht van bijna alle kruiden kende. Zoodra de ziekte des konings hem ter ooren kwam en hij daarbij vernam, dat zijne geneesheeren hem als ongeneesbaar hadden opgegeven, deed hij zijn beste kleed aan en vond weldra gelegenheid om aan den vorst te worden voorgesteld. „Sire,” sprak hij, „het is mij bekend dat alle geneesheeren, die uwe majesteit behandeld hebben, u niet van uwe melaatschheid hebben kunnen genezen; maar indien het u behaagt mijne behandeling aan te nemen, zoo verbind ik mij u zonder in- of uitwendige middelen volkomen te herstellen.” De Koning hoorde dit voorstel met even veel verbazing als blijdschap aan. „Indien gij,” zeide hij „zoo bekwaam zijt als gij voorgeeft, en in staat uwe belofte te verwezentlijken, zoo zweer ik, dat ik u en uwe nakomelingen rijk zal maken, en behalve de geschenken, welke gij van mij te verwachten hebt, zult gij mijn eerste gunsteling zijn. Gij verzekert mij dus,” vervolgde de koning, „dat gij mij van mijne kwaal kunt genezen, zonder mij eenigen drank toe te dienen, en zonder mij eenige pijnlijke bewerking te doen ondergaan?” „Ja Sire,” antwoordde de arts, „ik vlei mij daarin met Gods hulp te zullen slagen, en reeds morgen zal ik er de proef van nemen.”

De medicijnmeester Douban keerde daarop naar zijne woning terug, en maakte eene kolf met een hol handvatsel, dat hij met kruiden en droogerijen vulde. Vervolgens vervaardigde hij ook een dusdanigen bal, en begaf zich den volgenden morgen met een en ander naar den koning. Volgens de gebruikelijke pligtplegingen wierp hij zich aan zijne voeten neder, kuste de aarde, en zeide tot den koning, dat hij zijne majesteit voorschreef te paard te stijgen en zich naar de maliebaan te begeven om den bal te slaan. De koning deed zoo als hem gezegd werd. Toen hij op de bestemde plaats was gekomen, trad de arts eerbiedig nader en bood den vorst de door hem toebereide maliekolf aan. „Neem deze kolf, Sire,” zeide hij, „oefen er u in om met dezelve den bal met alle kracht voort te slaan, en ga hiermeê tot zweetens toe voort. Wanneer het geneesmiddel, dat ik in de greep van deze kolf gedaan heb, door uwe hand warm wordt, zal het door uw geheele ligchaam heen trekken. Zoodra gij goed warm zijt, kunt gij uwe oefening staken, het middel zal dan zijne werking gedaan hebben. In uw paleis terug gekomen, begeer dan dadelijk een bad en laat u goed wasschen en wrijven. Begeef u vervolgens ter ruste, en als gij morgen uw bed verlaat, zult gij volkomen genezen zijn.”

De koning nam de kolf en zette zijn paard aan om den bal, dien hij had opgeworpen, te achtervolgen. Hij trof den bal, en deze werd hem door zijne hovelingen, die met hem speelden, teruggeworpen; hij sloeg hem weder terug, en hield met dit spel zoo lang vol, dat niet alleen zijne hand, maar zijn geheele ligchaam zweette. Dit was voldoende om de kruiden hunne werking te laten doen. De koning staakte toen het spel, reed naar zijn paleis terug, ging in het bad, en volgde in alles de voorschriften van zijnen nieuwen geneesheer strikt op. Hierbij bevond hij zich zeer goed, want den volgenden morgen opstaande, bleek hem tot zijne groote verwondering en vreugde, dat hij van zijne melaatschheid geheel was genezen, en dat zijn ligchaam even gezond was, als vóór zijne ziekte. Zoodra hij gekleed was, begaf hij zich naar zijne audientie-zaal, zette zich op den troon en vertoonde zich aan zijne verbaasde hovelingen, die, nieuwsgierig naar de uitwerking van het middel, zich reeds vroegtijdig daar lieten vinden. Toen zij nu den koning geheel genezen zagen, gaven zij allen daarover hunne groote vreugde te kennen.

Nu trad de arts Douban de zaal binnen, en wierp zich voor den troon op zijn aangezigt neder. De koning echter riep hem tot zich, deed hem naast zich op den troon zitten, vertoonde hem aan de vergaderde menigte en gaf hem in het openbaar al den lof, dien hij verdiende. De vorst liet het hierbij niet blijven; daar hij dien dag zijn geheele hof onthaalde, noodigde hij ook den arts, en plaatste zich met hem aan eene afzonderlijke tafel.

De Grieksche koning vergenoegde zich niet den medicijnmeester Douban aan zijne tafel te ontvangen, hij deed hem tegen den avond in tegenwoordigheid van het geheele hof met een' kostbaren tabberd omkleeden, en schonk hem twee duizend sequinen. Zoo ging hij elken dag voort den bekwamen Douban met nieuwe weldaden te overladen.